donderdag 27 augustus 2015

woensdag 26 augustus 2015

brief aan Jan Haerynck


Beste Jan,

Ik ga ook niet meer naar Watou. Niet dat ik een oordeel heb over wat er nu te zien en te beleven valt, dat kan ook niet aangezien ik er niet was en ik ook geen recensies erover lees. Maar ik voel de behoefte niet meer om er te zijn. De laatste twee keren dat ik wel nog ging kijken, ik denk één en drie jaar geleden, miste ik – alle 'luwte van de tussentijd' en 'vormen van vertoeven' (heuheu!) ten spijt – de bezieling, het experiment en de algemene achterliggende visie die ik er vroeger wel herhaaldelijk heb aangetroffen – zie de artikels die ik aan 'Watou' wijdde in De Standaard en Poëziekrant. Dit heeft misschien te maken met een verzadiging en toenemende desinteresse bij mijzelf: ik lijd aan een soort van hedendaagsekunstvermoeidheid. Maar mijn afgenomen enthousiasme is toch zeker ook veroorzaakt door de recuperatie door citymarketing en regionale kunstambtenaren van het indertijd door Gwy Mandelinck, inderdaad jouw vader maar dat doet er verder niet toe, uitgewerkte en lange tijd unieke, sprankelende en inspirerende concept. (Al denk ik dat ook hij op het laatst te veel water in zijn wijn moest doen om alle parasieten en satellieten en subsidieverstrekkers te paaien. Zo had ik de indruk dat er bij de gastintendanten wel eens een kwalijke vermenging optrad tussen hun expertise en hun zakelijke belangen.)

Deze vervlakking en ontzieling hebben zich niet alleen in Watou doorgezet. Kunstwerken worden tegenwoordig op veel te veel plaatsen ingezet in een soort van tijdelijke pretparken waar vooral de plaatselijke neringdoeners garen bij spinnen. Vaak heb ik de indruk dat het er niet meer zo toe doet wélke kunstwerken het zijn en hoe vaak ze al werden opgevoerd – als ze maar spectaculair genoeg ogen en een bepaalde ‘heftige beleving’ garanderen. De poëzie die erbij komt kijken, als dat al gebeurt, lijkt te vaak at random gekozen, niet-noodzakelijk.

Ergens onderweg is het concept 'Watou' zijn levenskracht verloren. Ik weet niet of dat langer of korter dan zeven jaar geleden was. Maar het zal allicht zoiets zijn.

Doe trouwens maar eens de groeten aan de échte geestelijke vader en moeder van de Poëziezomer van Watou! Zij werden niet voldoende beloond voor hun onverdroten en bijwijlen zelfs roekeloze inzet.

Hartelijke groet,



los ingeslagen 268

Als ik zo’n lange vrije dag niets anders te doen heb dan lezen en schrijven, en als ik niet genoeg fut heb om op mijn koersfiets te springen en een ritje te doen of om, gewapend met mijn fototoestel, een wandeling te maken in de stad, maar ik wil toch eens buiten omdat het mooi weer is of gewoon om eens buiten te zijn, om mijn dag te breken… – dan gebeurt het wel eens dat ik naar een van de tweedehandsboekwinkels ga die mijn stad nog altijd rijk is. (Maar hoelang nog?)

Dit keer stapte ik naar De Eenhoorn in de Ezelstraat. De vorige keer, zo’n maand of twee geleden, had ik gezien dat er een paar kartonnen dozen met nieuw materiaal waren aangekomen en ik had toen geen tijd gehad om tot inspectie over te gaan.

Het is op deze zonnige zomerdag niet bepaald de zoete inval, daar in De Eenhoorn. De mensen hebben wel wat anders te doen dan zich in te graven in een aftandse winkel, volgestouwd met muffe recuperatieboeken, tonnen ingebonden papier vol met uit letters bestaande woorden en zinnen die, in veel gevallen, nooit nog zullen gelezen worden. Het is niet meer van deze tijd, boeken zijn out.

Ik ben een boekenverzamelaar. Ik hou van boeken om me heen, boeken vormen mijn dierbaarste bezit. En zolang ze me niet verstikken, dat wil zeggen, op een onduldbare wijze op mijn eindigheid wijzen, geniet ik van hun warme en vriendelijke gezelschap. Zij aan zij wachtend in het gelid bieden ze, gelezen of ongelezen, evenzovele ontsnappingsroutes uit dit barre bestaan. (Ik weet dat dit pathetisch klinkt.) Ik kan altijd een boek lezen, denk ik wanneer het me soms wat minder gaat, en voorwaar, placebo of niet, dat is een afdoend panacee! Al moet ik toch ook wel zeggen dat hun aanwezigheid me soms kan bedrukken, dat ze met hun gewicht en hun tienduizenden nog ongelezen bladzijden op me kunnen wegen. Ja, ‘t is soms een subtiele afweging.

Ik heb een koopverslaving. Een boekenkoopverslaving. Dat is vooral in praktisch opzicht een onprettige afwijking. Meer nog dan dat het me geld kost – dat valt al bij al nog wel binnen de perken, er zijn zeker duurdere hobby’s – is het vooral ruimtelijk een probleem aan het worden. Ik bewoon een vrij klein appartement en stilaan, zo stel ik toch al enige jaren vast, is er niet genoeg ruimte om alles een plaats te geven zonder mezelf en eventuele bezoekers de indruk te geven dat ze een bibliotheek betreden. En dat wil ik natuurlijk koste wat het kost vermijden, dat ik voor een intellectualistische ijdeltuit zou doorgaan! Ik zou nog wel een tijdje kunnen doorgaan met nieuwe rekken te maken of stapels op te zetten, maar het moet leefbaar blijven. En boeken onuitgepakt in dozen op zolder bewaren, neen, daar begin ik niet aan. Ik wil ze te allen tijde binnen handbereik en zou ten andere ook zelf niet graag levend worden begraven.

De Eenhoorn dus. Het was een echte ravage.

De Eenhoorn, in zijn huidige vorm, is al een jaar of tien het resultaat van de samensmelting van twee tweedehandsboekhandels. Die van Arthur, die vroeger in de Langestraat gevestigd was en toen ook al De Eenhoorn heette (ik was er vaste klant en heb er een groot deel van mijn collectie aangekocht) en die van zijn zus, ik ken haar voornaam niet. Arthur ziet eruit als een soixant-huitard, hij lijkt mij een intellectueel in de coulissen, heeft wellicht indertijd nog wel wat lezinkjes en dergelijke georganiseerd, is verzamelaar van geheimtips en is een pur sang boekenwurm. In de winkel staat zijn leeszetel. Hij draagt zijn lang wit dunnend haar samengebonden in een paardenstaart. Sympathieke man, al klaagt hij misschien iets te gemakkelijk over de teloorgang van de leescultuur – en dat is meteen een van de redenen waarom ik zijn gezelschap niet al te vaak opzoek want dat treurig makende verhaal ken ik maar al te goed. De winkel van zijn zus, vanouds gevestigd aan de Ezelstraat, in een nu nog altijd leegstaand kleiner pand tegenover de huidige Eenhoorn, was volgestouwd met literatuur van de tweede en derde garnituur. Romantiek, de boeketreeksen, thrillers. Ik vond er mijn gading niet. Na de samensmelting blééf de zus van Arthur gespecialiseerd in de bellettrie, maar zij nam er nu ook het betere naar het Nederlands vertaalde boek bij uit Arthurs vroegere winkel. Arthur van zijn kant spitste zich in zijn voortaan gedeelde zaak toe op het rentabiliseren van zijn mooie verzamelingen onvertaalde niet-Nederlandstalige literatuur, geschiedenis en kunstgeschiedenis, aardrijkskunde, psychologie, sociologie en dergelijke, en niet te vergeten de – naar verluidt zeer interessante – afdelingen sinologie en japanologie waarvoor af en toe nog eens een zonderling uit Brussel of Antwerpen of Nederland naar mijn kleine provinciestad komt afgezakt.

De zus kreeg, in het nieuwe pand, een achterkamer toegewezen. Die zij opnieuw volstouwde, want het stouwen vergaat haar goed. Ik vond er, als ik mij dun maakte want de gangetjes tussen de rekken werden met de jaren alsmaar smaller (of was ik het die verbreedde?), mijn weg en kwam er om de paar maanden eens binnen om uit deze zee een druppel naar mijn land te dragen.

(Ik herinner mij dat er een van de vorige keren een emmer op de vloer stond en dat daaruit, toen de vlaag waarvoor ik de winkel was binnengevlucht uitbarstte, het zeer herkenbare geluid van in water vallende druppels opklonk.)

Chaos dus. Vóór de overvolle planken, waar de literatuur min of meer correct alfabetisch gerangschikt staat (opgedeeld in Nederlandstalig proza en vertaald proza en, terecht apart gehouden, detectives en thrillers en damesboeken), stonden er nu, tot heuphoogte, stapels bananendozen vol met ongesorteerde nalatenschappen van zowel liefhebbers van het betere vrouwenboek (op het esoterische af) als de kwaliteitsvolle roman. De eigenaar van een van de hier gestrande bibliotheken had duidelijk een voorkeur gehad voor Oost-Europese literatuur want zijn Chiquita-doos was tot over de rand gevuld met Konrád, Nádas, Hrabal et tutti quanti.

Het roemloze einde van bibliotheken. Een leven vol ijdele passie voor de letteren. Veel van deze boeken zagen er ongelezen uit, overigens.

Ik begon in de eerste doos te graven, dit wil zeggen de bovenste doos van de rechtse stapel. Op zoek naar boeken die mij konden interesseren. Toen ik daarmee klaar was, plaatste ik die doos in het gangetje op het kleine stukje vloer dat nog vrij was, en begon aan de tweede doos. En zo ging ik maar door: derde doos, vierde doos, tweede stapel, derde stapel, enzovoort. Voor ik er erg in had, was het alsof ik mijzelf achter al die dozen had verschanst tegen een oprukkende barbarij. Een intensieve klus was het, want in veel van die dozen waren boeken uit duidelijk heel verschillende bibliotheken met elkaar vermengd geraakt. De zus van Arthur – Arthur was er vandaag niet, hij was wellicht op strooptocht in andere tweedehandsboekenzaken – kwam wel een keer of twee kijken maar liet mij graven. Zij wist dat ik haar geduld zou belonen. En dat ik een hart voor boeken heb en haar aangenomen weeskinderen dus niet ruw zou behandelen.

De kwaliteit van de aangetroffen schatten was zeer ongelijk. Dit waren de restanten van bibliotheken met elk een heel eigen insteek: de al genoemde Oost-Europakenner; een literaire bibliotheek waarvan het Anglosaksische zwaartepunt zich duidelijk in de jaren zeventig en tachtig had geconsolideerd (Updike, Roth etcetera); een zeer vrouwelijke bibliotheek met veel rozegeur en maneschijn en bloemen op de voorplatten; een bibliotheek met veel recente boeken, vaak ongelezen – die zal wel van een recensent geweest zijn.

Ik vond het een en ander. De boeken die ik zelf nog maar onlangs nieuw en dus voor de volle prijs had gekocht, liet ik uiteraard liggen, zij het niet zonder een wrang gevoel in mijn portemonnee. Dat deed ik ook met het drietal exemplaren van Ulysses in de door mij zeer bewonderde vertaling van Paul Claes en Mon Nys want die heb ik thuis in beide talen en jawel, gelezen! Ik trof zelfs een exemplaar van Ulixes aan, dat is hetzelfde meesterwerk van Joyce, maar dan in de vertaling van Bindervoet en Henkes. Die liet ik liggen want Paul Claes had hem met de grond gelijk gemaakt. Dan waren er ook enkele boeken die nog niet zo lang geleden in de boekhandel mijn aandacht hadden getrokken. Die bevrijdde ik met plezier uit hun gammele doos. Enfin, alles bij elkaar draaide dit ongeplande bezoekje om mijn namiddag in twee gelijke stukken te breken uit op een beslist vruchtbare strooptocht. Ik meldde me met een stapel van ruim een halve meter: dertien boeken, samen goed voor zeven kilo (zoals ik terug thuis op de weegschaal heb gemeten, door er eerst mét en dan zonder mijn aanwinsten op te gaan staan) en 4652 bladzijden hoogwaardige lectuur.

Arthurs zus telde de eigenhandig door haar met potlood in de linkerhoek van de laatste bladzijde ingeschreven prijzen op en kwam op: 59 euro. ‘We maken daar vijftig van,’ zei ze gul en ik protesteerde niet. Ik kreeg zelfs nog een winkelzak om er mijn aankopen in te transporteren.
En waarmee ben ik nu thuisgekomen?, ik hoor u het zich al afvragen. Wel, ik geef u voor één keer een inkijk in mijn boekenkoopverslaving:

Richard Yates, Veertien soorten eenzaamheid (2004, als nieuw)
David Grossman, Nono het zigzagkind (20126, gelezen maar in goede staat)
John Updike, Rabbit Redux (1987, gelezen maar in goede staat)
John Updike, S. (1989, ongelezen)
José Saramago, Memoriaal van het klooster (1990, gelezen maar in goede staat)
Philip Roth, De menselijke smet (2002³, ongelezen pocket)
Richard Powers, Orfeo (2014, als nieuw)
Alice Munro, Vriendin van mijn jeugd (1991, ongelezen)
Eugen Ruge, In tijden van afnemend licht (2012, als nieuw)
Antonio Lobo Antunes, Mijn winterkat mijn lief (2012, als nieuw)
Anne Philipe, Niet meer dan een ademtocht (z.d., ongelezen)

Mooie buit, nietwaar?

Het beklemt: al die bibliotheken met vaak ongelezen boeken die in het tweedehandscircuit terechtkomen. Lezers vormen een uitstervend ras, en boek-kopende lezers al helemaal. Zelden zie ik in tweedehandsboekenwinkels mensen die jonger zijn dan mijzelf. En De Eenhoorn zelf, die krijgt allicht geen opvolger. (Arthur had het onlangs eens over zijn naderend pensioen en zijn zus is daar volgens mij ook stilaan aan toe.)

Droevig stemmend is ook de vaststelling dat in het tweedehandscircuit boeken schier waardeloos worden. De prijzen zijn in vrije val, in sommige winkels kun je voor 1 of 2 euro de beste boeken in de wacht slepen. De Eenhoorn is dan nog relatief duur, maar ik betaal er met plezier.

Behalve de genoemde elf waren er nog twee boeken die ik kocht met de bedoeling ze cadeau te doen, maar die ik toch ook graag eens zou lezen:

Jonas Jonasson, De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween (20119, gelezen maar in goede staat)
Joël Dicker, De waarheid over de zaak Harry Quebert (20146, gelezen maar in goede staat)

‘...die ik toch ook graag eens zou lezen.’ Ja, dat is natuurlijk de hamvraag: wanneer ga ik dat allemaal lezen? Rekening houdend met het feit dat er nog zoveel ongelezen boeken op mijn planken staan, en dat dit maar één van mijn regelmatige strooptochten is? Het voortschrijden van de tijd beklemt me want hij haalt me, hoeveel ik ook lees, in. Ik weet ongeveer hoeveel bladzijden en boeken ik per jaar kan verzetten – ik extrapoleer maar beter niet want daar word ik neerslachtig van. Hoe dan ook: al die boeken naar huis blijven slepen – als een bever de takken voor zijn burcht, of een ekster met alles wat blinkt, of een paradijsvogel die met kleurrijke objecten zijn libido kanaliseert –, dat is onversneden irrationele waanzin, een regelrechte verspilling van geld en middelen. Maar o zo zoet, o zo troostrijk.

4066

150702

dinsdag 25 augustus 2015

los ingeslagen 267


5 december 2001

I’m just a soul who’s intentions are good… / Oh Lord, please don’t let me be misunderstood.

*

De geschiedenisloze dagen rijgen zich aaneen. Ik werk, zonder al te veel voldoening en voor weinig poen. Wanneer ’s avonds een makelaar ons een verzekering komt aansmeren, en het heeft over werken tot 60 en 65 jaar, denk ik: ach, kom… Je zou bijna denken: afsluiten die levensverzekering, en vroeg de pijp aan Maarten geven, zodat tenminste nog iemand er plezier aan beleeft…

*

Kwart over negen. Telefoon: F. Hij heeft een mogelijke opdracht voor me klaarliggen: een boek schrijven over restaurant Het Konijntje in Waregem! Om de een of andere reden doet dit me denken aan voormalig tv-journalist Reddy D.M., die, zo vernamen wij deze ochtend in het radionieuws (zonder dat er al te veel rekening werd gehouden met het recht op privacy van zowel dader als slachtoffer, maar dat went), in Oostende zijn vrouw heeft belaagd en vervolgens een poging zou hebben ondernomen om hun beider huis in brand te steken. De man heeft een nacht gebromd, en is daarna ontslagen van verdere detentie omdat hij zich bereid toonde om zich over te leveren aan de goede zorgen van een psychiatrische instelling. Het verhaal, kortom, van iemand – toevallig ook een journalist – die, na hoog te zijn geklommen, wellicht te hoog voor wie en wat hij ‘maar’ is, een diepe val heeft gemaakt en daar duidelijk nog altijd niet van is bekomen.

*

Twee vragen.
1. Zou zo’n verzekeringsmakelaar, als hij hier op heel korte tijd tot vrij diep in een huwelijksleven doordringt, met zijn intimiteit, dubbele bodems, understatements, gevoeligheden… – zou zo’n verzekeringsmakelaar zich de bedenking maken: hier is iets niet pluis, dit schip is aan het kapseizen, als het al niet aan het zinken is?
En 2. Wat zou P. denken als ze deze notities te lezen kreeg?

*

‘En deze man en deze vrouw, die een gerespecteerd paar vormen, twee mooie kinderen hebben, soms nog in hetzelfde bed hijgen, elkaar als het erop aankomt toegenegen zijn, en waarvan de een de ander zal zien sterven, gebruiken zo, in een beleefd stilzwijgen, of met korte dialogen die nauwelijks zo te noemen zijn, bijna twaalfduizend maal samen het ontbijt.’ (Marguerite Yourcenar, Archieven uit het Noorden, 154)

*

‘…een loos tumult, een drukte die nergens toe leidt, een nutteloze chaos waarvan men zich afvraagt waarom men die heeft moeten doormaken.’ (Marguerite Yourcenar, Archieven uit het Noorden, 165)

*

Dat boek over restaurant Het Konijntje in Waregem zal niet door mij worden geschreven.

4065

Meuris op de Burg in Brugge - 150710

maandag 24 augustus 2015

idiosyncratische synesthesieën 58-60



58

Als je de radio uitdoet en hij blijft nog een seconde of wat spelen, of je trekt de stekker uit het stopcontact en de stofzuiger raast nog eventjes door, om dan op een sisser uit te lopen – dan krijg je het gevoel dat elektriciteit iets is wat stroomt als een rivier, maar je kunt er je toch geen voorstelling van vormen want in een lamp brandt ze en in de oven is ze gloeiendheet.


59

Het meisje dat wat misnoegd kijkend op het trottoir liep, duidelijk op zoek naar iets, geleek op een van de twee hoofdrolspeelsters in La Vie d’Adèle.


60

Tegen de andere kant van het hek waaraan aan deze zijde een bord hangt waarop staat dat je geen fietsen tegen het hek mag plaatsen, staat een fiets.

4064

Meuris op de Burg in Brugge - 150710

zondag 23 augustus 2015

4063

Meuris op de Burg in Brugge - 150710

zaterdag 22 augustus 2015

parallel 21


Il ne reste plus qu’à dessiner, dévorer les volumes de Valéry Larbaud trouvés à bord, et dormir.

Laurent Greilsamer, Le Prince foudroyé. La Vie de Nicolas de Staël, 309

ǁ

(…) het ritueel-van-samen-eten in een zee van tule, kussens, bloemen, Mozart, Mahler, Oscar Wilde, Valéry Larbaud (…)

Jef Geeraerts, Tien brieven rondom liefde en dood, 151

(Van Christine D’haen leerde ik onder meer dat de voornaam van de Franse schrijver niet met een accent aigu hoort te worden geschreven.)