woensdag 15 juli 2026

LVO 361

fragment uit Het maaiveld


Ik was met frisse tegenzin naar die reünie gegaan. Maar met het oog op het schrijven van deze memoires leek het me toch raadzaam om de kans te baat te nemen om wat inspiratie op te doen. Ik zou het opvatten als veldwerk. Als een observatie. Van de anderen, hoe zij geworden waren en welke verhalen zij nog wisten te vertellen, maar vooral toch ook van mezelf, hoe ik op dat alles zou reageren. Ik verlangde er niet naar mijn voormalige klasgenoten terug te zien. Dat was natuurlijk op zich al betekenisvol. Ik dacht – en denk nog altijd – niet graag terug aan die tijd. Het kon alleen maar uitdraaien op een confrontatie met een onverkwikkelijk verleden. Bovendien waren er bij de drie afwezigen al twee die ik nu net wel graag had teruggezien: Dirk F., met wie ik in de loop van die veertig jaar een paar keer een gezellige babbel had gehad op de trein, en Bert Palfyn. Ik was nieuwsgierig naar hoe het Bert was vergaan – we waren per slot van rekening toch een paar jaar heel goed bevriend geweest.

De aanhef van de uitnodiging voor de reünie, per e-mail verstuurd, klonk erg bizar: ‘Hebt u een fiets? Neem dan uw fiets, rij naar huis, pak uw geweer en schiet u dood.’

Het was een citaat, en de eronder toegevoegde initialen ‘D.T.’ lieten er geen twijfel over bestaan: voor Jan was het onmogelijk om bij het opstellen en versturen van deze uitnodiging te doen alsof er indertijd niets was voorgevallen. Al van in deze aanhef klonk de bitterheid door die ook voor mij nog altijd, na vier decennia, onvergeten, onverteerd en onverwerkt was. De initialen waren die van onze wiskundeleraar van de laatste twee jaar: Daniël Tant.

Een paar dagen na de voor het overige vrij neutraal opgestelde uitnodiging kreeg ik, samen met de vijftien anderen, post uit onverwachte hoek. Bert Palfyn liet weten dat hij op de voorgestelde datum in het buitenland vertoefde, maar hij beloofde er alles aan te doen om aanwezig te zijn als er binnen vijf jaar een vervolg zou komen. Hij had echter wel nog een ‘serieuze opmerking bij het mooie initiatief van Koen en Jan’: ‘de quote van ene D.T. bovenaan hun mail maakt mij na meer dan vier decennia nog steeds opstandig en ambetant – het zijn dergelijke mensen, er waren er nog, die ervoor hebben gezorgd dat ik niet de meest aangename herinneringen heb aan mijn humanioraperiode – zeker de tweede helft, ik herinner ze mij niet als mijn meest vruchtbare en vrolijke jaren. En ik ben niet de enige.’

Bert besloot zijn mail, vreemd genoeg, met het gedicht ‘The Mower’ van Philip Larkin:

The mower stalled, twice; kneeling, I found
A hedgehog jammed up against the blades,
Killed. It had been in the long grass.


Het was een mooie brief. Er was duidelijk op gewerkt. De toevoeging van het gedicht was raak, Bert ten voeten uit.

Ik voelde mij aangesproken en antwoordde:

Beste ex-lotgenoten,

Het is jammer dat we niet voltallig zullen zijn. Maar laat het ons positief bekijken en vaststellen dat het beter is dat de afwezigen zich in het buitenland ophouden dan in het hiernamaals.

Ik kijk uit naar de herinneringen van diegenen die er wél zullen zijn, vooral de goede dan want zelf heb ik die nauwelijks en dat is niet omdat mijn geheugen voor wat betreft die jaren niet goed zou zijn.

The Mower’ van Larkin, Bert, dat moet lukken want het – volgend jaar te verschijnen – derde deel van mijn in eigen beheer uitgegeven autobiografie zal onder andere de herinneringen aan mijn collegejaren behandelen en dus ook die aan het debacle van de laatste twee jaar. Dat derde deel zal Het maaiveld heten. Het maaiveld, zijnde dat wat diegene die er zijn kop bovenuit probeert te steken de kop kan kosten.

Het is met zeer gemengde gevoelens dat ik aan die tijd terugdenk, maar ik hoop desalniettemin dat het een leuke avond wordt.