dinsdag 14 september 2010

256/365

terugblik 44 (654/1000)


Café De Vismijn op het eind van de Ezelstraat in Brugge, aan de Ezelpoort, bestaat nog altijd. Hoe het mogelijk is, weet ik niet, maar het is zo. We zullen het aan een vorm van inertie wijten. Aan een soort wet der traagheid, die ook, zeer zeker, toepasbaar is op cafés. Want gesproken in termen van strikte commerciële logica (SCL) had dit cafeetje allang moeten opgedoekt zijn, natuurlijk. Maar ik verdenk de uitbaters ervan lak te hebben aan SCL.

Toen ik, op een regenachtige avond in de winter van 2006 – u kent het sfeertje wel, het is helemaal geen winter maar integendeel een lauw onseizoen, en iedereen zit thuis naar allerlei ongein op de televisie te kijken – dit café passeerde, te voet, op weg naar ik weet niet meer wie of wat, dacht ik: Wedden dat dit etablissement volgend jaar ook niet meer bestaat? Maar kijk, weet ik intussen, het bestaat nog steeds en het zou kunnen, ik herhaal, het zou kúnnen gebeuren dat ik er bijvoorbeeld deze week passeer en er precies hetzelfde denk als vier, straks vijf jaar geleden.

Ik nam toen, vierenhalf jaar geleden, deze foto vanuit een soort van antropologisch geïnspireerde documentatie-ijver. Bewaren, nu het nog kan. Maar ik lette er wel op, zo merk ik nu, dat het televisietoestel, dat voor zoveel eenzaamheid in en rond lege cafés verantwoordelijk is, eenzaamheid die des te harder aankomt als de kasseistraten blinken van de regen, min of meer centraal in het beeld kwam te staan. Want over dat televisietoestel gaat het in deze foto, meer dan over het café.

facebookbericht 266

schrikt wel even van de Google-advertentie voor een erectieprobleemoplossing onder een weerzinwekkende bloemlezing uit het rapport Adriaenssens over seksueel misbruik in de kerk.

2258

Een dag naar Sandwich 10/21. Het Kanaal

maandag 13 september 2010

facebookbericht 265

hoort een van die flamboyante advocaten die de VRT in de aanbieding hebben pleiten voor een pecuniaire tegemoetkoming aan de slachtoffers van het klerikaal seksgeweld en denkt: ja, hoe anders dan met harde munt kun je die misdaden een beetje verzachten?

de dingen 31

terugblik 43 (650/1000)

Ik weet het wel, dit is geen fameuze foto – ik zou hem vandaag niet meer laten passeren. Toch rakel ik hem hier nog op. En wel hierom. De vrouw in rode mantel die met haar boodschappentassen op haar huis afstevent, loopt vandaag niet meer zonder looprek. De foto is genomen door het raam van mijn woning, en als ik nu op zekere ogenblikken naar buiten kijk, kan het, aangezien ik nog steeds min of meer op dezelfde plaats woon, gebeuren dat ik diezelfde vrouw zie passeren. Nu gebruikt ze daarbij een looprek. De plastic tassen met haar boodschappen hangt ze aan dat looprek. Ze schuifelt op haar woning af. Nog steeds met dezelfde besognes, met dezelfde lange dagen voor de boeg en met dezelfde eenzaamheid – zo verbeeld ik het mij. Dat is fotografie ook: het vastleggen van dingen die voorbijgaan, oude dames zonder looprek, oude dames met looprek. En straks geen oude dames meer. Of toch niet diezelfde.

mijn woordenboek 279

ALLIANTIE

Wie een bondgenootschap wil sluiten, moet eerst door een moment van kwetsbaarheid. Hij moet niet alleen inzien dat hij alleen, op eigen kracht, niet bij machte is om zijn doel te bereiken, hij moet daar ook openlijk voor uitkomen. Daarbij komt hij in het vizier. Zowel van diegene met wie hij het bondgenootschap wil sluiten, als van derden. Heel even, in het aan het bondgenootschap voorafgaande moment van negociatie, wordt zijn zwakte zichtbaar: zolang de vennoot, de partner in crime, de kompaan, de echt- of bondgenoot – die altijd ook een lotgenoot is – niet ook de voordelen van het samenwerkingsverband heeft ingezien en in de voorwaarden tot samenwerking heeft ingestemd, is het voor alle betrokkenen en getuigen akelig duidelijk dat de alliantiesollicitant openlijk toegeeft dat hij het alleen niet redden kan.

De fase van de negociatie wordt vaak onderschat, heb ik de indruk. Als het leven een rivier is waarop wij ons met ons bootje stroomafwaarts laten meevoeren – ik geef toe, ’t is niet bepaald een originele of vernieuwende vergelijking – dan is een dergelijke fase een stroomversnelling. Waar doorgaans het rustige kabbelen overheerst – gewoonte, herhaling, routine en verveling doen hun efficiënte werk –, kunnen we in die stroomversnellingen onmogelijk alle mogelijke uitkomsten overzien. We moeten heel snel keuzes maken – ja, eigenlijk beseffen we op het moment zelf dat we op geluk, chance, moeten rekenen. En we beseffen bovendien – hoeveel besef zit er niet in zo’n moment! – dat het maar goed is dat we niet alles kunnen overzien omdat we anders nooit een keuze zouden kúnnen maken.

Allianties worden in dat soort stroomversnellingsituaties afgesloten. Er is altijd een grote mate van onoverzichtelijkheid mee gemoeid, er is vertrouwen nodig. En wie vertrouwen zegt, zegt: de mogelijkheid om bedrogen uit te komen.

Als dan uiteindelijk de alliantie wordt gesmeed, moet in de vormgeving – die er altijd moet zijn, en er moet veel zorg aan worden besteed! – op rituele wijze die mogelijkheid van bedrog worden genegeerd. Met een zekere ironie of wijsheid moet worden gedaan alsof de overgave enkel een positief resultaat kan genereren.

2257 / woord in beeld 6

Een dag naar Sandwich 9/21. Dover

zondag 12 september 2010

255/365

H.

253/365

254/365

S., H. en K.

om te onthouden 2

‘Bij de beenhouwer stond laatst een rij tot buiten te wachten. Ik zag hoe de bazin van de Floralux binnenkwam, de hele rij voorbijstak en onmiddellijk naar de toonbank ging. Er was er maar een die iets durfde te zeggen: “Allez, madame, ga een keer achteraan staan aanschuiven. Iedereen is hier gelijk voor de wet!” Wat hij niet zei was: “Het is niet omdat ge een bloemen- en plantenzaak hebt van hier tot ginder en misschien wel de rijkste inwoner zijt van Dadizele dat ge niet evengoed als alle anderen moet wachten bij de beenhouwer.” Maar de man vergiste zich. De bazin van de Floralux hád haar beurt braaf afgewacht. Ze had alleen te veel inkopen gedaan om in één keer naar haar 4x4 Lexus te dragen en ze was, na een eerste keer met volle handen naar buiten te zijn gegaan, gewoon een tweede keer naar binnen gekomen om de rest van haar commissie op te halen – en daar is toch niets mis mee, nietwaar?’
X. vertelde ook nog dat hij al een paar keer had gezien dat in de Spar, telkens madame van de Floralux er binnenkomt, er onmiddellijk een extra kassa wordt geopend zodat madame van de Floralux toch maar niet te lang moet wachten.

Zo ging het gesprek over de uitbaters van de Floralux. Ik vernam dat die mensen de eigenaars zijn van een heel vakantiedorp nabij Le Crotoy, bij de baai van de Somme, en kijk, daar kwam de herinnering bovendrijven aan die paar dagen dat ik daar ooit met mijn gezin heb doorgebracht, samen met de Y’s. Het was die keer dat we die fameuze lachstuip hadden, toen de toen nog kleine A. bij het spelen van Pictionary haar zeer eigenzinnige versie van een pinguïn op het spreadsheetbord tekende. Hoe zou het nog met A. zijn, overigens, ze zal wel groot zijn geworden inmiddels. Zou ze nog altijd liever voetballen dan… – tja, wat doen meisjes tegenwoordig graag?

2256

Een dag naar Sandwich 8/21. Dover

zaterdag 11 september 2010

2255

Een dag naar Sandwich 7/21. Dover

vrijdag 10 september 2010

baraque lecture 71

Vandaag lees ik op twee zeer verschillende plaatsen (*) over twee schijnbaar zeer uiteenlopende maar niettemin toch principieel met elkaar in verband te brengen culturele facta.
Het eerste is dat de Flatiron Building, op het kruispunt van Fifth Avenue en Broadway in Manhattan het eerste torengebouw was met een dragende stalen structuur. De Flatiron dateert van 1902. Het tweede is dat het gedicht ‘Un coup de dés’ van Mallarmé het eerste was waarin de woorden zich losmaakten van de versregels, en de woorden zich ‘uit het typografische vormpatroon van de strofe’ bevrijdden: ze ‘gingen in dalende en stijgende lijn, in geïsoleerde positie, in het ongerijmde een eigen leven leiden’ (Hedwig Speliers). Mallarmé schreef ‘Un coup de dés’ in 1897. Nu lijkt het ene cultuurfeit zwaar met het andere in oppositie: waar de architectuur kiest voor het keurslijf, kiest de poëzie in ongeveer dezelfde periode nu net voor de bevrijding van formele restricties. Hoe deze simultane ontwikkeling te duiden?

De veranderende maatschappelijke functie van beide disciplines biedt een invalshoek. De poëzie stelt zich steeds meer in dienst van de allerindividueelste expressie van de dito emotie, zij maakt zich los van de samenleving en trekt zich terug in idiosyncratisch vertolkte gevoelssferen. De architectuur daarentegen moet, in functie van de steeds toenemende demografische druk en de vereisten van economie en maatschappelijk verkeer, een groter rendement nastreven: meer ruimte op minder plaats, leesbaarheid, functionalisme. Dit leidt tot uniforme technische oplossingen – en uiteindelijk tot steeds dezelfde oplossingen want de techniek heeft maar één beste toepassing. Pas recent, ik vermoed sinds het postmodernisme, maar ook sinds het heropvissen van de representatieve kracht van architectuur als gevolg van de toegenomen kapitaalkracht van de bouwheren, streven de architecten opnieuw een vrijere en pluriformere expressie na.

(*) een postkaartenboekje met foto’s van New York van Jan Ortner en een tekst voor een binnenkort te verschijnen nummer van Poëziekrant

2254

Een dag naar Sandwich 6/21. Dover

252/365

Schilderijfragment: Gerd Ververs.

251/365

donderdag 9 september 2010

mijn woordenboek 278

ALLESOMVATTEND

Het is verleidelijk om met één duidelijk en hanteerbaar concept een hele werkelijkheid te verklaren. Alle politici zijn zakkenvullers. Alle coiffeurs zijn jeanetten. Nederlanders zijn gierig. Je spoelt het kind met het badwater weg, de details en finesses houden zich schuil achter de koegedaante die de waarheid heeft aangenomen. De geschiedenis is de dialectisch verlopende zelfverwerkelijking van de Geest. De wil tot macht regeert de wereld. Alle kunst is gesublimeerde seks. Iedere maatschappij is de weerspiegeling van productieverhoudingen. Of deze: Stilstand is achteruitgang. In ’58, toen de wereld nog zo overzichtelijk was dat je met dergelijke lapidaire stellingen iemand de kop kon inslaan, zeker als hij er ánders over dacht, geloofden onze ouders nog in de Vooruitgang toen zij aanschoven om de Expo te bezoeken. Dat soort oogkleppen hebben wij ons te lang laten opzetten. Toch blijven wij met de sleepnetten van onze zogenaamde waarheden heel wat collateral damage veroorzaken. Vraag het maar aan de tonijnvissers hoe allesomvattend hun netten zijn. ’t Is gek, eigenlijk, hoe we met de globale modellen waarmee we de werkelijkheid benaderen die werkelijkheid deels verhullen – alsof wij in plaats van er een licht over te laten schijnen er een donkere mantel overheen werpen. Of een natte dweil.

facebookbericht 264

hoort de woordvoerder van de bisschoppen zeggen dat ze 'een gevoel van oef' hebben, nu is gebleken dat de stukken drie maanden geleden op rechtsongeldige wijze zijn weggenomen.

2253

Een dag naar Sandwich 1/21. Calais

woensdag 8 september 2010

reactie

Mooie blogpost. Zelf vond ik het vroeger erg leuk om met een schilmesje het mos tussen de stenen te snijden, dat zou voor mij geen straf zijn geweest.
Jo

mijn woordenboek 277

ALLES

Heb jij ál die boeken gelezen? De vraag ergert me niet meer. Een bibliotheek is er niet om van a tot z te lezen. Hij is er om je een thuis te bieden. Veel meer dan geborgenheid valt er in dit leven niet te rapen – maar dat is wel heel veel. Een bibliotheek kan daarbij helpen. Mijn bibliotheek is, materieel gesproken, ongeveer alles wat ik heb. De muziek die ik had is, als bezit, sinds de digitalisering waardeloos geworden. In een kist steekt een archief van documenten tot 35 jaar ver. Ooit moet ik die adderkuil eens openmaken. Foto’s heb ik op een schijf, in de hoop dat die niet crasht. En ja, bij het ‘alles wat ik heb’ moet ik ook enkele tekeningen, schilderijen en foto’s van vrienden aan de muur rekenen. Ook zij kleden mijn bestaan aan.

Is dit alles’, zeurt Doe Maar:

We komen niets te kort, we hebben alles
Een kind, een huis, een auto en elkaar
Maar weet je lieve schat wat het geval is, ah
Ik zoek iets meer, ik weet alleen niet waar

Uit mijn verre kindertijd herinner ik mij een frappant beeld. Een buurmeisje, niet de schoonheid van op de hoek op wie ik verliefd was, zat met een aardappelmesje het mos van tussen de kasseistenen van de oprit te peuteren. Haar zo al korte rokje tot een eind boven haar knieën opgerimpeld. Zij maakte deel uit van een gezin waarvan de vader een belangrijke functie bekleedde in een belangrijke firma in een belangrijke straat van de stad. De oprit waarop zij zat te peuteren was dan ook al even belangrijk. Als je weet dat elke kasseisteen door vier voegen wordt afgeboord… Moet je alles wieden? vroeg ik haar. Dat moest ze. Ze was gestraft. Ik weet niet meer voor welk vergrijp maar het moet een heel belangrijk vergrijp zijn geweest.

Het zijn zo van die taken waaraan je begint met een idee van het zal wel lukken, maar al heel vlug, of vroeg, merk je dat je nooit álles zult kunnen doen en dan zink je weg in een bodemloze lethargie.

Het woord ‘alles’ doet me ook aan puzzels met veel stukken denken. Nu heb ik een hekel aan puzzels en weet u waarom? Omdat je nooit zeker weet of alle stukken wel in de doos steken. Je moet echt wel bijna helemaal tot het einde gaan vooraleer je daarover zekerheid kunt verwerven.

Ik vind ‘alles’ niet zo interessant. Het is een egaliserend begrip: alles wordt even belangrijk, en daardoor onbelangrijk. Geef mij maar de partiële benadering, de gedeeltelijke invulling, de beperkte opdracht. ‘Alles’ verlamt, fnuikt, doet je niets doen.

We zijn nu net een stuk in 13 delen
Aan het einde zijn we allemaal de klos
En leven trouw het leven van zovelen
Ik wil iets meer, ik wil een beetje los

reactie

Deze foto van kind en oudere man vind ik prachtig. Het kind is zoals het kind hier moet zijn : zelfzeker, vriendelijk, vrijgevig ... en de man tast toe - hij kan niet op tegen dat aanbod - geamuseerd door dat jong levenslustig ding. Het is alsof hij leven aangeboden krijgt en leven is onweerstaanbaar.
Op één of andere manier doet het me denken aan een beeld uit een Bergmanprent. Het zwartwit/ dat blonde kind met haar intelligente gevoelige gezichtje /het geladen tafereel, hoe licht en luchtig het ook oogt.
S.

2252

? en G.

dinsdag 7 september 2010

250/365

I.

249/365

om te onthouden 1

Hoe het geheugen werkt, is een kwestie die mij steeds nadrukkelijker bezighoudt en u kunt wel raden waaraan dat te wijten is. Enfin, ik help u even: hoe slechter het werkt, hoe meer het mij bezighoudt natuurlijk.

Eergisterenavond overkwam mij het volgende. En ik wil het snel opschrijven – om het te onthouden. (*)

Maar eerst moet ik nog iets anders vertellen.

De voorbije maanden heb ik nogal af te rekenen gehad met allerlei schimmige instanties die zich bemoeien met wat ik uit het vele harde werken van de voorbije jaren in geldelijke vorm heb verkregen. Zij vinden niet dat ik te hard heb gewerkt (dat vind ík), maar wel dat ik daarvoor te veel heb gekregen en nu doen zij hun uiterste best om mij dat aan den lijve te doen ondervinden. Ik weet dat het een omslachtige manier van zeggen is maar ik bedoel maar: het is een naar gevoel te worden geconfronteerd met lui die blijkbaar niet geneigd zijn om te rusten vooraleer zij het onderste uit de kan hebben opgedolven en de kan – u volgt het plaatje – dat ben ik.

Maar goed, dit is niet de locus om mijn fiscaal en parafiscaal beklag te maken.

Op een van die instanties werkt een heel vriendelijke man. Hij mocht mij al een paar keer te woord staan aan het loket. ’t Is een heel vriendelijk loket, landschapsbureau, nauwelijks nog een loketaire afscheiding, er staat zelfs een kamerplant te wuiven in de deining die door de discreet blazende airco wordt opgewekt en door de deur die af en toe eens opengaat om een uitgeschudde middenstander binnen te laten.

En daar, achter het muurtje van zijn loket, staat dus Geert om uitleg te geven bij clausules en stipulaties die voor mij totaal oninzichtelijk blijven maar die wel een verschil maken in de portemonnee.

Ik dacht altijd dat ik goed werd bijgestaan door Geert. Maar niet dus – en dat heeft mij inmiddels enkele duizenden euro gekost. Ik bespaar u de details.

Het zal u echter zijn opgevallen dat ik nadrukkelijk de voornaam Geert hanteer.

Dat komt hierdoor. In de epistels die werden opgesteld gedurende de betwisting die volgde op de fouten die werden gemaakt, onder meer door Geert, moest deze altijd vriendelijke ambtenaar met name worden genoemd. En hierbij rees een probleem, dat ik u dus eerst moest toelichten alvorens te kunnen beginnen met de uiteenzetting over het voorval van eergisterenavond, aan de hand waarvan ik aanvankelijk dacht mijn verwondering over de werking van het geheugen te zullen illustreren. (Ik recapituleer hier even, zo raakt u de draad niet kwijt.) Dat probleem bestond erin dat ik, bij het opstellen van die epistels, mij steevast de familienaam van ‘Geert’ niet kon herinneren en mij dus moest verlaten op een omschrijving die, qua toonaard, niet echt in dat soort epistels thuishoort: ‘de vriendelijke man van loket X, die van zijn voornaam Geert heet maar wiens familienaam ik mij niet herinner, maar u zult vast wel weten wie ik bedoel’.

En zo ging het niet alleen in die epistels maar ook de talrijke keren dat ik aan Geert moest denken – want een paar duizend euro ophoesten, dat bezorgt een hardwerkende Vlaming wel eens kopbrekens. Misschien heeft mijn deficiënte, of dan toch op zijn minst eigenzinnig functionerende geheugen dáár wel iets mee te maken, met die kopbrekens.

Eergisterenavond dus, ik fietste van mijn ene thuis naar het andere, zie ik op het trottoir een rijzige man met een jongen – ’t is al laat, ze zijn op weg naar huis. ‘Vandesteene’ denk ik (ik gebruik hier een willekeurige naam). En pas daarna herken ik Geert van de sociale kas. Echt, zo ging het: eerst de naam, dan de herkenning. En dat terwijl ik al meerdere keren heel ingespannen naar die naam had gezocht.

Kijk, zo vreemd werkt dus het geheugen.

(*) Dat is meteen de bedoeling van deze nieuwe rubriek.

reactie

Ik heb in mijn leven ongeveer 1000 bladzijden Bolaño gelezen en weet nog altijd niet wat ik ervan moet vinden. Hij is voor mij de moeilijkst beoordeelbare auteur die er is.

Peter Venmans

*

hallo pascal

2666 ook nog niet uitgelezen, tot boek 4 . Vreemd vreemd boek, ontheemd. sommige figuren begrijp je beter dan anderen, sommigen zijn fascinerend (lalo pena) en florita.. maar nu had ik er ook even genoeg van. mooi hoe jij dat in woorden brengt hoe raar het was. merci voor de duw, want het is toch wel een zeer onhandige dikke rare boek.(vooral als je in bed leest)

Bea