![]() |
| 160831 |
zondag 27 november 2016
driekleur 281
‘Ik breng het morgen wel terug,’ zei ze haastig.
‘Dat hoeft niet. Ik heb het niet meteen nodig.’
Ze aarzelde, wist niet goed of ze nog iets zeggen moest. Hij
droeg puntige zwarte schoenen.
Kris Van Steenberge, Woesten,
17-18
de herfst van 2016 – 47
Mijn grootvader, Jules Cornet, was een beginselvaste en strenge man, die
toch niet in die mate stug was dat hij vond dat hij te allen tijde
onverbiddelijk moest zijn. Een beetje wereldvreemd stel ik hem mij voor, en
wellicht ook tamelijk eenzaam. Zijn taal, de belangrijke functie die hij als
inwijkeling op zich laadde en de rol die hij in die hoedanigheid tijdens de
oorlog had gespeeld, zullen daar niet vreemd aan geweest zijn. Hij was
zwaargebouwd, op het corpulente af. Met zijn borstelwenkbrauwen en zware
brilmontuur boezemde hij ontzag in. Afgezien van dat laatste herken ik veel van
hem in mij – al heb ik toch ook al moeten ervaren dat sommige mensen schrik
hebben van mij. Volkomen ten onrechte, uiteraard.
Mijn vaders moeder, Hélène Salmon, was naar verluidt – ik heb het
slechts uit tweede hand, en dan vooral van mijn moeder, die zich door haar,
zacht gezegd, niet graag gezien voelde – een akelige vrouw: onverzettelijk en
haatdragend schrok ze er niet voor terug haar eigen kind, mijn vader, samen met
zijn kinderen, haar kleinkinderen dus, te verjagen. Ik denk niet dat ik in
staat ben om medemensen op zo’n drastische wijze uit mijn leven te bannen, maar
als er een breuk is, heb ik de neiging om te berusten in de onherstelbaarheid ervan
of, ik zal het zo zeggen, munt ik toch niet bepaald uit in herstellen en
verzoenen. Daarin, denk ik (want de herinnering die ik aan mijn grootmoeder
bewaar is bepaald niet levendig), gelijk ik misschien op haar. Zij was, voor
zij zich aan haar kroost wijdde, onderwijzeres geweest. Ik zal ook wel iets van
haar didactische aanleg hebben geërfd. Hoe ze eruit zag, daar heb ik eigenlijk
nauwelijks nog een idee van. Ik herinner mij hoe een nogal kleine en magere
gestalte over de Leuvense stoof in de hoek van de keuken gebogen staat. Een
grijze of grijsachtige jurk – of was het een stofjas? En bleke, wellicht al
grijze haren, in een dot opgebonden.
zaterdag 26 november 2016
de herfst van 2016 – 46
Mijn grootmoeder, die ik bonne maman moest noemen – alsof mijn
moeder mauvaise zou zijn geweest –
toonde mij voor hoe ik bijna lege jampotten helemaal leeg moest maken. Zij
maakte haar confitures zelf en kende er dus de waarde van. Zij toonde voor hoe
ik met op een vork geprikte soldaatjes – tot reepjes gesneden sneden brood, en
bij voorkeur daarvan de korsten – de binnenkant van de bokaal kon schoonvegen.
Ik pas de techniek nog altijd toe, en telkens ik het doe, eens om de zoveel
weken, moet ik aan de vrouw denken die, voor het overige, voor mij weinig
memorabels had.
Of het zou moeten zijn dat zij zeer goed Limburgse
vlaaien kon bakken: taarten die bestaan uit een met vers rood fruit of pruimen
opgevulde koekbodem waarvan de randen wat zijn opgekruld tegen de bakvorm aan.
De kersen, aardbeien, rode bessen en pruimen werden in de eigen tuin geoogst.
Op zomerdagen waren er altijd veel vliegen in de keuken van mijn grootmoeder.
Zij maakte zich dan druk over wie nu weer de achterdeur, die eigenlijk
uit twee deuren bestond, een hor en de eigenlijke deur, had laten openstaan. Ik
meen mij te herinneren dat zij daarbij beschuldigend in mijn richting keek. Ik
deed dan natuurlijk alsof ik geen Frans verstond. En ik wist wat nu volgde:
mijn grootmoeder loofde een beloning van 25 centiemen uit voor elke vlieg die
ik kon vangen of doodmeppen. Maar ik zou niet incasseren, haastte zij zich
eraan toe te voegen, indien ik vlekken op de tafel of tegen de muren maakte. Ik
mocht ook niet op stoelen staan, en al zeker niet op de tafel, om de vliegen
die hoog tegen de wanden en op het plafond landden te verschalken.
Mijn grootmoeder heette Hélène van haar voornaam en die naam zou in mijn
leven een belangrijkere rol spelen dan de herinnering aan de vrouw die zo had
geheten.
Abonneren op:
Posts (Atom)





