vrijdag 19 mei 2023

notitie 378

V – 1.

De knappe maar zwakzinnige jongeman Kimoon, zoon van de schatrijke Cyprioot Aristippos, komt bij zijn verstand wanneer hij de wondermooie Ifigenia aanschouwt. In de vier jaren die op deze heuglijke gebeurtenis volgen, ontwikkelt hij zich van de boerse minus habens die hij was tot een voorname edelman die alle knepen onder de knie heeft – en dat allemaal doordat Amors pijl hem midscheeps trof! Kimoon vraagt aan haar vader Kypseus Ifigenia’s hand, maar Kypseus heeft zijn dochter al voorbestemd aan Pasimondas van Rhodos. Zij wordt dus naar dat eiland gestuurd. Kimoon onderschept Ifigenia dan maar op volle zee, maar komt in een storm terecht. Zijn stuurloos schip strandt op Rhodos, waar hij door de kompanen van Pasimondas wordt gevangengenomen en uitgeleverd aan de magistraat Lysimachos. Niets staat nu nog het huwelijk van Pasimondas met Ifigenia in de weg. Om kosten te besparen, besluit de bruidegom dit feest te laten samenvallen met het huwelijk van zijn broer Ormisdas met Kassandrea, op wietoeval! – ook de rechter Lysimachos zijn oog heeft laten vallen. In weerwil van de waardigheid die aan zijn functie verbonden is, vraagt de rechter aan Kimoon om hem te helpen bij het schaken van Kassandrea. Dat komt Kimoon goed uit, want dan kan hij in dezelfde moeite meteen ook Ifigenia ten tweede male ontvoeren. Beide heren kunnen met hun toekomstige bruiden ontkomen, niet na eerst nog een bloedbad te hebben aangericht waarvan Pasimondas en Ormisdas de voornaamste slachtoffers zijn.

V – 2.

Op Lipari wordt Martuccio Gomito verliefd op de beeldschone Gostanza, maar haar hand wordt hem door haar vader geweigerd: hij is te berooid. Martuccio verlaat het eiland als zeeschuimer. Zijn kapersschip wordt geënterd door een Saraceens flottielje, en de zowel in de liefde als in de zeeschuimerij gebuisde Martuccio wordt gevankelijk medegevoerd naar Tunis. Het – foutieve – bericht van zijn dood bereikt op Lipari Gostanza, die er het hart van in is. Ziek van verdriet laat het meisje zich wegdrijven in een sloep. Ze spoelt aan op een Noord-Afrikaanse kust, waar ze wordt opgevangen door een Saraceense. Intussen is de koning van Tunis in een oorlog verwikkeld. Martuccio, die nog steeds in een kerker zucht, werpt zich op als militair raadgever. Zijn raad blijkt goud waard. Als beloning krijgt hij de vrijheid en een hoge functie. Dit komt Gostanza, die uiteraard vlakbij Tunis blijkt te zijn aangespoeld, ter ore. Zij dacht dat Martuccio dood was en doet er dus alles aan om, met de hulp van haar gastvrouw, in contact te komen met de jongeman die verliefd op haar was. Ook Martuccio dacht, net als zij over hem, dat zij niet meer onder de levenden was. De twee kunnen zich nu op geluk genererende wijze met elkaar verenigen en naar Lipari terugkeren, waar ze alsnog in het huwelijk kunnen treden aangezien de bruid nu wel over de vereiste status beschikt.

V – 3.

De wederzijdse liefde van Pietro Boccamazza en Agnolella is onmogelijk want de sociale kloof die hen scheidt is te diep. Pietro is van adellijken bloede en Agnolella van plebejische komaf. Het stel ontvlucht Rome, maar wordt overvallen. Bij deze schermutseling raken ze elkaar kwijt. Pietro brengt de nacht door in een boom – vanwege zijn angst voor wolven – en Agnolella vindt onderdak bij een oud boerenkoppel. Uiteindelijk belandt ze in het kasteel van Liello di Campi dei Fiori. Ook Pietro komt daar aan na een lange omzwerving tijdens dewelke hij aan de meest levenbedreigende gevaren is ontkomen. Het verhaal kent een gelukkige afloop.

V – 4.

Ricciardo Manardi uit Bertinoro is in Romagna regelmatig te bast bij ridder Lizio di Valbona en diens echtgenote madonna Giacomina. Ricciardo laat daar zijn oog vallen op de wondermooie dochter van zijn vrienden. Deze Caterina is niet ongevoelig voor zijn avances, waarop Ricciardo het vertrouwen beschaamt dat ridder Lizio in hem heeft gesteld. Lizio betrapt zijn jonge vriend in de armen van zijn dochter, maar kiest met enige zin voor pragmatiek ervoor om het de jongeman, die een goede partij is, niet kwalijk te nemen. Zijn enige voorwaarde is dat de twee bronstige jongelieden elkaar meteen huwen. Hetgeen dan ook zonder al enige weerstand geschiedt.

V – 5.

Giudotto van Cremona vertrouwt op zijn sterfbed zijn tienjarige pleegdochter Agnesa toe aan zijn vriend Giacomino van Pavia, die kort daarna naar Faenza verhuist. Vijf jaar later dingen daar twee jongemannen naar de hand van de nu huwbare en begeerlijke Agnesa. Giannole de Severino schakelt de knecht van Giacomino in om hem toegang te verschaffen tot het meisje; Minghino de Mingole probeert hetzelfde met de afgedwongen medewerking van de meid. Natuurlijk openen knecht en meid op dezelfde avond – een van de weinige avonden dat Giacomino uithuizig is – de poort voor beide rivalen. Het komt tot een handgemeen. Giacomino betoont zich mild: hij besluit de onstuimige pretendenten niet te laten straffen. Maar uit het onderzoek blijkt wel dat Agnesa de zus is van Giannole. Het is niet meer dan logisch dat Agnesa wordt uitgehuwelijkt aan Giannole’s concurrent Minghino, die dus in plaats van te worden gestraft voor zijn voortvarende actie, wordt beloond met een nog zeer jeugdige bruid, naar wier mening overigens niemand informeert.


Giovanni Boccaccio, Decamerone (ca. 1352), vertaling Frans Denissen (2003)