donderdag 30 november 2006
Mjin woordenboek (139)
ADAMSAPPEL
Nooit eerder had je er op gelet, en dan zie je het opeens, dat kwetsbare, vooruitstekende, samen met de slikbewegingen kluchtig op en neer wippende onderdeel van het strottenhoofd, een uitwas van de puberale mannelijke hormonenvloed. Je ziet het en je kunt je blik niet meer afwenden, je vraagt je af hoe het zou zijn als een zwaar voorwerp er tegen aan wordt geslagen, als het met wurgende vingers zou worden dichtgeknepen, als een mes erdoor zou worden gehaald.
Vreemd, trouwens, die naam: het is een mannelijk orgaan, vandaar Adam natuurlijk, maar waar komt die appel vandaan? Van Dale biedt de oplossing: de adamsappel is een obscure vrucht van het zich verslikken in Eva’s appel...
't Is een beetje een onbevredigende uitleg.
Hoe geprononceerd ook, de adamsappel dient voor niks, zo blijkt. De adamsappel is familie van de blindedarm: je kan zonder. Beginselvaste transseksuele mannen laten hem bij hun operatie verwijderen - ook al is die verwijdering naar verluidt geen sinecure.
Nooit eerder had je er op gelet, en dan zie je het opeens, dat kwetsbare, vooruitstekende, samen met de slikbewegingen kluchtig op en neer wippende onderdeel van het strottenhoofd, een uitwas van de puberale mannelijke hormonenvloed. Je ziet het en je kunt je blik niet meer afwenden, je vraagt je af hoe het zou zijn als een zwaar voorwerp er tegen aan wordt geslagen, als het met wurgende vingers zou worden dichtgeknepen, als een mes erdoor zou worden gehaald.
Vreemd, trouwens, die naam: het is een mannelijk orgaan, vandaar Adam natuurlijk, maar waar komt die appel vandaan? Van Dale biedt de oplossing: de adamsappel is een obscure vrucht van het zich verslikken in Eva’s appel...
't Is een beetje een onbevredigende uitleg.
Hoe geprononceerd ook, de adamsappel dient voor niks, zo blijkt. De adamsappel is familie van de blindedarm: je kan zonder. Beginselvaste transseksuele mannen laten hem bij hun operatie verwijderen - ook al is die verwijdering naar verluidt geen sinecure.
maandag 27 november 2006
zaterdag 25 november 2006
Ferroviaire observaties (4)
Zijn uiterlijk doet me aan de jonge Bob Dylan denken, die van de film die D.A. Pennebaker draaide in Londen in 1965: een kwikzilveren bol energie vol branie en superieur-spottende intelligentie. Onze Dylan is voortdurend met zijn gsm in de weer: hij ontvangt sms’en, wordt opgebeld, belt zelf op. Wanneer hij een nummer moet vormen, brengt hij het schermpje van zijn toestel heel dicht bij zijn ogen. Dat is blijkbaar nog niet genoeg, want hij zet een vreemde bril op: op een van de glazen is een soort verrekijkertje gemonteerd. En inderdaad, wanneer Robert opkijkt, zie ik dat een van zijn ogen zwaar op de dool gaat.
Onze in een fluwelen zwarte jas, zwarte spijkerbroek en donkergrijshemd geklede jongeman mag dan al visueel gehandicapt zijn, verbaal blijkt hij erg vaardig. Met een stille, maar door de sonore diepgang toch goed hoorbare stem, produceert hij de ene spitsvondige uiting van sarcasme na de andere. Omdat mensen die in het openbaar vertrouwelijkheden uitwisselen indiscreet zijn, zie ik niet in waarom ik hier niet enkele van zijn door mij opgevangen uitspraken meegeef.
- Ge weet dat ik tegen seks voor het huwelijk ben.
- Ze keek recht in mijn ogen, maar ik zei: ‘Mijn ogen moeten voor u geen referentiepunt zijn, ze draaien alle kanten op.’
- Ik zit daar met vier boma’s op mijn werk, daar zit niet veel leven in.
En het mooie van deze laatste quote is dat Bob hem uitspreekt terwijl hij een blikje Ice Tea opentrekt.
Onze in een fluwelen zwarte jas, zwarte spijkerbroek en donkergrijshemd geklede jongeman mag dan al visueel gehandicapt zijn, verbaal blijkt hij erg vaardig. Met een stille, maar door de sonore diepgang toch goed hoorbare stem, produceert hij de ene spitsvondige uiting van sarcasme na de andere. Omdat mensen die in het openbaar vertrouwelijkheden uitwisselen indiscreet zijn, zie ik niet in waarom ik hier niet enkele van zijn door mij opgevangen uitspraken meegeef.
- Ge weet dat ik tegen seks voor het huwelijk ben.
- Ze keek recht in mijn ogen, maar ik zei: ‘Mijn ogen moeten voor u geen referentiepunt zijn, ze draaien alle kanten op.’
- Ik zit daar met vier boma’s op mijn werk, daar zit niet veel leven in.
En het mooie van deze laatste quote is dat Bob hem uitspreekt terwijl hij een blikje Ice Tea opentrekt.
donderdag 23 november 2006
Ferroviaire observaties (3)
Ik lees in de eerste bladzijden van Elsschots laatste verhaal over drie in een druilerig en donker novembers Antwerpen verdwaalde ‘rijstkakkers’. Een ‘waardig exemplaar van het herenvolk’ probeert de hulpeloze drie naar ‘de meisjes van lieveling en centen’ te lokken maar zou nog wel eens iets van hen kunnen leren – zo laat de auteur, die verklaart ‘gedoemd’ te zijn z’n dagen met zijn ‘volksgenoten’ te ‘slijten’, gaandeweg doorschemeren. Op de stoel tegenover mij heeft een jonge zwarte man plaatsgenomen. Hij draagt een wat wufte armband, een bewerkelijke ring aan de pink en een zware hoornen brilmontuur op zijn neus. En hij noteert af en toe, telkens na lange wijlen door het raam naar het voorbijtreinende novemberse druillandschap te hebben zitten kijken, een summier ideetje in een op zijn schoot opengeslagen Clairefontaine-schrift. Op de bladzijde die niet onder zijn schrijvende hand schuilgaat, staan, in keurig handschrift neergepend, enkele gedachten onder het kopje ‘Mardi 21 novembre’ – maar verder dan dat kan ik omgekeerd niet meelezen. En ik wil dat ook niet.
Intussen is ook, schuin tegenover mij, een waardig exemplaar naast de zwarte jongeman neergestreken. Ik, mee aan het verdolen met de drie Afghanen en de blanke burgerman van ‘Het dwaallicht’, zie hoe deze jongeman, maar nu wit, van achter zijn Metro veel meer dan mijn welvoeglijke zelf heeft durven doen, spiekt in het schriftje van zijn verwonderd naar zwijnskoten en verkavelingsarchitectuur starende medemens. En voor hem staan de letters niet op hun kop; ze vormen geen ‘hiërogliefen’, voorwaar. Hij kijkt en kijkt en kijkt – hij léést overduidelijk – en kijkt dan op en ziet hoe ik naar hem kijk en slaat betrapt zijn ogen neer op de actualiteit van de dag in zijn krant.
Intussen is ook, schuin tegenover mij, een waardig exemplaar naast de zwarte jongeman neergestreken. Ik, mee aan het verdolen met de drie Afghanen en de blanke burgerman van ‘Het dwaallicht’, zie hoe deze jongeman, maar nu wit, van achter zijn Metro veel meer dan mijn welvoeglijke zelf heeft durven doen, spiekt in het schriftje van zijn verwonderd naar zwijnskoten en verkavelingsarchitectuur starende medemens. En voor hem staan de letters niet op hun kop; ze vormen geen ‘hiërogliefen’, voorwaar. Hij kijkt en kijkt en kijkt – hij léést overduidelijk – en kijkt dan op en ziet hoe ik naar hem kijk en slaat betrapt zijn ogen neer op de actualiteit van de dag in zijn krant.
dinsdag 21 november 2006
maandag 20 november 2006
Het huwelijk van de minister-president
In het interviewprogramma ‘Nooitgedacht’ op Canvas (deze avond om vijf over twaalf opnieuw te bekijken) ‘ontlokt’ kerkgeleerde annex televisieverschijnsel Rik – de linkerwenkbrauw even hoog gefronst als de ironie en de geveinsde zelfspot superieur zijn – Torfs Vlaams minister-president Yves Leterme enkele opmerkelijke uitspraken over de huwelijksmoraal. Nadat Leterme heeft toegegeven dat macht erotiseert, ontwikkelt hij de theorie dat het huwelijk een instelling is die dateert van een tijd waarin mensen hooguit de leeftijd van vijftig jaar bereikten, waarmee hij impliciet aangeeft dat het goed mogelijk is dat je na een jaar of twintig op elkaar uitgekeken bent. Bovendien geeft de minister-president ook te kennen dat passie een belangrijke impact op hem kan uitoefenen en dat hij zijn politieke carrière niet als een levenslange aangelegenheid beschouwt.
Dit alles maakt de verleiding groot om te veronderstellen dat de heer Leterme voor belangrijke beslissingen in de privésfeer staat en dat hij – omdat het nu eenmaal als christendemocraat niet zo evident is de huwelijksmoraal te ondergraven – het hem door Torfs aangeboden podium gebruikt om de goegemeente daarop voor te bereiden.
Vandaar de aanhalingstekens rond het ‘ontlokt’ hierboven: op dat niveau kun je er geredelijk van uitgaan dat de ontboezemingen een weinig spontaan karakter dragen.
Dit alles maakt de verleiding groot om te veronderstellen dat de heer Leterme voor belangrijke beslissingen in de privésfeer staat en dat hij – omdat het nu eenmaal als christendemocraat niet zo evident is de huwelijksmoraal te ondergraven – het hem door Torfs aangeboden podium gebruikt om de goegemeente daarop voor te bereiden.
Vandaar de aanhalingstekens rond het ‘ontlokt’ hierboven: op dat niveau kun je er geredelijk van uitgaan dat de ontboezemingen een weinig spontaan karakter dragen.
zondag 19 november 2006
Overschrijven (35)
Kijkend naar zijn spiegelbeeld in dat donkere raam geloofde Litvinoff dat er iets was afgebladderd en er een waarheid bij hem was blootgelegd: hij behoorde tot de middelmaat. Hij was een man die bereid was de dingen te accepteren zoals ze zich voordeden en daarom ontbrak het hem aan het potentieel om op enige wijze oorspronkelijk te zijn.
Nicole Krauss, De geschiedenis van de liefde (Anthos, 2006, 6de druk), 137
Nicole Krauss, De geschiedenis van de liefde (Anthos, 2006, 6de druk), 137
vrijdag 17 november 2006
Mijn woordenboek (138)
ADAGIUM
In 'diepgravende' interviews wordt de ondervraagde op het eind wel eens naar zijn lijfspreuk gevraagd – wat overigens een van de minst tot de ‘kern’ (wat dat dan ook moge zijn) doordringende en dus meest overbodige vragen is want zo’n lijfspreuk dient nu net om als een schild voor je uit te voeren en alle onvoorzienlijkheden, waarop je enkel met de voor jezelf kenmerkende wisselvalligheden van je eigen persoonlijkheid zou kunnen antwoorden, mee te lijf te gaan. Niet toevallig komt de ondervraagde dan vaak niet verder dan clichés als ‘Leven en laten leven’, als het al niet ‘Carpe diem’ is of ‘Vrijheid blijheid’.
Devies of adagium zijn van lijfspreuk synoniemen, maar de drie woorden dragen toch niet allemaal dezelfde connotatie met zich mee. Lijfspreuk heeft iets combattiefs, devies iets archaïsch. Een adagium daarentegen is de zelfgenoegzame mantra van iemand die zijn schaapjes op het droge heeft en onder een eikenhouten bordje met een witgeletterde spreuk in zijn luie zetel uitrust van een bestaan zonder hoogtepunten.
In 'diepgravende' interviews wordt de ondervraagde op het eind wel eens naar zijn lijfspreuk gevraagd – wat overigens een van de minst tot de ‘kern’ (wat dat dan ook moge zijn) doordringende en dus meest overbodige vragen is want zo’n lijfspreuk dient nu net om als een schild voor je uit te voeren en alle onvoorzienlijkheden, waarop je enkel met de voor jezelf kenmerkende wisselvalligheden van je eigen persoonlijkheid zou kunnen antwoorden, mee te lijf te gaan. Niet toevallig komt de ondervraagde dan vaak niet verder dan clichés als ‘Leven en laten leven’, als het al niet ‘Carpe diem’ is of ‘Vrijheid blijheid’.
Devies of adagium zijn van lijfspreuk synoniemen, maar de drie woorden dragen toch niet allemaal dezelfde connotatie met zich mee. Lijfspreuk heeft iets combattiefs, devies iets archaïsch. Een adagium daarentegen is de zelfgenoegzame mantra van iemand die zijn schaapjes op het droge heeft en onder een eikenhouten bordje met een witgeletterde spreuk in zijn luie zetel uitrust van een bestaan zonder hoogtepunten.
donderdag 16 november 2006
Mijn woordenboek (137)
ACUUT
Als het zo ver komt, is schade niet meer te vermijden. Er zal moeten worden gesneden, bloed zal vloeien, er zal een litteken blijven. Maar dit kleine offer, dat in normale omstandigheden misschien groot zou lijken, zal het grotere geheel vrijwaren en daardoor klein lijken. Uit het grotere geheel zal iets zijn weggesneden en het zal dus kleiner zijn, maar het zal blijven bestaan en daardoor groter worden.
Acuut, het woord heeft iets van het snijden in zich. Het is in elk geval een scherp woord.
Het acute leert ons dat schade en pijn relatieve begrippen zijn. Dan is het: redden wat er te redden valt; de dingen die in een situatie van grote urgentie hun échte waarde laten zien.
We hebben iets laten aanslepen en zijn in het acute zo ver dat een kleine geleden schade een grote redding kan betekenen en dus niet eens meer een schade kan worden genoemd (zoals een leugen om bestwil eigenlijk ook geen leugen meer is), en dat misschien terwijl diezelfde schade in normale omstandigheden al groot genoeg zou zijn om van een ramp te spreken.
In het scherpe licht van het acute, op die steile, iele top, komt alles in een ander daglicht te staan. Alle zintuigen staan op scherp, de adrenaline slaat op hol, het is tijd voor actie. Wie tegenover het acute niet reageert, kan niet anders dan vallen.
Als het zo ver komt, is schade niet meer te vermijden. Er zal moeten worden gesneden, bloed zal vloeien, er zal een litteken blijven. Maar dit kleine offer, dat in normale omstandigheden misschien groot zou lijken, zal het grotere geheel vrijwaren en daardoor klein lijken. Uit het grotere geheel zal iets zijn weggesneden en het zal dus kleiner zijn, maar het zal blijven bestaan en daardoor groter worden.
Acuut, het woord heeft iets van het snijden in zich. Het is in elk geval een scherp woord.
Het acute leert ons dat schade en pijn relatieve begrippen zijn. Dan is het: redden wat er te redden valt; de dingen die in een situatie van grote urgentie hun échte waarde laten zien.
We hebben iets laten aanslepen en zijn in het acute zo ver dat een kleine geleden schade een grote redding kan betekenen en dus niet eens meer een schade kan worden genoemd (zoals een leugen om bestwil eigenlijk ook geen leugen meer is), en dat misschien terwijl diezelfde schade in normale omstandigheden al groot genoeg zou zijn om van een ramp te spreken.
In het scherpe licht van het acute, op die steile, iele top, komt alles in een ander daglicht te staan. Alle zintuigen staan op scherp, de adrenaline slaat op hol, het is tijd voor actie. Wie tegenover het acute niet reageert, kan niet anders dan vallen.
woensdag 15 november 2006
Mijn woordenboek (136)
ACUPUNCTUUR
Het leidingen- en zenuwen- en energietoevoerstelsel dat de conventionele geneeskunde onderhuids weet liggen, is blijkbaar een ander dan dat waarop de acupunctuur stoelt. In onze ‘conventionele’ logica is het volstrekt onbegrijpelijk dat op punt X een naald prikken een effect sorteert op punt Y omdat we de baan die dit effect geleidt niet erkennen. Wij houden ons dan maar van lieverlede bij het voorstellen van de werking van de acupunctuur de prenten voor ogen waarop deze banen óp de huid zijn getekend. Wij kunnen ons niet voorstellen dat dat inprikken iets uithaalt, net zomin als we het logisch vinden dat het eten van walnoten goed is voor de hersenen ómdat ze op hersenen lijken.
Het leidingen- en zenuwen- en energietoevoerstelsel dat de conventionele geneeskunde onderhuids weet liggen, is blijkbaar een ander dan dat waarop de acupunctuur stoelt. In onze ‘conventionele’ logica is het volstrekt onbegrijpelijk dat op punt X een naald prikken een effect sorteert op punt Y omdat we de baan die dit effect geleidt niet erkennen. Wij houden ons dan maar van lieverlede bij het voorstellen van de werking van de acupunctuur de prenten voor ogen waarop deze banen óp de huid zijn getekend. Wij kunnen ons niet voorstellen dat dat inprikken iets uithaalt, net zomin als we het logisch vinden dat het eten van walnoten goed is voor de hersenen ómdat ze op hersenen lijken.
dinsdag 14 november 2006
Abonneren op:
Posts (Atom)




















