dinsdag 6 oktober 2020

scherf 63

Utopie

Ik lees Ton Lemaire graag. Niet alleen omdat ik het meestal met hem eens ben – dat zou geen goede reden zijn – maar vooral omdat hij goed en helder schrijft. Hij is niet echt een oorspronkelijk denker, maar wel erg goed in het samenbrengen, samenvatten en herformuleren van een hele bibliotheek geschriften over – grosso modo gesteld – de relatie tussen mens, milieu, landschap en dier. Zo leiden in Met lichte tred zijn beschouwingen over het wandelen, het échte wandelen, in het laatste hoofdstuk van dat boek tot een ‘algemene positiebepaling’, eigenlijk een utopisch programma, dat ik hier graag eens bondig samenvat.

Dit is de situatie waarin wij ons bevinden: ‘We leven in een hoogontwikkelde, technologische, laatkapitalistische maatschappij, in de fase van het consumentisme en voortgedreven en gelegitimeerd door een neoliberale ideologie. Ze is geneigd tot een ongelimiteerde groei van productie en consumptie, wordt beheerst door de alomtegenwoordigheid van markt en marktdenken, door individualisme en egocentrisme, veroorzaakt een hoge mate van lawaai, vervuiling en vernietiging van natuur en landschap en bezit daardoor een grote ecologische voetafdruk. (…) Men hecht groot belang aan het onophoudelijk bewegen en veranderen en voelt zich onbehaaglijk bij rust en stilstand. Bovendien bestaat er ontzag voor alles wat snel, groot en veel is (…); dat heet Vooruitgang: na de dood van God het enige idool dat overblijft.’ (219-220) Deze wereld is niet alleen nefast voor natuur en milieu, maar ook ‘bedenkelijk en ten dele pathologisch’ voor de mensen zelf: ‘De welvaart wordt nu eenmaal duur betaald met allerlei nevenverschijnselen zoals stress, chronische onrust, toename van burn-outs, van slapeloosheid, eenzaamheid, gevoelens van wanhoop en zinloosheid, desoriëntatie en nog veel meer’. (220)

Daartegenover plaatst Lemaire de wereld van de wandelaar, de échte, de ‘vrije wandelaar’ in een wereld waar ‘werkelijke vrijheid’ heerst. De kenmerken van die wereld staan diametraal tegenover de elementen die samen de hierboven geschetste situatie kenmerken: traag, ‘de kunst van het genoegen nemen met wat er is’, stil, duurzaam. In die wereld is er geen markt, geld, consumptie en ‘die andere plaag van de samenleving: de voortdurende propaganda van de reclame’. Er is geen klassen- of standenverschil, geen rivaliteit, geen concurrentie en competitiviteit. Die wereld van de échte wandelaar is, voegt Lemaire er meteen aan toe, ‘een utopie’, ‘op zijn best een “tegencultuur” die de heersende cultuur kan herinneren aan een andere invulling van menselijke mogelijkheden’ (221). Maar die ‘tegencultuur’ heeft dus wel iets oppositioneels, ‘een anarchistische inslag’.

De ‘vrije wandelaar’ is een romantische figuur, hij staat tegenover de dictaten van de Verlichting: ‘de heerschappij van de instrumentele rationaliteit, de mechanisering van het wereldbeeld en de onttovering van de natuur, de nadruk op het kwantitatieve, op de calculatie, de reïficatie en vervreemding van de menselijke relaties, de heerschappij van de abstracties, de alomtegenwoordigheid van het geld’. De kenmerken van een romantische benadering van de realiteit zijn: ‘aandacht voor gevoelens, het belang van de spontaneïteit, de waarde van authenticiteit (...)’ (224). Maar dat zijn allemaal kenmerken die een pejoratieve bijklank hebben: in de wereld die wij kennen wordt meer belang gehecht aan ‘Vooruitgang’ (Lemaire schrijft het woord met hoofdletter).

Lemaire besluit met de tegenstelling tussen verlichting en romantiek af te zwakken: beide polen zijn in het moderne leven aanwezig, er moet naar een gezond evenwicht tussen beide worden gestreefd. We zijn ‘veroordeeld te leven in een zekere gespletenheid’ (225).


Ton Lemaire, Met lichte tred (2019)