notitie 520
In zijn dagboeken (1) lees ik dat Wannes Van de Velde omstreeks de millenniumwissel een paar keer Brugge bezocht. Uiteraard ontgingen ook hem het ‘(p)aardengetrappel en horecawalmen alom’ (411) niet. Maar hij bekeek Brugge ook met een buitenstaandersblik die probeerde zich niet te stoten aan oppervlakkige ergernissen. Wannes spreekt met gemengde gevoelens over Brugge, dat volgens hem ‘meer dan één irreële dimensie’ heeft. ‘Er is iets met de leegte hier. Bruges, la Morte? Toch wel, ja, als je maar voorbij de uiterlijkheden wilt kijken. Dan vertelt ze iets over het onstuitbare verlies. Haar diepe stilte, die Fernand Khnopff (2) zo kon intrigeren, is verdwenen, maar er leeft een onderhuidse echo van voort. Men wil – en dat is eigen aan het Vlaanderen van het jaar 2000 – dat Brugge een dynamische stad wordt, een glunderend gezicht van Vlaanderen, maar toch is er hier een aanwezigheid die ons meewarig blijft aankijken en ons tot stilte noopt.’ (407) In augustus 2000, toen hij samen met zijn vrouw twee weken lang, op vankantie in eigen land, in Brugge verbleef, schreef hij: ‘Ik een borrel en Christa een Stella in Café Soeur Sourire, op een goede honderdvijftig meter van het Minnewaterpark. Een volks café. Er wordt uitsluitend Brughs (sic, PC) gesproken, maar wanneer twee Duitse dames komen informeren naar de Parkplatz van hun bus, antwoordt de bazin in trefzeker Duits. Zonder hapering vliegt het eruit, en tschüsz! Merkwaardig volk toch. Ze spreken moeiteloos vier, vijf talen. Je vraagt je af waarom ze niet trotser zijn.’ (459-460)
Ben ik trots op ‘mijn stad’? In welke mate kan ik Brugge ‘mijn stad’ noemen? Schuurt en wringt in die vraag niet meteen iets?
Neen, dit wordt niet de zoveelste jeremiade over het overtoerisme in het zogenaamd middeleeuwse Brugge. (Al zal ik het toch even niet kunnen laten.) Of over het zichzelf ‘fietsstad’ noemende ‘openluchtmuseum’. Over de excentrisch gelegen niet eens zo grote provinciestad waar bestuur en handelaars gezamenlijk de plak zwaaien en waar de nooit eerder voldoende uitgedaagde bewindvoerders kritiek al te gemakkelijk als ‘activistisch’ wegzetten.
Maar we gingen het niet over politiek en wel over ‘mijn stad’ hebben.
Wat betekent dat, ‘mijn stad’? Het bezittelijk voornaamwoord drukt geen bezit maar een relatie uit. (Neen, geen ‘relatietje’.) Een relatie, zoals in ‘mijn kinderen’ of ‘mijn leven’. Als ik Brugge als ‘mijn stad’ beschouw, zou dat kunnen betekenen dat ik er geboren ben, dat ik er al mijn hele leven woon, dat deze stad een wezenlijk bestanddeel vormt van mijn identiteit.
Ik ben niet in Brugge geboren, maar woon er nu wel al meer dan zestig jaar. Veertig jaar lang groeide ik op in de randgemeenten Assebroek en Sint-Kruis, en ik woon nu al twintig jaar ‘op’ Kristus-Koning. Ik woonde dus nooit in de binnenstad. Alleen daardoor al mag ik mijzelf minder, vind ik, als een ‘echte’ Bruggeling beschouwen.
Als kind overbrugde ik maar zelden de 5 kilometer die de Populierendreef 29 van de Grote Markt scheidden. Mijn leven speelde zich af op Ver-Assebroek, in de Sint-Lutgardiswijk, het Paalbos, Ryckevelde. Later kwamen daar Sint-Kristoffel bij, waar ik school liep, en Sint-Kruis, waar enkele vrienden woonden. (Veel ‘Sinten’, merk ik nu.) Pas vanaf mijn zestiende of daaromtrent, we schrijven 1977, leerde ik de binnenstad wat beter kennen. Ik frequenteerde enkele van de toen nog talrijke bruine kroegen samen met een goede vriend en later met mijn eerste lief. ‘A city becomes a world when one loves one of its inhabitants,’ schreef Lawrence Durrell. Ik onderschrijf dat: Brugge werd, op die manier, mijn wereld.
De meeste bruine kroegen zijn in rook opgegaan. *Pun intended* want het rookverbod zit daar natuurlijk in grote mate tussen. Maar er is méér aan de hand. De gemeenschap is de voorbije drie decennia uit elkaar gevallen, onder meer door het individualiserende schermgebruik en de doorgedreven digitalisering. Dat veranderde de wereld en derhalve ook de stedelijkheid, ook in Brugge. En niet ten goede, als je het mij vraagt.
Ik herhaal de vraag: is Brugge ‘mijn stad’? Ik zou het over om het even welke stad kunnen zeggen waarvan ik een ingezetene zou kunnen zijn mocht het lot daar anders over hebben beslist – wat best had gekund want noch mijn vader noch mijn moeder was ‘van hier’. Ze belandden in 1963, toen ik 2 jaar was, min of meer toevallig in Assebroek. We spraken – niet onbelangrijk – een andere taal dan het dialect dat in onze omgeving werd gebezigd. Ook dat dreef een wig tussen mij en Brugge.
Toen ik halfweg de jaren tachtig, na enkele jaren in Leuven te hebben geleefd, naar Brugge terugkeerde, liep de tijd van de bruine kroegen stilaan op zijn eind. Brood op de plank vond ik vooral in Brussel. Brugge bleef voor mij lange tijd – en dat is het eigenlijk nog altijd – niet veel méér dan een verzameling vaste ankerpunten: de bibliotheek, de bioscoop, enkele favoriete winkels. Onnodig te zeggen, denk ik, dat ik het dan niet heb over de ketenfilialen in de winkelstraten, die, volgens de entente van politiek en commerce in onze stad, ‘made for shopping’ zijn. Die winkelstraten zijn trouwens een van de factoren die mij doen aarzelen om mij te vereenzelvigen met Brugge. Om de heel eenvoudige reden dat ze overal min of meer hetzelfde zijn en bijgevolg niets zeggen over de identiteit van ‘mijn stad’.
Brugge is ook niet ‘mijn stad’ wanneer ik me, altijd zeer geduldig en nooit agressief gebruik makend van mijn fietsbel, een weg probeer te banen door de toeristenmassa – daar zijn ze, de toeristen! Brugge is overigens ook niet ‘mijn fietsstad’ wanneer ik daarbij over schier onberijdbare kasseien of dolomietpaden moet dokkeren. Brugge is evenmin ‘mijn stad’ wanneer ik moet vaststellen dat het stadsbestuur met nóg meer evenementen nóg meer mensen probeert aan te trekken. Vô wiens z’n illiggen, eigentlik?
Ik kan Brugge bezwaarlijk ‘mijn stad’ noemen wanneer ik het gevoel krijg dat iets van mij wordt afgenomen wanneer – bijvoorbeeld – tijdens de kerstperiode in zwarte containers brol wordt verkocht of als het belfort als projectiescherm wordt gebruikt voor Vlaams-nationalistische propaganda en – toch zeker in 2025 – reclameboodschappen. Dat laatste heb ik van horen zeggen want ik kon mezelf er nog niet toe kunnen bewegen om dat spektakel te gaan bekijken.
Maar ik noem Brugge zeer graag ‘mijn stad’ wanneer ik op een teamdag mijn collega’s uit Antwerpen en Gent en Tienen en Leuven en Brussel door de stille straten van Sint-Gillis leid en mij probeer voor te stellen hoe zij al dat fraais met de nieuwe ogen bekijken die ik niet meer heb, of wanneer ik met een podcast in mijn oortjes op een zondagmorgen over de Vesten wandel. Die raad geef ik altijd aan toeristen mee die zich de moeite getroosten om hier langer dan drie uren te ‘cruisen’: stap de toer van de Vesten, dan heb je een beter idee. Verdwaal op dag twee moedwillig in het stratenlabyrint van de binnenstad, liefst voor dag en dauw. En bezoek dan op dag drie de culturele hotspots die je als toerist toch moet hebben gezien vooraleer je terugkeert naar waar je vandaan komt.
Want ja, Brugge is een fenomenaal mooie stad. Generaties particuliere eigenaars, beleidsmensen en vaklui hebben haar uit de grauwe negentiende eeuw getild en er een fraai geheel van gemaakt waarvan je alleen maar kunt zeggen dat het een voorrecht is er te mogen wonen.
Toch is er – en terecht – ongenoegen. Dat zich, gek genoeg in deze stad van reien, moeilijk laat kanaliseren.
De protestactie SOS Brugge van een veertigtal jaar geleden bleek van meet af aan een bourgeois-aangelegenheid. Ik herinner mij dat op de stichtingsvergadering – ja, ik was daar bij – iemand zijn beklag maakte over de golfslag van de bootjes tegen de kade van zijn cijnsgrond. SOS Brugge ging dus niet, of in elk geval niet genoeg, over waar ik me toen reeds en nu nog altijd zorgen over maak(te): de gentrificatie van de binnenstad en de jongerenvlucht naar Vlaamse en buitenlandse steden die blijkbaar meer kansen boden – en nog altijd bieden – voor ontplooiing. Dat Brugge ooit de kans niet greep om KUL en PMMK (nu MuZEE) binnen te trekken, is een historische gemiste kans gebleken.
Toch is het zo dat wie zegt dat er in Brugge niets te beleven valt, zich vergist of kwaadwillig is. Er is meer cultuur in Brugge dan een mens behappen kan. Brugge 2002 en het Concertgebouw hebben de stad een enorme impuls gegeven. Ik bid dat de Lumière mag blijven bestaan. Heel wat culturele evenementen in de openbare ruimte zijn ook voor Bruggelingen democratisch toegankelijk. BRUSK zal hopelijk een nieuwe dynamiek op gang brengen.
Maar wat deze stad wel mist, is… stedelijkheid. Dat gemis is geen typisch Brugs probleem. Het wordt veroorzaakt door de zogenaamde samenleving waarin we leven en door het totalitaire kapitalisme. Brugge is te weinig een plaats van ontmoeting en gesprek. Of van flaneren – wat nog iets anders is dan shoppen. Of van democratische experimenten aan de toog van betaalbare cafés waar je ook als je niets wenst te eten welkom bent. Stedelijkheid wordt ook niet verzekerd door een opdringerige commercie, met schaamteloos gemarchandeer met prullaria en chocolade in de zogenaamde Gouden Driehoek. Ik zou ook een stedelijkheid willen met minder leegstand en met betaalbare huisvesting waar ook de ‘gewone’ Bruggeling een dak vindt en niet enkel de vermogende tweedeverblijvers die, samen met de airbnb-exploitanten, alleen maar de vastgoedprijzen de hoogte in jagen.
Is Brugge ‘mijn stad’? De vraag is überhaupt of het wel een ‘stad’ is. Het ‘Ei’ telt nauwelijks 20.000 inwoners. Een minderheid is dat, in vergelijking met de tienduizenden die hier elke zogenaamde ‘top’-dag een paar uur komen rondslenteren met kleine winkelzakjes waarin de chocolade al volop aan het smelten is.
Ik hou van Brugge en besef wat een bofkont ik ben dat ik hier in goede omstandigheden mag leven. Ik moet er onmiddellijk bij zeggen dat ik een gemiddeld bemiddelde en nog altijd redelijk gezonde en goed tegen onheil verzekerde blanke man ben die zich een appartement tegenover een park kan permitteren. Ik denk er niet aan om in een andere stad te gaan wonen – heb het zelfs nooit serieus overwogen. Alleen al omdat het hier in de steeds ondraaglijker wordende zomers vijf graden minder heet is dan in het binnenland, omdat er relatief veel groen is, en omdat het zeer bereikbare Ommeland, waar het wél leuk fietsen is, zo mooi is.
Brugge, ‘mijn’ Brugge en ik? Het is geen onstuimige liefdesverhouding. Er is onmin. Maar ik blijf trouw.
(1)
Wannes Van de Velde, Dagboeken, Uitgeverij P, 2018
(2)
Zie de illustraties



.jpeg)























