![]() |
S. in de Schipperskapel, Brugge - 131005 |
dinsdag 31 december 2013
zondag 29 december 2013
doordeweekse zinnen 179-197
131222
179. Geen
zondagse pistolets: de bakker heeft suiker in het deeg gemengd in plaats van
zout.
180. ’t Is
moeilijk kiezen tussen wereldbrand en zondvloed.
131223
181. Ze
voorspellen hier een 'groene kerst', met 10 graden en een storm met wind tot 100
kilometer per uur.
182. Bancontact
ligt op zijn gat en de feestverplichtingen eisen veel tijd op: inkopen, taken,
wie gaat wat maken en dat soort zaken.
183. S. stelde
voor om aan het raam te zitten, ten einde ten behoeve van de passanten
gezelligheid uit te stralen.
184. Morgen
moet ik nog maar eens een coq au vin in elkaar steken en dat lukt me denkelijk
wel op een uurtje tijd.
131224
185. Eenden
hebben een uitermate verfijnd smaakorgaan omdat ze modder moeten kunnen zeven.
186. Er was
een barst in een glas en ook een in de neus van B.
131225
187. Ik
wandelde op kerstochtend van de ene kant van de stad naar de andere.
188. Als je
blijft schrijven, kan er niets gebeuren.
189. Ze hadden
de post voor mijn moeder, waarvan ze mij een drietal weken geleden hadden laten
weten dat ik die maar eens moest komen ophalen (hoewel het waarschijnlijk toch
allemaal reclame was), al met het oud papier meegegeven.
190. Vandaag
is het <‘kers’ + ‘t’> of <‘kerstomaat’ - ‘omaat’>.
131226
191. Het
strafste voorbeeld hiervan was wel…, zei N. en daarop begon hij te stotteren:
hij kon het zich niet meer voor de geest brengen wat dan wel dat strafste
voorbeeld was geweest.
192. Zijn
draadloze, op Wifi werkende geluidsinstallatie maakte het hem mogelijk om in
zijn bad, lui achterover leunend en met gesloten ogen, te luisteren naar in
Solemnes opgenomen Gregoriaanse gezangen.
131227
193. Nooit
eerder kreeg ik kerstwensen uit Cochabamba.
194. Het ziet
er niet naar uit dat de wijnbar van de Nederlandsonkundige Colombo-lookalike
uit Duinkerken, wiens beschonken vrouw meeneuriet met de vals zingende
Brel-interpreteet die vergeefs klanten probeert te lokken, een lang leven zal
beschoren zijn: behalve wijzelf zijn er nul klanten in de zaak aanwezig en de
lekkere hapjes met ham en olijven, die we hier de vorige keer bij ons relatief
dure Côte de Rhône mochten nuttigen, zijn al vervangen door een kommetje met zoutjes
uit een grote zak van de Colruyt.
131228
195. Is het nu
dat de dagen beginnen te verlangen?
196. De dag
blijft te donker om de gordijnen open te trekken.
197. Het is
beter dat we niet allebei tegelijk hetzelfde boek lezen.
zaterdag 28 december 2013
Philippe Claudel, Avant l’Hiver
Voor de winter komt de herfst
Een gezellig gezelschap tafelt
in een riante tuin. (Het lijkt wel die spot voor kaas, met Hugo Claus in een
glansrol.) De camera glijdt mee met de gastheer die binnen nog een fles
gekoelde Sancerre gaat halen, we horen op de achtergrond iemand uitroepen dat
X. dat verhaal al duizend keer heeft verteld – maar allez, doe maar, het is een leuk verhaal, zo’n verhaal dat niet kan
ontbreken tijdens een gezellig samenzijn met familie en vrienden.
Philippe Claudel vertelt met Avant l’Hiver zo’n verhaal dat al
duizend keer is verteld – het kan geen toeval zijn dat hij helemaal voorin in
zijn film iemand zoiets laat zeggen.
Het verhaal is inderdaad banaal.
Het koppel is zeer welstellend (‘de illusie van burgerlijk geluk’): chique 4x4-Volvo
voor hem, zij doet de commissies met een Saab; hun modern gedesignde villa is patserig
modern en zwaar omheind. Hij werkt zich te pletter als neurochirurg, zij
verveelt zich te pletter want ze voert geen spat uit. De vlam is na dertig jaar
huwelijk al lang uit de pan. Hij beseft dat zijn leven is voorbijgedenderd
zonder dat hij er erg in had en maakt – uitgerekend dan! – kennis met een leuk
barmeisje. Ze oogt mooi en is bovendien Marokkaans: Claudel laat het thema van
de migratie aanrukken. De Marokkaanse schone stalkt de neurochirurg en doet hem
tot het inzicht komen dat hij nooit eerder de tijd nam om eens naar een andere
vrouw te kijken. Hij zwicht. Of toch bijna. Het huwelijk komt pas nu zwaar
onder druk te staan – alsof het al niet veel eerder aan bloedarmoede is ten
onder gegaan. Ondertussen krijgt de geplaagde neurochirurg in zijn praktijk ook
nog een joodse vrouw onder het mes: opzijopzijopzij voor het thema van de
Holocaust (en niets minder dan dat)! Uiteraard krijgt ook de psychiatrie – via de zieke
schoonzus van de geplaagde neurochirurg, die voor het overige niets aan het
verhaal bijdraagt – een vinger in de pap van de plot te brokken: retteketet
voor de psychiatrie! De plot, nu we het daar toch over hebben, krijgt dan toch nog
een verrassende wending, die in een betere film voor spanning had kunnen
zorgen. Maar niet bij Claudel!
Deze regisseur sleept ons met grote moeite mee naar het einde, naar, u raadt
het al, alweer een tuintafelbijeenkomst. We kennen het principe van de
wafelenbak als slotscène in de verhalen van Nero, of van het everzwijnfestijn
in de verhalen van Asterix. Hetzelfde principe wordt hier toegepast.
Avant l’Hiver is een sof van een film. Het verhaal hangt aan elkaar
van de clichés. Welstand maakt niet gelukkig. Galoppeer jezelf niet voorbij op
je werk want voor je het weet heb je een burn-out. Vijftig jaar?, schat, staat de
midlifecrisis klaar? Huwelijken die veel te lang duren. En wat doe je als je
voor de ouderdom staat, avant l’hiver?
Het is zeer herkenbaar allemaal, maar il
faut le faire om al dat aansprekelijke zo vakkundig de nek om te wringen.
Het ligt niet aan het verhaal,
het ligt aan de veel te trage regie, en aan het lijzige acteren van de acteurs:
onder meer Daniel Auteuil (die er bijzonder slecht uitziet, vind ik) en Kristin
Scott Thomas (die zeer lijzig weet te lonken en de boodschappen-Saab vakkundig
bestuurt).
vrijdag 27 december 2013
los ingeslagen 151
20 oktober 2013
Het is iets vreemds: die onheilstijdingen over Fukushima
passen in geen enkel schema. Wij kunnen een dergelijk scenario niet voor waar
aannemen want het valt buiten de categorieën van tijd die wij hanteren. In ons
tijdsbegrip is de mogelijkheid van een nabij einde niet relevant. We hebben
geen toets voor ‘alles stopt’ op ons klavier. Het definitieve einde van alles
en iedereen is onbevattelijk.
Op de duur begin je zelfs te twijfelen aan de echtheid van
de beelden van ontploffende koeltorens die je toch hebt gezien. Maar wanneer?
En waar? Is het wel zo? Zijn er wel koeltorens ontploft? Is er wel een kerncentrale
vernield daar in Japan? Aardbeving? Tsunami? Deze feiten, en vooral de
mogelijke gevolgen, gaan ons bevattingsvermogen te boven. Dat het leven op
aarde binnen pakweg een maand of zo definitief zou uitdoven doordat al die
staven van ik-weet-niet-meer-welke-substantie hun radioactiviteit vrijuit het
luchtruim kunnen insturen als het gebouw waarin ze nu zijn opgeslagen (of op
ruïneuze wijze kriskras door elkaar liggen) zou instorten of worden vernield
door een nieuwe aardbeving… Dat is een niet te bevatten, onmenselijk
perspectief.
Zou bij de mensen die zich hierover informeren – zonder
enige twijfel een zeer kleine minderheid van de wereldbevolking – nu hetzelfde
gevoel heersen als toen de Koude Oorlog ten tijde van de Cubacrisis zijn
hoogte- (of diepte)punt bereikte, en de wereld ook werd opgezadeld met het
schrikbeeld van een vernietiging van alle leven, met een Apocalyps? Ik weet het
niet.
Het beangstigt mij dat het nu opvallend stil blijft, terwijl
er toen – meen ik te weten – toch veel werd geschreven over het perspectief van
een allesverwoestende atoomoorlog. Hoe zou dat komen? Tijdens de Koude Oorlog
paste de berichtgeving in een strijd tussen Oost en West. Nu valt er geen
propagandistisch ideologisch voordeel te behalen. Vandaag is Fukushima het
symbool van het falen van een totáálsysteem, dat al lang geen tegenstem meer
duldt en dat in staat is om, wanneer het fout loopt, een scherm van stilte neer
te laten. In dat opzicht had de inmiddels door velen verguisde auteur van Het
einde van de geschiedenis en de laatste mens misschien toch gelijk. Hoe
heette hij ook alweer? Juist ja, Francis Fukuyama.
transgalactisch perspectief 19
R treedt op deze blog
aan als gast. Hij neemt zich voor mij 365 berichten te sturen en hij gaf mij de
toestemming deze berichten hier te plaatsen.
R wenst anoniem te
blijven.
Dag Pascal,
Sommige vrienden vragen zich inmiddels ook hardop af waarom
ik nu nog steeds zo met de Tweede Wereldoorlog bezig ben. Meestal is dat mijn
eigen schuld. Dan ben ik er weer over begonnen. Het brengt me altijd in de war,
want ik weet ook niet waarom. En zelfs als ik het zou weten, zou het
waarschijnlijk niet veranderen.
Het dichtst bij een verklaring kwam ik bij het zien van een
documentaire over de Nederlandse schrijver, dichter en tekenaar Ted van
Lieshout. Hij sprak met een collega over een boek waar hij destijds mee bezig
was, Mijn meneer. Dat boek gaat over
de intieme relatie die hij als kind had met een man. Toen zijn collega en
vriend Gerbrand Bakker werd gevraagd naar wat hij daarvan vond, zei hij niet te
begrijpen dat Ted daar nu nog steeds mee bezig was. Was het niet eens tijd om
het achter zich te laten? Nee, zei Ted, dat kan niet want het is een deel van
wie ik ben. Zoiets heb ik met de Tweede Wereldoorlog, maar ik kan dat ook niet
uitleggen.
Eenzaam is het wel, zo goed en tot in detail te weten
waartoe de mens in staat is als het erop aan komt, en zelfs daarvoor. Toen we
in de kleine kinderen zaten en met ons vijven in de roes van het gezinsgeluk
verkeerden, dachten we dat het voor altijd was. Zo heeft de Heer het ook vast
bedoeld. Dat het ooit ophoudt, is een nutteloos besef dat afbreuk doet aan het
onvoorwaardelijke geluk dat het leven ook biedt. Het is, zoals Maarten van Roozendaal
het zo treffend bezong, ‘zo fijn om dat te zijn dat je nou net niet bent’.
Groet, R
driekleur 134
In zijn herinnering schijnt het zachte middaglicht over
die stapel adembenemende lelijkheid, en wat hij ziet zijn kleuren, tinten, de
meest subtiele overgangen van licht en schaduw, grijzen en rood, sepia en
nachtblauw, dieprood dat bijna zwart geworden is, het tere geel, bijna wit, van
een stukje ongeschonden vacht dicht bij een dode snuit.
Stefan Hertmans, Oorlog
en terpentijn, 100
donderdag 26 december 2013
mijn woordenboek 367
We nemen het nooit, of nooit op tijd, bij onszelf waar dat
we te goedertrouw en zonder voldoende beducht te zijn op een slechte afloop,
iets ondernemen wat niet zo goed blijkt uit te pakken. (Dat is een evidentie
want indien het omgekeerde waar zou zijn, zou alles goed uitpakken, natuurlijk.
Quod non.) We zien het wél bij
anderen en, vreemd genoeg, het vermag ons soms te vertederen. Zeker als het om verliefden,
honden of kinderen gaat. We zien het kind op een gevaar afstappen en weten wat
er te gebeuren staan – terwijl het, in al zijn onschuld, niet beseft wat hem
boven het hoofd hangt. Dat verschaft ons ook macht: we kunnen ingrijpen en het kind
behoeden voor het onheil. (Bij verliefden is dat niet mogelijk want zij zijn
volwassen, of denken het te zijn.) Of we kunnen, uiteraard als het gevolg niet
te ernstig is, het kind laten betijen omdat we weten dat het die ervaring nodig
heeft om te groeien. Enfin, ik spreek als vader – ik denk dat moeders altijd zullen ingrijpen: zij trekken
zich van pedagogie meestal niet veel aan. Toch niet van de vaderlijke variant
van de pedagogie.
Ik ben, nu ik over dit onderwerp aan het nadenken ben, net Oorlog en terpentijn aan het lezen en
kan dan ook niet anders dan stilstaan bij twee vermeldingen van het adjectief
‘argeloos’ in de eerste bladzijden van dat boek. Stefan Hertmans heeft het over
twee soorten argeloosheid.
Op bladzijde 45 lezen we over argeloosheid in de meest
gangbare betekenis van dat woord: de argeloosheid van het kind. De ikfiguur, een
vroegere versie van Stefan Hertmans, bezoekt samen met zijn grootvader een
begraafplaats en vraagt daar, ‘met de argeloosheid van mijn leeftijd’, waar het
graf van opa’s ouders zich bevindt. Hij weet dan nog niet dat er met dat graf
iets bijzonders aan de hand is (en de lezer weet het ook nog maar half). Kleine
Stefan stelt zijn vraag, niet wetende dat hij een wellicht pijnlijke kwestie aanraakt.
Op precies dezelfde manier was hij even daarvoor languit in het zonlicht op een
van de warme zerken gaan liggen: zonder besef van het misplaatste daarvan – tot
grootvader hem tot de orde roept en hem laat verstaan dat je niet op graven mag
liggen. (Hoe moet je een kind zoiets bijbrengen zonder op bruut gezag een
beroep te doen?)
Op bladzijde 18 heeft Hertmans al een eerste keer de
bepaling ‘argeloos’ gebruikt – maar dan in een heel andere, minder voor de hand
liggende, betekenis. Het gaat daar om de argeloosheid van de volwassene: een mens
die al wéét en niettemin argeloos is gebleven. Het gaat dan ook om een
bijzondere vorm van argeloosheid, een vorm die vrij zeldzaam is, denk ik:
Tegelijk
leefde hij van een soort hogere, edeler vorm van vriendelijke argeloosheid, en
die naïviteit vormde de kern van zijn opgewekt humeur.
Hoeveel betekenisdimensies en mogelijke uitweidingen zitten
er niet in dat ene citaat! Wat een ingewikkelde levensvorm of manier van tegen
het leven aan te kijken! Gesofisticeerd en hoogstaand. Een à fonds perdu, maar zeker
niet naïef, zoals de schrijver suggereert! De adeldom van deze hogere vorm van
argeloosheid valt op te maken uit die vriendelijkheid en opgewektheid – ondanks het weten dat de volwassene toch
eigen is (anders ware hij niet volwassen)! Het is de overgave van het desalniettemin. De overgave is
tevergeefs, dat weten we, maar het verhindert niet daarin argeloos te zijn. Hoewel,
argeloos kun je het toch niet echt noemen? De overgave waarover Hertmans het
hier heeft is een wetende houding, met het uitwendig vertoon van argeloosheid.
Het is een houding. En dat kan argeloosheid niet zijn. Een houding kan niet
argeloos zijn.
Argeloosheid is louter overgave, zonder meer. Het is een staat
van genade. Enkel volwassenen die kind kunnen zijn, of hondstrouw, of verliefd
zijn ertoe in staat.
Abonneren op:
Posts (Atom)