dinsdag 6 maart 2007

Een sentimentele aanval op de Taliban

Vreemd, aanvankelijk heette de Nederlandse vertaling van The Kite Runner De vliegeraar van Kabul. Die ‘van Kabul’ is verdwenen – waarschijnlijk hangen daar te veel onaangename associaties aan vast. Als ons oorlogstijdingen bereiken uit een of ander grijs en grauw en meestal stoffig oorlogsgebied, waar mannen met baarden haatdragende slogans roepen en brandende vlaggen vertrappen, hebben wij – geef het maar toe – al wel eens vaker de neiging om de knop om te draaien.

Mijn exemplaar is een negenentwintigste druk. Negenentwintig drukken in drie jaar: dat is niet gering! Dat moet toch wel een hele goeie roman zijn!

Mensen die De vliegeraar gelezen hebben bevestigen mij dat. Zij lieten zich graag meeslepen door het verhaal en door de emoties die Khaled Hosseini daarin kwistig rondstrooit. Hun oordeel is zo unaniem en hun enthousiasme zo groot dat ik mijn reserves inslik. Er is al genoeg kommer en kwel in de wereld, je moet behoedzaam omspringen met positieve gevoelens.

Wie mijn mening niet wil kennen, leest beter niet verder.

Khaled Hosseini is, zo blijkt uit het dankwoord achterin het boek, een product van een schrijfschool. En dat merk je. Eén voorbeeld: in een kunstige beschrijving van een als een bijenkorf gonzende wijk in Islamabad (met veel kleuren en specerijen en lawaai) passeren een voor een alle zintuigen de revue: ogen, oren, neus. Als je bij de oren bent, wéét je al dat de neus er zit aan te komen – zo schrijft nu eenmaal de schrijfschool het voor.

Hosseini’s verhaal (verslag) mag meeslepend zijn, ik vind zijn stijl matig en de literaire waarde van zijn boek gering. Het is ergerlijk hoe Hosseini, met zijn kleine schrijfstijl, grossiert in grote emoties: verkrachting, doodslag, verraad, trouw, vaderliefde, schuld, liefde, zelfmoord, een kinderloos huwelijk en adoptie… Niets blijft ons bespaard. Want Hosseini beschrijft de recente geschiedenis van Afghanistan. En dat is geen lachertje. Een vreedzame kindertijd in een bevoorrechte omgeving wordt wreed verstoord, eerst door de communisten en dan door de Taliban. Het hoofdpersonage vlucht naar Amerika – en daar is het ook, het zal wel geen toeval zijn, dat de schrijver zijn aanklacht tegen het verwerpelijke regime in zijn land van herkomst schrijft. De vliegeraar is natuurlijk ook een verhaal van vriendschap, schuld en boetedoening, maar de personages zijn uit bordkarton opgetrokken en de borstel waarmee de karaktertrekken op hun gelaten zijn aangebracht, is veel te grof. Hosseini schildert zwart-witte, geschematiseerde, op het gemoed werkende karikaturen, geen genuanceerde, levensechte portretten. En daardoor stijgt zijn boek niet uit boven het politieke pamflet.

Een van de kwalijke zaken aan deze Vliegeraar is dat Hosseini’s aanklacht tegen de Taliban totaal kritiekloos blijft ten aanzien van gastland Amerika, dat nochtans na 9/11 ijverig intervenieert in Afghanistan – en wellicht niet zonder collateral damage. Als politiek pamflet is De vliegeraar ongenuanceerd, vooringenomen en dus onbetrouwbaar. Niet dat ik vind, voorzover ik daarover kan oordelen, dat het Talibanregime niet verwerpelijk zou zijn – wie eeuwenoude kunstschatten uit naam van een intolerante god vernielt en zijn vrouwen naar de wereld doet kijken doorheen een met gaas dichtgemaakte uitsparing onderin een omgekeerde aardappelzak, boerka genaamd, verdient van geen enkel weldenkend mens achting –, maar dat betekent nog niet dat wij ons een politieke afrekening, hoe terecht ook, onder het mom van een psychologisch drama als literatuur moeten laten opdissen. Want dat is deze roman dus niet. Hij hangt aan mekaar van de onwaarschijnlijkheden, er wordt te nadrukkelijk op het gemoed gewerkt en op het eind, zeg maar vanaf het ogenblik dat de hele adoptiekwestie uit de doeken wordt gedaan, stort de hele constructie, die tot dan toe nog redelijk was geweest, zelfs helemaal in elkaar.

Bon, nu weet u het dus: ik vind Hosseini’s Vliegeraar overroepen.