vrijdag 5 juni 2026

LVO 355

fragment uit Het maaiveld


Ik herinner me wel dat ik ooit een keer, toen ik tijdens een lange namiddag het laatste examen wiskunde dat ik ooit zou moeten afleggen zat te blokken, als in een flits een uitzicht kreeg op waar het eigenlijk om draaide. Iets van begrip drong tot mij door, iets, een snuifje, un soupçon van wat die enigmatische letter-, cijfer- en symbolencombinaties zouden kunnen betekenen – en dat gevoel ging gepaard met een intense esthetische ervaring die verwant was met wat ik eens had gevoeld bij een nagespeeld schaakvraagstuk waarbij, in de oplossing, de stukken zich even onverwacht als elegant naar de onafwendbare ontknoping spoeden, of bij het besef van de duizelingwekkende oneindigheid waarin wij ons, draaiend om een hypothetische as, van een punt A naar een punt B begeven, niet alleen zin- maar ook richtingloos want beide punten blijven zelf ook niet onbeweeglijk op hun plaats staan, of hangen, in het uitdijende heelal.




Alles bij elkaar genomen kan ik mij afvragen wat ik in die zes jaar middelbare school eigenlijk geleerd heb. Wat ik er heb opgestoken wat mij de rest van mijn leven (tot nu toe) dienstig is gebleken en gebleven. Wat heb ik onthouden van al die lessen wiskunde, fysica, godsdienst, scheikunde... Ja, voor talen zou ik nog een voorbehoud kunnen maken: de taalvaardigheid waarvan ik mij bedien in mijn beroepsleven en ook bij het lezen en schrijven, dat een groot deel van mijn zelf ingevulde vrije tijd vult, zal wel voor een deel zijn aangescherpt door de lessen Nederlands, Frans, Duits, Engels en Latijn – jammer genoeg geen Grieks – die ik heb gekregen. Het Latijn is zeker ook van pas gekomen in mijn tot nu toe erg schaarse contacten met het Spaans en Italiaans. De concrete feitenkennis die ik van vakken als geschiedenis en aardrijkskunde heb overgehouden, is volledig verdwenen en overschreven door latere zelfstudie. Het is moeilijk te achterhalen in welke mate die zes jaar middelbare school, ‘genoten’ in een periode van het leven waarin de hersenen op de top van hun vermogen functioneren, mij echt hebben gevormd, van mij de persoon hebben gemaakt die ik ben geworden en in die zin werkelijk een ‘humaniora’ zijn geweest. Zeker niet meer dan de twaalf jaar ervoor, mijn eerste twaalf levensjaren, en de tijd erna – het komt mij voor dat bijvoorbeeld met betrekking tot kunst en literatuur, en zeker ook architectuur, geschiedenis, politiek en filosofie, de latere jaren, aan de kunstschool en de universiteit, in het leger en meer in het algemeen aan ‘de universiteit van het leven’, mij veel dieper en ingrijpender hebben gevormd. Filosofie, bijvoorbeeld, kwam in die zes jaar OLVA nooit expliciet aan bod. Burgerzin, democratie, solidariteit? Nauwelijks of zelfs helemaal niet. Economie en ecologie: noppes. En tot de literatuur heb ik mij pas ná de humaniora toegang weten te verschaffen – alsof de zes jaar middelbaar en alle taalleraren, met hun leerprogramma’s en benepen toetsen en examens en opdrachten voor scripties en boekbesprekingen, in dat opzicht meer een hinderpaal waren geweest dan een stimulans. De enige die daarop een uitzondering vormde was Perquy van Frans, in het voorlaatste jaar. Maar hij was dan ook de enige.

Zo weinig, zo komt het mij nu voor, leerde ik op dat college, dat ik mij nu in alle ernst durf af te vragen wat ik er eigenlijk wél leerde. Afgezien van die taalvaardigheid en wat algemene bagage, werden mij vooral disciplinering en sociale vaardigheden bijgebracht; ik leerde er hoe om te gaan met hunkering; ik kreeg inzicht in de onbenulligheid van veel volwassenen; ik kreeg een idee van de ravages die onrecht en verraad kunnen aanrichten in het hoofd en hart van de onschuldige jongeman die ik toen nog was.




7946

Oostende - 260502


driekleur 613

(...) ik herinner me hoe een gebruinde man met een militaire houding vlaggetjes prikte in een legerkaart, rode vlaggetjes voor de Turkse strijdkrachten en gele vlaggetjes voor de Russen. Het leek een magisch gebied, met zijn bergpassen, bevroren rivieren en wrede veldslagen, met zijn sneeuwjachten en rondsluipende wolven; er was een grote watervlakte die de onheilspellende maar spannende naam van Zwarte Zee droeg (...)

Saki, De complete verhalen, 632

donderdag 4 juni 2026

honderd woorden 594

DOORGEZETEN

Misschien zal ik me gedeisd moeten houden, onderduiken.’ Dat schrijft Wannes van de Velde op 9 oktober 1988, dag van de eerste verkiezingsdoorbraak van het Vlaams – toen nog – Blok. Zijn woorden spellen angst. Bijna vier decennia later is het grootste deel van het ooit totaal onaanvaardbaar geachte 70 punten-programma gerealiseerd. We vinden het allemaal normaal, de angst is weg. Wannes helaas ook. De Belangers, die nooit zelf een repressie- of expulsiewet hebben moeten schrijven, rusten op hun lauweren op het intussen doorgezeten pluche van hun oppositiebanken. Andere, salonfähigere flaminganten hebben voor hen de klus geklaard, in dienst van het kapitaal.

Wannes van de Velde, Dagboeken, 50


facebookbericht 1224

Ik heb ook al reclames gehoord met daarin de woorden 'rebel' of 'revolutie'. Met deze cynische recuperatie bemoeilijkt het kapitaal natuurlijk échte rebellie en revolutie. Het vocabulaire is nu eenmaal beperkt.

Of denk aan merken die voor hun publiciteitsboodschappen deuntjes uit de ooit rebelse pop- en rockcultuur gebruiken waarop geen rechten meer rusten omdat ze verjaard zijn. Of erger nog, die deuntjes lichtjes vervormen, zoals als ik mij niet vergis een bank nu doet met iets van Coldplay. In plaats van hedendaagse creatievelingen aan het werk te zetten.

Mocht er een manier zijn om alle ontheemden, marginalen, onaangepasten, onbegrepenen (enzovoort) te verenigen, we zouden sterk staan.

Ik las net iets wat Orwell schreef, een vergelijking tussen De Gaulle en Pétain.

honderd woorden 593

POSTSTRUCTURALISME

Ik neem aan dat niet iedereen de ti en dicht bedrukte bladzijden tellende voetnoot 24 zal hebben gelezen (pp. 1057-1067)? Het is niet onvergeeflijk zich niet te hebben verdiept in dit staaltje experimenteel gezwans dat achterin het monsterboek onder de titel ‘JAMES O. INCANDENZA, EEN FILMOGRAFIE’ (ja, allemaal kapitalen) is weggestopt. Maar wie het niet las, heeft wel enkele van DFW’s best geslaagde witzen moeten missen, zoals deze parodie op de ‘poststructuralistische antidocumentaires’ in de toelichting bij de – gefingeerde? – film Homo Duplex: ‘interviews met veertien Amerikanen die John Wayne heten maar niet de legendarische 20ste-eeuwse filmacteur John Wayne zijn’ (p. 1061).





vorig jaar 384

1 juni 2025

(…)


2 juni 2025

(…)

*

Oekraïense drones vernietigen, in ware James Bond-stijl, diep in Siberië tientallen Russische bommenwerpers. Een vernedering voor Poetin. Het valt te vrezen dat dit zal leiden tot een oncontroleerbare escalatie van een conflict dat nu al meer dan verschrikkelijk is, maar dan toch nog tenminste ‘conventioneel’. Ook in de sfeer van de internationale politiek was mijn voornemen om Facebookcontact X een tent en een rugzak te bezorgen en om daarvoor vandaag speciaal naar Leuven te reizen. X is van plan om deel te nemen aan een ‘mars naar Gaza’, om te helpen om daar de genocide een halt toe te roepen. Maar te elfder ure laat hij mij weten dat hij al van iemand anders het benodigde materiaal krijgt. Dus kan ik mijn reis afblazen. Tot daar mijn engagement voor de internationale conflictbeheersing.




*

Ik stuur Wouter Deboot, de fietser in het programma Met de wind mee, een berichtje om hem te feliciteren. Zowel in de aflevering met de weduwe van Josip Weber als in deze die ik nu bekijk, over onder meer Srebrenica, snijdt hij gelaagde en gevoelige onderwerpen aan op een serene, neutrale en empathische toon, zonder in sentimentalisme te vervallen.

*

(…)


3 juni 2025

(…)


4 juni 2025

(…) Jos D’Haese steekt een PVDA-speech af, die velen als ‘populistisch’ zullen afserveren, over het feit dat ministers te veel verdienen. 20.000 euro per maand, en daarbovenop nog eens premies voor huisvesting en huishouden. De parlementairen zijn het ermee eens dat dit relict uit een ver verleden maar beter kan worden afgeschaft. Het onderwerp is ‘s avonds een onderwerp in Terzake.

*

(…)

7945

Plassendale - 260502


woensdag 3 juni 2026

LVO 354

fragment uit Het maaiveld


Wiskunde is nooit mijn fort geweest. Zolang het om tastbare berekeningen ging waarbij moest worden opgeteld, vermenigvuldigd, gedeeld en afgetrokken, bleef het voor mij bevattelijk, maar zodra er abstracties bij kwamen en de a’s en b’s en x’en en y’s voor ondoorgrondelijke grootheden kwamen te staan die met elkaar verbanden begonnen aan te gaan en daarbij aan wetmatigheden gehoorzaamden op een standvastige manier die iets weerspiegelde van de voorspelbaarheid waarmee sterren en planeten om elkaar heen draaien en krachten zich onwrikbaar tot elkaar verhouden maar waarin ik de logische consistentie niet kon ontwaren, kreeg ik het moeilijk om alles te volgen. Toen er ook nog eens limieten en sinussen en cosinussen aan te pas kwamen, verloor ik definitief de aansluiting en restte mij geen andere oplossing dan alle bewijzen die wij voor de talrijke toetsen en voor het examen dienden te kennen op een puur machinale manier vanbuiten te leren, zonder er ook maar één tittel of jota van te begrijpen. Ik was daarin de gelijke van Paul-Emile Teysseyre, die door Stendhal in diens memoires wordt gememoreerd. Deze medeleerling van Henri Brulard, zoals Stendhal zichzelf noemt, was een ‘vriendelijke kleine schavuit (...) die alle stellingen die bewezen moesten worden domweg uit zijn hoofd leerde zonder zich erom te bekommeren of hij er ook wel iets van snapte’.(*)

Het lukte mij de bewijzen in te prenten door ze over te schrijven, telkens opnieuw, tot ik de hele opeenvolging van pijlen, getallen en breukstrepen gedachteloos uit het hoofd kon reproduceren. Talloos zijn de vellen die ik op die manier heb volgekrast. Als een aap zou kunnen schrijven, wat hij – denk ik – kan, zij het op een al even louter motorische manier, dan zou hij op dezelfde manier kunnen proberen niet te zakken voor het vak algebra.

Maar men moest mij niet vragen waarover dat geheimschrift ging. Vergelijkingen kende ik enkel uit de bellettrie. Een paar dagen na het examen was ik alles grondig vergeten, ik heb nooit wiskundige kennis kunnen cumuleren. Hoogstens slaagde ik erin een ad-hockennisvoorraadje op te bouwen. Na het – met de hakken over de sloot voor de exacte vakken – succesrijk afronden van het laatste jaar van de humaniora heb ik nooit nog met algebra te maken gehad. De talloze uren die ik eraan had besteed koekten samen tot een nare herinnering. Ik kon me hoogstens, samen met Loeki Knol, afvragen: ‘Wat heb ik nou aan algebra, nu ik voor de keuze sta.’(**)


(*) Stendhal, Het leven van Henri Brulard, 220-221 (vertaling C.N. Lijsen)
(**) https://www.youtube.com/watch?v=kEd_ICRX6kg 


facebookbericht 1223

Eigenlijk wou ik enkel zeggen dat ik niet begrijp dat er in het licht - of in de duisternis - van de gebeurtenissen in het Nabije Oosten over termen wordt gediscussieerd ('genocide' ginder, 'administratieve aanhouding' van manifestanten hier). Ik vind de kwestie van de theodicee (Odo Marquard!) interessanter dan het probleem van het geslacht der engelen. Mijn reactie ('onbeschoft') betrof in eerste instantie iemand die zich in een vorige thread uitsprak over mijn intelligentie, volgens hem mijn gebrek daaraan, zonder ook maar één inhoudelijk argument. Ik hernam die kwalificatie toen ik hier (zie hierboven) voor 'antisemiet' werd uitgescholden. Wat ik niet ben, en ik vind het dan ook niet fijn zo te worden benoemd. Overigens ben ik blij met elke uitwisseling van gedachten over de schier niet te slechten muren rond onze 'bubbels' heen. Elkaar overtuigen zal nooit lukken, maar kennisnemen van andere ideeën misschien wel. En een beschaafd gesprek voeren is op zich al een succes.

7944

260430


dinsdag 2 juni 2026

LVO 353

fragment uit Het maaiveld


Den Ieften deelde de derde prik uit, nog altijd in diezelfde eerste week van het laatste jaar. Yves Dehaene had de reputatie een olijkerd te zijn. We hadden hem het jaar voordien al voor fysica gehad. Zijn zwierige demonstraties van gravitationele krachten en dergelijke werden door ons gesmaakt en wij gingen ervan uit dat de sfeer in het fysicalokaal ook in dat laatste jaar ontspannen zou blijven. Niet dus. Tijdens het eerste uur fysica van dat laatste jaar werd ons een vaste plek in het lokaal toegewezen. Ik kwam helemaal rechts te zitten, ver van het raam dat de volledige linkerwand van het lokaal innam. De lichtinval weerkaatste in het bord, zodat ik nauwelijks kon zien wat daarop geschreven werd. Bij het raam waren nog enkele plaatsen vrij, en dus vroeg ik of ik daar mocht plaatsnemen. Het antwoord trof mij midscheeps. ‘Ge moogt voor mijn part buiten gaan zitten.’

Ik geloofde mijn oren niet. Ik mocht net zo goed de klas verlaten, dat maakte voor Dehaene geen verschil uit. Ja, het had er zelfs alle schijn van dat hij daar de voorkeur aan gaf. Maar waarom? Ik had hem geen strobreed in de weg gelegd, en ik was het jaar daarvoor, behalve in gunstige zin, niet opgevallen – of het zou die keer geweest moeten zijn dat hij een toets had aangekondigd voor net na de paasvakantie, waarop ik schertsend had gezegd dat mij dat slecht uitkwam omdat ik op bedevaart naar Rome moest. Neen, Dehaenes uitval was onverklaarbaar. Ik schrok ervan. Maar ik schrok er ook van toen ik na dat lesuur Dehaene, Lycke en Tant buiten op de gang onder elkaar zag gniffelen. Dat bezorgde mij een zeer onaangenaam gevoel.

honderd woorden 592

HASBARISTEN

A. wees me erop dat er in de commentaren op mijn post over de pro-Palestina-manifestanten die in Antwerpen waren opgepakt ‘hasbaristen’ aan het werk waren. Ik moest het woord opzoeken. Niet dat ik het patroon niet had herkend: de nogal assertieve, om niet te zeggen onbeleefde of zelfs onbeschofte toon waarmee sommigen het nodig vonden om mij een gebrek aan intelligentie aan te wrijven. Wist ik wel wat een ‘genocide’ was? Nu, eerlijk gezegd kan het mij niet veel schelen hoe je de misdaden noemt die zich onmiskenbaar in het Nabije Oosten voltrekken. Dergelijke exegetische scherpslijperij lijkt mij zelfs ongepast.



7943

Damme - 260430


maandag 1 juni 2026

facebookbericht 1222

Nog erger dan dat een derde van bevolking het niet weet of beseft (zoals uit De Stemming blijkt), is dat veel verkozen politici zélf niet op de hoogte schijnen te zijn van wat ze verondersteld worden in stand te helpen houden en indien mogelijk zelfs te perfectioneren: een uitgebalanceerde democratie die, inderdaad, gebaseerd is op de mogelijkheid van tegenspraak en die dus ook de rechten van minderheden vrijwaart. Ze zetten alles wat van hun mening afwijkt (correctie: van de mening die hun partij hun voorhoudt) weg als 'ondemocratisch', 'populistisch', 'extremistisch' of 'activistisch' en spelen een legislatuur lang mee in de 'democratie' genoemde poppenkast, die uit niet veel méér bestaat dan het uitvoeren van het regeerakkoord dat in de eerste weken na de verkiezingen door een handvol partijleiders in elkaar is gestoken.

LVO 352

fragment uit Het maaiveld


De reeks incidenten begon bij Jos Lemmens, onze nieuwe klastitularis. Lemmens gaf Latijn en esthetica. Dat hij er in het wekelijkse uurtje kunstgeschiedenis dat ons werd gegund nooit in slaagde om ons een sprankel enthousiasme bij te brengen voor dat immense gebied van schoonheid dat zoveel vreugden en verrassingen in zich draagt, het weze hem vergeven, hij had er misschien het talent niet voor. Neen, Lemmens was een streng heerschap dat niet met zich liet sollen en dat geen enkele kans liet liggen om te laten blijken dat hij geen hoge pet op had van opschietende pubers. Ik heb hem in elk geval nooit op een blijk van empathisch vermogen weten te betrappen. Later zou ik vernemen dat hij in die tijd doof aan het worden was. En inderdaad, herhaaldelijk hield hij zijn handpalm achter zijn oorschelp en boog zich naar de spreker toe terwijl hij sarcastisch vroeg: ‘Wat fluister je?’ Het zal hem wellicht parten hebben gespeeld. Nu, doof of niet, Jos Lemmens zette die eerste week van ons laatste jaar heel stevig de bakens uit door zeer scherp te reageren op een of andere futiliteit – ik weet zelfs niet meer waarover het ging: iemand zat te babbelen in de les, of had zijn agenda niet nauwkeurig genoeg ingevuld. Zoiets. Er werd een hele preek afgestoken, waarin onze klastitularis als een praetor of quaestor of in elk geval iets veel gewichtigers dan de simpele leerkracht die hij was premissen en conclusies met elkaar verknoopte tot een boodschap die als een natte dweil over ons werd uitgespreid: het mocht duidelijk zijn, hier zou niet gelachen worden met elke afwijking van de regel, met de geringste frivoliteit. Intimidatie heet zoiets, een gezag dat zich vestigt als autoriteit. Maar wij zagen het vooral als iets bijzonder ontmoedigends.

In diezelfde week was er een incident met Lycke. Ook hier weet ik niet meer wat de aanleiding was. Ik moet op de een of andere manier een kritische opmerking hebben gemaakt – waarover, ik zou het bij God niet meer weten. Lycke, tot mij: ‘Ge zoudt beter wat meer aan zelfkritiek doen.’ Die woorden maakten een diepe indruk op mij. Als het Lyckes pedagogische opzet was om mij een levensles mee te geven, dan is hij daar zeker in geslaagd. Maar ik begreep het niet, ik begreep de negativiteit niet die hem zoiets deed zeggen. Het leek wel of hij gevolg gaf aan een ingehouden woede, een diepe frustratie. De aanleiding was te onbeduidend voor zo’n scherpe uitspraak. Ik vermoed dat Lycke nog niet vergeten was hoe wij hem het jaar voordien een te grote apathie hadden verweten – iets wat hij in eerste instantie met het excuus van de slopende verbouwing had weggewuifd maar dat toch moet zijn blijven hangen.


7942

Damme - 260430