dinsdag 4 juni 2019

afscheid van mijn digitaal bestaan 128

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

29 april 2007

Een ondoorgrondelijk verband

Ik rijd op de snelweg van Veurne naar Brugge langs de nieuwe windmolens ter hoogte van Gistel. De eerste twee en de laatste twee van de wel zestig meter hoge reuzen draaien al, de middelste twee zijn blijkbaar nog niet klaar. Je kunt het zestal al vanop grote afstand zien, de polder is biljartvlak. De schoepen draaien uiteraard met een gelijkmatige snelheid, maar door de werking van het perspectief, waardoor de afstand van top tot basis van de cirkel die door de wieken wordt beschreven langer lijkt dan van het oosten naar het westen van het rad, krijg je dat kantelende effect. Je zou er naar blíjven kijken. Ook wil je weten of de wieken van de verschillende molens met een zelfde snelheid wentelen. Maar dat alles kun je als je daar met een snelheid van rond de 130 aan voorbijrijdt, natuurlijk niet verifiëren zonder je eigen veiligheid, en die van anderen, in het gedrang te brengen.

De boxen van de geluidsinstallatie in de auto staan stevig open. De lucht is heiig: verdampt zeewater drijft het land in. Er staat een stevige bries. In het binnenland is het alweer goed warm aan het worden, heb je zo-even op de radio gehoord, zo’n graad of tien warmer dan hier. Boudewijn de Groot zingt ‘Als de rook om je hoofd is verdwenen’. Het is misschien de eerste keer dat je écht goed naar dit intussen klassiek geworden nummer luistert (je kent het al ongeveer zolang als het bestaat, en dat is dus wel al een jaar of vijfendertig, misschien wel veertig). Het valt je op hoe sterk de muziek en het arrangement zijn.

‘Valt het je op dat de wind harder waait / als je hem tegen hebt in plaats van mee’. De cadans van die woorden past eigenlijk niet op de melodie. Maar dat geeft niet: Boudewijn fraseert kundig om de hindernis heen – en hij doet dat dus terwijl jij onder die traag wentelende reuzenwieken doorrijdt. Met 130 per uur door de heiige polder.

En op de een of andere manier, hóe precies is moeilijk in te schatten, komen die muzikale hapering, het ongelijkmatig-gefaseerde wentelen, de van de rechter- naar de linkerbox heen- en weerfadende vervormde elektronische klanken in sommige passages van het lied, én het contrast tussen de snelheid van mijn auto en de schijnbare traagheid van de molens (al zullen de punten van de wieken wel met een behoorlijk aantal kilometers per uur hun cirkelgang maken) op een inspirerende manier samen: hier valt alles samen in een ondoorgrondelijk verband.

5375

Seven Sisters (VK) - 190308

5374

Hastings (VK) - 190307

maandag 3 juni 2019

graag Praag 9

190510
 
dag 6 * Leipheim (D) – Ingolstadt (D) – 138 km (b)


Mijn hoofd wordt leeggewaaid. De aandacht die ik overhoud, moet ik mobiliseren om de weg in de gaten te houden. De juiste richting vinden is niet moeilijk: ik volg gewoon het fietspad stroomafwaarts langs de Donau. Mocht ik daarmee niet tijdig stoppen, ik beland bij de monding in de Zwarte Zee. Af en toe ligt het fietspad er zeer goed bij, en slingert het zich mooi door het dal, ver van het autoverkeer. Maar de bestrating is niet altijd gelijkvormig. Vaak is het pad onverhard en moet ik tussen putten en plassen door laveren. Maar de Donau-Fahrradweg levert vooral omwegen op. Het is uitgetekend voor lokale slenteraars, niet voor langeafstandsfietsers. Daarom verlaat ik het op den duur.


Zo kom ik op rechte, perfect bollende wegen. Met de wind in de rug maak ik gemakkelijk kilometers. Maar hier komt concentratie toch ook van pas. Meestal zijn de autobestuurders galant. Ze rijden in een wijde boog om je heen. Maar soms hoor je er die zo snel achter je aan komen dat je hoopt dat ze niet op een smartphone zitten te tokkelen waardoor ze je niet tijdig zien en je in het decor scheppen, om vervolgens uiteraard vluchtmisdrijf te plegen. Ik probeer die angst van mij af te zetten.

Ik drink een limonade in … en een latte in … Ik denk, ik schrijf het vanavond wel op waar dat was, maar dat vergeet ik en kijk, nu blijken die plekken oningevuld: ik kan me niet meer herinneren waar het was. In die tweede plaats (‘…’) word ik overvallen door een vlaag van nostalgie. De setting, met de manier waarop de tafeltjes geschikt zijn, het speciale koffietje en een je ne sais quoi dat misschien door een vaag gevoel van eenzaamheid is ingegeven, doet mij aan Vieste denken, waar ik ooit (...); ik denk in ‘…’ terug aan een verloren geluk.


Picknicken doe ik bij het oorlogsmonument van Wertingen of Mertingen, ik wil het kwijt, tegenover het gemeentehuis. Het is op het middaguur en een voor een verlaten ambtenaren het gebouw. Het zijn allemaal vrouwen, stuk voor stuk erg rondboezemig – wat me aan het fantaseren zet over de selectieprocedures die hier door het plaatselijke bestuur worden gehanteerd. Oorlogsmonumenten, dat is een hoofdstuk apart: die herdenkingsstenen met alle namen uit het dorp in kwestie van de gesneuvelden tijdens de twee grote, door Duitsland zelf aangerichte, wereldbranden. Altijd interessant om te zien welke formuleringen worden gebruikt. Het gaat van het ingetogen ‘Den Toten zu ehren / den Lebenden zur Mahnung’ tot het toch ietwat triomfalistische gebruik van het woord ‘Helden’. Die kwalificatie betreft dan de schier eindeloze in steen gekapte stoet van namen van mannen die van hier kwamen, waarbij ‘hier’ staat voor tot en met het onooglijkste dorp in Duitsland, en die in gindse loopgraaf, hinderlaag of aanvalsactie een zinloze dood stierven. In Tsjechië zou ik een steen te zien krijgen met portretfoto’s van de gevallenen. Dat maakte het nog concreter dan enkel die namen.


In Ingolstadt is het even zoeken naar een hotel. Meteen nadat ik me heb ingeschreven in een driesterrenhotel aan de Münchener Straβe, net buiten de stad, zie ik een bord met daarop een hele reeks wellicht goedkopere overnachtingsmogelijkheden. Ik koop – om mijn reisbudget wat in evenwicht te houden – een meeneempizza bij de Italiaan aan de overkant en eet hem op mijn kamer op terwijl ik naar het nieuws op de ZDF kijk en naar Das perfecte Dinner, een kookwedstrijd voor mensen die elkaar niet kennen maar die toch bij elkaar op bezoek gaan om de gastheer of -vrouw van de avond op zijn of haar kook- en ontvangstmerites te beoordelen. Uiteraard leidt dit tot een aaneenschakeling van pijnlijke stiltes en gênante situaties, waarmee Das perfecte Dinner meer uitlachtelevisie is dan een kookprogramma.

5373

Hastings (VK) - 190307

5372

Hastings (VK) - 190307

zondag 2 juni 2019

graag Praag 8

190510
 
dag 6 * Leipheim (D) – Ingolstadt (D) – 138 km (a)

Toen ik opstond, regende het. De voorspellingen op tv waren ongunstig. Desalniettemin heb ik vandaag nauwelijks regen gehad. Ik heb het wel zíen regenen: redelijk nabije wolken die braken. Pas helemaal op het eind van de rit, wanneer ik in Ingolstadt al aan het zoeken was naar een hotel, is het dan toch beginnen te regenen. Maar ik heb geluk, ook wat dat betreft!


Vandaag reed ik over de Lech. De naam van de rivier kwam mij bekend voor en inderdaad: de Lech, is dat niet die in de Oostenrijkse Alpen ontspringende rivier waaraan het gebouw lag waar ik als twaalfjarige ooit op schoolkamp ging? Het Lechtal, inderdaad. Reutte, de nachtelijke rit in de bus daarnaartoe. Ik was twaalf en had nog nooit een berg van dichtbij gezien. Ik herinner me nog altijd hoe ik niet begreep hoe het kon dat er zo hoog in de lucht lichten waren. Sterren konden het niet zijn, daarvoor schenen ze te fel. Maar wat was het dan wel? Pas toen er een van die lichten bewoog, het was een koppel koplichten bij nader inzien, met een lichtkegel die in het duister tastte, begreep ik dat daar een auto reed, veel hoger dan het niveau waarop de bus reed. En ‘s anderendaags, toen ik de bergen voor het eerst echt zag, drong het tot mij door dat de onbeweeglijke lichten, die ik voor sterren had aangezien, hoorden bij de huizen die her en der op de dalwanden verspreid lagen. Dat was in 1973.

Ik heb nu al zes keer een koekoek gehoord. Dat doet er mij aan denken dat ik toch wel graag ooit nog eens dat koekoeksklokkenmuseum in Furtwangen zou willen bezoeken. En het brengt mij opnieuw de situatie voor de geest aan de kassa van de supermarkt in Sigmaringen. Er stond een verhaal aan de kassa, kant-en-klaar. Ik was mijn aangekochte proviand aan het inpakken, toen een oude man me aansprak over zijn aankoop: een polshorloge dat duidelijk voor een vrouw bestemd was. Een late vlam?, wie zal het zeggen. Erg ongerust, bijna in paniek eigenlijk, meldde hij me dat het horloge niet werkte. Ik probeerde de man duidelijk te maken dat ik hem niet kon helpen, maar hij bleef aandringen. Ik wees naar een van de caissières en maakte dat ik uit de voeten kwam. Achteraf pas drong de draagwijdte van het voorval tot me door: een oude man – ik schatte hem tachtig jaar of misschien zelfs meer – die een uurwerk koopt en bijna in paniek slaat omdat hij vaststelt dat het niet functioneert.

De rit van vandaag verloopt geschiedenisloos. Ik begin de dagen en de landschappen door elkaar te halen. Ik denk aan niets terwijl ik fiets. Ik noem het eufemiserend een zen-ervaring om mezelf aan te praten dat het zin heeft, maar ik ben me ervan bewust dat je het ook gewoon een leeg en nutteloos tijdverdrijf zou kunnen noemen. Dat gevoel kwam samen, en kreeg een weerwoord, toen ik helemaal aan het eind van mijn reis, in Deventer denk ik dat het was, samen met een mevrouw voor het oversteeklicht stond te wachten. Ze bekeek mij, en mijn fiets, en vroeg waar ik vandaan kwam. Uit Praag, antwoordde ik naar waarheid. Ze keek me bewonderend aan. En wat is het doel van de reis?, vroeg ze. Ik zei: ‘Moet dat dan, een doel?’ Ze schrok even, maar sprak toen de enige juiste woorden. ‘Neen, dat moet niet.’ En zo is het.

5371

M. en J. - 190307

5370

L. in Hastings (VK) - 190307