vrijdag 4 april 2025

afscheid van mijn digitaal bestaan 515

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

6 augustus 2020

PER FIETS NAAR DE MIDI 6

etappe 5/9 – Anost-Charolles – 93 km (a)


Om de voorspelde hitte voor te blijven, vertrek ik al om zeven uur. Ik krijg meteen twee fikse hellingen voor de wielen geschoven. Een buizerd, vlak voor mij op de weg gezeten, vliegt op en wint een eind voor mij uit hoogte. Tot hij het bos in zwenkt. Ik herinner mij dat ik gisteren, op een van de schaarse stukken nationale die ik aandoe, omdat het nu eenmaal soms onvermijdelijk is, bijna van de weg werd geblazen door een Poolse vrachtwagen die me inhaalde. Niet toevallig niet een Franse vrachtwagen want dat moet ik – met grote genoegdoening – vaststellen: de Fransen zijn in dit land aanzienlijk vriendelijker geworden voor fietsverkeer dan pakweg twintig of dertig jaar geleden. Je wordt pas ingehaald wanneer het tegenoverliggende vak volledig vrij is, zodat er een ruime boog kan worden beschreven. Déze anderhalvemeterplicht, hier en daar gememoreerd op speciale verkeersborden, wordt met andere woorden ruimschoots geëerbiedigd.

Onderweg maak ik een praatje met een jonggepensioneerd koppel uit Wageningen. Ze hebben ooit al Marokko befietst. Nu maken ze, met een camping als uitvalsbasis, ritjes met de racefiets, nooit meer dan 50 of 60 kilometer. Wat verderop, in Saint Léger, vraag ik aan een man die aan zijn huis aan het werken is de weg. Ook hij is Nederlander, wordt al snel duidelijk. ‘Laat ons dan maar in het Nederlands praten,’ suggereer ik. Daar is hij het meteen mee eens, maar hij blijkt niet te weten dat de weg die achter zijn huis rechts afbuigt naar het door mij beoogde Maison-de-Bourgogne leidt.



Het is een mooi huis waar die Nederlander aan werkt. Dat zijn ze hier vaak, de huizen: mooi. Wellicht is in deze streek de mooiste architectuur van heel Frankrijk te vinden: kloeke natuursteen, elegante details. Onbegrijpelijk dat er niet zorgzamer mee wordt omgesprongen en dat wie nog in een dorp of in een kleine stad wenst te wonen – er zijn daar steeds minder bewoners te vinden – de karakterloosheid van een anonieme nieuwbouw in een verkaveling in de rand verkiest boven het robuuste comfort van een negentiende-eeuws huis in de kern.

In Charbonnat tref ik op het terrasje van een bakkerij enkele mountainbikers uit Nancy. Op de deur staan de telefoonnummers van het Élysée en het Matignon vermeld: de bakkerin is het beu het gezeur over de mondmaskerplicht zelf te moeten behandelen.

Ik nader het Zuiden: de eerste cicades, de eerste zonnebloemenvelden, de eerste natuurstenen huizen, de eerste hagedis die op een warme steen wegfrut, het eerste smeltende asfalt – en straks de eerste platanenrijen en de eerste olijfbomen en lavendelvelden…




7518

Sijsele - 250309


donderdag 3 april 2025

getekend 467

2006 (?)


afscheid van mijn digitaal bestaan 514

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

5 augustus 2020

PER FIETS NAAR DE MIDI 5

etappe 4/9 – Tonnerre-Anost – 112 km


Vertrek om half acht. Ontbijten doe ik pas 25 kilometer ver, in het uitermate pittoreske stadje Noyers: stadspoort, onregelmatig geplaveide straten, scheefgezakte vakwerkgevels – alsof ik in een tekening van Anton Pieck ben terechtgekomen. Bij de bakker respecteert de rij gemondmaskerde klanten plichtsgetrouw de anderhalvemeterregel. Ik neem plaats op een terrasje. Drie ouwe gabbers, de intello’s du coin, bespreken de toestand. Welke toestand, wordt me niet meteen duidelijk. Eentje kijkt ternauwernood op van zijn Canard enchaîné. Gerookt wordt hier niet meer. En ze drinken koffie. Neen, de wilde haren en de jaren zestig zijn definitief voorbij.



Samen met het reliëf sluipt de twijfel binnen. Soms vind ik mezelf een bofkont, soms vervloek ik dit stomme idee om godbetert per fiets een auto te gaan ophalen aan het Lac de Sainte-Croix. Weeral ben ik te zwaar, is mijn fiets te zwaar, heb ik te veel bagage meegenomen. En ja, het wordt wel heel erg warm. De temperaturen klimmen nu vlotjes een eind boven de dertig graden. Waar is de tijd dat we bij dertig graden van hitte spraken?

Mooie wegen, dat wel. In Massangis staan een paar leuke huizen te koop. Hoe zou het zijn om naar hier te verkassen? Maar wat zou ik hier doen wat ik niet thuis evengoed kan? Hoe eenzaam zouden de winters hier zijn? En de herfst en de lente en de zomer uiteindelijk ook? Neen, het is geen goed idee – al blijft het om de een of andere reden wel lokken. Zeker nu het Vlaams-nationalisme bij ons het klimaat vergiftigt.

Nabij de snelweg Parijs-Dijon te Maison-Dieu zie ik een zwerm van wel tien of twaalf zwarte wouwen jagen op klein grut dat zich te goed doet aan het graan dat is achtergebleven op een pas geoogste akker. Wat een spektakel. Een van de vogels heeft iets in zijn bek. Meteen wordt hij achternagezeten door zijn gezellen. Hij laat zijn prooi vallen. Allemaal duiken ze nu naar de grond.

In Cussy-les-Forges vind ik een klein winkeltje. De uitbaatster lijkt op Meyrem Almaci. Voor mij bedient ze een zwarte koerier die in zijn nek Japanse karakters heeft laten tatoeëren. Op de drempel van de kerk is er een schaduwplek om te picknicken. Notabelen verlaten de gloednieuwe, en bijgevolg uitermate smakeloze, mairie voor hun middagpauze. Zwaluwen vliegen af en aan naar de nesten die ze hebben gebouwd in de oksels van de ramen van de école communale des garçons – ik maak een schets van de mooi geproportioneerde gevel.




In het iets verderop gelegen Quarré-les-Tombes vind ik een nieuwe schuilplaats tegen de hitte. Ooit, 32 jaar geleden, raakte ik hier gefascineerd door de tegen de kerk opgestelde sarcofagen. Nu zwijgen ze in alle talen en zeggen ze me niets. Twee jongemannen met rugzakken en wandelschoenen pauzeren op de bank naast mij. Ze vinden het maar raar dat een al wat oudere man hen aanspreekt. Er komt geen gesprek van. Boven de straat zit een mus achter een vlinder aan.

De Morvan. De weg voert nu naar hoogtes boven de 600 meter. In Montsauche-les-Settons vind ik een kruidenier. Maximum zes personen tegelijk in de winkel en uiteraard: mondmaskerplicht! (Ik vergeet het altijd.) Beneden aan het stuwmeer is er een camping, maar die is vermoedelijk erg druk, afgaande op het af- en aanrijdende kampeerwagenverkeer. Ik verorber een slaatje tegen de honger die komt en vervolg op goed geluk mijn weg. Het is per slot van rekening nog maar half zes en de koelste uren van de dag komen er nog aan. Maar mijn krachten nemen af. Gelukkig vind ik wat verderop op de D37 een wegwijzer naar een te Anost gelegen camping. Ik word er om zeven uur onthaald door de vriend van de Nederlandse uitbaatster. Een vrolijke Frans. Hij biedt me een flesje Brugse Zot aan – dat ik afsla aangezien ik deze fietstiendaagse alcoholvrij wens te houden. Maar: c’est le geste qui compte. Mijn tent plaats ik naast een vader met twee jonge zonen. Geen moeder te bespeuren. Ik hoor een van beide kinderen protesteren: dat maman de tomaten niet zus snijdt maar wel zo. De man doet zijn best.

Op een bankje aan de zwemvijver schrijf ik op wat ik van vandaag wil onthouden. Nog een vader alleen, met een kind. Ze wil zwemmen. Hij raadt het haar af: moeder heeft gezegd dat ze door de kille avondwind kou zou vatten wanneer ze nat uit het water komt.

Ik leg het dekzeil niet over de tent. Zo zie ik de sterren. Later in de nacht de volle maan. Uilen roepen elkaar aan: een van de mooiste geluiden die ik ken.


7517

Sint-Pieters, AZ Sint-Jan - 250307


woensdag 2 april 2025

afscheid van mijn digitaal bestaan 513

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

4 augustus 2020


PER FIETS NAAR DE MIDI 4

etappe 3/9 – Épernay-Tonnerre – 173 km

De hotelier die mij gisteren hartelijk ontving, volhardt ook vandaag in de vriendelijkheid. Bij het ontbijt vraagt hij of hij de tv moet aanzetten. Doe maar, zeg ik. Graag op France 2, dan kan ik nog eens naar Télé Matin kijken. Hoewel, eigenlijk is dat tegenwoordig meer reclame dan wat anders. De publiciteitsboodschappen worden aan elkaar geluld met zoete praatjes over toeristische bestemmingen, fitheidstips en lifestyleweetjes. Ik praat tussen croissant en pain au chocolat wat met de hotelier over de canicule. Het houdt hem bezig maar zolang de hitte niet méér dan vijftien dagen per zomer aanhoudt, wil hij toch geen airco in de kamers installeren: de investering is te groot. Overigens, zo overweeg ik later op de dag tijdens het fietsen door de weidse Champagne-vlakte, word je, wanneer je bij dit weer naar het zuiden fietst, langs twee kanten geroosterd: ’s voormiddags links en ’s namiddags rechts.

Op de parking van het hotel spreekt een Zwitser me aan. Dat hij een Zwitser is, zie ik aan de nummerplaat op zijn dikke SUV. Zo’n dikke auto, en toch zo’n goedkoop hotel? Mmmm. Maar goed, de man is vriendelijk. Hij herkent mijn Belgisch-Frans accent. Tiens, waar zou ik dat opgeraapt hebben?

Het is een zalige fietsvoormiddag. Wind in de rug, nog niet te warm, prachtig landschap tussen de wijnvelden, van de ene dure château naar de andere – zo passeer ik onder meer Veuve Cliquot. Bij een van de wijnboeren van Bergères, tegenover het gesloten etablissement met de onverbiddelijk woordspelerige naam ‘La Folie des Bergères’, is van de gevel de eerste A van ‘CHAMPAGNE’ naar beneden gekletst – zelfs hier slaat het verval onverbiddelijk toe. Ik raap de kapitaal op en plaats hem bij de gesloten voordeur van de proeverij.



Ik daal af naar de dorre graanschuur van Frankrijk. De oogst is binnen, dit lijkt wel een woestijn.



Ik doe onder meer de vlekken Fère-Champenoise, Euvy, Gourgançon en Salon aan. Boven rond een watertoren buitelt een gezin slechtvalken. Picknicken doe ik na 75 kilometer in Droupt-Sainte Marie. Of was het Droupt-Saint Basle, ik weet het niet meer. In elk geval, het was op een beschaduwd trapje van het Local des Associations dat ik schaduw én zitgelegenheid vond. Binnen zie ik een antieke tafel staan, met een stoel. Twee brandweerhelmen glimmen op de schoorsteenmantel.



Op het grind voor mij sleurt een mier een bijenlijk over de keitjes. Voor de mier zijn het manshoge rotsen. Soms valt zijn prooi terug en moet hij herbeginnen, maar hij vordert onverzettelijk en gestaag. Het beeld zal mij een paar keer voor de geest komen tijdens het overwinnen van de Bourgondische heuvels.

25 kilometer lang volg ik het fietspad langs het parallel met de Seine lopende Canal de la Haute Seine. Tot in Troyes. Daar drink ik op het terras van café Le St Nizier een koffie. Een type met Che Guevara-T-shirt monstert de op het rokerstrottoir voorbijstappende dames.



Troyes blijkt gemakkelijker te bereiken dan te verlaten, dat wisten de Grieken al. Langs Bréviandes lukt het me uiteindelijk toch. De gebruikelijke smoezeligheid en drukte van de uitvalswegen. Ik kom nu op heuvelachtiger terrein: het begin van mijn geliefde Bourgognestreek. (...)

Om kwart over zeven kom ik aan op de camping municipal van Tonnerre. In restaurant ‘Le Petit Gourmand’ wacht mij een van uitstekende frietjes vergezelde salade met onder andere ei, eend en – wat blijkt te zijn – een plak ganzenlever waarvan de nogal fletse smaak geenszins het veroorzaakte leed rechtvaardigt. Ik arroseer het geheel met een voortreffelijke fles Badoit.

7516

Sint-Pieters, AZ Sint-Jan - 250307


dinsdag 1 april 2025

boekverhaal 29

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.


december 1983

AUTOSTOP


In de eerste helft van de jaren tachtig, ik herinner me het niet meer precies, maar het is best mogelijk dat het in 1883 en 1985 is geweest, ben ik samen met een goede vriend die ik toen had, Paul Van Mulders, twee keer naar Parijs gereisd. Al liftend. Dat kon toen nog, nu is het een manier van reizen die – teken des tijds – nagenoeg volledig verdwenen is. We lieten ons door een bereidwillige afzetten op een gunstig vertrekpunt. Vandaaruit probeerden we Parijs te bereiken. En we slaagden daar ook in, zij het niet in één dag. Gek genoeg herinner ik me van beide reizen zo goed als niets meer van wat we in Parijs deden, maar wel nog behoorlijk veel van de reizen zelf. Van het liften dus en van de ontmoetingen die we op die manier hadden.

Paul, die bedreven was in typografie en bladschikking – hij had aanleg voor tekenen en studeerde architectuur – maakte bordjes met daarop, in vet met alcoholstift aangezette kapitalen, de namen van onze bestemmingen. Elk om beurt gingen we aan de kant van de weg staan, met dat bordje en met een uitgestoken duim. Om de wachttijd te korten, die soms erg lang kon duren, lazen we elkaar voor uit een boek. De ene liftte dus, de andere las voor. Het moet voor de meestal met hoge snelheid voorbijrijdende weggebruikers een eigenaardig zicht zijn geweest.

Het boek dat we voor onze reis hadden meegenomen moest luchtig zijn en liefst ook grappig, en het mocht niet veel wegen. Het moest licht zijn dus, in beide betekenissen van dat woord.

De eerste keer hadden we gekozen voor Candide van Voltaire, de tweede keer voor verhalen van Thomas Mann. Van dat tweede boek ben ik niet meer helemaal zeker. Toen ik Paul onlangs voor het eerst sinds zeer lange tijd nog eens een brief schreef, maakte ik van de gelegenheid gebruik hem te vragen of hij het zich nog herinnerde. Hij wist het ook niet meer zeker. Misschien was het Tonio Kröger? Ik sla mijn exemplaar erop na: Tonio Kröger en andere verhalen. In die bundel is het titelverhaal het omvangrijkste. Maar er staat ook een verhaal in dat ‘De kleine meneer Friedemann’ heet. Deze titel sluit beter aan bij mijn herinnering. Werd dat verhaal ooit afzonderlijk uitgegeven? Of heeft er ooit onder die titel een verhalenbundel van Thomas Mann bestaan? In het Duits en Engels wel, zo zie ik op het internet. Maar een dergelijke Nederlandstalige uitgave vind ik niet terug. Enfin, eigenlijk is het niet zo belangrijk. Het is zelfs helemaal niet belangrijk. Wel belangrijk is dat we indertijd het wachten op bereidwillige chauffeurs op die manier flink bekortten, en dat we met hetgeen zowel Voltaire als Mann ons voorschotelde, vaak flink gelachen hebben.

De mensen die ons meenamen spraken er ons een paar keer over aan. Ze hadden het zicht vreemd gevonden: een jongeman met een kunstig maar toch ook efficiënt gekalligrafeerd bordje met de naam van de beoogde bestemming, en een tweede jongeman daar een klein beetje achter, lezend in een boek. (Vanuit de auto hadden ze natuurlijk niet kunnen vaststellen dat dat lezen een luidop voorlezen was.)

We hadden op onze twee reizen een paar fijne en frappante ontmoetingen. Ik herinner mij een verpleegster die tijdens het gesprek dat ze met Paul voerde meer naar hem keek dan naar de weg en op die manier bijna tegen een uitermate traag een helling oprijdende hooiwagen aanknalde (ik had nog net op tijd, na lang aarzelen omdat ik dacht dat ze het wel zou hebben gezien, een kreet geslaakt). Ik herinner mij ook een eierboer in zo’n uit golfplaten opgebouwde Citroën-bestelwagen op weg naar een markt (ik mocht zeer voorzichtig tussen de kratten plaatsnemen). De burgemeester van Saint-Omer bleek dan weer een communist te zijn, wat een interessant gesprek opleverde. Een echtpaar dat terugkeerde van een receptie werd, met ons beiden op de achterbank, door een vliegende gendarmeriebrigade tegengehouden. De man moest blazen. Het resultaat was positief en hij moest rechtsomkeer maken. Wij stapten uit en hoorden de vrouw nog zeggen: ‘Ik had het je nog gezegd dat je die twee niet moest meenemen!’


Thomas Mann, Tonio Kröger en andere verhalen (vertaald (1971) door Hans Hom)
Voltaire, Candide (vertaald (1970) door M.J. Premsela)

Een van die bijzondere liftbeurten, met een leraar die met een aftandse Citroën Ami 6 naar Amiens reed, heb ik hier beschreven: https://pascaldigital.blogspot.com/2006/02/mijn-eigen-namen-33-en-34.html


7515

Sint-Andries, Kanaal Brugge-Oostende - 250307


maandag 31 maart 2025

afscheid van mijn digitaal bestaan 512

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

3 augustus 2020

PER FIETS NAAR DE MIDI 3

etappe 2/9 – omgeving Guise-Épernay – 123 km




Om zes uur breek ik mijn boeltje op. Ik werk een homp brood en een stuk kaas naar binnen, maar mis mijn ochtendkoffie. Die vind ik in Guise, stad van de Familistère. Ik was hier eerder al eens, herinner mij het opzet en de uitvoering van deze door kachelfabrikant Jean-Baptiste André Godin ontworpen filantropische ideaalstad waarin arbeiders en hun gezinnen op zachte wijze aan de logica van het kapitaal onderworpen werden. ‘Le Familistère est fait pour être vu et étudié’, citeren grote banieren het woord van Godin.

(...)

Ik vervolg mijn weg door de licht glooiende graanschuur van Frankrijk. In Barenton-Cel krijg ik water van een mannetje dat zich achter zijn tuinmuur tegen het coronavirus verschanst. We hebben het er even over. Over de desoriëntering en de eenzaamheid die er het gevolg van zijn. Het is een heel vriendelijk mannetje. Hij staat mij toe een foto van hem te maken.



In Laon rijd ik, met tegenwind, onder de vier torens van de trots bovenop de rots staande kathedraal door. Ik vind in een door een allochtoon uitgebaat filiaal van de kruideniersketen La Coccinelle – op de coronaregels wordt niet al te nauw toegezien – mondvoorraad voor de picknick, die ik in het iets verderop gelegen Bruyères-et-Montbérault tegenover de kapperszaak ‘Bruy-Hair’ (hebt u hem?) nuttig. Babbel met een Franstalige Belg die in zijn Landrover op zijn vrouw wacht die de apotheek is binnengegaan. Waarvandaan en waarheen en ja, Bruges est une belle ville. Zodra de rolluiken van de apotheek zijn neergelaten voor de siësta valt het plein volledig stil. Een luid pratende en druk gesticulerende vrouw schreeuwt in haar mobieltje haar huwelijksleed uit. In het luisterend oor van een vriendin, veronderstel ik. En in het mijne, dat zijn best doet niet te luisteren. Ze heeft me nochtans zien zitten.

Op mijn Michelinkaart verschijnen de eerste pijltjes: reliëf. Opnieuw voel ik dat ik nog maar eens veel te zwaar aan deze reis begonnen ben. Bovendien loopt niet alleen het terrein op, maar ook de temperatuur. Na het kruisen van de Chemin des Dames passeer ik een Commonwealth-begraafplaats, en wat verderop een aan de Notre-Dame de Bonne Entente toegewijde kapel. Het bleekblauw van het mondmasker dat ze Haar hebben opgezet, accordeert mooi met de kleur van de nis die Haar tegen de elementen beschutting biedt. Bleekblauwe mondmaskers, overigens, tref je hier werkelijk all over the place aan. Overal, heel Frankrijk door, liggen ze kwistig in de berm gestrooid, tussen de plastic flessen, blikjes, lege sigarettenpakjes (veel minder dan vroeger) en allerlei ander vuil.

(...)

Het landschap wordt nu bijzonder mooi. De D386 slingert zich van dorp naar dorp: Crugny, Serzy, Savigny, Sarcy, Chaumuzy. Een kilometer voorbij Marfaux tref ik, broederlijk (?) naast elkaar, een Duitse en een Britse begraafplaats. Duizenden jonge mensen liggen hier onder de zoden. Wat zouden hun levens hun gebracht hebben? Ik stap af op de minst triomfalistische van beide dodenakkers en maak enkele foto’s.



In Hôtel Colbert te Épernay word ik zeer vriendelijk onthaald door de uitbater. De pizzeriaman een eindje verderop – zijn zaak heet ‘L’Italienne’ – is uit ander hout gesneden. Wanneer ik hem argeloos een ‘margarita’ vraag, laat hij mij verstaan dat hij dat even dwaas vindt als in een viswinkel een vis bestellen (un poisson dans une poissonnerie). Ik begrijp dat hij van zijn pizzakunsten een erezaak wenst te maken, maar een mens moet nu toch ook niet overdrijven: het zijn maar pizza’s. Overigens – maar ik wil er zeker geen culinaire rubriek van maken of het rapport van een incognito Gault Millau-inspecteur – was de pizza van deze ambitieuze meneer niet veel soeps. Ik zeg hem dan ook dat de vis goed gesmaakt heeft.

7514

Brugge, Ezelstraat - 250306


zondag 30 maart 2025

afscheid van mijn digitaal bestaan 511

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen


2 augustus 2020

PER FIETS NAAR DE MIDI 2

etappe 1/9 – Brugge-omgeving Guise – 175 km (b)


Bij een van de talrijke verkeerslichten van de verkeersknobbel Denain/Douchy-les Mines spreekt een man in een auto, die net als ik voor het rood staat te wachten, mij aan: vanwaar-waarnaartoe. Hij fluit bewonderend en spreekt me moed in. Dat doet deugd.

Wat verderop zie ik op de drempel van een kapelletje naast de D955 een oude man naast zijn tegen het bouwwerk geparkeerde vintage koersfiets zitten. Ik rijd eraan voorbij maar een vijftigtal meter verder keer ik toch maar voor alle zekerheid terug: is alles oké?



Ja hoor, alles is oké. De man zit gewoon wat uit te rusten, zegt hij, op zijn weg naar Solesmes. En hij begint mij meteen, ongevraagd, over het kapelletje te vertellen. In het vlakbij gelegen dorp Saulzoir waren in 1944 twee vrouwen hoogzwanger. Ze zouden naar Cambrai, de dichtste stad, vertrekken om er te bevallen. Maar meneer pastoor droeg hun op om pas de volgende dag te vertrekken en ondertussen de tijd weg te bidden. Zij volgden zijn advies en ontvingen zijn zegen. Diezelfde nacht werd Cambrai door de geallieerden gebombardeerd. Er vielen 130 doden. Zo ontsnapten beide vrouwen. Uit dankbaarheid voor wat ze uiteraard als een goddelijke interventie zagen, besloten ze een kapel te bouwen en te onderhouden. Een van beide vrouwen leeft nog, ze is stokoud. Het koersmannetje, zelf toch ook al een flink eind boven de zeventig, schat ik, heeft nu de sleutel. Fier toont hij mij de recent door hem uitgevoerde restauratiewerken. De vraag wie het van hem zal overnemen, blijft onuitgesproken.

Voorbij le Cateau-Cambresis, waar ik het musée Matisse niet bezoek, kom ik in waterpenurie. De temperatuur loopt op, dat is dus beslist een les die ik moet trekken voor de volgende dagen. Winkels zijn hier uit zowat alle dorpen verdwenen. Het is wachten tot Mennevret vooraleer ik eindelijk een persoon voor haar huis zie. Een oude vrouw. Ik rinkel mijn fietsbel om haar aandacht te trekken en maak duidelijk dat ik haar iets wil vragen. Maar ik krijg de kans niet, ze vlucht haar huis in en trekt de voordeur met een smak dicht. Angst. Wat verderop oogst ik meer succes. Een jongentje in PSG-shirt (Neymar, jaarwedde van 37 miljoen euro (2017), exclusief merchandising, sponsorcontracten en bonussen) speelt in het voortuintje. Ik vraag hem of er iemand thuis is. Papa komt naar buiten en reikt me, in plaats van mijn fles met kraantjeswater te vullen, wat ik vroeg, een nieuwe anderhalveliterfles aan. Dit genereuze gebaar zal mij nog een drietal keer te beurt vallen.

De avond valt. Tussen Tupigny en Lesquielles vind ik, ongeveer een halve kilometer weg van de D69, een geschikte plek om wild te kamperen: uit het zicht en uit de wind. Ik kom er oog in oog met een jong hert te staan. Of is het een ree, ik ken het verschil niet. Het dier kijkt me, alvorens in paniek weg te springen, stomverbaasd aan. Nadat ik mijn tentje heb opgezet en iets naar binnen heb gewerkt, kijk ik de pas geoogste graanakker nog wat aan. Aan de einder wieken enkele van de éoliennes die hier overal in het landschap opduiken, alle protesten ertegen ten spijt. Een late roofvogel zweeft de bosrand in. Het licht moet ik niet uitdoen want ik heb er geen bij. Dat ik bijna zestig ben moeten worden om voor de eerste keer wild te kamperen, overweeg ik nog wanneer ik al bijna in slaap gevallen ben.




7513

Oostende - 250303


zaterdag 29 maart 2025

10 * 54,0 * 26,7 * 144 * 533,1

Damme - Siphon - Moerkerke - Siphon - Hoeke - Oostkerke - Herdersbrug  



afscheid van mijn digitaal bestaan 510

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

2 augustus 2020


PER FIETS NAAR DE MIDI 1

etappe 1/9 – Brugge-omgeving Guise – 175 km (a)

Wanneer ik om half acht vertrek, besluit ik dat ik mijn kop wil laten uitwaaien, het van mij af te zetten. Ik volg de oude rijksweg Brugge-Kortrijk. Ik heb geen zin om zo dicht bij huis al kleine wegen op te zoeken, en bovendien valt er op deze zondagochtend niet veel verkeer te verwachten. Gedachteloos fiets ik zuidwaarts, met de fiets naar de Midi.

In de periferie van Kortrijk – Izegem en dergelijke, zo min of meer vanaf Ingelmunster – nemen de groezeligheid en het verval schier ondraaglijke proporties aan. Ik beland in een aaneenschakeling van verlaten villa’s, zaken met tuinmeubilair en wieldoppen voor patserwagens, teloorgegane horeca en een seksbedrijvigheid die duidelijk ook betere tijden heeft gekend. Iemand zou zich eens de moeite moeten getroosten om – gewapend met fototoestel en pen – deze voorbode van donkere tijden in kaart te brengen. Voor de parenclub Acanthus staat een groot bord waarop de uitbaters het zorgpersoneel dat ‘het land doet leven’ ‘zeer hard bedankt’.




Ik verlaat ter hoogte van Hulst de weg en rijd door het geboortedorp van mijn moeder, Bavikhove. Ik ben er als kind een paar keer geweest, en later een enkele keer nog eens – maar ik herken niets meer. Op de weg naar Sint-Denijs houd ik een eerste stop. Achter een uit de kluiten gewassen kapel vind ik een bank. Ik zwicht voor kapellen met een boom naast, wat groen dat voor schaduw zorgt. Het zijn plekken van bezinning – gelovig of niet, dat doet er niet toe – die een tijd van weleer uitademen, toen ze nog een plaats hadden in de levens van de mensen. Nu heeft het er alle schijn van dat men ze laat staan omdat er nu eenmaal geen reden is om ze af te breken. Deze historische elementen verrijken het landschap met herinnering.




Voorbij Helkijn verkies ik de weg boven het fietspad langs de Schelde en zo kan het gebeuren dat ik in Hérinnes of all places terechtkom. Wallonië. De sfeer is meteen helemaal anders, dit is echt een ander land. Opdracht nummer twee: beschrijf dit verschil, waaruit het bestaat, welke indruk het maakt. Het gaat over ruimtelijke ordening, taal natuurlijk, de kwaliteit van het wegdek.

Vlak voor Doornik vind ik naast de Schelde een geschikte picknickplaats – dat wil zeggen: met mogelijkheid om te zitten én schaduw. Het is twaalf uur, ik heb 75 kilometer afgelegd. De bewolking wisselt, de wind zit gunstig – en zal nagenoeg de hele reis blijven doen.

Fietsen door Doornik moet ik met het mondmasker op. Borden aan de rand van het historische centrum maken mij diets dat hier deze verplichting van kracht is.

In Saint-Maur tref ik een mooie dries aan.




In het laatste dorp voor de grens, Rongy, raak ik voor het eerst even de weg kwijt. Een tuinier helpt me vriendelijk. Vanwaar en waarnaartoe: voor de eerste keer doe ik mijn verhaal en verneem ik dat Brugge een heel erg mooie stad is. De man vertelt mij over een vriend die per fiets de Andes doorkruist had en daar op een hoogte van 4000 meter ei zo na zijn handen verloor door tijdens een eindeloze afdaling voortdurend zijn remmen te moeten dichtknijpen in vriestemperaturen. Niet mijn kopje thee, maar het praatje is toch aangenaam. Ik vraag de man te poseren in zijn moestuin, tussen kerk en zonnebloem. Wanneer ik afdruk, zwaait hij met een courgette: of ik er niet een mee wil?




Koffiestop in Saint-Amand-les-Eaux, en even later fotografeer ik de roemruchte plek waar de renners van Parijs-Roubaix het bos van Wallers verlaten.





7512

Oostende - 250305


vrijdag 28 maart 2025

boekverhaal 28

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.

oktober 1983


HET BOEK EN DE FILM

Ik weet zeker dat ik John Hustons The Dead zag nadat ik het verhaal van Joyce een eerste keer had gelezen. De verfilming van dat verhaal dateert namelijk van 1987, vier jaar nadat ik voor het eerst – in de vertaling van Rein Bloem – ‘De doden’ las, het slotverhaal van de bundel Dubliners (1914). Met The Dead nam John Huston, zeer toepasselijk, afscheid van het leven want hij stierf kort na het voltooien ervan. Zijn film werd postuum gereleased.

Ik bezit, behalve het originele Engels in een Penguin-bloemlezing, de tweede (1971) en derde (1978) druk van de Nederlandse vertaling van Dubliners. In mijn – ongebruikte – exemplaar van de tweede druk steekt een flyer van een Brugse bioscoopvereniging die zich destijds ‘trefpunt der cinéfielen’ (sic) noemde. Het feit dat ik die flyer heb bewaard, doet mij vermoeden dat ik op ‘donderdag 17 november 1988’ aanwezig was op de vertoning van ‘the dead’, zoals de flyer kapitaalloos vermeldt. Ik kon toen dus Hustons verbeelding aan mijn leeservaring toetsen. Veel later, maar ik kan niet meer traceren wanneer maar het moet al een eind in het volgende millennium zijn geweest, zag ik de film een tweede keer.




Ik herinner mij dat ik, zeker de tweede keer dat ik hem zag, van de film danig onder de indruk was. En ik herinner mij ook dat ik, toen ik kort daarna het verhaal voor de zoveelste keer herlas, niet anders kon dan mijn lectuur door de beelden van Huston te laten aanvullen en verrijken. Het is hoe dan ook een totaal andere ervaring: iets te lezen voor en nadat je er de verfilming van hebt gezien. (Ik had onlangs dezelfde ervaring met Boetekleed (Atonement) en de verfilming (met dezelfde titel) van Ian McEwans roman door Joe Wright uit 2007.)

Ik zeg ‘verrijken’ – en dat geldt ook voor Boetekleed – want Hustons verfilming van Joyces verhaal is magistraal.

Zoals het verhaal zelf dat ook is. Joyce vertelt in ‘De doden’ over iets wat wij allemaal kennen: een familiebijeenkomst op kerstavond met om de lieve vrede onuitgesproken of onderdrukte tegenstellingen en frustraties, politieke spanningen, een zatte nonkel, mislukkelingen en geslaagden (die laatsten drinken dan ook meestal te veel), een geheime liefdesrelatie en een grootmoeder die alles samenhoudt. Eigenlijk is Joyces verhaal dramaturgie – vandaar ook dat het zo verfilmbaar is. Misschien is de belangrijkste tegenstelling nog wel die tussen het binnen en het buiten. Binnen in de feestzaal is de atmosfeer warm en knus, terwijl het buiten sneeuwt. Maar er is ook het straatrumoer dat tot in het huis doordringt, of het gezang dat door de muren heen weerklinkt. Deze figuur van het binnen en het buiten bereidt de voor de climax essentiële ‘verre muziek’ voor – de ‘verre muziek’ die, als een sirene, Mrs. Conroy weglokt en op die manier bij haar echtgenoot Gabriel de vlijmscherpe catharsis teweegbrengt die geen lezer onberoerd laat.

De doden’ is een van de allermooiste verhalen die ik ooit las.

https://pascaldigital.blogspot.com/2022/03/afscheid-van-mijn-digitaal-bestaan-231.html


7511

Koolkerke, Fort van Beieren - 250303


donderdag 27 maart 2025

getekend 466

2006 (?)


driekleur 584

Op een dag komt José Anaiço op het idee waterdicht makende lak of verf te kopen, hij voegt de daad bij het woord, maar de enige verf die hij kan vinden, helrode, is nog niet genoeg voor een kwart van de huif. Het is niet erg waarschijnlijk dat ze dertig kilometer verderop waterdichte verf in dezelfde kleur en tint zullen vinden, dus zonder Joana Carda’s betere en verstandigere voorstel grote stukken plastic aan elkaar te naaien tot een complete overkapping, en tegelijk iets voor de paarden te maken, had het er nog van kunnen komen dat de wagen de wijde wereld doorging onder een bonte huif van cirkels, strepen en vierkanten, al naar gelang de luim van de artiest, in groen en geel, oranje en blauw, paars, wit op wit, bruin, misschien zelfs zwart.

José Saramago, Het stenen vlot, 266


driekleur 583

(…) ineens ging het als een lopend vuur, overal flakkerde het op, in rode, zwarte, blauwe, groene, gele en paarse letters, een brand die niet te blussen leek (...)

José Saramago, Het stenen vlot, 161


driekleur 582

(…) per slot van rekening weten we twintig eeuwen na dato nog altijd niet of die onzalige boom grijze of zwarte vijgen gaf, vroege of late, met rood of geel vruchtvlees, niet dat de christelijke geloofsleer eronder lijdt, maar de historische waarheid wel degelijk.

José Saramago, Het stenen vlot, 46



afscheid van mijn digitaal bestaan 509

voor deze rubriek selecteer ik de beste stukken die op deze blog zijn verschenen

29 juli 2020


VERGETEN ERFENIS

Gisteren had ik het over de zetel van madame Jackson, die ik, na hem, de zetel dus, eerst zelf nog eens een vijftiental jaar te hebben gebruikt, uiteindelijk naar het containerpark afvoerde.

Arnold Lybeer, die ik nog ken van toen hij in mijn wijk de postronde deed, reageerde op mijn verhaal: ‘die zetel... mevrouw jackson... van daar uit keek ze naar de kruinen van de bomen, en de wolken’.

En meteen wordt de anekdote over het zitmeubel al heel wat levendiger. Ik heb de voormalige eigenares van de meubels die ik nog een tijd heb gebruikt, en waarvan ik er sommige nog altijd gebruik, nooit gekend. Ik heb haar nooit ontmoet, nooit gezien. Ik heb mij geen beeld van haar kunnen vormen op basis van een stem, een manier van spreken, van gaan. Ik weet wel, min of meer, hoe ze er moet hebben uitgezien want ik vond een fotootje van haar tussen de spulletjes die haar zoon in een van de kasten die hij mij had verkocht had achtergelaten. Naast, onder meer, een blikken doos met naaigerief, roze muiltjes, een korset godbetert, een stapeltje ansichtkaarten. Ik heb de meeste voorwerpen – het korset niet – zorgvuldig bewaard, uit een soort van piëteit. Onder meer omdat ik vond dat de zoon zijn moeder onheus had behandeld door haar op haar 97ste nog te verkassen naar een rusthuis – waar ze dan inderdaad niet veel later overleed – en door niet de moeite te doen om haar inboedel wat respectvoller te behandelen: hij had de meubels naar de kringloopwinkel kunnen brengen in plaats van ze voor een appel en een ei te verpatsen aan de toevallige passant die ik in zijn ogen toch maar was. En vooral: door dan nog in een van die kasten privéspullen achter te laten, die ik hem niet eens kon terugbezorgen omdat hij, na het afsluiten van de transactie, zonder coördinaten en whereabouts uit mijn leven verdween.

En dan ben ik dat onvrijwillig verworven bezit vergeten. Vele jaren zaten die blikken dozen ergens achterin een van de ingemaakte kasten in de slaapkamer. Vandaag zocht ik die pasfoto en vond allerlei voorwerpen met een hoog vertederingsvermogen: een nagelschaartje, een poederdoosje, een mapje met verkleurende foto’s uit de jaren zeventig, een kapotte bril, een paternoster… Misschien schrijf ik er nog wel over.

En nu zit madame Jackson daar, door de woorden van Arnold, in haar zetel naar de kruinen van de bomen te kijken, en naar de wolken – en is ze in mijn verbeelding levendiger dan ooit, al zou ze inmiddels al 112 geworden zijn.




7510

Koolkerke, Fort van Beieren - 250303


woensdag 26 maart 2025

boekverhaal 27

In deze rubriek heb ik het over door mij gelezen of in mijn bezit zijnde boeken waar een verhaal aan vasthangt of die iets bijzonders voor mij betekenen.

augustus 1983


IN HET HART

De eerste keer dat ik iets las van Ton Lemaire moest ik nog twintig worden: De tederheid. Hoe ik daartoe was gekomen? De titel zal mij op de een of andere manier hebben aangesproken. Waar dat paarse boekje heen is, ik weet het niet. Heb ik het uitgeleend? Weggegeven? Het zou kunnen. In elk geval, het is niet meer in mijn bezit. Maar de man die het had geschreven, zat wel in mijn hoofd – en nog later zou ik hem in mijn hart sluiten. Een eerste connectie was in elk geval gemaakt.

De lectuur van Filosofie van het landschap twee jaar later bracht Lemaire en mij nog een stapje dichter bij elkaar. Dat boek is wél nog in mijn bezit – het ligt hier voor me, het vertoont de sporen van een intense, studieuze lectuur. Die heeft niet mogen baten: de inhoud van het gelezene is mij grotendeels ontvloden. Wat ik wel nog weet, is, ten eerste, dat ik het als een verademing ervoer dat het vak dat ik studeerde, filosofie, blijkbaar ook over dingen kon gaan die concreet waren (landschap, natuur, reizen, toerisme, wonen, enzovoort) en, tweedens, dat de teksten van Lemaire voor mij een eerste echte bewustwording teweegbrachten van wat zich toen al ongeveer een decennium was beginnen af te tekenen als de ‘milieu-krisis’ (achterplat, met in die tijd modieuze zogenaamd progressieve spelling). Lemaire, overigens, had zijn boek geschreven nog voor het rapport van de Club van Rome, dat volgens velen het einde inluidde van de naïeve, ongeproblematiseerde en, jammer genoeg pas achteraf als dusdanig erkende, ronduit onverantwoorde omgang met de natuur.

Later zou ik nog meer Lemaire lezen: Over de waarde van kulturen, Sporen in het landschap, Wandelenderwijs, Met open zinnen, De van van Prometheus, Mettertijd, Met lichte tred, Tegen de tijd. Sommige van die boeken herlas ik al eens. En er staan er hier nog een paar ongelezen in de kast. Ik liet er telkens enkele jaren overheen gaan, wat er zeker toe heeft bijgedragen dat al die boeken enigszins op elkaar begonnen te lijken. Ik vermoed dat het is omdat Lemaire zo’n auteur is die eigenlijk alles al meteen heeft gezegd – wat volgt kan alleen maar herhaling en uitdieping zijn.

Ondertussen is de man, geboren op 6 oktober 1941, stokoud geworden. Er hangt een sfeer van heiligheid rond hem, iets mythisch, iets wat aansluit bij zijn aangehouden pogingen om in het immanente altijd een opening te zoeken naar wat dat immanente overstijgt. Lemaire ruilde een geconsolideerd bestaan als naar verluidt nogal saaie professor in voor een teruggetrokken en precair leven als kluizenaar ergens in het diepe Frankrijk. Op de schaarse foto’s die van hem te vinden zijn zien we een getaande, scherpe kop (die mij bizar genoeg aan die van Johan Cruijff doet denken) op een op het uitgemergelde af leptosoom lichaam. Lemaire zoekt de publiciteit niet op, het zou zelfs moeilijk zijn om de man te benaderen. Gestaag en koppig blijft hij zijn tegelijk onheilspellende en sussende boeken de wereld insturen.

De toon van deze hedendaagse wijze herken ik uit de duizend: hij schrijft gaaf en mild, als iemand die zeer goed weet hoe ongefundeerd de hybris is waarmee de mensheid zichzelf centraal stelt en hoe erg de toestand daardoor geworden is, maar die beseft dat hij voorzichtig moet spreken ten einde de mensen geen schrik aan te jagen over wat onvermijdelijk op hen afkomt. Lemaire wil nadrukkelijk geen onheilsprofeet zijn. Hij blijft, ondanks alle indicaties voor het tegendeel, wijzen op het mooie en waardevolle in de natuur en in de mens. Misschien heb ik hem daarom in mijn hart gesloten. Omdat ik weet dat hij gelijk heeft maar mij toch geen pijn doet.


Ton Lemaire, Filosofie van het landschap (1970)