maandag 28 november 2016

4527

160831

zondag 27 november 2016

instagram 240

Brussel, Centraal Station - 161014

instagram 239

Brussel, Drukpersstraat - 161013

instagram 238

Brussel, Centraal Station - 161012

getekend 210



driekleur 281



Stenen en hun bestaan stond in gouden letters gekalligrafeerd op een rode stoffen kaft.
‘Ik breng het morgen wel terug,’ zei ze haastig.
‘Dat hoeft niet. Ik heb het niet meteen nodig.’
Ze aarzelde, wist niet goed of ze nog iets zeggen moest. Hij droeg puntige zwarte schoenen.

Kris Van Steenberge, Woesten, 17-18

de herfst van 2016 – 47



Ik heb ongeveer alles verteld wat ik van mijn grootouders aan vaders kant weet. Veel is het niet, ik weet het. Wat is nu het erfelijk materiaal dat deze mensen aan mij hebben doorgegeven? Als het waar is wat ik vaak hoor, dat eigenschappen bij het zich overzetten een generatie overslaan, dan moet ik van hen toch veel meegekregen en in mij opgeslagen hebben en, ja, zelf op mijn beurt aan mijn kleinkinderen doorgeven?

Mijn grootvader, Jules Cornet, was een beginselvaste en strenge man, die toch niet in die mate stug was dat hij vond dat hij te allen tijde onverbiddelijk moest zijn. Een beetje wereldvreemd stel ik hem mij voor, en wellicht ook tamelijk eenzaam. Zijn taal, de belangrijke functie die hij als inwijkeling op zich laadde en de rol die hij in die hoedanigheid tijdens de oorlog had gespeeld, zullen daar niet vreemd aan geweest zijn. Hij was zwaargebouwd, op het corpulente af. Met zijn borstelwenkbrauwen en zware brilmontuur boezemde hij ontzag in. Afgezien van dat laatste herken ik veel van hem in mij – al heb ik toch ook al moeten ervaren dat sommige mensen schrik hebben van mij. Volkomen ten onrechte, uiteraard.

Mijn vaders moeder, Hélène Salmon, was naar verluidt – ik heb het slechts uit tweede hand, en dan vooral van mijn moeder, die zich door haar, zacht gezegd, niet graag gezien voelde – een akelige vrouw: onverzettelijk en haatdragend schrok ze er niet voor terug haar eigen kind, mijn vader, samen met zijn kinderen, haar kleinkinderen dus, te verjagen. Ik denk niet dat ik in staat ben om medemensen op zo’n drastische wijze uit mijn leven te bannen, maar als er een breuk is, heb ik de neiging om te berusten in de onherstelbaarheid ervan of, ik zal het zo zeggen, munt ik toch niet bepaald uit in herstellen en verzoenen. Daarin, denk ik (want de herinnering die ik aan mijn grootmoeder bewaar is bepaald niet levendig), gelijk ik misschien op haar. Zij was, voor zij zich aan haar kroost wijdde, onderwijzeres geweest. Ik zal ook wel iets van haar didactische aanleg hebben geërfd. Hoe ze eruit zag, daar heb ik eigenlijk nauwelijks nog een idee van. Ik herinner mij hoe een nogal kleine en magere gestalte over de Leuvense stoof in de hoek van de keuken gebogen staat. Een grijze of grijsachtige jurk – of was het een stofjas? En bleke, wellicht al grijze haren, in een dot opgebonden.

4526

160831

zaterdag 26 november 2016

de herfst van 2016 – 46



Ik zal wel nooit weten of de ongunstige reputatie van mijn grootmoeder terecht was. Wat er ook van zij, echt vriendelijk kan zij niet geweest zijn want ik herinner me van haar geen gebaar of woord in die zin. Geen aanmoediging, geen aai, geen teken van affectie. Nochtans, was ik niet nog een klein ventje destijds en hoort ten aanzien van kleine ventjes zelfs de kilste ijspegel niet te ontdooien? Geen wonder dat ik mij, vele jaren later, altijd heb verbaasd over de liefde waarmee mijn schoonmoeder haar kleinkinderen omarmde, verzorgde, koesterde en verwende, of waarmee andere oma’s hun kleinkinderen bejegenden.

Mijn grootmoeder, die ik bonne maman moest noemen – alsof mijn moeder mauvaise zou zijn geweest – toonde mij voor hoe ik bijna lege jampotten helemaal leeg moest maken. Zij maakte haar confitures zelf en kende er dus de waarde van. Zij toonde voor hoe ik met op een vork geprikte soldaatjes – tot reepjes gesneden sneden brood, en bij voorkeur daarvan de korsten – de binnenkant van de bokaal kon schoonvegen. Ik pas de techniek nog altijd toe, en telkens ik het doe, eens om de zoveel weken, moet ik aan de vrouw denken die, voor het overige, voor mij weinig memorabels had.

Of het zou moeten zijn dat zij zeer goed Limburgse vlaaien kon bakken: taarten die bestaan uit een met vers rood fruit of pruimen opgevulde koekbodem waarvan de randen wat zijn opgekruld tegen de bakvorm aan. De kersen, aardbeien, rode bessen en pruimen werden in de eigen tuin geoogst.

Op zomerdagen waren er altijd veel vliegen in de keuken van mijn grootmoeder. Zij maakte zich dan druk over wie nu weer de achterdeur, die eigenlijk uit twee deuren bestond, een hor en de eigenlijke deur, had laten openstaan. Ik meen mij te herinneren dat zij daarbij beschuldigend in mijn richting keek. Ik deed dan natuurlijk alsof ik geen Frans verstond. En ik wist wat nu volgde: mijn grootmoeder loofde een beloning van 25 centiemen uit voor elke vlieg die ik kon vangen of doodmeppen. Maar ik zou niet incasseren, haastte zij zich eraan toe te voegen, indien ik vlekken op de tafel of tegen de muren maakte. Ik mocht ook niet op stoelen staan, en al zeker niet op de tafel, om de vliegen die hoog tegen de wanden en op het plafond landden te verschalken.

Mijn grootmoeder heette Hélène van haar voornaam en die naam zou in mijn leven een belangrijkere rol spelen dan de herinnering aan de vrouw die zo had geheten.