donderdag 28 februari 2013

facebookbericht 370

In 'Kijk eens op de doos', 'Vlimovost' etcetera leefde de komiek (pdw) zich uit en hij deed dat schitterend - met 'Comedy Cup' reikte hij andere 'komieken' een podium aan; ik volgde dat programma niet maar het schijnt te hebben gezorgd voor een opleving van de stand-up comedy in Vl. Ook dat is een verdienste. Met de 'kwaliteit' van de daar geboden humor had (pdw) voor zover ik weet niet rechtstreeks iets te maken.

3155

Sint-Michiels, Torhoutse Steenweg - 121001

3154

A., N., L. en J. - 121012

dinsdag 26 februari 2013

Solo 10


Lezen op de trap

Lezen stond thuis niet hoog aangeschreven. Ook moeder vond dat tijdverlies. Maar ze las zo graag. Ik heb haar overdag dikwijls op de trap zien zitten lezen. Daar kon niemand het zien – overdag lezen was uit den boze, dan moest er gewerkt worden. Mocht vader het hebben gezien… Hij was een echte slavendrijver. Zelfs als ik kousen zat te stoppen, vroeg hij wat ik daar nu weer zat te doen. Moeder las de boeken die ik uit de bibliotheek voor mezelf meebracht. Jeugdboeken. Het was de bibliotheek van de nonnenschool, het waren dus zeker geen gevaarlijke boeken.

op 3 maart 2008 opgetekend uit de mond van mijn moeder (1928-2013)

13 in z/w 52

Brussel, Koloniënstraat

debuut 48

Zacht geraas


Dichten is voor Steven Dusoleil (1963) een interactie tussen auteur en lezer. In het poëticale gedicht waarmee hij van wal steekt, zegt hij ‘[o]p zoek’ te zijn ‘naar u’ om zijn gedachten te ‘delen’. Want ongelezen bestaan zijn woorden niet: de ‘betekenis’ ontstaat pas in het lezen en dat ‘delen’ gebeurt ‘[n]u, op dit moment’. En Dusoleil besluit:
 
Ik zie u niet,
maar tast in uw hoofd.
U in het mijne.

Kijk, dat noem ik nog eens een goede entree: onomwonden, helder, met de deur in huis. Wie voelt zich hierdoor niet aangesproken? Eens kijken wat Dusoleil in mijn hoofd aantreft. En ik in het zijne.
Dat rechttoe rechtaan van het openingsgedicht vind ik terug in de structuur van de bundel: een stoet van eenenveertig, op drie na titelloze, gedichten. Geen opdeling, geen poespas, begin er maar aan.
Dusoleil vat zelfzeker aan. Hij ‘weet het zeker’: ‘Ik weet / wanneer het nieuwe jaar / begint.’ En in het volgende gedicht weet hij ‘dat het hier is waar ik woon’. Maar dat tweede weten speelt zich al af in een rusteloze nacht. En in gedicht vier sluipt er al onzekerheid binnen:

We zijn soms zo samen
dat ik zalig wacht op een woord van haar.
Niet zeker of ik dan zal spreken
en zij zwijgend instemmen
met zacht geraas 

Er zijn geluiden: ‘huiselijk lawaai’ en, jammer van het cliché, geluid dat ‘krast als een kraai’. Al beter klinkt de echo van een kinderliedje in: ‘De kinderen pruttelen / […] / met voetjes van papier.’ En dan zwaait, in een huis dat groot genoeg is om ook ‘een verre verdieping’ te hebben, een deur open: ‘Kinderstemmen van plezier.’
Deze openingsgedichten spreken ook van liefde voor een vrouw die naar de ik toe ‘slentert’ en ‘kabbelt’, en van huiselijk geluk: ‘Verder gaan dan hier / is zinloos. / Als de zon niet harder schijnt / dan in dit huis / waar alles voor het rapen ligt.’ Maar, inderdaad: ‘We zijn soms zo samen’. Niet altijd, dus. Afwezigheid en een begin van onbehagen doorkruisen ook het stilste, huiselijkste, evidentste geluk. Je vraagt je af hoe het onheil – want dat kan toch niet uitblijven? – zich verderop in de bundel zal manifesteren: spanning. Dusoleil – wat een zonnige naam – heeft het over ‘je ogen, / groen als de meedogenloze morgen, die twijfelen aan de toekomst, aan het vervolg van het verhaal’.
Maar nog niet, nog niet. De volgende gedichten in de stoet gaan over liefde en gaan over in ronduit erotische gedichten waarin x’en hun suggestieve werk doen. ‘[K]leine borsten / […] claxonneren’ en: ‘Geen tekst op dit uur, / enkel textuur’ – waarna er ‘koortsig gekakel’ is te horen ‘in onze kleine cocon’. Mooi!
Kus me.
Koos me.
Tot het lief is geleden.

‘Roza’ heet de vrucht van dit geminnekoos.
Dan is het tijd voor studiewerk. ‘De Pulitzerprijs heb ik nooit gewonnen, / maar ik voel me rijk / en rijp.’ De vrucht van de huiselijke Hof van Eden dient opgegeten. Het klokhuis is de ziel, die gooi je weg. Dan volgt het schrijven:

Ik verorber schil en vruchtvlees,
knabbel aan de kern van mijn bestaan.
Het begin van een onrust doet zich ook hier voor, er is ‘een zoemen in mijn hoofd’. En dan volgt de uitspatting: ‘drie dagen zuipen’, ‘dwaas vertier’, een ‘deur van plezier’ (een formulering waarin de onschuld van de kinderstemmen nog eens pijnlijk echoot). De ik belandt met beschadigde hersencellen ‘gewond’ in bed: de kater. Even is er sprake van ‘de tijd / die uiteindelijk wint’ – dat zal de dood wel zijn, denk je en je verwacht: nu gaat het kantelen. Maar neen. Het onbezorgde leven wordt hervat en voortgezet: ‘Leven is mooi, / het fluiten in de bomen, mus zijn voor elkaar.’ Er is dra nog een kind op komst: ‘Het kleinood dat buik is / en haar misvormt.’ De vader, met zijn kater, heeft wel weet van ‘de dood en het eeuwige leven’, of toch zeker van de vragen die daarover bestaan, maar hij houdt ‘de boeman / achter de blinden’ verborgen voor zijn kinderen. Neen:

Daar praat niemand over.
We zijn te aards,
te zelfbewust.

In de nabijheid van jonge kinderen dient de ‘struisvogelpolitiek’ gehuldigd. Neen, de dood, of zelfs maar de gedachte eraan, mag het huiselijke geluk niet verstoren. De vader mag al eens ‘[s]truikelen en twijfelen’, hij moet vooral ‘vader zijn’ en niet gewagen van ‘ooit de laatste dat / die we niet vieren / omdat hij stil op ons wacht’.
Dat beetje ongerustheid, helemaal op het eind van deze bundel, brengt het zonnige mussengeluk van Steven Dusoleil niet in het gedrang. Dat is mooi, maar er is te weinig tegenwicht om al dat goede nieuws genoeg poëtisch profiel te geven. Zou het dan toch waar zijn dat het geluk zich moeilijk laat vertellen?
Steven Dusoleil
Mussen
Uitgeverij P, Leuven, 2011
56 p./ € 13
Deze recensie verscheen eerder in Poëziekrant.

3153

Tussen Dudzele en Westkapelle - 120928

maandag 25 februari 2013

13 in z/w 51

Brugge, Boeveriepoort

los ingeslagen 78


21 januari 2013
 
Dag P.,

Dank je voor de ‘gelegenheidspublicatie’ die je me stuurde als ‘eindejaarspresentje’. Dank je ook voor het kaartje en de tekst op dat kaartje (op de achterkant van het kaartje, om precies te zijn).

Ik doorbladerde het jaarboek van de Vlaamse bouwmeester en vond natuurlijk meteen jouw essay. P.V., las ik, publiceert al drie decennia over architectuur en ik voelde me opeens weer zo oud als ik ben, en niet zoals ik het aanvoel – dat overkomt me de jongste jaren wel vaker. Het leven is voorbijgeraasd en er is nog zoveel te doen.

Ik zag je motto: een citaat van een mij zeer dierbaar schrijver, dat de plaatsen hun geschiedenis hebben – in die zin dat ze het geheugen aanwakkeren van diegenen die naar ze kijken. Ik zag de naam Nabokov. Transparante dingen – en ik was weer in mijn ‘kot’ aan de Vesaliusstraat in Leuven, en ook in jouw mooie erkerkamer met de muren die beschilderd waren in een gewaagd mauve, waarop een fries van witte druivenranken. Méér dan drie decennia geleden, inmiddels, maar het staat me nog levendig voor de geest. Daar is veel gevormd, daarin wortelt nog van alles. In dat biotoop, dat wij in grote mate deelden.

Ik doorliep het essay. Diagonaal: de tijd is kort. De Open Oproep; wat is kwaliteit; enkele geselecteerde werken waarin – als ik het goed begrepen heb – de geschiedenis doorschemert in wat zich als nieuw aandient. Met een literaire referentie – Nabokov – verleen je het essay wat meer diepgang. In het potlood schreeuwt de zaag waarmee de boom is omgelegd waaruit het hout voor dat nietige schrijfding is gewonnen. Het laat je toe een ‘recalcitrante definitie van transparantie’ op het domein toe te passen waarover je als een inmiddels al geruime tijd gevestigd criticus waakt: het domein van de ‘(d)oorzichtige dingen, waar het verleden doorheen schijnt’ – een treffende definitie is dat van de hedendaagse, vaak en veel glas aanwendende en zich altijd, ook als het om nieuwbouw gaat, tot het verleden verhoudende architectuur.

P., je schrijft goed. Ik feliciteer je met je status van ‘architect die schrijft en (…) criticus die bouwt’. Ik vind dat een benijdenswaardige combinatie. Hoofd en handen, stichter én gestaltegever van betekenis, theorie en praktijk, lezen en leven. Het lijkt mij een hoogst zinvolle bestaansvervulling. Proficiat.

De relatie tussen literatuur en architectuur komt mij bekend voor. Ik wend haar ook soms aan, maar dan, zo je wil, in omgekeerde richting. De architectuur levert mij nuttige beelden en metaforen om de literatuur te duiden. De romans die ik lees, laten zich beter bevatten wanneer je er een huis in ziet, een kasteel, een labyrint, een rijwoning. Nabokov, die Kafka’s Metamorfose analyseert met behulp van een op basis van de tekst en niets dan de tekst gereconstrueerd grondplan van de woning van Gregor Samsa. Kafka, die een hele roman wijdt aan de ontoegankelijkheid van een hoog boven de stad uittorenend slot. Perec, die alle verhalen vertelt van alle bewoners van een Parijse appartementsblok. Sebald, die zijn verhaal van een zoektocht naar een in de oorlog verloren gelopen bannelingetje construeert als een ui waarvan de schillen bestaan uit denkbeeldige tussen-haakjes of, zo je wil, als een Russische ‘baboesjka’-poppenstel waarin in plaats van het volle kernpoppetje, waarbij je komt na alle identieke maar telkens iets grotere poppen daarrond te hebben opengeschroefd, een leegte gaapt.

Met architectuur kun je ook dromen beter begrijpen. Ook hier: labyrinten, spiegelzalen, onduidelijk in elkaar verglijdende en vaak ook alle logica of stabiliteit tartende constructies en ruimten, wormgatachtige doorgangen die aan Lewis Carroll doen denken omdat ze jou in een onmogelijke ruimte doen belanden en vaak ook in een andere tijd, plekken die meer door de sfeer die er hangt dan door hun droomvoorkomen of de attributen die er aanwezig zijn verwijzen naar een ver verleden (‘het ouderlijk huis’ is hiervan de vaakst voorkomende ‘topos’), een stad met ondoorgrondelijk grondplan waarin je niet anders kunt dan voortdurend verdwalen, een helder stationsplein.

Daar was het dat ik je een paar nachten geleden aantrof. De postbode had een oproep in mijn brievenbus achtergelaten waarop ik werd gesommeerd jouw pakje in het postkantoor op te halen. (Dat overigens geen postkantoor meer is maar een onderdeel van de klantenbalie van de ‘GB’, inmiddels Carrefour, van Christus-Koning.) Maar ik had het pakje nog niet opgehaald en in mijn droom zagen wij elkaar na lange tijd terug op het stationsplein van Gent-Sint-Pieters (dat in de droom niet geleek op het stationsplein van Gent-Sint-Pieters, althans niet op de met fietsen bezaaide en door tramlijnen doorsneden parkachtige constructie die er tot een tijd geleden was en die mij vertrouwder is dan de huidige, heringerichte ruimte). Wij omhelsden elkaar stevig en langdurig en ik had de indruk dat wij alle twee blij waren elkaar terug te zien. De dag na dat ontwaken uit deze droom ben ik dan het pakje gaan ophalen: het bevatte, zoals jij ongetwijfeld weet maar ik schrijf het toch maar neer bij wijze van bronvermelding en ‘tegen het vergeten’: het Bouwmeester rapport 2010-2011, met daarin het essay ‘Transparante dingen’.

Ook in de herinneringen aan ons verleden speelt architectuur een grote rol. Niet enkel als attribuut maar natuurlijk ook als levendig makend, zin verlenend, structurerend en stabiliteit verlenend element – het zou geen architectuur zijn, natuurlijk. Ik vermeldde al onze respectieve woningen in het Leuven van ‘drie decennia’ geleden. Drieënhalf decennia, om precies, of althans preciezer, te zijn. Ik zou er nog enkele aan kunnen toevoegen. De gammele hotels waar we overnachtten op weg naar en in Parijs. De peda aan de Waverse Baan en daarin onze kamers. Een Bourgondisch landhuis in witsteen opgetrokken, de spiraaltrap daarin, de monumentale schouw – en in een kring de genodigden, die zich vergaapten aan een bruid die danste als een knettergekke derwisj, ik meen mij te herinneren dat het op ‘Take Me To The River’ was maar ik kan mij vergissen. En natuurlijk: Huize Zoerland – heeft dat niet ook iets met Nabokov te maken? Help mij, ik ben het kwijt, maar niet dat ik het ooit gebruikte – waar?, waar? – als een symbool van geborgenheid, en jij nam dat over voor de maquette van een woning-met-bibliotheek-als-kern die je mij als huwelijkscadeau offreerde.

Zowel huwelijk als maquette zijn inmiddels vernield, verstorven, verdwenen.

De architectuur van onze levens. Een statig en afstandelijk herenhuis, een knusse woning, een joert. Besloten of transparant. Kil of warm. Open, gesloten. Labyrintisch of ondubbelzinnig leidend naar een vooropgesteld plan. Met of zonder duidelijk grondplan. Leefruimtes, besloten kamers. Geheime kamers. Nooit geopende kamers.

P., ik dank je voor het boek en voor het kaartje en voor de boodschap op – om precies te zijn – de achterkant van dat kaartje (op de voorkant prijkt een hoekhuis dat door jou moet getekend zijn als ik zo de gewaagd-onregelmatig in de gevel uitgezette raampartijen zie; het staat op het plek waar ik nooit kom en wellicht ook nooit zal komen). Ik herken je handschrift. Het is wat uitgedijd en wat zwieriger, ik heb de indruk dat vooral de neerwaarts wijzende letters (p en g) iets anders, iets breder, gevormd zijn, alsof je iets sneller bij de rechtermarge wilt geraken en in het opwaarts trekken van je pen al enkele millimeter in die richting voortsnelt. Maar ik herken het toch. Het laatste woord (‘lezen’) las ik eerst verkeerd (‘leven’). Het was een significante verlezing. Eentje die – ik citeer nu uit jouw essay – ‘die de verbeelding zuurstof geeft’.
Het ga je goed,

Pascal

reactie

Ik ben 53 en ik behoor aan de analoge generatie. De information overload is niet handelbaar te maken met mulititasking, smartphones en 24 uuren netwerkverbinding. Ik houd wel van biblioteeken, boeken in mijn handen te houden. Ik kies uit wat voor boeken ik lees en wat voor teksten ik schrijf. Weten op te bouwen gaat niet over nog meer informatie. Vergelijkingen, essentie, vragen formuleeren, ordening en structuur in vragen en antwoorden bringen, ik kijk actief in het hart van de dingen. De digitaliseering werkt daar tegen.

D.W. (Duitsland)

13 in z/w 50

Brussel, Treurenberg

3152

Middelburg (B) - 120921

zondag 24 februari 2013

wolken 574-593


wolkenfragmenten uit Thomas Mann, De Toverberg

574
De gelijkmatig bewolkte hemel was een tijd lang lichtelijk verlevendigd geweest door avondrood (…). (15)

575
De morgen was koel en bewolkt. Opzij hingen langgerekte mistbanken onbeweeglijk voor de hellingen, terwijl verderop witte en grijze wolkenmassa’s op het gebergte lagen. (52)

576
Joachim stond op het punt zijn neef te informeren over de namen van de omwolkte Alpentoppen, die het dal aan de zuidzijde leken af te sluiten – hij wees ze al aan met de punt van zijn bergstok. (70)

577
(…) al gedurende het laatste kwartier was het wolkendek dunner en dunner geworden, en de zon brak door, zo zomers warm en verblindend dat Joachim zijn hoofd beschutte met een wit linnen scherm, dat doormiddel van een klein, vernuftig toestel aan de armleuning van de stoel bevestigd en naar de stand van de zon versteld kon worden. (86)

578
Het was na de hoofdmaaltijd, en iedereen lag sinds twintig minuten in de ligkuur, toen de zon opeens in allerijl schuil ging, lelijke, turfbruine wolken over de zuidoostelijke bergkam kwamen aanzetten en wind van ongekende luchtgesteldheid, zo kil dat hij door merg en been ging, alsof hij afkomstig was uit vreemde, ijzige oorden, plotseling door het dal vaagde, de temperatuur omver wierp en een geheel nieuw regime vestigde. (122-123)

579
Hans Castorp was in de tweede helft van zo’n periode toegetreden; hij was op een dinsdag aangekomen, en dus was het de vijfde dag, een dag die voorjaarsachtig aandeed na die avontuurlijke weersverandering, die terugval in de winter – mild en fris, met propere wolken aan een hemelsblauwe lucht en matige zonneschijn over dal en hellingen, die zich opnieuw in passend, zomers groen gestoken hadden – want de verse sneeuwlaag was dus toch gedoemd geweest snel weer af te druipen. (143-144)

580
Het was een koele, bewolkte dag – tegen half negen. (153)

581
Toen dreven er wolken aan, stootten van de Piz Michel en de Tinzenhorn door naar het noordoosten, en het dal werd verduisterd. (346)

582
De wereld, de enge, hooggelegen en afgezonderde wereld van hen hierboven, zag er nu dik toegedekt en ingestopt uit, er was geen pijler of paal, die niet een witte muts droeg, de traptreden naar het Berghofportaal verdwenen, veranderden in een scheve vlakte, zware, humoristisch gevormde kussens lagen overal op de takken der dennen, hier en daar schoof de massa er van af, verstoof en dreef in de gedaante van een wolk, een witte nevel, tussen de stammen weg. (347)

583
Gedeeltelijk ging de hemel open; grijsblauwe wolken hadden zich gescheiden en boden de zon gelegenheid in bundels omlaag te schijnen en het landschap een blauwige kleur te geven. (350)

584
Behrens zei dat het wolken waren, waar men in zat; mist kwam op deze hoogte niet voor. Maar wolken of mist, nat was het in elk geval onmiskenbaar. (375)

585
De kamerheer zei dan wel dat het geen mist was, het waren wolken; maar naar Hans Castorps mening was dat woordenzifterij. (466)

586
Tegen het eind van de maand zat alles dik onder de sneeuw; maar toen stak de föhn op, voorspeld, voorvoeld door ervaren en sensitieve gasten: zowel mevrouw Stöhr als de ivoorkleurige Levi, en de weduwe Hessenfeld niet minder bespeurden hem al eenstemmig voordat zich ook maar het kleinste wolkje had laten zien boven de granieten bergtop in het zuiden. (466)

587
Dagenlang hield de regen aan, een volle week gutste hij neer, en zonder de verzoenende eigenschappen van het plaatselijke ligstoeltype zou het uiterst hard geweest zijn, in de wolkenmist, met nat, verstrakt gezicht, zoveel rusturen in de buitenlucht door te brengen. (468)

588
De regenwolken hingen laag, de fantasievlag beneden was gestreken, sneeuwresten lagen op de natte takken van de zilverspar. (540)

589
Onzichtbaar het gebergte: het stond er zwaarbeladen bij, om snel weer achter de stoomwolken te verdwijnen, en van tijd tot tijd ontdeed zich een spar van zijn ballast, schudde stuifwit in het grauw. (607)

590
Er kwam dan eventueel een weerschijnende wolk, als een langgerekte rooksliert, zonder de vorm te veranderen, voor een rotswand drijven. (607)

591
Ginds, in de buurt van de daluitgang, de hoek in het gebergte die je niet kon zien, werd het wolkenpak, de mistbank donkerder, en scheen deze kant op te kruipen. (618)

592
Hij stampte met zijn latten de sneeuw aan, sloeg zijn armen om zijn ribben en schudde met zijn schouders, terwijl hij opgewonden en gespannen blikken om zich heen en naar de hemel wierp, waar tussen gaasdunne, grijsblauwe wolken bleek blauw te zien was; de wolksluiers dreven zachtjes voort en onthulden de smalle maansikkel. (641)

593
Schemer, regen en vuil, de rosse weerschijn van een uitslaande brand tegen de troebele hemel, die onophoudelijk brult van zware donder, de klamme lucht vervult, verscheurd door snerpend zingen, woedend gehuil van de voortrazende hellehond, dat zijn baan beëindigt in splinters, steekvlammen, gekraak en wolkzuilen, van gekreun en gekerm en gekrijs, van klaroengeschetter, tot berstens toe, en tromgeroffel, steeds sneller en sneller opzwepend… (927-928)
 

De Toverberg 12


Van de Godsstaat en de boze verlossing

<499> Hans Castorp gaat nu regelmatig aan de wandel om zich te bezinnen over het voorbije jaar. Zijn ‘acclimatisatie’ is voltooid. <500> ‘Maria Mencini’ onderhoudt de band met het laagland beter dan de korte berichten die hij daarheen stuurt en die hij van ginds ontvangt. <501> De kleine mankementen die hij door het onvermogen te wennen heeft opgelopen, onder meer ‘het beven van zijn nek’, doen hem denken aan zijn oude voorouders. Hij bekijkt ook af en toe de röntgenfoto van Clawdia Chauchats longen. <502> En hij overdenkt – een mooie recapitulatie voor ons, lezers – alle gewichtige thema’s die al aan bod zijn gekomen: civiel en militair, traditie en humanisme, herhaling en vooruitgang, eros en thanatos, rebellie en gezagsgetrouwheid, <503> ‘vorm en vrijheid, geest en lichaam, eer en schande, tijd en eeuwigheid’. Dit nadenken noemt Hans Castorp ‘regeren’, en hij voelt zich erdoor verwant met Naphta’s ideaal van de ‘Homo Dei’, tegen het pragmatisme en vooruitgangsoptimisme van de ‘Engelse maatschappijleer’ in, door Settembrini gepropageerd. Daarom wil Hans zich graag onderwerpen aan de pedagogie van Naphta, ook al voelt hij dat Settembrini hem daar voor wil behoeden. <504> Beide neven gaan op bezoek bij Naphta, die boven de kleermaker Lukacek woont. <505> Naphta’s interieur is barok, er staat zelfs een middeleeuwse piëta op een sokkel, een bloederige man van smarten op de schoot. <506> ‘Heb je ooit zulk lijden gezien?’ roept Hans Castorp verbluft uit. Hij vindt het beeld tegelijk mooi én lelijk. Naphta stelt dat enkel de ‘innerlijke schoonheid’ werkelijk is en <507> geeft wat meer toelichting bij het gotische beeld, ‘een en al radicale verkondiging van lijden en vleselijke zwakte’. Hans Castorp zou graag meer weten over de ascetische spiritualiteit waaruit het is voortgekomen. <508> Settembrini vervoegt het gezelschap; Hans beseft dat het is om een ‘pedagogisch tegenwicht’ te bieden. <509> Settembrini veroordeelt het gotische beeld als lichaamsvijandig. Maar Hans gaat daartegenin. Hebben Plotinus en Voltaire, toch ook voorvechters van de rede, zich niet evenzeer tegen de natuur verzet? <510> ‘(G)eestelijk verzet tegen het natuurlijke’ is slechts eervol, gaat Settembrini daartegenin, als het ‘de waardigheid en de schoonheid van de mens op het oog heeft’. In de middeleeuwen is er veel mensonvriendelijks gebeurd onder het primaat van de geest op het lichaam. Volgens Naphta kan de brandstapel zinvol zijn in het licht van ‘het geloof aan een hiernamaals’. Het is integendeel door de ‘Renaissance, Verlichting en de natuurwetenschap en economisterij van de negentiende eeuw’ dat de degradatie van de mens pas goed werd ingezet. Denk maar <511> aan de Copernicaanse Omwenteling, die ‘voorlopig een eind maakte aan de grootse kosmische positie van de mens’. ‘Voorlopig’, vraagt Settembrini. En de zuivere wetenschappelijke kennis dan? Naphta verdedigt het primaat van het geloof: <512> ‘Het geloof is kennisorgaan, het intellect secundair.’ Ofte: philosophia ancilla theologiae, geen weten zonder geloof. ‘Waar is wat de mens tot voordeel strekt.’ ‘(De mens) is de maat van alle dingen en zijn heil is het criterium voor de waarheid.’ <513> De kerkelijke leer is niet verduisterend, integendeel hij brengt verlichting omdat hij de mens vrijwaart van natuurwetenschappelijke inzichten die hem in duisternis dompelen. <514> Settembrini protesteert ‘tegen de begoochelende alternatieven van Pruisendom en gotische reactie’ die Naphta aanreikt. Hij verdedigt de waarden van ‘Renaissance en Verlichting’, de ‘rechten van de mens, vrijheid’. <515> Volgens Naphta zijn ‘de voetstappen van hen die (deze idealen) om zeep zullen helpen (…) al akelig dichtbij’. Een pedagogie die op de vrijheid van het individu is gebaseerd, is contradictorisch. Het individu heeft niet de vrijheid van doen, maar… ‘de terreur’. <516> Naphta en Settembrini delen hun visie op de paradijselijke toestand en op de zondeval, maar dan gaan ze een verschillende kant uit. Settembrini delegeert met de theorie van het maatschappelijk verdrag de macht naar het volk, <517> Naphta predikt ‘de voorrang van de Kerk boven de wereldlijke staat’ want: ‘De ziel van de staat is het geld’ en dus zit in de democratie, en in de ‘kapitalistische wereldrepubliek’ die het einddoel is, het kwaad ingebakken. <518> Om ‘de mens weer onder Gods leiding te brengen’, is ‘terreur’ soms onvermijdelijk. Naphta’s vooropgestelde Rijk van verzoening is antikapitalistisch, ja zelfs communistisch! <519> De wet van vraag en aanbod, die de ‘cynische uitbuiting’ van schaarste mogelijk maakt, en het renteprincipe, ‘de wantoestand dat men zich voor het nuchtere verloop van de tijd een premie liet uitbetalen’ zijn hoogst onchristelijk. <520> De marxistische doelstelling van de dictatuur van het proletariaat valt samen met de kerkelijke, antikapitalistische doelstelling van ‘het Rijk Gods’. <521> Settembrini verwijt Naphta dat hij pleit voor een terugkeer naar het feodaal stelsel waarin het toch maar pover gesteld was met de menselijke waardigheid en de vrijheid die hij, Naphta, toch hoog in het vaandel voert. Waardigheid, tot daar aan toe, zegt Naphta, <522> maar over de vrijheid in het door Settembrini verdedigde economisch stelsel heeft hij niet zo’n hoge dunk. Settembrini noemt Naphta’s keuze de ‘zwartste reactie’ en doekt de vergadering op. Hij neemt beide neven mee naar zijn appartement. <523> Dat steekt in zijn soberheid fel af tegen de rococo van Naphta’s vertrekken. <524> Terug buiten waarschuwt Settembrini voor Naphta: ‘Zijn vorm is de logica, maar in wezen vertegenwoordigt hij de verwarring.’ <525> Niettemin vond Hans Castorp het best interessant, wat Naphta zei, onder meer over de communistische tijd die verstrijkt zonder dat daarvoor een premie moet worden betaald! <526> Naphta blijkt een jezuïet te zijn, <527> die zijn rijkdom verbergt achter een armoedige façade. <528> Hans Castorp vraagt zich af of wat Naphta verkondigt wel in overeenstemming is met de christelijke leer. Wellicht zijn zijn opinies veroorzaakt <529> door de ziekte die hem belet ten volle voor zijn jezuïetenambt te kiezen? Settembrini waarschuwt Hans Castorp nog eens; hij noemt Naphta een ‘wellusteling’ <530> omdat hij het primaat van de geest ontkent en daardoor de dood tot ‘een zelfstandige, aan het leven tegengestelde macht’, tot wellust verheft – en dat is een ‘tegen beschaving, vooruitgang, arbeid en leven gerichte macht’.

Drift – en nog iets ongemeen pijnlijks

<531> Hoewel er geen gelegenheid onbenut wordt gelaten om te feesten en zo de monotonie te breken, worden verjaardagen van verblijven in het sanatorium niet gevierd. Het is zelfs niet kies eraan te herinneren. Zo gaat ook Hans’ eerste verblijfsverjaardag onopgemerkt voorbij. <532> Zelfs de domme mevrouw Stöhr is attent genoeg om hem er niet op attent te maken. Joachim is heel stil. <533> Het is alweer winter en dat komt hard aan. <534> Joachim wordt opstandig. <535> Hans vreest dat hij alleen zal achterblijven en dat hij dan ‘nooit, helemaal nooit meer de weg terug naar het laagland’ zal vinden. <536> Behrens heeft bronstige katten te geselen – hij wil geen ‘exploitant’ worden van ‘een rendez-voushotelletje’. <537> Joachim krijgt er nog eens zes maand bij, <538> maar lijkt vastbesloten naar huis te gaan. <539> Behrens is ontstemd en spreekt ook Hans Castorp vrij. <540> Joachim is blij dat hij heeft doorgezet, Hans lijkt niet  van plan op zijn vrijspraak in te gaan. <541> Maar hij vindt het evengoed onmogelijk zonder Joachim voort te doen. <542> Moet hij immers niet wachten op Clawdia Chauchat? Moet hij immers niet nog veel nadenken (regeren) over allerlei belangwekkende onderwerpen? <543> Joachim hult zich in zwijgen en Hans Castorp laat Behrens weten dat hij wenst te blijven. <544> Joachim verheugt zich op de terugkeer naar de normaliteit en naar de normale tijd. <545> Hij bereidt zijn vertrek voor en neemt afscheid van iedereen. <546> In het station spreekt hij Hans Castorp voor het eerst (het laatst?) met zijn voornaam aan.

Solo 9


Met de fiets naar Brugge

Vaak ben ik vanuit Bavikhove naar Brugge gereisd, naar de verpleegstersschool, langs de steenweg, met mijn fiets en mijn valiesje achterop...

op 2 maart 2008 door mijn broer opgetekend uit de mond van mijn moeder (1928-2013)

facebookbericht 369

ik vraag mij ondertussen wel af of al die kleine plaatselijke kandidaten wisten waaraan ze begonnen, tussen welke krachten ze zouden worden vermalen...

13 in z/w 49

Brugge, Maria van Bourgondiëlaan

3151

Middelburg (B) - 120921

zaterdag 23 februari 2013

Gainsbourg, vie héroïque

De begingeneriek is een tekenfilm. Een schriel mannetje met ellenlange ledematen en een veel te grote neus zwemt tussen rokende vissen. In het mannetje herkennen we Serge Gainsbourg. De tekenfilm verontrust: we gaan hier toch niet naar iets animatiefilmachtigs zitten kijken? Maar de begingeneriek is mooi, goedgemaakt.

Dan start de biografische film Gainsbourg, vie héroïque van Joann Sfar (2010). (De titel is alvast raak omdat een van Gainsbourgs titels erin resoneert: ‘69 année érotique’.) Een jongen op het strand, een jongen op school, een jongen aan de piano thuis – hij ondergaat, tegen zijn zin, vaders pianolessen. Jongetje met jodenster (Sfar is zelf ook jood). Een bekend verhaal: Wereldoorlog Twee, joden in Parijs. Onderduiken op het platteland (zoals Gainsbourg tussen de vissen).

Het jongetje heeft flaporen, verwonderde en slimme oogjes, zwart haar. Samen met zijn kameraden van het pensionaat leert hij al heel vroeg de geneugten van de tabak kennen. Lucien, want zo luidt zijn echte voornaam (Lucien Ginsburg), tekent graag en virtuoos en mede daardoor palmt hij zijn lotgenoten in. Een van zijn zelfgecreëerde striphelden, een soort van romploze Holle Bolle Gijs, komt tot leven als pop en speelt nu ook mee in de film. Dat stoort niet: de biograaf heeft ons al overtuigd. Het wordt duidelijk waarom de begingeneriek een tekenfilm moest zijn: Sfar (die begon als striptekenaar) wilde dat we meteen onze kijkhouding aanpasten want Gainsbourg, vie héroïque is geen biopic als de andere. De film heeft veel meer te bieden dan een chronologie van une vie d’artiste; hij toont ook de fantasie van de regisseur en vooral hoe Serge Gainsbourgs kunstenaarschap daarin resoneert! Sfar kiest ervoor – en zeer terecht! – om niet alleen met de inhoud (de ‘biografie’, of beter: de selectie van relevante biografische feiten die hij ten enenmale moet maken omdat hij natuurlijk niet álles kan tonen) – maar ook met de vorm zijn personage te schetsen. Die vorm is fantastisch, sprookjesachtig, bizar, oorspronkelijk, non-conformistisch, grillig en provocatief – inderdaad, zoals Serge Gainsbourg zelf ook is geweest.

Het vormelijk experiment verhoogt de overtuigingskracht van deze film. Maar minstens evenzeer – naast de manier waarop de acteurs spelen en wát ze spelen (de selectie) – draagt ook de casting daartoe bij. Zo is de gelijkenis uitermate frappant tussen Éric Elmosnino en de door hem méér-dan-belichaamde volwassen Gainsbourg (neus, stoppelbaard, kapsel (of beter: niet-kapsel), zonnebril, maar ook – en vooral! – het hele arsenaal van tics en de manier van spreken). Toegegeven, tot karikaturale dimensie opgewerkte types zoals Gainsbourg, die zijn uiterlijk en zijn publieke aantreden zorgvuldig regisseerde, zijn wellicht het gemakkelijkst te imiteren, maar toch, de prestatie van Elmosnino is werkelijk fenomenaal. Dat hij hierin gestuurd werd door regisseur Sfar, is wel duidelijk want Sfar laat ook Philippe Katerine een overtuigende Boris Vian en Laetitia Casta een verbluffende Brigitte Bardot neerzetten. Op een gegeven ogenblik zit je echt naar Gainsbourg/Bardot te kijken en vergéét je dat het ‘maar’ acteurs zijn. De suspension of disbelief is compleet.

Gainsbourg was een boeiende persoonlijkheid, dat staat buiten kijf. Maar zijn leven was ook treurig. Liefdesverslaving, erkenningsverslaving, middelenverslaving. Zelfdestructie, gekoppeld aan een moeilijk te behapstukken creativiteit. Een groter talent dan de wereld van de jaren zestig en zeventig aankon – vandaar de toegevingen aan ‘de commercie’. Het onvermogen om de – in grote hoeveelheid – ‘buitgemaakte’  liefde vast te houden. De provocatie, die ontaardde in ronduit schabouwelijk gedrag, in inhoudsloze provocatie. De onbegrepenheid en verlatenheid op het einde – wat kan je op de duur nog cynisch wegwuiven als je al alle heilige huisjes hebt getackeld? De neergang, de dood.

Gainsbourgs vroegtijdige – maar zeer aangekondigde! – einde wordt niet in beeld gebracht. Een eerdere hartaanval en evacuatie met de ambulance wel. Die crisis overleefde hij nog en het is niet nodig om te tonen wat er gebeurt als het hem een tweede keer niet meer lukt. Ook de passage met het in brand gestoken briefje van vijfhonderd Franse francs (drieduizend Belgische frank, vijfenzeventig eurootjes) wordt achterwege gelaten. Alsof Sfar wilde verhinderen dat Gainsbourg tot die ene act zou worden herleid. Een heel terechte uitzuivering want ‘Is dat die slechtgeschoren, slechtgemanierde kerel die daar eens op televisie met een briefje van vijfhonderd zijn sigaret aanstak?’ is als biografie-in-een-notendop al te weinig uit de lucht als de componist van Je t’aime moi non plus (nog zo’n onrechtvaardige reductie want hij schreef veel betere dingen dan dat!) ter sprake komt. Neen, Sfar toont Gainsbourg als een veelzijdige kunstenaar die in een rijpere tijd vast veel méér had kunnen betekenen. Gainsbourg, vie héroïque is, als grensverleggende biografische film, een prachtige en respectvolle hommage.

3150

Nabij de grens ter hoogte van Eede - 120921

vrijdag 22 februari 2013

schrikkel 362


Een van de taboeonderwerpen als je het over opvoeden en jongeren hebt, is de zogenaamde generatiekloof. Er wordt eigenlijk nauwelijks nog over gesproken – meer zelfs, men doet alsof hij niet meer bestaat: jongeren zijn meer dan ooit vroeg-oud en ouderen horen langer dan hun lief is jong te blijven.

Dat druist in tegen mijn aanvoelen: de kloof tussen de generaties is wellicht nooit zo groot geweest. Jongeren en ouderen leven in totaal, zeg maar kwalitatief, verschillende werelden – ’t is eigenlijk geen kloof meer die hen scheidt maar veeleer een bergketen of in elk geval een met prikkeldraad en glasscherven angehauchte Muur. Eentje die is opgetrokken uit bits & bites.

Wij, de ouderen van deze kant van – plusminus – geboortejaar 1975, vormen de analoge generatie. We vergeten te gemakkelijk dat er tegenwoordig pubers en jongvolwassenen rondlopen die het nooit anders geweten hebben. Wat is er voor hen allemaal niet digitaal? Hun sociale contacten, en de hele informatieoverdracht en kennisverwerving verlopen in een virtuele sfeer, zelfs de vorming van hun zelfbeeld en dus eigenlijk ook een groot deel van hun identiteit ondergaan in grote en nog onvoldoende in kaart gebrachte mate de invloed – al dan niet gunstig – van de digitalisering. Welke invloed op de vorming van de hersenen hebben het razendsnel zappen en multitasken en voortdurend reageren op prikkels die geen rechtstreekse impact hebben? Ik noem maar een van de vele vragen die wel eens wat vaker zouden mogen worden gesteld.

De waarden die wij verdedigen kúnnen zij niet eens meer kénnen of navoelen.

En dan proberen de ouders ‘mee’ te zijn en ze praten verwonderd via de iPad met het vriendinnetje van dochterlief; zij voelen ‘ergens’ wel aan dat de openbaarheid die zij betreden in grote mate een schijnopenbaarheid is, maar zij vinden de codes niet die maken dat deze vorm van communiceren totaal anders is en ook heel andere verhoudingen inhoudt en inluidt dan deze waarin zij zelf opgroeiden. Boeiend, verraderlijk. En met aanzienlijke morele complicaties.

Ik ben, onder andere, zeer benieuwd hoe de digitale generatie zélf later, binnenkort dus, aan het opvoeden zal slaan.

driekleur 115


Weer later verdween bij hem het oranje en bleven slechts drie kleuren over: rood, geel en blauw, omgeven door strenge, zwarte lijnen.

Joost Zwagerman, Kennis is geluk, 115

3149

Eede (NL) - 120921

donderdag 21 februari 2013

13 in z/w 48

Brugge, Karel de Stoutelaan

los ingeslagen 77


10 januari 2013

Wat moet je niet allemaal met Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS) bestraffen? Kleine misdrijven of, beter, misdragingen zoals daar zijn deze die ik op mijn eenvoudige ambtenarengang naar het station waarneem en – met kleinburgerlijke ergernis – mentaal noteer: een ostentatief (provocatief) met papierproppen, lege chipszakken en blikjes bevuilde grond naast een parkbank-mét-vuilnisbak; de geur van marihuana tegenover het Vrij Technisch Instituut – ja het wachten op de schoolbel duurt wat lang; slungels met basketpetten die je op het smalle voetpad in de voetgangers- en fietserstunnel tegemoet stappen en door geen duimbreed te wijken nauwelijks ruimte laten om je te laten passeren.

Ik bots tegen jonge ellebogen aan en ben desalniettemin geen voorstander van GAS-boetes. Ik zie meer in GPM of in GOA: Gemeentelijke Pedagogische Maatregelen, of Gemeentelijke Opvoedkundige Assistentie. Je kunt namelijk niet niets doen. En je kunt zeker niet doen alsof er niets aan de hand is. Ik ben namelijk geen voorstander van al te grote permissiviteit. Toch zeker niet als dat niet meer is dan een duur woord voor gezagsloosheid. Gebroken gezinnen, afwezige vaders, een vervrouwelijkt onderwijs – je zou van minder een gebrek aan normbesef krijgen. Het is een antropologisch gegeven: elke samenleving heeft autoriteit nodig om op te voeden. En autoriteit zonder sancties (en beloningen), dat gaat niet. Die kerels die hun rotzooi náást de vuilnisbak werpen, sméken om autoriteit. Niet om sancties maar om autoriteit. Dat mag je hun niet ontzeggen. 50 euro GAS-boete uitschrijven, dat is geen autoriteit. Begeleiding, confronteren met de gevolgen, elementaire regels bijbrengen en hen doen inzien waarvoor die regels dienen: daar gaat het om.

Het schijnt dat voetballer Jonathan Legear, die een maand of twee geleden in dronken toestand met zijn Porsche een benzinestation binnenreed en daar ei zo na de uitbater verpletterde, nu erg onder de indruk is van wat hij meemaakt in het revalidatiecentrum voor zwaargewonden waar hij vrijwilligerswerk doet om tot inkeer te komen.

Vrijheid is niet het tegengestelde van dwang. Dat is een dramatische opvatting. Zelfexpressie kan er maar zijn als er inhoud is. Leven in een samenleving doe je nooit alleen. En gezagsloos opvoeden is ten enenmale onmogelijk. Thomas Mann spreekt in De Toverberg op een gegeven ogenblik (op bladzijde 708, ja jongens, dat is wel een heel erg dik boek) van ‘pedagogische gedecideerdheid’. Wat betekent dat? Dat betekent, onder meer, het vermogen tot afdwingen of zelfs dwingen. Dat vermogen heeft een naam: autoriteit. Maar ‘pedagogische gedecideerdheid’ betekent ook: dat de pedagoog zelf een mening heeft, hoewel hij nooit honderd procent zeker is. En dat is de fout die heden ten dage veel te gemakkelijk wordt gemaakt: iedereen stelt het hebben van een mening uit en ontloopt zijn verantwoordelijkheid omdat hij niet meer stellig durft te zijn. Angst om toch geen gelijk te hebben regeert, en angst, dat is geweten, is de slechtste raadgever – hetgeen geen verwaarloosbaar gegeven is als het gaat om de relatie tussen opvoeder (raadgever) en kinderen of adolescenten.

De Toverberg 11


Zesde hoofdstuk

Veranderingen

<444> Beschouwingen over de relatie tussen tijd en ruimte. Wat zijn het hier en nu in het licht van de eeuwigheid? Met dat soort vragen is Hans Castorp heel intens bezig. <445> Joachim weet er geen blijf mee. Hij begint opstandig te reageren op de zeer onstandvastige gezondheidsbulletins. <446> Er is tussen beide neven na carnaval een spanning ontstaan: waar Joachim met militair plichtsbesef zijn gevoelens voor Marjoesja neutraliseert, is Hans Castorp schandelijk trouweloos geweest in zijn houding ten aanzien van Clawdia Chauchat. <447> De verstrijkende tijd, inmiddels al zeven maanden, en de tijd die nodig is om dit verhaal te vertellen (en om het te lezen), schrijden voort en brengen veranderingen met zich mee. <448> Er zijn zes weken verstreken sinds het vertrek van Clawdia Chauchat. <449> Daarbij was er even oogcontact. <450> Hans Castorp koestert het onderpand dat hij heeft gekregen: een röntgenopname van Clawdia Chauchats ‘interieur’. Clawdia Chauchat is nu weliswaar afwezig, maar toch ook ‘onzichtbaar aanwezig’: haar ‘genius’ blijft rondwaren. <451> Het zal de ziekte zijn ‘waaraan zij haar vrijheid ontleende’, die zal beslissen of het genius, Clawdia Chauchat dus, een vierde verblijf in het sanatorium zal aanvatten. Maar misschien zal Hans Castorp dan vertrokken zijn, zoals zij heeft voorspeld? Misschien ook niet! Misschien worden bepaalde zaken, ‘bezwarenderwijs als het ware’, nu net voorspeld ‘opdat zij niet uitkomen’? Een voorspelling van Clawdia Chauchat die wél is uitgekomen, is Hans’ spectaculaire verhoging. <452> Die is zo ingrijpend dat hij moet worden onderworpen aan een injectiekuur. <453> Behrens vraagt Hans Castorp Joachim een terugkeer naar het laagland uit het hoofd te praten. ‘Laagland’ kan trouwens ook bergachtig zijn, laat Mann weten – en hij wijst daarmee op het metaforische karakter van dat begrip: als oord van ziekte staat de Toverberg niet tegenover het laagland, waar het gewoon-gezonde leven zich afspeelt, zoals de Alpen tegenover de polders. Ongenezen naar het laagland terugkeren kan overigens niet want daar zijn geen sanatoriumregels om zich aan vast te klampen. <454> Hans Castorp praat met Behrens over sigaren en over Clawdia Chauchat. <455> Clawdia Chauchat zal wel geen brieven schrijven, is ook Behrens van oordeel – er wordt gesuggereerd dat hij, voor zover het over Clawdia Chauchat gaat , Hans Castorp zeer goed kan begrijpen. <456> Neen, ze zal niet schrijven: in dat burgerlijke, redelijke, humanistische gebied van het geestesleven houdt zij zich niet op. <457> Hans Castorp beseft dat zijn gesprek met Settembrini nu al weken op apegapen ligt. Op een dag spreekt Settembrini hem enigmatisch aan: ‘de onderaardsen weten, dat wie de vruchten van hun rijk proeft, in hun ban blijft’. <458> Dan duurt het opnieuw enkele weken, tot Pasen, dat gevierd wordt ‘teneinde een ongelede monotonie te vermijden’, eer Settembrini Hans Castorp nog eens aanspreekt: het comfort van het feestvieren moet de penibele omstandigheden doen vergeten; <459> het feestvieren komt de menselijkheid ten goede; het is ‘de overwinning van de menselijke civilisatie op de chaos’. <460> Het is stellig ‘hybris’, beaamt Settembrini, maar dan van een goede soort, waardoor het eervol is eraan ten onder te gaan. (Mann verwijst hier impliciet naar de ondergang van de Titanic.) Maar er zijn ook uit hybris geboren experimenten met duistere krachten. En daar kunnen de mislukkingen niet eervol zijn. Daar heeft Hans Castorp niet van terug: hij ‘roerde in zijn kopje, hoewel daar niets meer in zat’. <461> Settembrini kondigt zijn verhuizing naar het ‘Dorf’ aan. Behrens heeft hem immers ‘levenslang’ gegeven. Settembrini verhuist, met zijn boeken in een kruiwagen. <462> De dooi breekt aan, en daarmee ook de tijd van ‘“loze” en “misplaatste” aftochten’. Zo vertrekt mevrouw Salomon tegen alle adviezen in naar <463> de ‘tochtige waterstad’ Amsterdam. Maar er zijn er ook die gewoon meteen sterven, zoals dr Blumenkohl. <464> De oudtante en haar nichtje Maroesja zijn ‘op reis’, dat wil zeggen: wellicht slechts tijdelijk afwezig. <465> Misschien is het daardoor, meer dan door Behrens pleidooien voor de heilzame werking van de dooi, dat Joachim alsnog geen gevolg heeft gegeven aan zijn opstandige neigingen om ‘loos’ of ‘misplaatst’ het pand te verlaten. Anton Karlowitsch Frege, die van het hogere geen kaas heeft gegeten, is van ‘het helse avontuur van de pleurashock’ teruggekeerd. <466> Ook in meteorologisch opzicht lopen de seizoenen door elkaar. Na de dooi volgt een nieuwe winterprik, en dan is er <467> de föhn, <468> en opnieuw een winteropstoot. Eindelijk wordt de wereld groen en staat alles in bloei. <469> Krokowski had het in een van zijn lezingen over botanica. Hij had het voor een keer niet over liefde en ziekte, maar <470> over liefde en dood, en over paddenstoelen met wellustige vormen. <471> Deze lezing valt bij Joachim niet in goede aarde – en dat heeft ook te maken met de vertrouwelijke omgang die Hans Castorp sinds enige tijd met Krokowski heeft <472> wanneer die langskomt op zijn ronde. <473> Ze praten dan over de materie als ‘kwaadaardig woekerende prikkelingstoestand van de geest’, als ‘oneerbare ontaarding van het immateriële’. De ziekte is volgens Krokowski niets anders dan de veruitwendiging in het organische van een ziekte die al in de geest woekert; liefde is een ‘ziekteverwekkende macht’. <474> Joachim heeft vastgesteld dat Hans Castorp in het geheim op consultatie gaat bij Krokowski, in diens ‘analytische groeve’.

Nog iemand

<475> Hans Castorp doet aan botanica en <476> astronomie, <477> en dat werkt bespiegelingen over de tijd in de hand. <478> De tijd heeft een circulair karakter, en dat geeft aanleiding tot ‘positieve wanhoop’. <479> De neven praten over de zuiverende werking van het oorlogvoeren – en uitgerekend dan komen ze Settembrini tegen in het gezelschap van een onbekende, die door de Italiaan slechts node aan de neven wordt voorgesteld: <480> Naphta, <481> door Settembrini ‘princeps scholasticorum’ genoemd. <482> Volgens Naphta moet je, in tegenstelling met wat de materialistische monist Settembrini beweert, ‘geest in de natuur (…) brengen’. ‘De wereld als vijandige tweeheid te zien, dat is geest.’ Beide heren bouwen hierop een <483> verbale ‘schermutseling’. Settembrini stelt Naphta voor aan de neven, <484> en de neven aan Naphta. Het verlangen van Joachim om in het laagland terug aan de slag te baan, brengt Naphta op een beschouwing over het cisterciënzer ideaal van werken op het land, studeren en <485> mystieke vereniging met God. Dat is volgens Settembrini een oosters ideaal – het laat zich raden dat Hans Castorp er zich precies daarom door zal laten inpakken. Settembrini ziet het met lede ogen aan. <486> Naphta haalt er opnieuw de cisterciënzers bij. Hun arbeid was geen doel op zich maar leidde wel tot de ontginning van Europa. <487> Zo is ook, voert Hans Castorp, de soldatenstiel geen doel op zich. <488> Settembrini zegt bereid te zijn de soldaat te verdedigen, maar wil wel eerst weten waarvoor hij vecht – want de soldaat laat zich in principe voor alles ronselen. Hij wil vooral dat de soldaat wordt ingezet voor een redelijk en zedelijk ideaal dat ook past in de ‘burgerlijke levensaanvaarding’. <489> Het gezelschap heeft het nu over de politieke situatie in Europa. Settembrini verheugt zich in de toenemende civilisatie en democratisering. Nu lijkt zelfs Turkije een moderne staat te worden! Naphta is daar minder enthousiast over: ‘Liberalisering van de islam!’ Voor hem is de Balkan een kruitvat. <490> Waar Settembrini gelooft in ‘maatschappelijke vervolmaking’, is voor Naphta politiek niets anders dan een middel om ‘zich moreel te compromitteren’. Settembrini verdenkt hem van ‘pangermanisme’. Naphta voert aan dat Settembrini’s geloof niets zal kunnen veranderen aan de nakende ondergang: ‘De catastrofe moet en zal komen’. <491> Volgens Settembrini is het de humanistische plicht van de rede ‘sterker te willen zijn dan de fataliteit’. Hij wil internationale diplomatie, voor Naphta is de oorlog onafwendbaar. <492> Hans Castorp signaleert dat Settembrini een oorlog tegen het niet op de instelling van de wereldrepubliek gerichte Wenen niet afkeurt. Naphta vraagt zich af wat er met het redelijke ‘principe van beweging en rebellie’ moet gebeuren eens het einddoel is bereikt. Die evolutie is oneindig, zegt Settembrini. Maar beweging is toch circulair?, vraagt Hans Castorp. <493> Settembrini wijst hem erop dat de mens veel vooruitgang heeft geboekt en er nog altijd veel vooruitgang te maken is. Hij haalt er Rousseau bij. Daar springt Naphta op: ‘Rousseau’s idylle (is) een sofistische verbastering (…) van de (…) Godsstaat’. Settembrini voert aan dat de oorlog in sommige gevallen al de vooruitgang heeft gediend, en hij denkt aan de kruistochten. <494> Die hebben weliswaar tot economische ontplooiing geleid, maar hebben toch ook de nationalismen aangewakkerd, aldus Naphta. Settembrini: de conflicten die daaruit voortvloeien, moeten worden beslecht door supranationale ‘scheidsgerechten’. Zijn wereldrijk zal werelds zijn, dat van Naphta een (kerkelijke) ‘hiërarchieke kosmopolis’ <495> Volgens Naphta zijn oorlogen het ideale middel om de bevolking en dus de honger binnen de perken te houden. Dat vindt Settembrini er over en hij beëindigt het gesprek. Naphta biedt de neven zijn pedagogische diensten aan. <496> Op hun weg terug kaarten Hans en Joachim na. Joachim heeft het niet voor Naphta. Wel voor een aantal van zijn ideeën, maar niet voor de man. Met name Naphta’s  ‘jodenneus’ moet het ontgelden. <497> Hans Castorp is genuanceerder en toont zich bereid zich aan Naphta’s lessen te onderwerpen. Joachim vindt dat ze hier niet slim maar wel gezond moeten worden. En dat het <498> belangrijker is je plicht te doen dan er meningen op na te houden. Hans Castorp vat het net aangehoorde dispuut, dat een grote ‘verwarring’ (497) heeft blootgelegd, nog eens samen en vindt dat Joachim polariseert, ‘en zoiets is altijd een grove fout’.

Solo 8


Acht keer per dag op en af

Tot achtmaal per dag deden we soms de afstand naar school en naar de kerk voor het lof en de mis. We gingen naar de nonnenschool en die was een halfuur eerder afgelopen dan de jongensschool. Zo kregen we de jongens niet te zien. Ik was een zeer braaf kind en had op alle vakken ‘zeer wel’ (een tien): rekenen, godsdienst...

 op 2 maart 2008 door mijn broer opgetekend uit de mond van mijn moeder (1928-2013)

3148

Eede (NL) - 120921

woensdag 20 februari 2013

13 in z/w 47

Brugge, Visartpark

Solo 7


Kinderarbeid

Als kind moesten we mee de koeien helpen melken. Bij de vlasoogst, bij alle bewerkingen die het vlas moest ondergaan (roten, ‘swingelen’, drogen op de wei...), moesten we een handje toesteken. ‘s Morgens vroeg en dat allemaal ook in de week, als er school was. Nu is dat kinderarbeid. Het was daarna hollen naar school om op tijd te komen, en als we te laat kwamen moesten we in de hoek staan!

op 2 maart 2008 door mijn broer opgetekend uit de mond van mijn moeder (1928-2013)

3147

Middelburg (B) - 120921

maandag 18 februari 2013

13 in z/w 45

Louvre Lens

13 in z/w 44

J.

reactie

Door deze foto zie ik ook een beetje Raveel in Huise.

M.-A.

reactie

Dat is grappig. Ik had het er laatst nog over met mijn zus.
Wanneer onze moeder zei: “Doe iets!” bedoelde ze : “Pak een boek!”.
In het gezin van haar man (wiens vader een Nederlandse chirurg was) betekende “Doe iets!” juist : “Hou op met lezen!”.
& op internaat las & luisterde ik ook met zaklamp & koptelefoon onder de lakens.
Hartelijk,

S.B.

3145

Huise - 120929

reactie

U moet HIM  wel erg haten om zo'n verregaande uitleg te willen geven bij zijn woorden, al zijn gestes van voorbedachtheid te verdenken. Ik denk dat U daarin te ver gaat.

Annemie

*

Dag Annemie,

Niet haat maar bezorgdheid heeft mij gestuurd bij het schrijven van mijn tekst. Haat betreft personen, 'HIM' is een instelling aan het worden. Als u vindt dat ik te omstandig en te verregaand uitleg geef bij zijn 'optreden', dan moet u zeker ook fouten in mijn betoog kunnen aanwijzen. Ik geef toe dat mijn uitleg omstandig is maar ik heb het toch gedaan omdat ik het (a) relevant vond het op die manier te zien en (b) het nog nergens anders op die manier heb uitgelegd gezien. Ik vind mijn tekst lezenswaardig en relevant - anders zou ik hem niet hebben geplaatst. Ik neem er geen woord van terug. Ik hoop sommigen de ogen te openen en wil mij later, wanneer 'HIM' zijn zin heeft, niet het zelfverwijt moeten maken 'dat ik het niet geweten heb'.

Toch dank voor uw aandachtige lectuur en belangstelling,

Pascal

zondag 17 februari 2013

wolken 571-573

wolkenfragmenten uit Hermann Hesse, De Steppewolf

571
Die dag was voorbijgegaan zoals de dagen meestal voorbijgaan; ik had de tijd gedood, zachtjes gedood met mijn primitieve en schuchtere manier van leven; ik had een paar uur gewerkt, oude boeken bestudeerd, ik had twee uur lang pijn gehad, zoals oudere mensen dat wel hebben, had een poeder ingenomen en me verheugd dat de pijn zich liet verschalken, had in een heet bad gelegen en de heerlijke warmte ingezogen, had drie keer post gekregen en al de overbodige brieven en drukwerken doorgekeken, had mijn ademoefeningen gedaan, de geheugenoefeningen dit keer maar voor het gemak weggelaten, was een uur gaan wandelen en had mooie, fijne, zeldzame vederwolken aan de lucht gezien. (301)

572
Wie las ’s nachts boven de Rijn de wolkentaal van de voorbijtrekkende nevel? (309)

573
Hij hief zijn handen op, alsof hij dirigeerde, en een maan of anders een bleke ster ging ergens op, over de rand van de loge keek ik in onpeilbare diepten, nevel en wolken trokken voorbij, gebergten en zeeën schemerden, onder ons strekte zich een onmetelijke op een woestijn gelijkende vlakte uit. (430)

Solo 6


Verboden te lezen

Bij ons thuis mocht er niet gelezen worden, er moest worden gewerkt! Maar moeder las wel eens stiekem op de trap en wij lazen onder de lakens met een zaklampje.

op 2 maart 2008 opgetekend uit de mond van mijn moeder (1928-2013)

47,0 * 95,8 * 47,0


De Toverberg 10


Dodendans

Behrens ontvangt in de persoon van zijn zoon Knut de Duitse geest. <371> Knut teistert, samen met enkele medestudenten (‘commilitones’), ‘in groepsverband’ de omgeving. Hans Castorp vermijdt hen. De kerstdagen komen er – veel sneller dan verwacht – aan. <372> Net zoals de materie kun je de tijd opdelen in kleinere eenheden en zo tot een duizelingwekkende opsplitsing komen die het geheel sterk relativeert. Er is een kerstboom, er zijn cadeautjes en <373> er zijn kerstwensen uit het laagland. Na het beëindigen van de zeer uitgebreide kerstmaaltijd komt Settembrini aan Hans’ tafel wat filosoferen over <374> ‘de timmermanszoon en universele rabbi, wiens verjaardag vandaag gefingeerd werd’. Dokter Behrens neemt zijn geschenken in ontvangst. De uitgelatenheid van het feest verwelkt al vlug tot mistroostigheid en <375> mist. Op de avond van kerstdag is er een concert. Hans Castorp kan pas ongehinderd naar het gekweel luisteren als zowel Settembrini als ‘de spleetogige Russin’ er de brui aan hebben gegeven. <376> Meteen na Kerstmis sterft de ‘aristocratische paardensportliefhebber’. Hij heeft zijn leven met dure zuurstofdosissen weten te rekken. Hans Castorp vraagt zich af wat hiervan het nut is: voorwaar de euthaniekwestie!; niets mag ontbreken in een universele roman. <377> Aan tafel stelt Hans Castorp vast dat het overlijden van een medepatiënt taboeonderwerp is. Uit ‘verzet tegen het vigerende systeem van verheimelijking’ besluit hij de aflijvige te bezoeken <378> in diens kamer, waar ook de kersverse weduwe aanwezig is. <379> Tot haar zegt Hans Castorp dat zijn verblijf in het sanatorium mogelijk ‘een keerpunt in zijn leven vertegenwoordigde’ – waarmee hij Joachim gelijk geeft, die hem, toen Hans Castorp in de Berghof aankwam, zegde dat je hier ‘andere ideeën’ krijgt (14). <380> Het bezoek aan de dode ‘aristocratische ruiter’ heeft Hans Castorp tot het inzicht gebracht dat je naast de ‘vrije’ geestelijke richting of stemming ook een ‘vrome’ hebt, een die minder op de (Italiaanse) Settembrini-rede en meer op Spaans-barok decorum is gericht maar die niettemin toch ook de menselijke waardigheid dient – <381> zonder de dood te veronachtzamen. (Dit onderscheid vormt een aankondiging van de komst van die andere leraar, Naphta.) <382> Hans Castorp neemt zich dan ook voor aandacht te schenken aan de ‘ernstig zieken en moribunden’. <383> Zijn motieven hiervoor zijn: ‘protest tegen het heersende egoïsme’ en ‘de behoefte van zijn geest, lijden en dood ernstig te mogen nemen’. Hij gaat daarmee in tegen de bewoners van de Berghof die helemaal niet ziek zijn, zoals mevrouw Hessenfeld, die om en over alles en nog wat wedt, <384> of zoals diegenen, en ze zijn niet weinig talrijk, die zich gedragen op een manier die niet zo betamelijk is als van sanatoriumgasten kan worden verwacht. <385> Bij dit alles spant mevrouw Stöhr de kroon als het op roddelen aankomt, en dat doet zij met een van clichés doorspekte taal en met een domheid <386> die zelfs bij Hans Castorp de haren ten berge doen rijzen. <387> Dat de medepatiënten Hans Castorp niet echt tegemoetkomen in zijn behoefte om aan de sterfelijkheid de plaats toe te meten die haar toekomt, blijkt wanneer de epilepticus Popów een aanval krijgt. ‘De consternatie was onbeschrijflijk,’ schrijft Mann, en hij laat een zeer goede beschrijving van de consternatie volgen. Het toeval wil dat Krokowski net daarvoor in zijn tweewekelijkse lezing epileptische aanvallen had omschreven als ‘orgasme van de hersenen’, <388> wat de aanval van Popów en de hysterische reacties van de vrouwen in de eetzaal in een verdacht daglicht stelt. Hans Castorp concentreert zijn inspanningen om de ‘weinig serieuze verdorvenheid’ in het sanatorium tegen te gaan op de zeventienjarige Leila Gerngrosz, die stervende is. <389> De  beloning blijft niet uit: de identiteit van de twee anonieme schenkers van een hortensia wordt verraden en beide neven mogen zich bij de ‘moribunda’ en haar ouders – <390> een ruige ‘majoor b.d.’ en een frêle moedertje dat zich schuldig voelt voor de ziekte van haar dochter – aandienen om de dankbetuigingen in ontvangst te nemen. <391> De majoorsvrouw is met name dankbaar voor de ‘keurige, onbetekenende flirt’ die de beide neven het meisje in extremis hebben bezorgd. Zij spreekt het woord ‘flirt’ verkeerd uit en dat irriteert Hans Castorp. <392> Maar dat verhindert hem niet zich tevreden te voelen over zijn actie, een tevredenheid die zich uitkristalliseert in het samenspannen van twee indrukken: de geur van vochtige aarde in de bloemenwinkel en het wakke handje van Leila – ofte bloei en bederf. Het volgende slachtoffer is de twintigjarige zakenman Fritz Rotbein. Ook hij wordt op bloemen vergast. <393> Rotbein bekijkt alles commercieel: niet alleen is er de internationale bloemenhandel, hij vraagt zich zelfs af of een laatste operatie rendabel zal zijn. <394> Een paar dagen later zijn zowel Gerngrosz, die dus nooit groot zal worden, en Rotbein dood. Men went aan de aanblik van kamers die opgeruimd en ontsmet worden. <395> Behrens neemt Hans Castorp mee naar de <396> met zuurstof ‘overvulde’ mevrouw Zimmermann, die zeer graag lacht maar boezem en benen niet stil kan houden. <397> Ze was in Zürich door een plaatselijke arts te gul bijgetankt. <398> Er volgen nog meer bezoeken en de neven worden de Samaritanen genoemd. Dit zeer tot bezorgdheid van Settembrini, die Hans Castorp <399> een ‘zorgenkind des levens’ noemt en waarschuwt: ‘laat de doden de doden begraven’. Maar Hans Castorp is niet van plan zich hierdoor te laten ontmoedigen en zet zijn filantropische ronde langs de moribundi voort. De volgende is Lauro, de overblijvende zoon van de Mexicaanse Tous-les-deux. <400> Hij bedankt de Samaritanen uitermate uitbundig voor de ontvangen bloemen. Een beetje te uitbundig zelfs. Beter bevalt het de neven bij Anton Karlowitsch Ferge. <401> Hij vertelt over zijn pijnlijke en mislukte operatie. Opnieuw heet het ‘onbeschrijflijk’ te zijn – waarna alweer een beschrijving volgt. <402> Bij leven was de Peterburger Ferge een brandverzekeringsagent. Hans Castorp is opgezet met de feitelijke informatie die Ferge geeft over zijn talrijke reizen door Rusland – <403> zeker als het gaat over de Kaukasische gebieden. Hans Castorp en Joachim bezoeken ook de veertienjarige Teddy en mevrouw Nathalie von Mallinckrodt, <404> die, door iedereen – man en minnaar – verlaten, moedig haar vreselijke eczeemlot torst. <405> Hans Castorp verschaft mevrouw von Mallinckrodt verpleegkundige diensten en schept daarin ‘een zeker steels genoegen’ omdat noch Joachim noch Settembrini er iets kunnen tegen inbrengen. De neven ontfermen zich ook over de ‘externe’ negentienjarige patiënte Karen Karstedt. <406> Gedrieën gaan ze naar de wintersporten kijken <407> waar ze zich mengen onder een internationaal gezelschap. <408> Ze gaan ook kijken naar de bobsleebaan die, zo herinnert Hans Castorp zich, wordt gebruikt om de lijken uit het hoger gelegen sanatorium naar het dal te transporteren. En ze gaan naar de cinema <409> waar ze een film zien, ‘vervaardigd vanuit een sympathetische vertrouwdheid met de geheime wensen der kijklustigen’. Wat Mann van het nieuwe medium denkt, moge blijken uit het feit dat hij de domme mevrouw Stöhr, ook in de zaal aanwezig, van de film laat genieten. <410> In de film, zo laat Mann niet na te melden, is de tijd door de opeenvolging van opnames in fracties versnipperd – terwijl door de inhoud (van het gefilmde nieuwsbulletin met zich in het verleden situerende feiten van over de hele wereld) ook de ruimte is tenietgedaan. <411> Samen met mevrouw Stöhr bezoeken de neven nog het café van het Kurhaus. <412> Volgens mevrouw Stöhr gaat Hans Castorp maar om met Karen Karstedt bij wijze van surrogaat voor Clawdia Chauchat, die hij niet weet te benaderen. Hans Castorp beseft wel dat het zo is, maar zijn ‘caritatieve ondernemingen’ hebben toch ook een ‘doel in zich zelf’. <413> Op een dag wandelen ze naar het kerkhof, <414> dat stil is en ondergesneeuwd. <415> De beide neven laten Karen voorgaan – het werkwoord heeft hier duidelijk een dubbele betekenis. De bewoners, die hier ‘voorgoed tot de horizontale bestaansvorm (zijn) ingekeerd’, zijn over het algemeen jong en komen uit alle windstreken.

Walpurgisnacht

<416> Samen met Settembrini wordt vooruitgeblikt op het vastenavondfeest. <417> Hans Castorp wijdt enkele beschouwingen aan de opdeling van het jaar door de cesuren die worden aangebracht door de feesten en bijzondere momenten in de aarde-omwenteling. <418> Carnaval wordt nogal kinderachtig gevierd met ‘schertsblaasinstrumenten’, papieren hoofddeksels en serpentines. (Maar we zijn nog niet zover; verteller Mann expliciteert even dat hij niet op de feiten vooruit wenst te lopen en hij temporiseert; hij laat ‘de tijd alle eer, die hem toekomt’ – hij streeft er met andere woorden na het verstrijken van de tijd ook in het verstrijken van zijn verhaal te weerspiegelen.) <419> Tijdens het feestgedruis bezorgt Settembrini Hans Castorp een handgeschreven waarschuwing: ‘Betoverd is de berg vandaag (…) wijst straks een dwaallicht u de weg, dan moet u dat zo nauw niet nemen.’ <420> De boodschap is met potlood geschreven en Hans Castorp zoekt er nu ook een om een antwoord te schrijven – maar hij vindt er geen en overweegt, terugdenkend aan zijn vraag om een potlood bij Hippe destijds en aangedreven door associaties, om er een aan Clawdia Chauchat te vragen. Maar hij laat zijn plan varen, al te zeer heeft Clawdia Chauchats japon met blote armen hem geïmponeerd. <421> Een aantal gasten hebben zich verkleed, sommigen in travestie. <422> Mevrouw Stöhr kiest, zeer toepasselijk, voor een vermomming als poetsvrouw. <423> Mevrouw Iltis en meneer Albin komen binnen, verkleed als thermometer en ‘blauwe Hein’. <424> Settembrini, die met zijn geschreven opmerkingen tot nog toe voor koor speelde, vindt het allemaal niet zo prettig en heeft met name niet graag dat Hans Castorp hem tutoyeert. <425> Maar Hans verdedigt zich en neemt, al enigszins op temperatuur door het mengsel van champagne en bourgogne, de gelegenheid te baat om Settembrini te bedanken voor zijn nu al zeven maanden durende begeleiding. <426> Settembrini vindt dat het als een afscheid klinkt. Ze gaan naar de pianokamer, waar Behrens, uitgedost met een fez, een ‘vastenavondspunch’ serveert. <427> Ook Krokowski is van de partij. Behrens tekent met gesloten ogen een varkentje. Het is er eentje met spleetoogjes! <428> Iedereen wil hem dat nadoen maar niemand slaagt erin. <429> Hans Castorp wil uiteraard niet onderdoen. In zijn zoektocht naar een potlood komt hij oog in oog met Clawdia Chauchat te staan en – Settembrini kan hem niet meer tegenhouden – vraagt haar een potlood. <430> Deze vraag gaat gepaard met een fysiologische overreactie, die bij ‘de blootarmige zieke’ niet op begrip of medelijden kan rekenen. Integendeel, ze weet heel goed wat er gebeurt en drijft de spot met hem. Ze haalt een sierpotloodje tevoorschijn, dat niet zo handig lijkt als dat van, indertijd, Hippe. <431> Na een aarzeling overhandigt zij het potlood. Hans Castorp nodigt haar uit om ook blindelings een varkentje te tekenen. <432> Maar men is al met dansen begonnen. <433> Clawdia Chauchat wordt door Hans Castorp ten dans genood maar begint, in het Frans, over de Duitse volksaard: ‘Vous aimez l’ordre plus que la liberté, toute l’Europe le sait.’ Hans Castorp vraagt zich af wat dat woord ‘aimer’ wil zeggen. Hij verneemt van Clawdia Chauchat dat Joachim ernstiger ziek is dan hij het dacht. <434> Hans Castorp looft de wijze waarop Behrens op zijn schilderij Clawdia Chauchats huid heeft weergegeven. Ze kijken naar het spektakel van de dansende carnavalsvierders. <435> Hans Castorp slaat al meteen aan het mijmeren: hoe zalig het is om naast Clawdia Chauchat te zitten dromen, een eeuwigheidsmoment te beleven in het nu. <436> Haar aankondiging van haar nakende vertrek komt dan ook wat bruusk aan. <437> Ze wisselen gegevens uit over hun gezondheidstoestand. Hans Castorp overdrijft een beetje. <438> Clawdia Chauchat weet dat Joachim niet lang meer te leven heeft. <439> Hans Castorp zou graag haar ‘portrait intérieur’ zien. Clawdia Chauchat vertelt over de gesprekken die ze met de zieke Rus in het dorp voert. Ze spreken onder andere over moraal. Mevrouw Chauchat verkiest een gevaarlijke moraal die geboren wordt uit een omgang met het kwaad boven een principiële moraal die vanuit de rede voorschrijft wat goed is. <440> Zij ziet in Hans Castorp een burgerlijke type (‘tu es un petit bonhomme convenable’), dat tot een dergelijke moraal niet in staat is. Hij verdedigt zich: hij zegt niet van plan te zijn ooit ‘vous’ tegen haar te zeggen. Die beleefdheidsvorm is toch maar een pedant formalisme. <441> Clawdia Chauchat tot Hans Castorp: nu spreek je als in een droom, maar straks keer je terug tot de burgerlijke werkelijkheid en naar het laagland, waar je je plicht zult opnemen en volledig zult vergeten wat je hier hebt beleefd. Hans Castorp spreekt haar tegen en bekent haar zijn liefde. En hij claimt een avontuurlijk bestaan: ‘l’amour n’est rien, s’il n’est pas de la folie (…) une aventure dans le mal’. <442> Hans Castorp knielt nu voor Clawdia Chauchat. Gelukkig dat iedereen al vertrokken is. En hij steekt een bijzonder bewerkelijke speech af over lichaam, liefde en dood waarin echo’s weerklinken van de esthetische beschouwingen aangaande de lichamelijke schoonheid die in het atelier van Behrens hebben weerklonken. <443> Clawdia Chauchat zet Hans Castorp de zotskap op en verlaat de zaal, niet zonder hem te hebben gevraagd haar het potloodje terug te geven.