22 augustus 2025
(…) In mijn droom zat W naast mij ook met de hand in zijn dagboek te schrijven, zoals ik nu doe. Op de een of andere manier moesten beide cahiers op elkaar aansluiten. W was op bladzijde 364 aan het schrijven, ik was met bladzijde 365 begonnen.
*
Moeder, na vader heeft me niet verveeld, maar ik vraag me toch af wat de meerwaarde is van dit dagboek. Hier en daar, verspreid tussen vaak heel triviale mededelingen, staat een wat interessantere beschouwing, en de telefoongesprekjes met de moeder zorgen voor een prettig ritme, maar ik heb toch het gevoel dat Gerbrand Bakker heel erg zijn best doet om niet het achterste van zijn tong te laten zien. Ik zal dit boek snel vergeten. Bovendien werd ik misleid door de titel – en ik had het er zo al moeilijk mee. Op de eerste bladzijden vertelt Bakker hoe zijn vader overlijdt. Logischerwijs denk je dan dat ook zijn moeder het einde van het boek niet haalt – waarom anders die titel? Maar dat gebeurt dus niet, met als gevolg dat het dagboek op een willekeurige dag, zonder afronding, afbreekt. Later op de dag vind ik, toevallig, Boven is alles stil van diezelfde Bakker. Tweedehands, voor 3 euro. Maar nadat ik op het achterplat heb gelezen dat het over koeien en boeren en het platteland gaat, laat ik het boek liggen. Na alle koeienstukjes van Koos van Zomeren die ik de laatste tijd in Ruim duizend dagen werk heb gelezen, heb ik voor even genoeg van het onderwerp ‘Landbouw’. Overigens vind ik het van mezelf een hele prestatie om zonder boeken de Oxfam-tweedehandswinkel te verlaten. Dat lukt me steeds vaker.
*
(…)
*
(…) Het verjaardagsfeestje van X is – qua organisatie – het soort bijeenkomst dat ik niet graag heb: alle genodigden hebben, ook als ze onderling niet altijd veel met elkaar te maken hebben, om de een of andere reden toegegeven aan de aandrang om in een wijde kring te gaan zitten, maar het aantal aanwezigen is zo groot dat die kring geen enkele functie meer vervult. Het gezelschap valt in verschillende gesprekjes uiteen, en doordat iedereen zit, wordt er maar moeilijk van gesprekspartner gewisseld. X onderhoudt me geruime tijd over ‘de Naam van de Vader’ – ik hóór er de hoofdletters bij. Het wordt al vroeg donker en kil. (…) Ik ga even bij Y staan. We kijken naar de sterren, voor zover er door de lichtvervuiling sterren te zien zijn. Voor de Perseïden is het al te laat, weet Y. Ik vraag haar hoe haar zomer is geweest. Ze is zo klein van gestalte dat ze tegelijk mijn hoofd en de sterren in de gaten kan houden. Ze heeft geen al te beste zomer gehad, zegt ze. Ze heeft wel een nieuw lief, maar hij laat op zich wachten. Hij werkt voor Frontex. ‘Het gebeurt niet vaak dat ze me doen wachten. Maar ik ga me niet laten doen. Ik stel mijn grenzen.’ ‘Dat zal voor iemand die voor Frontex werkt geen probleem zijn,’ merk ik gevat op, al zeg ik het zelf. Het ontlokt bij Y een brede glimlach, al haar tanden bloot. Ik neem afscheid, ook van X en Z, die ik bedank voor de lekkere hapjes, en verlaat de tuin van de voormalige Sint-Jozefkliniek.
