fragment uit Het maaiveld
Ik herinner me wel dat ik ooit een keer, toen ik tijdens een lange namiddag het laatste examen wiskunde dat ik ooit zou moeten afleggen zat te blokken, als in een flits een uitzicht kreeg op waar het eigenlijk om draaide. Iets van begrip drong tot mij door, iets, een snuifje, un soupçon van wat die enigmatische letter-, cijfer- en symbolencombinaties zouden kunnen betekenen – en dat gevoel ging gepaard met een intense esthetische ervaring die verwant was met wat ik eens had gevoeld bij een nagespeeld schaakvraagstuk waarbij, in de oplossing, de stukken zich even onverwacht als elegant naar de onafwendbare ontknoping spoeden, of bij het besef van de duizelingwekkende oneindigheid waarin wij ons, draaiend om een hypothetische as, van een punt A naar een punt B begeven, niet alleen zin- maar ook richtingloos want beide punten blijven zelf ook niet onbeweeglijk op hun plaats staan, of hangen, in het uitdijende heelal.
Alles bij elkaar genomen kan ik mij afvragen wat ik in die zes jaar middelbare school eigenlijk geleerd heb. Wat ik er heb opgestoken wat mij de rest van mijn leven (tot nu toe) dienstig is gebleken en gebleven. Wat heb ik onthouden van al die lessen wiskunde, fysica, godsdienst, scheikunde... Ja, voor talen zou ik nog een voorbehoud kunnen maken: de taalvaardigheid waarvan ik mij bedien in mijn beroepsleven en ook bij het lezen en schrijven, dat een groot deel van mijn zelf ingevulde vrije tijd vult, zal wel voor een deel zijn aangescherpt door de lessen Nederlands, Frans, Duits, Engels en Latijn – jammer genoeg geen Grieks – die ik heb gekregen. Het Latijn is zeker ook van pas gekomen in mijn tot nu toe erg schaarse contacten met het Spaans en Italiaans. De concrete feitenkennis die ik van vakken als geschiedenis en aardrijkskunde heb overgehouden, is volledig verdwenen en overschreven door latere zelfstudie. Het is moeilijk te achterhalen in welke mate die zes jaar middelbare school, ‘genoten’ in een periode van het leven waarin de hersenen op de top van hun vermogen functioneren, mij echt hebben gevormd, van mij de persoon hebben gemaakt die ik ben geworden en in die zin werkelijk een ‘humaniora’ zijn geweest. Zeker niet meer dan de twaalf jaar ervoor, mijn eerste twaalf levensjaren, en de tijd erna – het komt mij voor dat bijvoorbeeld met betrekking tot kunst en literatuur, en zeker ook architectuur, geschiedenis, politiek en filosofie, de latere jaren, aan de kunstschool en de universiteit, in het leger en meer in het algemeen aan ‘de universiteit van het leven’, mij veel dieper en ingrijpender hebben gevormd. Filosofie, bijvoorbeeld, kwam in die zes jaar OLVA nooit expliciet aan bod. Burgerzin, democratie, solidariteit? Nauwelijks of zelfs helemaal niet. Economie en ecologie: noppes. En tot de literatuur heb ik mij pas ná de humaniora toegang weten te verschaffen – alsof de zes jaar middelbaar en alle taalleraren, met hun leerprogramma’s en benepen toetsen en examens en opdrachten voor scripties en boekbesprekingen, in dat opzicht meer een hinderpaal waren geweest dan een stimulans. De enige die daarop een uitzondering vormde was Perquy van Frans, in het voorlaatste jaar. Maar hij was dan ook de enige.
Zo weinig, zo komt het mij nu voor, leerde ik op dat college, dat ik mij nu in alle ernst durf af te vragen wat ik er eigenlijk wél leerde. Afgezien van die taalvaardigheid en wat algemene bagage, werden mij vooral disciplinering en sociale vaardigheden bijgebracht; ik leerde er hoe om te gaan met hunkering; ik kreeg inzicht in de onbenulligheid van veel volwassenen; ik kreeg een idee van de ravages die onrecht en verraad kunnen aanrichten in het hoofd en hart van de onschuldige jongeman die ik toen nog was.




































