fragment uit Het maaiveld
Tijdens de bezinningsdagen in de abdij van Westvleteren kregen we de gelegenheid om lucht te geven aan de puberale verknooptheden waaronder we in die tijd gebukt gingen. We smachtten naar open gesprekken over ‘gevoelens’ en vriendschappen. We waren nog niet cynisch genoeg om doordrongen te zijn van de wetenschap dat zoiets nooit veel zoden aan de dijk brengt en meestal gedoemd blijft om in steriliteit en achterklap onder te gaan. Dat zal ook wel Lyckes uitgangspunt zijn geweest, maar het was niet het onze en daar had hij toch wel een beetje rekening mee kunnen houden in plaats van er neerbuigend en lacherig over te doen. De ‘retraite’ ontaardde in een open conflict. In plaats van een open sfeer te creëren waarin de groepsbanden konden worden aangehaald, raakten onze verhoudingen met het gezag voor de rest van het schooljaar en – zoals nog zou blijken – voor de rest van onze middelbareschoolcarrière vertroebeld.
Een bizar incident lag aan de basis van het conflict. Tijdens een vrij halfuurtje waren we met een tiental klasgenoten wat gaan voetballen op de parking van de horecazaak tegenover de abdij. Omdat we daar dorst van hadden gekregen, hadden we besloten om iets te drinken in het café, dat draaide op de verkoop van het door de paters gebrouwen trappistenbier. Maar aangezien de abdijkeuken de voorbije twee dagen, zonder dat wij daar om hadden gevraagd, het ‘tegelijk duivelse en goddelijke bier (...) met een alcoholpercentage van acht’(*) bij elke maaltijd had geserveerd, behalve bij het ontbijt, kozen we nu gewoon een cola. Toch nam mijnheer Lycke ons onze uitspatting kwalijk. Hij dreigde er zelfs mee om de boel de boel te laten en naar huis te gaan. Dat had hij waarschijnlijk nog het liefst gedaan om er aan zijn verbouwingen te gaan voortwerken, maar hij deed het uiteindelijk niet. Hij vond het niet kunnen dat wij tijdens een bezinningsdag op café gingen, terwijl wij dan weer vonden dat we inschikkelijk waren geweest door ons voor het lessen van onze dorst te beperken tot een niet-alcoholhoudend drankje, waarmee we tegelijkertijd aangaven te beseffen dat bezinnen en pintelieren onverenigbare activiteiten waren.
De onenigheid werd pas ‘s avonds bijgelegd, maar in het wederzijdse vertrouwen en in onze hoge verwachtingen ten aanzien van onze titularis was een eerste bres geslagen.
(*) Luuk Gruwez, Het land van de handen, 11
