dinsdag 31 december 2013

3462

S. in de Schipperskapel, Brugge - 131005

3461

Koksijde - 131004

zondag 29 december 2013

13 in z/w 338

Brugge, Boeverievest

13 in z/w 337


niet opgenomen 29

130323

doordeweekse zinnen 179-197

131222

179. Geen zondagse pistolets: de bakker heeft suiker in het deeg gemengd in plaats van zout.

180. ’t Is moeilijk kiezen tussen wereldbrand en zondvloed.

131223

181. Ze voorspellen hier een 'groene kerst', met  10 graden en een storm met wind tot 100 kilometer per uur.

182. Bancontact ligt op zijn gat en de feestverplichtingen eisen veel tijd op: inkopen, taken, wie gaat wat maken en dat soort zaken.

183. S. stelde voor om aan het raam te zitten, ten einde ten behoeve van de passanten gezelligheid uit te stralen.

184. Morgen moet ik nog maar eens een coq au vin in elkaar steken en dat lukt me denkelijk wel op een uurtje tijd.

131224

185. Eenden hebben een uitermate verfijnd smaakorgaan omdat ze modder moeten kunnen zeven.

186. Er was een barst in een glas en ook een in de neus van B.

131225

187. Ik wandelde op kerstochtend van de ene kant van de stad naar de andere.

188. Als je blijft schrijven, kan er niets gebeuren.

189. Ze hadden de post voor mijn moeder, waarvan ze mij een drietal weken geleden hadden laten weten dat ik die maar eens moest komen ophalen (hoewel het waarschijnlijk toch allemaal reclame was), al met het oud papier meegegeven.

190. Vandaag is het <‘kers’ + ‘t’> of <‘kerstomaat’ - ‘omaat’>.

131226

191. Het strafste voorbeeld hiervan was wel…, zei N. en daarop begon hij te stotteren: hij kon het zich niet meer voor de geest brengen wat dan wel dat strafste voorbeeld was geweest.

192. Zijn draadloze, op Wifi werkende geluidsinstallatie maakte het hem mogelijk om in zijn bad, lui achterover leunend en met gesloten ogen, te luisteren naar in Solemnes opgenomen Gregoriaanse gezangen.

131227

193. Nooit eerder kreeg ik kerstwensen uit Cochabamba.

194. Het ziet er niet naar uit dat de wijnbar van de Nederlandsonkundige Colombo-lookalike uit Duinkerken, wiens beschonken vrouw meeneuriet met de vals zingende Brel-interpreteet die vergeefs klanten probeert te lokken, een lang leven zal beschoren zijn: behalve wijzelf zijn er nul klanten in de zaak aanwezig en de lekkere hapjes met ham en olijven, die we hier de vorige keer bij ons relatief dure Côte de Rhône mochten nuttigen, zijn al vervangen door een kommetje met zoutjes uit een grote zak van de Colruyt.

131228

195. Is het nu dat de dagen beginnen te verlangen?

196. De dag blijft te donker om de gordijnen open te trekken.


197. Het is beter dat we niet allebei tegelijk hetzelfde boek lezen.

3459

Koksijde - 131004

zaterdag 28 december 2013

13 in z/w 336

Sint-Kruis, Delaplacestraat

13 in z/w 335


Philippe Claudel, Avant l’Hiver



Voor de winter komt de herfst

Een gezellig gezelschap tafelt in een riante tuin. (Het lijkt wel die spot voor kaas, met Hugo Claus in een glansrol.) De camera glijdt mee met de gastheer die binnen nog een fles gekoelde Sancerre gaat halen, we horen op de achtergrond iemand uitroepen dat X. dat verhaal al duizend keer heeft verteld – maar allez, doe maar, het is een leuk verhaal, zo’n verhaal dat niet kan ontbreken tijdens een gezellig samenzijn met familie en vrienden.

Philippe Claudel vertelt met Avant l’Hiver zo’n verhaal dat al duizend keer is verteld – het kan geen toeval zijn dat hij helemaal voorin in zijn film iemand zoiets laat zeggen.

Het verhaal is inderdaad banaal. Het koppel is zeer welstellend (‘de illusie van burgerlijk geluk’): chique 4x4-Volvo voor hem, zij doet de commissies met een Saab; hun modern gedesignde villa is patserig modern en zwaar omheind. Hij werkt zich te pletter als neurochirurg, zij verveelt zich te pletter want ze voert geen spat uit. De vlam is na dertig jaar huwelijk al lang uit de pan. Hij beseft dat zijn leven is voorbijgedenderd zonder dat hij er erg in had en maakt – uitgerekend dan! – kennis met een leuk barmeisje. Ze oogt mooi en is bovendien Marokkaans: Claudel laat het thema van de migratie aanrukken. De Marokkaanse schone stalkt de neurochirurg en doet hem tot het inzicht komen dat hij nooit eerder de tijd nam om eens naar een andere vrouw te kijken. Hij zwicht. Of toch bijna. Het huwelijk komt pas nu zwaar onder druk te staan – alsof het al niet veel eerder aan bloedarmoede is ten onder gegaan. Ondertussen krijgt de geplaagde neurochirurg in zijn praktijk ook nog een joodse vrouw onder het mes: opzijopzijopzij voor het thema van de Holocaust (en niets minder dan dat)! Uiteraard krijgt ook de psychiatrie – via de zieke schoonzus van de geplaagde neurochirurg, die voor het overige niets aan het verhaal bijdraagt – een vinger in de pap van de plot te brokken: retteketet voor de psychiatrie! De plot, nu we het daar toch over hebben, krijgt dan toch nog een verrassende wending, die in een betere film voor spanning had kunnen zorgen. Maar niet bij Claudel! Deze regisseur sleept ons met grote moeite mee naar het einde, naar, u raadt het al, alweer een tuintafelbijeenkomst. We kennen het principe van de wafelenbak als slotscène in de verhalen van Nero, of van het everzwijnfestijn in de verhalen van Asterix. Hetzelfde principe wordt hier toegepast.

Avant l’Hiver is een sof van een film. Het verhaal hangt aan elkaar van de clichés. Welstand maakt niet gelukkig. Galoppeer jezelf niet voorbij op je werk want voor je het weet heb je een burn-out. Vijftig jaar?, schat, staat de midlifecrisis klaar? Huwelijken die veel te lang duren. En wat doe je als je voor de ouderdom staat, avant l’hiver? Het is zeer herkenbaar allemaal, maar il faut le faire om al dat aansprekelijke zo vakkundig de nek om te wringen.

Het ligt niet aan het verhaal, het ligt aan de veel te trage regie, en aan het lijzige acteren van de acteurs: onder meer Daniel Auteuil (die er bijzonder slecht uitziet, vind ik) en Kristin Scott Thomas (die zeer lijzig weet te lonken en de boodschappen-Saab vakkundig bestuurt).

3458

Brussel, Koloniënstraat - 131003

vrijdag 27 december 2013

13 in z/w 334

Sint-Andries, Expressweg

los ingeslagen 151

20 oktober 2013



Het is iets vreemds: die onheilstijdingen over Fukushima passen in geen enkel schema. Wij kunnen een dergelijk scenario niet voor waar aannemen want het valt buiten de categorieën van tijd die wij hanteren. In ons tijdsbegrip is de mogelijkheid van een nabij einde niet relevant. We hebben geen toets voor ‘alles stopt’ op ons klavier. Het definitieve einde van alles en iedereen is onbevattelijk.

Op de duur begin je zelfs te twijfelen aan de echtheid van de beelden van ontploffende koeltorens die je toch hebt gezien. Maar wanneer? En waar? Is het wel zo? Zijn er wel koeltorens ontploft? Is er wel een kerncentrale vernield daar in Japan? Aardbeving? Tsunami? Deze feiten, en vooral de mogelijke gevolgen, gaan ons bevattingsvermogen te boven. Dat het leven op aarde binnen pakweg een maand of zo definitief zou uitdoven doordat al die staven van ik-weet-niet-meer-welke-substantie hun radioactiviteit vrijuit het luchtruim kunnen insturen als het gebouw waarin ze nu zijn opgeslagen (of op ruïneuze wijze kriskras door elkaar liggen) zou instorten of worden vernield door een nieuwe aardbeving… Dat is een niet te bevatten, onmenselijk perspectief.

Zou bij de mensen die zich hierover informeren – zonder enige twijfel een zeer kleine minderheid van de wereldbevolking – nu hetzelfde gevoel heersen als toen de Koude Oorlog ten tijde van de Cubacrisis zijn hoogte- (of diepte)punt bereikte, en de wereld ook werd opgezadeld met het schrikbeeld van een vernietiging van alle leven, met een Apocalyps? Ik weet het niet.

Het beangstigt mij dat het nu opvallend stil blijft, terwijl er toen – meen ik te weten – toch veel werd geschreven over het perspectief van een allesverwoestende atoomoorlog. Hoe zou dat komen? Tijdens de Koude Oorlog paste de berichtgeving in een strijd tussen Oost en West. Nu valt er geen propagandistisch ideologisch voordeel te behalen. Vandaag is Fukushima het symbool van het falen van een totáálsysteem, dat al lang geen tegenstem meer duldt en dat in staat is om, wanneer het fout loopt, een scherm van stilte neer te laten. In dat opzicht had de inmiddels door velen verguisde auteur van Het einde van de geschiedenis en de laatste mens misschien toch gelijk. Hoe heette hij ook alweer? Juist ja, Francis Fukuyama.

transgalactisch perspectief 19



R treedt op deze blog aan als gast. Hij neemt zich voor mij 365 berichten te sturen en hij gaf mij de toestemming deze berichten hier te plaatsen.
R wenst anoniem te blijven.

Dag Pascal,

Sommige vrienden vragen zich inmiddels ook hardop af waarom ik nu nog steeds zo met de Tweede Wereldoorlog bezig ben. Meestal is dat mijn eigen schuld. Dan ben ik er weer over begonnen. Het brengt me altijd in de war, want ik weet ook niet waarom. En zelfs als ik het zou weten, zou het waarschijnlijk niet veranderen.

Het dichtst bij een verklaring kwam ik bij het zien van een documentaire over de Nederlandse schrijver, dichter en tekenaar Ted van Lieshout. Hij sprak met een collega over een boek waar hij destijds mee bezig was, Mijn meneer. Dat boek gaat over de intieme relatie die hij als kind had met een man. Toen zijn collega en vriend Gerbrand Bakker werd gevraagd naar wat hij daarvan vond, zei hij niet te begrijpen dat Ted daar nu nog steeds mee bezig was. Was het niet eens tijd om het achter zich te laten? Nee, zei Ted, dat kan niet want het is een deel van wie ik ben. Zoiets heb ik met de Tweede Wereldoorlog, maar ik kan dat ook niet uitleggen.

Eenzaam is het wel, zo goed en tot in detail te weten waartoe de mens in staat is als het erop aan komt, en zelfs daarvoor. Toen we in de kleine kinderen zaten en met ons vijven in de roes van het gezinsgeluk verkeerden, dachten we dat het voor altijd was. Zo heeft de Heer het ook vast bedoeld. Dat het ooit ophoudt, is een nutteloos besef dat afbreuk doet aan het onvoorwaardelijke geluk dat het leven ook biedt. Het is, zoals Maarten van Roozendaal het zo treffend bezong, ‘zo fijn om dat te zijn dat je nou net niet bent’.

Groet, R

niet opgenomen 28

130324

driekleur 134

In zijn herinnering schijnt het zachte middaglicht over die stapel adembenemende lelijkheid, en wat hij ziet zijn kleuren, tinten, de meest subtiele overgangen van licht en schaduw, grijzen en rood, sepia en nachtblauw, dieprood dat bijna zwart geworden is, het tere geel, bijna wit, van een stukje ongeschonden vacht dicht bij een dode snuit.

Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn, 100

3457

Brussel, Jubelpark - 130929

donderdag 26 december 2013

mijn woordenboek 367





ARGELOOS

We nemen het nooit, of nooit op tijd, bij onszelf waar dat we te goedertrouw en zonder voldoende beducht te zijn op een slechte afloop, iets ondernemen wat niet zo goed blijkt uit te pakken. (Dat is een evidentie want indien het omgekeerde waar zou zijn, zou alles goed uitpakken, natuurlijk. Quod non.) We zien het wél bij anderen en, vreemd genoeg, het vermag ons soms te vertederen. Zeker als het om verliefden, honden of kinderen gaat. We zien het kind op een gevaar afstappen en weten wat er te gebeuren staan – terwijl het, in al zijn onschuld, niet beseft wat hem boven het hoofd hangt. Dat verschaft ons ook macht: we kunnen ingrijpen en het kind behoeden voor het onheil. (Bij verliefden is dat niet mogelijk want zij zijn volwassen, of denken het te zijn.) Of we kunnen, uiteraard als het gevolg niet te ernstig is, het kind laten betijen omdat we weten dat het die ervaring nodig heeft om te groeien. Enfin, ik spreek als vader – ik denk dat moeders altijd zullen ingrijpen: zij trekken zich van pedagogie meestal niet veel aan. Toch niet van de vaderlijke variant van de pedagogie.

Ik ben, nu ik over dit onderwerp aan het nadenken ben, net Oorlog en terpentijn aan het lezen en kan dan ook niet anders dan stilstaan bij twee vermeldingen van het adjectief ‘argeloos’ in de eerste bladzijden van dat boek. Stefan Hertmans heeft het over twee soorten argeloosheid.

Op bladzijde 45 lezen we over argeloosheid in de meest gangbare betekenis van dat woord: de argeloosheid van het kind. De ikfiguur, een vroegere versie van Stefan Hertmans, bezoekt samen met zijn grootvader een begraafplaats en vraagt daar, ‘met de argeloosheid van mijn leeftijd’, waar het graf van opa’s ouders zich bevindt. Hij weet dan nog niet dat er met dat graf iets bijzonders aan de hand is (en de lezer weet het ook nog maar half). Kleine Stefan stelt zijn vraag, niet wetende dat hij een wellicht pijnlijke kwestie aanraakt. Op precies dezelfde manier was hij even daarvoor languit in het zonlicht op een van de warme zerken gaan liggen: zonder besef van het misplaatste daarvan – tot grootvader hem tot de orde roept en hem laat verstaan dat je niet op graven mag liggen. (Hoe moet je een kind zoiets bijbrengen zonder op bruut gezag een beroep te doen?)

Op bladzijde 18 heeft Hertmans al een eerste keer de bepaling ‘argeloos’ gebruikt – maar dan in een heel andere, minder voor de hand liggende, betekenis. Het gaat daar om de argeloosheid van de volwassene: een mens die al wéét en niettemin argeloos is gebleven. Het gaat dan ook om een bijzondere vorm van argeloosheid, een vorm die vrij zeldzaam is, denk ik:

Tegelijk leefde hij van een soort hogere, edeler vorm van vriendelijke argeloosheid, en die naïviteit vormde de kern van zijn opgewekt humeur.

Hoeveel betekenisdimensies en mogelijke uitweidingen zitten er niet in dat ene citaat! Wat een ingewikkelde levensvorm of manier van tegen het leven aan te kijken! Gesofisticeerd en hoogstaand. Een à fonds perdu, maar zeker niet naïef, zoals de schrijver suggereert! De adeldom van deze hogere vorm van argeloosheid valt op te maken uit die vriendelijkheid en opgewektheid – ondanks het weten dat de volwassene toch eigen is (anders ware hij niet volwassen)! Het is de overgave van het desalniettemin. De overgave is tevergeefs, dat weten we, maar het verhindert niet daarin argeloos te zijn. Hoewel, argeloos kun je het toch niet echt noemen? De overgave waarover Hertmans het hier heeft is een wetende houding, met het uitwendig vertoon van argeloosheid. Het is een houding. En dat kan argeloosheid niet zijn. Een houding kan niet argeloos zijn.

Argeloosheid is louter overgave, zonder meer. Het is een staat van genade. Enkel volwassenen die kind kunnen zijn, of hondstrouw, of verliefd zijn ertoe in staat.