donderdag 24 april 2008

Dag 237 vVH&C

080421 en 080424 – Een vruchtbare invalshoek om iets over Nachttrein naar Lissabon te zeggen lijkt mij de genrekwestie – waarbij meteen voor ogen dient te worden gehouden dat de identiteit van de auteur uiteenvalt in die van de filosoof Peter Bieri, zoals hij ook bij de burgerlijke stand van het (Duitstalige) Zwitserse Bern staat ingeschreven, en de romanschrijver Pascal Mercier, het (Fransklinkende) pseudoniem derselben.

De roman Nachttrein naar Lissabon bevat, volgens het inmiddels geijkte (Carlos Ruiz Zafón, Nicole Krauss…) postmoderne procédé, een boek-in-het-boek, dat zelf veeleer thuishoort in het genre (of subgenre) van de filosofische autobiografische essayistiek. Dat boek-in-het-boek bestaat uit filosofische notities van een filosofisch aangelegd hoofdpersonage, aantekeningen die in een ander register en met grotere literaire kwaliteit zijn gesteld dan wat je zou kunnen noemen het vrij uitvoerige verhaal (een zoektocht, uiteraard) dat eromheen gesponnen is. Uiteraard is Bieri/Mercier de auteur van zowel de notities als het verhaal – maar het laat zich aanzien dat het vooral in de boek-in-het-boek-notities is dat de voormalige hoogleraar filosofie uit Bern Bieri zijn ‘ei’ heeft gelegd.

Peter Bieri is benevens romancier (ps. Mercier) ook auteur van een gezaghebbend filosofisch handboek over vrijheid, en dan wél onder zijn eigen naam. Als ‘Pascal Mercier’ publiceerde hij vóór Nachttrein naar Lissabon twee romans. Allebei bejubeld door de kritiek en grotendeels genegeerd door het publiek.

Het heeft er alle schijn van dat de Peter Bieri in Pascal Mercier daar geen vrede mee nam en bijzonder graag voor zijn in romans gedeponeerde filosofische ideeën een bredere respons weggelegd zag. Breder dan de specialisten die Das Handwerk der Freiheit tot zich hadden genomen én dan het handvol lezers dat warm liep voor Perlmanns Schweigen (1995) en Der Klavierstimmer (1998). Hoe kan ik dat het best doen, lijkt Bieri zich te hebben afgevraagd. Hoe moet ik een bestseller schrijven? Wat is het recept?

Er zijn elementen in de roman die lijken te wijzen op een dergelijke bewuste strategie.

Wie recept zegt, zegt ingrediënten. En de inmiddels klassieke ingrediënten van de bestseller zijn er wel degelijk: een speurtocht op basis van documenten en gesprekken met getuigen naar een hoogst intrigerende figuur die in de coulissen van het verleden spoorloos lijkt te zijn verdwenen, een vleugje romance, een snuifje levenswijsheid, een identiteitsqueeste, een intrigerende zuiderse stad als assaisonnement – waar dat Buenos Aires is in Een geschiedenis van de liefde en Barcelona in Schaduw van de wind, is het hier: Lissabon. Dit pomogenre leunt hoe dan ook stevig aan bij de danbrownistieke receptuur – maar voor zover het hier om serieuze literatuur gaat, blijven de magisch-realistische toets, de topzware symboliek met veel hocuspocus en de onwaarschijnlijke gebeurtenissen gelukkig achterwege. (En wellicht nog het een en het ander – maar ik heb die Da Vinci- en Bernini-bekers natuurlijk wijselijk aan mij laten voorbijgaan.)

Naast de klassieke bestselleringrediënten bevat Nachttrein naar Lissabon ook enkele impliciete verwijzingen naar de megaseller Schaduw van de wind, bijvoorbeeld in tussentitels: ‘De verwarrende schaduwen van de dood’; ‘De schaduwen van de ziel’.

Dat kan geen toeval zijn, dit is een knipoog. Een vette.

Serieuze literatuur? Op de rand hoor, die Mercier. Er is één element, minstens één, dat hem aan deze zijde van de kitsch houdt: de buitengewoon hoge kwaliteit van de teksten die, her en der in de roman geciteerd, samen het document (het boek-in-het-boek) vormen dat de speurtocht van het hoofdpersonage, Gregorius, en uiteindelijk ook diens leven, richting geeft. Die fragmenten zijn zo goed geschreven, en inhoudelijk zo sterk, dat ze op zich al voldoende reden vormen om het boek te lezen. Of, als de verhaalverpakking u niet interesseert, alléén die fragmenten te lezen. (Dat ze cursief gedrukt staan, lijkt deze optie zelfs aan te moedigen.) Het gaat om prozateksten, maar dan wel prozateksten met een poëtische kwaliteit – waarmee Bieri meteen illustreert wat hij de personages in zijn boek laat denken, namelijk dat bepaalde waarheden enkel op een poëtische wijze tot uitdrukking kunnen worden gebracht.

Dat hij meteen zelf de daad bij het woord voegt, is zonder meer een huzarenstuk.

Ik gebruikte daarnet niet toevallig het woord kitsch. Want ook daarover gaat het in Nachttrein naar Lissabon. Mercier (Bieri) vergelijkt kitsch met de tralies van een gevangenis: ze zijn ‘met het goud van versimpelde, onechte gevoelens bekleed, zodat je ze voor de zuilen van een paleis houdt’ (233). Mercier geeft ook af op de eenvoudige mensen die populaire romans lezen. En hij maakt, alsof de ironie er nog niet dik genoeg op lag, op een gegeven ogenblik, een beetje kwansuis, ook een opmerking over bestsellers: ‘dat kwam overeen met zijn gewoonte bestsellers pas jaren later te lezen’ (396). Het ligt er vingerdik op: Nachttrein naar Lissabon mag dan al de allure hebben van een bestseller, het is in het genre naar binnen geschoven als een paard van Troje.

Door dit alles wordt de genrekeuze van Nachttrein naar Lissabon een staaltje van superieure ironie in hoofde van de auteur. Inhoud, gepresenteerd in een bestsellerpakje. Het verhaal – met alle trucs die daarvoor nodig zijn – als glijmiddel voor interessante ideeën in bestsellertijden.

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon (Amsterdam 2007 - 17de dr.), 415 p.