maandag 31 oktober 2016

wolken 2103-2104



wolkenfragmenten uit Ernst Jünger, Op de marmerklippen

2103
Bij deze bedrukte festijnen brandden wij zware kaarsen van bijenwas. Die stamden nog uit de afscheidsgeschenken van de Provençaalse ridder Deodaat, die sinds lang gesneefd was in de woeste Taurus. Bij het licht daarvan herdachten wij deze edele vriend en de avonden die wij op de hoge vestingmuren van Rhodos pratend met hem hadden doorgebracht, terwijl de zon onderging aan de wolkeloze hemel van de Egeïs. (73)

2104
De nevelen stegen op uit de wouden, als uit verdachte keukens, en dreven in dichte banken over de Campagna. Ze weden opgestuwd tegen de Marmerklippen en bij zonsopgang dreven ze in trage stromen het dal in, dat alras tot aan de torenspitsen van de domkerken in witte wolken verdween. (77-78)

4498

Erfurt (D) - 160808

zondag 30 oktober 2016

facebookbericht 944



Wij leefden in tijden waarin de schrijver veroordeeld is tot eenzaamheid. Toch hadden wij, nu alles zich zo had ontwikkeld, een en ander graag in druk willen zien verschijnen, niet omwille van roem bij het nageslacht, want die behoort evenzeer als het monument tot de vormen van de waan, maar omdat het gedrukte woord het zegel van het afgeslotene en onveranderlijke in zich bergt, en de aanblik daarvan is ook voor de eenzame een vreugde. Wij vertrekken liever wanneer alles op orde is.

Ernst Jünger, Op de marmerklippen, 75

facebookbericht 943



Juist daarom bleek het meesterschap van de Opperhoutvester: hij diende de vrees toe in kleine doses, die hij geleidelijk vergrootte en die ten doel hadden de weerstand lam te leggen. (...) De Opperhoutvester was als een boosaardige arts die eerst de kwaal in de hand werkt om vervolgens de zieke te kunnen opensnijden, omdat hij dat aldoor al van plan is geweest.
Weliswaar telde de magistratuur verstandige lieden die het spel doorzagen, maar het ontbrak hun aan macht om dit te verhinderen.

Ernst Jünger, Op de marmerklippen, 49