dinsdag 11 maart 2008
Dag 195 vVH&C
080310 – Het essay Het doorsneedenken van Curtis White is een analyse van onze actuele cultuur, die er vooral op uit lijkt om alles wat kritisch is, subversief, ondermijnend voor de gevestigde orde (lees: het kapitalisme/economisme/de machinerie van het industrieel-militair complex)… monddood te maken. De Amerikaan White betoogt met andere woorden dat wij, westerlingen, in een totalitaire omgeving leven, waarin kritiek en kunst nagenoeg onmogelijk zijn geworden omdat ze onmiddellijk worden gerecupereerd door de ideologisch gestuurde media, door de academische wereld, door de entertainmentfabrieken van Hollywood. Hij pleit voor een nieuwe vorm van verbeelding, een die begint waar het vertrouwde in vervreemding overgaat, die zich niet laat ringeloren door deconstructivistische en postmodernistische praatjes, een verbeelding die zich durft over te geven aan de ideeën van ‘schoonheid’ en – ja, zélfs – ‘het sublieme’. (Een verbeelding ook die de ironische aanhalingstekens rond die begrippen durft te laten vallen.) Ware kunst is kunst die zelf niet weet waar ze heen wilt – en precies dat is al een subversief gegeven: de weg ligt in de omweg. En subversiviteit is nodig! Curtis laat geen spaander heel van de Amerikaanse (buitenland)politiek. Hij analyseert ongemeen scherp de bedwelmende entertainmentmachine die onze geesten versuft en lui en onschadelijk maakt. Hij geeft genadeloze interpretaties van, bijvoorbeeld, de films van Steven Spielberg. En hij propageert kunstenaars die zich alsnog aan ‘het doorsneedenken’ weten te onttrekken: Radiohead, David Lynch, Tom Tomorrow. Een – willekeurig gekozen – citaat om een idee te geven:Het idee dat kunst eigenlijk binnen een canon moet passen, door Adorno een ‘cultureel museum’ genoemd, is een enorme overwinning voor iedereen die niet wil dat kunst als destabiliserende factor fungeert. Canons stabiliseren. Dat is ongeveer het enige wat ze goed doen. De canon is […] een strategie om potentieel radicale energie te beheersen.
Het doorsneedenken ligt op dit ogenblik voor zeven euro bij De Slegte.
maandag 10 maart 2008
Mijn woordenboek (187)
AFKEUREND
Van alle blikken die mij tegenstaan, heb ik de grootste afkeer van de afkeurende.
Van alle blikken die mij tegenstaan, heb ik de grootste afkeer van de afkeurende.
Dag 194 vVH&C
080229 en 080310 – No Copy stopt ermee. Merk ik nu pas, hoewel ‘de beslissing’ al van de jaarwende dateert: ik bezoek niet zo vaak andere blogs. Serge had een uitstekende blog. Hij vindt dat zelf ook – en terecht! – en acht het dan ook nodig zijn beslissing te motiveren.
Serge heeft weer zin om in het werkelijke leven werkelijke contacten te onderhouden. Hij staat daarin niet alleen: ‘According to a recent future report by The Future Laboratory "a growing minority of overloaded consumers are phasing out their virtual selves and returning to face-to-face socialising," as you can read here for example.’
Dat is natuurlijk een valabele reden, een die mij in elk geval aan het denken zet. Voel ik dezelfde behoefte en, vooral, vind ik zelf ook dat dit bloggen mij van het werkelijke leven afhoudt? En zo niet: wat is dan het verschil met Serge?
Ik heb niet het gevoel dat ‘Pascal Digital’ een avatar is. Deze blog is voor mij even werkelijk als wat ik daarbuiten doe. Sterker nog: het aanvullen van deze blog is uitgegroeid tot een essentieel onderdeel van mijn bestaan. De dagelijkse discipline die ervoor nodig is, brengt structuur aan in mijn leven, en de noodzaak om inhoud te vinden, zet mij er voortdurend toe aan om te zoeken. Wat ik daardoor allemaal al heb gezien en gemaakt…: het heeft de afgelopen vier jaar mijn leven aanzienlijk intenser gemaakt! Ik heb bovendien niet het gevoel dat de ‘virtuele’ gemeenschap, die bijvoorbeeld in de commentaarfaciliteit tot stand komt, van dien aard is dat zij mijn ‘werkelijke’ contacten (voor zover die al een hoog realiteitsgehalte hebben, maar dat is een andere discussie) in gevaar zou brengen.
Neen, hoewel ik haar respecteer, deel ik niet de analyse van Serge – No Copy – Cornelus. De oorzaak hiervoor moet, denk ik, worden gezocht in het feit dat No Copy vooral de mogelijkheden van het bloggen en het internet verkende; de inhoud (die er wel degelijk ook was) kwam pas in de tweede plaats. ‘[This blog]’, zegt Serge zelf, ‘was a great tool in helping me to get to understand the blogosphere phenomenon.’ Dat heeft hij nu wel gehad. Voor mij blijft bloggen een middel om een stroom van ideeën en indrukken te kanaliseren. (Ideeën en indrukken die grotendeels door het bloggen zelf worden gegenereerd.) Ik heb maar een beperkt inzicht in de middelen en mogelijkheden van het bloggen – maar meer inzicht heb ik niet nodig. Het bloggen als middel blijft voor mij ondergeschikt aan de inhoud.
Hoe dan ook, merci Serge, het was zeer de moeite waard wat je deed.
Serge heeft weer zin om in het werkelijke leven werkelijke contacten te onderhouden. Hij staat daarin niet alleen: ‘According to a recent future report by The Future Laboratory "a growing minority of overloaded consumers are phasing out their virtual selves and returning to face-to-face socialising," as you can read here for example.’
Dat is natuurlijk een valabele reden, een die mij in elk geval aan het denken zet. Voel ik dezelfde behoefte en, vooral, vind ik zelf ook dat dit bloggen mij van het werkelijke leven afhoudt? En zo niet: wat is dan het verschil met Serge?
Ik heb niet het gevoel dat ‘Pascal Digital’ een avatar is. Deze blog is voor mij even werkelijk als wat ik daarbuiten doe. Sterker nog: het aanvullen van deze blog is uitgegroeid tot een essentieel onderdeel van mijn bestaan. De dagelijkse discipline die ervoor nodig is, brengt structuur aan in mijn leven, en de noodzaak om inhoud te vinden, zet mij er voortdurend toe aan om te zoeken. Wat ik daardoor allemaal al heb gezien en gemaakt…: het heeft de afgelopen vier jaar mijn leven aanzienlijk intenser gemaakt! Ik heb bovendien niet het gevoel dat de ‘virtuele’ gemeenschap, die bijvoorbeeld in de commentaarfaciliteit tot stand komt, van dien aard is dat zij mijn ‘werkelijke’ contacten (voor zover die al een hoog realiteitsgehalte hebben, maar dat is een andere discussie) in gevaar zou brengen.
Neen, hoewel ik haar respecteer, deel ik niet de analyse van Serge – No Copy – Cornelus. De oorzaak hiervoor moet, denk ik, worden gezocht in het feit dat No Copy vooral de mogelijkheden van het bloggen en het internet verkende; de inhoud (die er wel degelijk ook was) kwam pas in de tweede plaats. ‘[This blog]’, zegt Serge zelf, ‘was a great tool in helping me to get to understand the blogosphere phenomenon.’ Dat heeft hij nu wel gehad. Voor mij blijft bloggen een middel om een stroom van ideeën en indrukken te kanaliseren. (Ideeën en indrukken die grotendeels door het bloggen zelf worden gegenereerd.) Ik heb maar een beperkt inzicht in de middelen en mogelijkheden van het bloggen – maar meer inzicht heb ik niet nodig. Het bloggen als middel blijft voor mij ondergeschikt aan de inhoud.
Hoe dan ook, merci Serge, het was zeer de moeite waard wat je deed.
zondag 9 maart 2008
Dag 192 vVH&C
080228 en 080309 – Hoe Jeroen Brouwers in De zondvloed een karakter neerzet dat alles in woorden beleeft. De werkelijkheid is wat hij erover te zeggen heeft en daarbuiten bestaat zij niet. Hij doet haar bestaan door erover te schrijven. Hij is zijn schrijven. Zij is zijn schrijven.
zaterdag 8 maart 2008
Dag 191 vVH&C
080228 en 080308 – Waarom schrijf ik nooit over muziek? Omdat ik daarvoor de woorden, het vocabulaire ontbeer. Ik kan de klanken niet oproepen, de muzieklijnen, de huivering die het gitaargeweld van Hendrix in de Dylan-cover ‘All Along The Watchtower’; het uitfreaken op het eind van ‘Instant Street’; een tempowisseling, een melodie, een onverwachte frasering; een doorslaande/brekende/wegschuivende stem (Bono in ‘One’: ‘You ask me to enter / But then you ask me to crawl’); de vrolijk-weemoedige blokfluitjes in de aanhef van Nick Caves ‘Breathless’; de gesofisticeerde eenvoud van Brassens en de pathetiek van Brel (‘La vie ne fait pas de cadeaux!’); de bedwelmende herhaling in een Mongools lied tussen de koeien in een joert – en nog zoveel andere muzikale momenten bij mij kunnen teweegbrengen. Hoe de fysieke reactie in de onderbuik, tussen vel en been ergens in de bovenarmen omschrijven? Ik mis het arsenaal van termen, ik ben notenblind. Ik kan wegdrijven op een partita van Bach of samen met de leeuwerik in Vaughan Williams ‘The Lark Ascending’, maar de partituur kan ik niet lezen – en dat lijkt me noodzakelijk om die muziek te begrijpen, te grijpen. Ik kan een boek bespreken, een beeld analyseren, op een nieuwe manier naar een schilderij kijken. Maar muziek is voor mij als een parfum of een streling: vluchtig, onbestemd in haar werking, efemeer en niet onder woorden te brengen.
En dan vergeet ik natuurlijk Karl Zero: ‘Je respecte le passage piéton!’ Wat zou ik daarover in godsnaam kunnen zeggen?
En dan vergeet ik natuurlijk Karl Zero: ‘Je respecte le passage piéton!’ Wat zou ik daarover in godsnaam kunnen zeggen?
vrijdag 7 maart 2008
Terugblik 447 / 1000 (21)

– een door zijn vrijelijke frivoliteit tergend contrast met de sfeer van geestelijke gevangenschap die in dit kamertje rondwaart.
Met betrekking tot de compositie, en dan keer ik terug naar de volledige foto, weze hier nog opgemerkt dat de spil van het kruisbeeld niet het verdwijnpunt van de perspectief is.
Ten slotte nog iets over de geschiedenis van mijn eigen waardering voor deze foto. Ik maakte haar om die ervaring van benepenheid vast te leggen. Goed, dat ligt min of meer voor de hand. Veel bijzonders biedt de foto niet, maar zij moest toch enkele selecties overleven om in deze ‘Terugblik’ terecht te komen. En nu realiseer ik mij hoeveel het onbewuste meewerkt in een foto. Het is pas nu dat ik mij voor het eerst ten volle realiseer dat de voorstelling op de reproductie aan de muur wel degelijk een belangrijke rol speelt in de algemene sfeer die met dit beeld wordt geëvoceerd, en het is, echt waar, de allereerste keer dat ik dat bovenlicht zie!
De werkelijkheid toont zich nooit onmiddellijk – wat een rijkdom dat te beseffen!
Dag 190 vVH&C
080225 – Fietsend door de polders realiseer ik mij dat ik dit landschap – door zijn vlakheid, grijsheid, monotonie, lelijkheid – om het even waar elders ter wereld zo snel mogelijk achter mij zou laten, maar hier, omdat ik hier woon, durf ik dat niet toegeven en zoek ik wanhopig naar elementen die mij toch kunnen doen denken dat het een mooi landschap is.
donderdag 6 maart 2008
Mijn woordenboek (186)
AFKEER
Een emmer vol op copulatie beluste padden die door ecolo’s met een zaklamp op hun kop naar de andere kant van een drukke verkeersweg worden overgezet, een uit de kluiten gewassen huisspin in de spoelbak, een haar van een andere lengte en kleur dan het mijne in de boter, slakken (maar niet deze die zich, net zoals mosselen, oesters en dergelijk slijmspul uitstekend tot menselijke consumptie lenen): dat zijn enkele van de, hoe zal ik het zeggen, chtonische vormen van afgrijzen die op prototypische wijze aan de basis liggen van de meer politiek of ideologisch geïnspireerde varianten die, jammer genoeg, dagelijks vele keren méér mijn levenswandel kruisen en waarover ik het hier niet kan, laat staan wil hebben omdat daartoe mij ten enenmale de plaats ontbreekt maar ook – en we krijgen hier opnieuw een voorbeeld van de door mij zeer geliefde, op een paradox uitdraaiende cirkelredenering – omdat ik er een afkeer van heb, van dat moraliserende vingertje dat, blind voor zijn eigen onbenulligheid en wijsneuzig (ja, een vinger mét ogen en neus!) de hoogte ingaat bij alles wat te maken heeft met reclame, opportunisme, zelfzucht, hypocrisie, domheid, intolerantie, gebrek aan persoonlijkheid, respectloosheid, blindheid voor het schone, ondankbaarheid, door mode gestuurde smaak, kritiekloosheid, vooroordelen en de neiging tot opsommen, zeker als het gaat om opsommingen die eindeloos dreigen te worden en op die manier de grammaticale rust verstoren. (Weet je waar ik ook een afkeer van heb? Dat is van lui die met opzet woorden gebruiken waarvan ze weten dat ze daarmee velen de boekenkast op jagen. Daarom bespaar ik u een duik in Van Dale (2005, 634): ‘chtonisch’ = ‘betrekking hebbend op de aarde’.)
Een emmer vol op copulatie beluste padden die door ecolo’s met een zaklamp op hun kop naar de andere kant van een drukke verkeersweg worden overgezet, een uit de kluiten gewassen huisspin in de spoelbak, een haar van een andere lengte en kleur dan het mijne in de boter, slakken (maar niet deze die zich, net zoals mosselen, oesters en dergelijk slijmspul uitstekend tot menselijke consumptie lenen): dat zijn enkele van de, hoe zal ik het zeggen, chtonische vormen van afgrijzen die op prototypische wijze aan de basis liggen van de meer politiek of ideologisch geïnspireerde varianten die, jammer genoeg, dagelijks vele keren méér mijn levenswandel kruisen en waarover ik het hier niet kan, laat staan wil hebben omdat daartoe mij ten enenmale de plaats ontbreekt maar ook – en we krijgen hier opnieuw een voorbeeld van de door mij zeer geliefde, op een paradox uitdraaiende cirkelredenering – omdat ik er een afkeer van heb, van dat moraliserende vingertje dat, blind voor zijn eigen onbenulligheid en wijsneuzig (ja, een vinger mét ogen en neus!) de hoogte ingaat bij alles wat te maken heeft met reclame, opportunisme, zelfzucht, hypocrisie, domheid, intolerantie, gebrek aan persoonlijkheid, respectloosheid, blindheid voor het schone, ondankbaarheid, door mode gestuurde smaak, kritiekloosheid, vooroordelen en de neiging tot opsommen, zeker als het gaat om opsommingen die eindeloos dreigen te worden en op die manier de grammaticale rust verstoren. (Weet je waar ik ook een afkeer van heb? Dat is van lui die met opzet woorden gebruiken waarvan ze weten dat ze daarmee velen de boekenkast op jagen. Daarom bespaar ik u een duik in Van Dale (2005, 634): ‘chtonisch’ = ‘betrekking hebbend op de aarde’.)
woensdag 5 maart 2008
Mijn woordenboek (185)
AFHANKELIJKHEIDSRELATIE
Hoewel we allemaal begrijpen waarop het slaat, is het natuurlijk een woord dat geen steek houdt: in de relatie zit al de afhankelijkheid besloten (dat is de reden waarom er van een onafhankelijkheidsrelatie niet wordt gesproken); het pleonasme is niet uit de lucht. Daardoor wellicht komt het dat ‘afhankelijkheidsrelatie’ typisch zo’n woord is dat, als je het lang genoeg herhaalt, op de duur niets meer lijkt te betekenen.
Maar goed. Het gaat dan ook eigenlijk niet om afhankelijkheid, maar wel om te veel afhankelijkheid. We hebben te maken met een eufemisme voor verslaving of andere vormen – sociale, psychologische – van karakterloosheid. Zo bekeken is het woord – voor een keer autobiografisch gesproken – mij absoluut niet vreemd. Wat betreft de chemische verslavingen moet, of mag, u weten dat van al mijn verslavingen wellicht het eeuwigdurende en steeds herbeginnende streven om ervan af te geraken nog de grootste is. Ook bij de sociale variant van relaties waarop afhankelijkheid een te grote stempel drukt kan ik mij iets voorstellen. Ik heb zo de indruk dat de chemische afhankelijkheidsrelaties, én de psychologische (neurotische dwanghandelingen, telzucht, systematitis, classificeringsdwang, bloggen), er nu net toe bijdragen om de evidente schade die het gevolg is van een te grote afhankelijkheid in de sfeer van het samenleven met andere homines sapientes te lenigen.
Hoewel we allemaal begrijpen waarop het slaat, is het natuurlijk een woord dat geen steek houdt: in de relatie zit al de afhankelijkheid besloten (dat is de reden waarom er van een onafhankelijkheidsrelatie niet wordt gesproken); het pleonasme is niet uit de lucht. Daardoor wellicht komt het dat ‘afhankelijkheidsrelatie’ typisch zo’n woord is dat, als je het lang genoeg herhaalt, op de duur niets meer lijkt te betekenen.
Maar goed. Het gaat dan ook eigenlijk niet om afhankelijkheid, maar wel om te veel afhankelijkheid. We hebben te maken met een eufemisme voor verslaving of andere vormen – sociale, psychologische – van karakterloosheid. Zo bekeken is het woord – voor een keer autobiografisch gesproken – mij absoluut niet vreemd. Wat betreft de chemische verslavingen moet, of mag, u weten dat van al mijn verslavingen wellicht het eeuwigdurende en steeds herbeginnende streven om ervan af te geraken nog de grootste is. Ook bij de sociale variant van relaties waarop afhankelijkheid een te grote stempel drukt kan ik mij iets voorstellen. Ik heb zo de indruk dat de chemische afhankelijkheidsrelaties, én de psychologische (neurotische dwanghandelingen, telzucht, systematitis, classificeringsdwang, bloggen), er nu net toe bijdragen om de evidente schade die het gevolg is van een te grote afhankelijkheid in de sfeer van het samenleven met andere homines sapientes te lenigen.
Dag 188 vVH&C
Overschrijven (87)
De nacht is lang, de maan is hoog.
Nu slapen dieren en mensen.
Daar valt een ster in een lange boog
Dan mag je, geloof ik, iets wensen.
Wat wil je hebben, dat is de vraag.
Ik geef je alles, o zo graag.
Al wat je wilt kan je krijgen.
Alleen mijn hart blijft mijn eigen.
Uit: Cornelis Vreeswijk, ‘Marjolijn’.
De nacht is lang, de maan is hoog.
Nu slapen dieren en mensen.
Daar valt een ster in een lange boog
Dan mag je, geloof ik, iets wensen.
Wat wil je hebben, dat is de vraag.
Ik geef je alles, o zo graag.
Al wat je wilt kan je krijgen.
Alleen mijn hart blijft mijn eigen.
Uit: Cornelis Vreeswijk, ‘Marjolijn’.
dinsdag 4 maart 2008
Dag 187 vVH&C
Overschrijven (86)
Zullen we ooit leren leven zoals dat zou moeten, met al het geluk, alle pijn en de opperste aandacht die de breekbare constructies van ons bestaan vereisen? Is het niet zo dat die alleen in boeken vorm krijgen, als ze in woorden zijn gegoten, als ze zijn omgevormd en eindelijk bestaansrecht genieten?
Johan de Boose, ‘Poëticaal cahier’, in Poëziekrant 2008-02 (verschijnt binnenkort)
Zullen we ooit leren leven zoals dat zou moeten, met al het geluk, alle pijn en de opperste aandacht die de breekbare constructies van ons bestaan vereisen? Is het niet zo dat die alleen in boeken vorm krijgen, als ze in woorden zijn gegoten, als ze zijn omgevormd en eindelijk bestaansrecht genieten?
Johan de Boose, ‘Poëticaal cahier’, in Poëziekrant 2008-02 (verschijnt binnenkort)
maandag 3 maart 2008
zondag 2 maart 2008
Dag 186 vVH&C
080221 en 080302
Overschrijven (85)
Secteur 131,
Maroc glacial
Polder
Flandres
Tu verras la dune couchée
aux hanches roses ;
le décor féminin
rempli d’hommes ;
le fleuve Yser ;
la coulisse du drame, le jeu
des trompe-l’oeil de la défence,
la strategie des perspectives,
le côté face
le côte pile,
toute la houle postiche
Sector 131,
Een ijzig Marokko
Polders
Vlaanderen
Je zal de slapende duin zien
met haar rozige heupen;
het vrouwelijke decor
vol mannen;
de IJzer;
de coulissen van het drama,
het verdedigingsspel met trompe-l’oeils,
de perspectievenstrategie,
de kant van munt
de kant van kruis,
die hele valse deining
Jean Cocteau, uit ‘Discours du Grand Sommeil’, een gedicht dat is gebaseerd op zijn ervaringen als ziekenbroeder van het Franse Rode Kruis van december 1915 tot juni 1916 in Nieuwpoort. Eigen vertaling.
Overschrijven (85)
Secteur 131,
Maroc glacial
Polder
Flandres
Tu verras la dune couchée
aux hanches roses ;
le décor féminin
rempli d’hommes ;
le fleuve Yser ;
la coulisse du drame, le jeu
des trompe-l’oeil de la défence,
la strategie des perspectives,
le côté face
le côte pile,
toute la houle postiche
*
Sector 131,
Een ijzig Marokko
Polders
Vlaanderen
Je zal de slapende duin zien
met haar rozige heupen;
het vrouwelijke decor
vol mannen;
de IJzer;
de coulissen van het drama,
het verdedigingsspel met trompe-l’oeils,
de perspectievenstrategie,
de kant van munt
de kant van kruis,
die hele valse deining
Jean Cocteau, uit ‘Discours du Grand Sommeil’, een gedicht dat is gebaseerd op zijn ervaringen als ziekenbroeder van het Franse Rode Kruis van december 1915 tot juni 1916 in Nieuwpoort. Eigen vertaling.
Abonneren op:
Posts (Atom)













