fragment uit Het maaiveld
We vertrokken altijd heel vroeg naar het stadion. Voor de match die pas om acht uur begon, stonden wij al om vier uur bij het hek te wachten. Om zes uur, wanneer de stadionpoort eindelijk werd geopend, spurtten we als eersten naar de omheining rond de tribunes. Daar wisten wij een plek waar op één plaats de ruimte tussen de spijlen net breed genoeg was om onze toen nog zeer slanke lichamen doorheen te wurmen. Vervolgens haastten we ons naar de plaats achter het muurtje boven een van de trappen die toegang gaven tot de staanplaatsentribune achter het doel. De mensen stonden dicht op elkaar, zo dicht dat het wel eens gebeurde dat je als klein manneke minutenlang met je voeten de grond niet raakte: gekneld als een worst in een hotdog van de firma Verkinderen, die bij de stadionpoort een kraam uitbaatte, werd je tussen de wildvreemde buren links en rechts opgetild.
Johan Louagie, een kruidenierszoon met neiging tot corpulentie, geraakte maar moeizaam door die spie in de omheining. We moesten hem er door sleuren.
De tribune waar wij gingen staan, was de westelijke, het dichtst bij de kerk van Sint-Andries. Onze dichtste buren waren de aflijvigen op het kerkhof – wat radioreporter Jan Wauters tijdens dode momenten tot lyrische beschouwingen verleidde waarin hij de futiliteit van het spelletje afwoog tegen de fataliteit van de zerken. De Heer hebbe zijn ziel, Wauters was een van mijn grote voorbeelden en zonder enige twijfel, als het op taal aankomt, een bron van inspiratie.

























