maandag 15 januari 2007

Mijn eigen namen (41)

ANDREAS-SALOME, LOU

Er is een foto bekend waarop zij, karwats in de hand, de voor een hondenkar gespannen filosoof Nietzsche ment (de andere clown van dienst is Paul Rée). En dat in een tijd (jaren tachtig 19de eeuw) waarin fotografie nog niet in die mate gebanaliseerd was dat dit soort geënsceneerde frivoliteiten gangbaar was. De filosoof, zwaarbesnord zoals we hem kennen, kijkt, niet gespeend van enig gevoel voor dramatiek, dromerig voor zich uit. De geschilderde bergen op de achtergrond slagen er niet in om bij de toeschouwer de illusie op te wekken dat het span een lastige tocht te wachten staat. Lou was een schrijfster van Russische origine, die later nog iets met Rilke en Freud zou hebben en die vooral omwille van die min of meer platonische liaisons gememoreerd wordt. Met haar hoerige voornaam en bijbels en pasoliniaans geconnoteerde achternaam lijkt Lou Salomé dé figuur van de femme fatale, een – voor mannelijke intellectuelen en kunstenaars (die per definitie meer met de geest en minder met hun lijfsbehoud bezig zijn) – levensgevaarlijke kruising tussen muze en verleidster, een die naar verluidt ook nog niet eens de troost der vleselijke geneugten in het vooruitzicht stelde. Het zou Nietzsche nog lang heugen haar op zijn pad te hebben gekruist.

930


zondag 14 januari 2007

33 * 25,01 * 33

Beste wielervrienden van de zondagvoormiddag,

Terwijl jullie vrolijk fluitend tachtig kilometer afmalen met een gemiddelde van tegen de dertig en Koning Winter zodoende de moed ontnemen om zelfs maar uit zijn schulp te komen, slaag ik er in om – we schrijven half januari – alvast met een van mijn goede voornemens van wal te steken. Op deze zomerse zondagmorgen heb ik mij in mijn ietwat krap geworden wielerplunje gehesen, heb ik mijn banden opgepompt en ben ik op mijn bestofte en bespinragde racefiets gekropen. Na vijftien kilometer in noordoostelijke en vervolgens oostelijke richting te hebben gepeddeld, maakte ik ter hoogte van het kruispunt tussen afwateringskanaal en baan Maldegem-Aardenburg rechtsomkeert. Van dan af begon, met een lichte tegenwind, iets wat je gerust als een lijdensweg kunt omschrijven. In een poging de rechte lijn en dus de kortste terugweg naar Brugge aan te houden, belandde ik op de vooroorlogse kasseistrook tussen Vivenkapelle en Male, het verlengde van de Brieversweg, en ‘parkeerde’ daar met een ‘snelheid’ van nog nauwelijks vijftien per uur. Jullie zouden mij hebben uitgelachen – en terecht. Maar je kunt die lijdensweg ook – en positiever –zien als een investering in een toekomst waarin alle voornemens worden waargemaakt: dit jaar (2007) opnieuw zoals vroeger een vijfduizend kilometer wegfietsen, tegen het najaar op die vrij omslachtige en niet van gevaar gespeende wijze vijftien procent lichaamsgewicht opbranden en zo vlug mogelijk opnieuw het peloton van de wielervrienden van de zondagvoormiddag vervoegen. Laat ons zeggen vanaf het ogenblik dat ik in mijn eentje met een gemiddelde van 27,5 vijftig kilometer aan een stuk aankan. Dat moet voldoende zijn om mij in de staart van de groep te nestelen.

Tot dan!

929


zaterdag 13 januari 2007

vrijdag 12 januari 2007

Gustave Flaubert, Madame Bovary

Een onweerstaanbare en hartverscheurende liefdespassie schiet wortel in de door religieuze exaltatie en een overdosis romantische flutboekjes opgefokte verveling van een plattelandsvrouw, die veel te mooi en eigenwijs is voor het saaie en brave stadje waar ze op een dood spoor is geraakt. Het frivole en suggestief verwoorde, met geparfumeerde missives op smaak gebrachte en met onder meer tegen het raam geworpen steentjes superspannend gemaakte verhaal van overspel en bedrog ontvouwt zich in clandestien geboekte hotelkamers, kaarsverlichte boudoirs en geblindeerde rijtuigen. De roman Madame Bovary van Gustave Flaubert heeft met zijn aaneenrijging van wulpse dromen, smachtende verlangens en schaamteloos ingevulde sekswensen alles om van een succès fou verzekerd te zijn.

Maar. Wie, zoals Vladimir Nabokov terecht opmerkt, in Madame Bovary alleen maar het verhaal leest, bezondigt zich aan een shallow juvenile manner van lezen die, welbeschouwd, ook Flaubert zijn heldin lijkt aan te wrijven. (Ja, ze doet álles mis, zelfs juist lezen kan ze niet want ze laat zich op sleeptouw nemen door de peperkoekendozensentimentaliteit van flutromannetjes uit de boeketreeks!) Als Flauberts grote roman een meesterwerk is, dan om andere redenen dan omdat het een meeslepende story is over een in smadelijke ontucht gesmoord burgerlijk bestaantje. Alleen al het feit dat Flaubert, een fulltime schrijver die vond dat het leven veel te kort was om tijd te verliezen, vijf jaar aan zijn Bovary heeft gewerkt, wijst in die richting.

Professor Nabokov somt in zijn les over Emma Bovary (een van de Lectures on Literature) enkele onwaarschijnlijkheden op die maken dat de roman enkel als verhaal lezen en voor wáár aannemen, gewoon dóm zou zijn: ‘A novel in which a young and healthy husband night after night never wakes to find the better half of his bed empty; never hears the sand and pebbles thrown at the shutters by a lover […] A novel in which a young woman who has not been riding for several years – if indeed she ever did ride when she lived on her father’s farm – now gallops away to the woods with perfect poise, and never feels any stiffness in the joints afterwards […].’ Deze onwaarschijnlijkheden zijn zelfs zo flagrant, dat je niet anders kunt dan veronderstellen dat Flaubert ze met opzet heeft gecreëerd en laten staan.

Wie Madame Bovary echt recht wil doen, moet zich niet in de eerste plaats iets van de intrige aantrekken. Het gaat vooral om de stijl. Dat blijkt uit de harmonie, het ritme en de melodie van de afzonderlijke zinnen of hoofdstukken (zo is bijvoorbeeld het hoofdstuk over de landbouwmeeting opgevat als een duet met achtergrondkoor). Maar er zijn ook de structuurelementen die de volledige compositie helpen dragen. Bijvoorbeeld de motieven die op verschillende plaatsen in de roman terugkeren: het raammotief; of de begrafenisstoet die op het einde de huwelijksstoet van het begin echoot; of de drie koorzangers op Emma’s begrafenis die een pendant vormen voor de deurwaarder en diens twee assistenten die haar lot kwamen bezegelen - en zelfs voor de drie zwarte kippen die vader Rouault, op weg naar de begrafenis, in een boom had zien slapen en die hij als een kwaad voorteken had herkend. Of neem de aankondigingen van de rampspoed, die de finale voorbereiden en de lezer naar het onafwendbare debacle van de heldin voeren: de blinde bedelaar met het verminkte aangezicht die tot driemaal toe zijn opwachting maakt; een eerste expliciete doodswens in hoofdstuk 6 van deel 3 (‘Zij had het liefst niet meer geleefd of altijd geslapen.’); de onheilspellende vergelijking tussen ‘haar hele bestaan’ en ‘een lijk’ (begin hoofdstuk 7 van deel 3); de kraaien en wat later de raven.

Stijl is alles (zegt ook Flaubert zelf in zijn brieven aan goede lezeressen) maar is de inhoud dan helemaal onbelangrijk? Zeker niet. Het verhaal van mevrouw Bovary heeft een culturele en historische draagwijdte. Het is Flauberts afrekening met de geëxalteerde Romantiek, waarvan hij de uitwassen ook herkent in het bigotte en sensuele katholicisme van de pastoor en in de kritiekloze euforie waarmee apotheker Homais met al evenveel vroomheid de dogma’s van het vooruitgangsgeloof propageert. Emma’s passieverhaal speelt zich af in een samenleving die volop de keer neemt van een agrarische en autarkische plattelandseconomie naar een pragmatisch en stedelijk kapitalisme. De farizeïsche figuur van stoffenhandelaar en woekeraar Lheureux, tevens de aanbrenger van Emma’s noodlot, is in dat opzicht cruciaal. De uitstap naar de vijftien kilometer verderop gelegen stad is nog een avontuur, maar boven die stad hangen al de giftige dampen van de industrie, die het hele land in enkele decennia tijd tot onherkenbaarheid toe ingrijpend zal veranderen.

Maar er is méér. Madame Bovary is wellicht ook een van de eerste psychologische romans over de inwendige verscheurdheid van de moderne mens, die niet meer wordt gedragen door evident op traditie en overlevering rustende zekerheden over wat goed is en wat kwaad, over wat deugdzaam is en maatschappijbestendigend. In het personage Emma Bovary stuit de lezer op de twijfels die ook aan hemzelf vreten – in de 21ste eeuw nog veel meer dan in de 19de. De grote gevoelens worden niet meer gedragen door evidente ethische of religieuze standaarden – denk aan het dovemansgesprek van Emma, op zoek naar troost, met de enkel door praktische beuzelarijen in beslag genomen dorpspastoor. Uiteindelijk gaat Madame Bovary over de twijfels die te maken hebben met de door deze beschavingscrisis veroorzaakte, steeds bredere kloof tussen spontaniteit en berekening, tussen oprechte gevoelens en cynisch opportunisme.

Emma Bovary, die pas wanneer ze in de fout gaat door de schrijver de titel Madame krijgt opgespeld, is zo’n vrouw die meer haar liefde liefheeft dan het voorwerp van haar liefde, die helemaal opgaat in haar verdriet, die haar altruïstische gerichtheid op de andere smoort in een narcistisch en steriel egocentrisme. Zij zoekt van lieverlede soelaas in een wellustige maar holle consumptie van seksuele en materiële genoegens – en belichaamt op die manier misschien wel het lot dat ons allemaal te wachten staat.

927 / Nachttorens 2/3

woensdag 10 januari 2007

Mijn woordenboek (145)

ADEPT

Ingewijde, beoefenaar, navolger, volgeling, sympathisant, fan, aanhanger, acoliet: al deze woorden in hetzelfde register betekenen allemaal net iets anders; de belangrijkste nuance heeft te maken met de mate waarin de eigen identiteit bij de inwijding, het beoefenen, navolgen, volgen, sympathiseren, bewonderen, aanhangen c.q. acoliet-zijn er bij inschiet.

In 'adept' klinkt opvallend sterk de bijklank adaptatie door: de adept past zich aan, wist zichzelf gedeeltelijk of volledig uit, wordt een ander. In onze relatie met anderen blijven we nooit onszelf. We zijn altijd tot op zekere hoogte adepten, adaptanten.

925

dinsdag 9 januari 2007

Overschrijven (42)

The point is that she is a bad reader. She reads books emotionally, in a shallow juvenile manner, putting herself in this or that female character’s place. […]

This is style. This is art. This is the only thing that really matters in books.

Vladimir Nabokov over Madame Bovary, in Lectures on Literature (Picador Pan Books, 1983), 136-138

924

maandag 8 januari 2007

Nog maar eens een stel hersens

In het begin van de film schrik je van een krachtterm, een venijnig verwijt, een goedgemikte klap, een stevig in het aangezicht van een neergemepte man neergepote staande-kapstokvoet – twee uur later kijk je al niet meer op van nog maar eens een stel hersens dat door een kogelinslag tegen de achterliggende muur uiteenspat. Je kunt een lach nauwelijks onderdrukken. En je beseft dat Scorcese die lach heel handig heeft binnengesmokkeld: in een dialoogflard, een Nicholson-grimas, de rat die in het slotbeeld over de balustrade loopt en alle ratten die eerder in de film ten onder zijn gegaan grimmig memoreert.

Martin Scorcese toont in The Departed de banalisering van het geweld, van het kwaad. Hoe wij er, door overmatige blootstelling, immuun voor worden.

923

zondag 7 januari 2007

Mijnheer O.

Mijnheer O. verleent zijn medewerking aan het radioprogramma ‘Alaska’. Dit keer gaat het ‘radioverhaal’ over een ongeluk dat dertig jaar geleden het zesde kind van de acht van het gezin Vervaet in Moerbeke wegmaaide. Mijnheer O. zat achter het stuur. Het programma laat de getuigenissen van de zussen en de moeder horen. Katrien gaf zichzelf op om naar de winkel te lopen om het witloof te halen dat moeder niet in huis maar wel nodig had. Zij was uit op het snoepje dat ze daar steevast kreeg. Minuut tot minuut, seconde tot seconde wordt naverteld – je hóórt bijna het bruuske remmen, de klap en de dodelijke stilte die daar onmiddellijk op volgt.

Een van de veel later geboren dochters van de zussen, die tegen Katrien ‘tante’ had moeten zeggen, gaat met een cassetterecorder en een microfoon naar mijnheer O., die, dat hoor je aan het moeilijke ademen, inmiddels ook een jaar of dertig ouder is geworden. Hij heeft nooit schuld gevoeld, zegt hij, en dat lijkt mij, op basis van de geschetste omstandigheden – het was halfdonker, hij reed niet te snel, hij had het plots overstekende kind niet gezien… – redelijk. Met een leven van hard labeur heeft hij zich over zijn wrede lot gewerkt. Maar hij heeft nooit contact opgenomen met de nabestaanden. Meteen is er een antwoord op de voor de hand liggende vraag waarom hij in godsnaam zijn medewerking aan het radioprogramma verleent: wellicht is zijn bereidheid daartoe ingegeven door de behoefte om díe schuld in te lossen.

Overschrijven (41)

Soms lees je een beeld, een vergelijking, een wending die je nog nooit eerder hebt gelezen en dan, onmiddellijk daarna, nog eens.

Wanneer hij in zijn rijtuig de Hofstraat passeert, zo schrijft de parlementair redacteur, ‘dan werpt hij vriendelijke blikken naar sommige vensters waarachter zich blonde en bruine manen vertoonen, die niet aan paarden toebehoren’.

Frank Westerman, De graanrepubliek (Atlas, 2000, 5de druk), 48

Ik kam heel graag het haar van mijn moeder, het is dik en zwaar als de manen van een paard.

Julia Franck, Buiklanding (Wereldbibliotheek, 2002), 93

922

Ondertussen in Brugge (92)

zaterdag 6 januari 2007

Mijn woordenboek (144)

ADEMNOOD

Amechtig, hijgend, dit slecht gedicht:
Ooit verkeerde ik in ademnood.
Een slijmsliert de verkeerde goot
in: in luchtpijp, ongehoord, en niet in slokdarm.
Ik, dertien jaar, sloeg – hik – groot alarm.
Sinds her rijmt dood in mij op ademnood
En heet het kind in mij voorgoed ontwricht.

921

vrijdag 5 januari 2007

donderdag 4 januari 2007

Het vernietigen van tirannen

Het is ook u niet ontgaan: hoe snel de gruwel van de terechtstelling van Sadam Hoessein gedesinfecteerd werd, ontgruweld – hoe kort na de vernietiging van de tiran de tiran werd vermenselijkt, ophield tiran te zijn, en dus op een ander, politiek, niveau al even grondig werd vernietigd als op het louter fysieke niveau.

De eerste desinfectering bestond uit de beelden van vlak voor de terechtstelling: hoe waardig en sereen deze man zijn dood tegemoetstapte. (De beelden van de terechtstelling zelf, uit de heup gefilmd met een gsm, circuleren naar verluidt op het internet, dat behalve een schitterend podium voor uitwisseling van informatie en creativiteit ook een vergaarbak is van obsceniteiten en elders gecensureerde rommel.) Een half etmaal later volgde het verslag van de begrafenis in een vrij chique, blijkbaar nog overeind staand gebouw in Tikrit – met een pomp and circumstance die je toch niet verwacht voor een massamoordenaar. En een dag later was er al een interviewtje met de Amerikaanse bewaker van de Koerdenkiller, een uit de kluiten gewassen zwarte militair die mocht keuvelen over hoe Sadam zijn tijd had doorgebracht met lezen en schrijven, praatjes maken over de familie en het begieten van de schriele graspollen op het koertje. Ware hij geen auteur van genocides geweest en een onverantwoord leider die er niet voor terugschrok om zijn volk tot tweemaal toe in een heilloze oorlog te storten en om een onmondig volk van herders en zwervers met gifgas te bewerken, hij zou toch zeker een goed tuinman zijn geweest.

919

woensdag 3 januari 2007

dinsdag 2 januari 2007

Ondertussen in Brugge (91)

Mijn woordenboek (143)

ADEMEN

Een adembenemende oefening bestaat erin zich te realiseren dat de meest onbewuste en tegelijk de meest levensnoodzakelijke aller handelingen ook niet méér is dan een stofwisseling waarbij moleculen die even hard én volatiel zijn als die van een staalgebinte of een kloostertafel of een sneeuwkristal met elkaar in botsing komen en zich transformeren.

Het ademen, als scheikundige reactie, heft het onderscheid tussen het binnen en het buiten op, tussen het inwendige en onze omgeving; de adem is het gepenetreerd worden door wat wij búiten ons denken. Wat wij als binnenkant denken, verschijnt in het ademen als buitenkant, als oppervlak waarop de stofwisseling met het externe plaatsvindt.

Wie zijn laatste adem uitblaast, verbreekt dat chemisch verbond en laat er een ander voor in de plaats komen. Hij wordt een leeg omhulsel – binnen- of buitenkant, dat doet er niet meer toe – van botsende en zich transformerende en desintegrerende moleculen, die ooit door een andere omhulsel zullen worden ingeademd. Of in een staalgebinte, een kloostertafel, een sneeuwkristal zullen terechtkomen.

917

maandag 1 januari 2007

916

En: vergeet niet te leven in tweeduizend-en-zeven.