Eerst dit: ik bezit geen auto.
Principieel, maar ook omdat ik er geen nodig heb.
Zo
gebeurt het dat ik geregeld – ook al om de huidige janboel aan het
station te vermijden – in de Spoorwegstraat in Sint-Michiels fiets.
Daar kom ik, richting station, na de rotonde aan ten Briele in het
gedeelte van de Spoorwegstraat waar er aan de rechterkant tussen de
straat en de treinsporen huizen staan. Over dat stukje wil ik het
hebben omdat daar de manier waarop het fietspad is aangelegd perfect
illustreert hoe de overheid denkt over de rangorde tussen fiets en
auto. Letterlijk bij elke garagepoort – en bijna elk huis heeft er
daar een – zakt het niveau van het fietspad, dat op dezelfde hoogte
als het trottoir is aangelegd, een tiental centimeter. Waarna het
weer – hop! – tien centimeter stijgt. Dat veroorzaakt een hoogst
oncomfortabel gevoel bij het fietsen: als je dat stukje
Spoorwegstraat voorbij bent, zijn je ballen geklutst. Bij manier van
spreken, uiteraard, maar men begrijpt zeker wat ik bedoel. En dat
allemaal omdat meneer of madam Spoorwegstraatbewoner smooth
zijn/haar garage zou kunnen binnenrijden. Eén of twee keer per dag.
Terwijl daar dagelijks tientallen fietsers fysiek ongemak voor moeten
ondergaan. En ook mentaal ongemak, want ergernis is dat. Deze manier
van fietspaden aanleggen op het niveau van het trottoir is meer regel
dan uitzondering.
Ik weet het, het is een detail. Er zijn belangrijker zaken. Maar zou het niet logischer zijn in de aanleg van fietspaden een andere hiërarchie te hanteren? In een beleid dat werkelijk voorrang zou verlenen aan andere vormen van mobiliteit dan de auto zou dat vanzelfsprekend zijn.