maandag 26 april 2010

dienstmededeling

Er is wat onregelmaat in het aanvullen van deze blog. Dat heeft alles te maken met de werkdruk die gepaard gaat met het afwerken van het boek Brugs groen. Stad en ommeland, dat eind september verschijnt en waarvoor ondergetekende tekst en foto's heeft gemaakt, en nu ook de samenstelling en vormgeving in goede banen helpt leiden.

dinsdag 20 april 2010

de dingen 24

110/365

terugblik 40 (620/1000)

Deze foto is interessant omwille van de relatie tussen het beeld en de emotie waarvan het beeld een vertaling zou zijn. Iemand die mij heel goed kent wees mij erop: die foto zegt iets over hoe jij je toen voelde. Ik kon dat niet ontkennen: de vroege winter van 2005 was bepaald geen glorietijd. Ik stond heel erg open, toen, voor dorre bladeren die in een garagebox op een hoop gewaaid waren. Ik zág die bladeren en in de garage zag ik een doodlopend straatje. Maar had ik daarom deze foto gemaakt – omdat ik met dat beeld iets zou hebben willen uitdrukken? Of, horresco referens, iets van mijzelf herkende?

Het tot stand komen van de relatie tussen beeld en emotie werkt in twee richtingen. Eerst de meest voor de hand liggende: de emotie zoekt een uitweg en vindt in een beeld een geschikte vertaling. Dat beeld kan dan best eenduidig en duidelijk zijn. Het is evident dat het gevaar van het cliché hier levensgroot is. We staan in de posterwinkel tussen de wenende clowns, de Camarguepaardenkuddes die – het water spat hoog op – door een plas lopen, de bleke portretten van wuft en schaars geklede meisjes waarvan de randen (van het portret, niet van de meisjes) wazig zijn gemaakt met technieken die van voor het photoshoptijdperk dateren. Kitsch.

De tweede, omgekeerde, richting is interessanter: het beeld is geen vertaling van de emotie, neen, de emotie herkent zich in een beeld dat niet door haar is gekozen. Als het beeld al een vertaling is van de emotie, dan is die vertaling op een onbewuste manier tot stand gekomen.

Zo is het hier gegaan. Hoewel de foto vierenhalf jaar geleden is gemaakt, herinner ik mij het moment nog haarfijn. Ik stapte op het voetpad, zag de garage met de bladeren, vond dat, terwijl ik verder stapte, om de een of andere reden eigenaardig, keerde op mijn stappen terug, nam de foto, ging weer verder en vergat wat ik had gedaan. Toen ik een dag of twee later de foto op mijn scherm zag, besloot ik hem te bewaren. Niet omdat ik vond dat hij mijn gemoedsgesteldheid van die dagen uitbeeldde of vertaalde of uitdrukte of hoe moet ik het zeggen?, maar gewoon omdat ik het een goede foto vond – al heb ik toen zeker niet uitdrukkelijk voor mezelf geëxpliciteerd waarom. Alles bleef – zoals zo vaak – een grotendeels onbewust proces, dat meer met voelen dan met denken of weten te maken heeft.

Overigens is het iets bizars: de behoefte om emoties tot uitdrukking te brengen. Het is een behoefte die mij in grote mate vreemd is. Ik voelde mij toen overigens in die mate niet in mijn sas, dat ik mij allesbehalve met het vertalen van emoties bezighield.

Met betrekking tot deze foto is de associatie tussen beeld en gevoel er pas later gekomen, en dan nog niet eens, zoals ik al stelde door mijn eigen toedoen.

2111 / Weimar-Mariënbad 31/73

Jelenia Góra – 100408

maandag 19 april 2010

109/365

39 * 26,52 * 39

Ik verlaat de stad langs de Boeveriepoort. Via Stokvelde bereik ik Loppem. Onder de flitspaal door die me onlangs een boete van 50 euro aansmeerde omdat ik er 58 per uur reed in plaats van de toegestane 50, rijd ik met een gezapige en geenszins Gilbertiaanse vaart van 27 richting Ruddervoorde. De hele tijd staat er een lichte noorderwind in de rug. In Ruddervoorde zie ik dat het crematorium verhuisd is. Aan het kruispunt met de Kortrijkse Baan stop ik om een foto te maken van de Fun-opslagplaats. In Hertsberge worden de nadarafsluitingen, die er voor, blijkens de opschriften en affiches, een loopwedstrijden waren geplaatst, opgeruimd. Via het kasteel van Driekoningen en de spooroverweg bereik ik het kanaal van Brugge naar Gent. Ter hoogte van het Lappersfort besef ik dat ik alles bij elkaar niet zoveel heb om in dit verslagje op te nemen. Dan gebeurt het dat ik in de linkerberm van het smalle kanaalpad een koppel wilde eenden opmerk. Achter mij hoor ik een auto met hoge snelheid naderen. Terwijl ik voor mij uit blijf kijken, maan ik met mijn linkerhand door deze op en neer te bewegen de autobestuurder tot snelheidsmatiging aan. Ik wijs ook nog naar de eenden. Het mag niet baten. De man, natuurlijk een man, steekt mij voorbij met een snelheid die je op deze plaats bezwaarlijk veilig kunt noemen, en hij schept het mannetje van het eendenkoppel – eenden winnen maar moeizaam hoogte – voluit met zijn motorkap. Het beest wordt – de veren vliegen in het rond – omhoog gekatapulteerd, slaat zijn vleugels uit en tuimelt wentelend en zwiepend het kanaal in. Waar hij naast het wijfje landt. Het dier blijft drijven maar ik weet dat het een lange en wellicht pijnlijke doodstrijd wacht. De man raast intussen met onverminderde snelheid verder. Op het einde van het jaagpad moet hij wachten om de ring rond Brugge op te draaien. Hij moet daar zo lang wachten dat ik hem inhaal. Ik kan het niet laten en roep de jongeman door zijn opengedraaide ruitje toe dat ik nochtans teken had gedaan en dat hij veel te snel reed. Hij reageert woedend, begint te claxonneren, schreeuwt me toe dat ik terug moet komen, of durf ik niet misschien? Waarom zou ik. Ik fiets verder, maar besef dat deze kerel in staat zou zijn om mij, indien de omstandigheden hem dat zouden toelaten, te achtervolgen en mogelijk zelfs aan te vallen.

winkelwagenblues 20

dag 961 – 100403 – zaterdag

baraque lecture 62

In ‘De vonk van het unieke menselijke brein’, het in memoriam dat Jeroen Brouwers in De schemer daalt (2005), de zevende aflevering van zijn Feuilletons, wijdde aan Freddy de Vree, staat diens meest kenmerkende fysieke karakteristiek heel kies niet, of dan toch slechts zijdelings, vermeld: de zeer onaangename stem van de nochtans decennia lang radiomaker geweest zijnde Vlaamse cultuurcoryfee (1939-2004). De Vree was inderdaad gezegend met een scherp, hoog, snierend timbre, dat bepaald afstak tegen zijn machoverschijning – forse bouw, zich aan geen rookverbod storende filtersigaretten, opzichtig metalen pilootbrilframe, paarse pink poet-hemden waarvan de bovenste knopen niet dichtgemaakt waren zodat behalve het borsthaar ook de wufte halsketting zichtbaar bleven – Brouwers beschrijft het allemaal beter dan ik het hier probeer te doen. Ik parafraseer overigens niet Brouwers maar put uit mijn herinnering want ik heb Freddy de Vree één keer ontmoet. Nuja, ontmoet – ik denk niet dat de indruk die ik op hem gemaakt heb hem langer dan tien minuten is bijgebleven, en ikzelf was bepaald ook niet gesmolten van warme en onvoorwaardelijke aanbidding. Ik vond hem hoogst onsympathiek. En ja, los daarvan was dat stemgeluid alleen al meteen een afknapper.

Het is bij die ene ontmoeting gebleven, het was op een vergadering van het inmiddels al vele jaren geleden ter ziele gegane maandblad Kunst & Cultuur waarvan ik een jaar of vier de eindredacteur was. De hoofdredacteur was Frans Boenders, uit dezelfde BRT 3-stal waar ook De Vree voor werkte. Nu lees ik namen in het in memoriam van Brouwers die ik toen ook elke maand in het colofon van het periodiek moest bijpennen: de zaak hing aan mekaar van de relaties. Vriendendiensten en, mutatis mutandis, uitsluitingen en banvloeken bepaalden wie in die bepaalde kring koosjer en oorbaar was of door de beugel kan c.q. onvoorwaardelijk op handen werd gedragen – en ik was in dat hele spelletje niet veel méér dan een timide letterknecht. Maar ik zág het wel gebeuren, allemaal, en ik kan met de hand op het hart zeggen dat ik me nooit heb geëncanailleerd.

Het is mooi van Brouwers dat hij in zijn portret van De Vree niet expliciet melding maakt van het weinig fraaie stemgeluid. Hij vertelt enkel een anekdote over de coryfee die met ‘snijdend stemgeluid’ scheldend een Antwerps antiquariaat verlaat omdat hij er door de winkeljuffrouw niet was herkend. De tweede vermelding, nog implicieter maar daarom niet minder doeltreffend, staat in de voorlaatste alinea. Freddy de Vree, of juister, wat van Freddy de Vree restte, is ten grave gedragen op het Schoonselhofse ereperk en Brouwers maakt de overweging dat hij vele van de kunstenaars die daar rusten persoonlijk heeft gekend, ‘soms hoor ik hun stemmen nog’.

Het laatste zinnetje van die alinea is meteen de titel van Brouwers’ boek waarin dit in memoriam staat: het zijn drie veelzeggende, stil uitgesproken woorden.

2110 / Weimar-Mariënbad 29/73

Görlitz – 100408

2109 / Weimar-Mariënbad 23/73

Dresden – 100407

2108 / Weimar-Mariënbad 20/73

Dresden – 100407

zaterdag 17 april 2010

106/365

105/365

H.

104/365

dag 952 – 100325 – donderdag

Ik keek daarnet naar buiten: in het park kroop een man uit zijn tentje, hij nam een paar foto's van zichzelf en het kleine tentje en op de achtergrond de huizenrij – uit een van de ramen keek een man naar hem, maar dat zag hij niet –, dan at hij een appelsien, en nu is hij zijn boeltje aan het opkramen. Ik dacht: hoe ziet die man tegen zijn dag, tegen Brugge, tegen het leven aan – en ik wou dat het een vrijdag was, of een vrije dag, want dan zou ik hem zeker een kop koffie hebben aangeboden.

2104 / Weimar-Mariënbad 11/73

Weimar, Nietzsche-Archiv – 100406

2103 / Weimar-Mariënbad 10/73

Weimar – 100406

2102 / Weimar-Mariënbad 9/73

Weimar, Universiteitsbibliotheek – 100406

vrijdag 16 april 2010

103/365

102/365

101/365

100/365

getekend 29

dag 951 – 100324 – woensdag

Hoe werkt het geheugen? Hoe werkt het als je je van alle zinnen en woorden die je de vorige dag hebt gehoord bij het ontwaken plots die ene woordcombinatie – vanmorgen was het de truttige uitdrukking ‘best practices’ – voor de geest haalt, zonder enige aanleiding? Het is daar blijven hangen. Ja, je herinnert je dat je er een half etmaal eerder even bij hebt stilgestaan – in tegenstelling tot al die andere woorden en zinnen waar je niet meer dan een onbedachtzame aandacht hebt besteed –: ‘Waarom moet dat in het Engels?’, maar dat was echt niet een uitgesproken, veeleer zelf ook al een half onbewuste gedachte. Zeker niet genoeg om net die ene uitdrukking uit de vergetelheid te redden waarin inmiddels ongeveer al het andere van gisteren is weggezonken. Hoe werkt het geheugen als daarin van alle muziek die twee dagen eerder op je iTunes en iPod is voorbijgekomen net die ene flard resoneert – opnieuw bij het ontwaken en opnieuw zonder enige aanleiding? Het is een stuk melodie, je denkt ook muzikaal, blijkbaar. Het is blijven haken, en dit keer niet omdat je het bewuster dan de rest hebt beluisterd. Maar er moet een affect of zo aan blijven hangen zijn, een associatie – en het heeft vaak een positieve weerklank als zoiets gebeurt. Het is heel vaag, en het is zo weer weg. Maar het komt in de loop van de dag nog wel een paar keer terug – om dan weer voorgoed te verdwijnen. Ja, het gaat om muziek van twee dagen geleden: muziek heeft, in tegenstelling tot taal, een bezinktijd van 48 uur. Hoe werkt het geheugen als je, nu, met de lente en het begin van het wielerseizoen in het verschiet, af en toe, op gezette tijden, flarden voor je geestesoog ziet verschijnen van stukken van het traject waar je vroeger, tot een jaar of vijf geleden, zeer regelmatig ging fietsen? Niet het traject van de voorbije vijf jaar, vreemd genoeg. Het zijn stukken van de wegen in de buurt van de Damse Vaart tussen de Siphon en Donk, nu eens het ene en dan weer het andere – plekken in elk geval waar je alleen bij het fietsen kwam, en het is alsof in dat herinneren een verlangen wordt uitgedrukt om die plekken terug te zien, fietsend, en dus om te fietsen. Hoe werkt het geheugen en waarom werkt het zoals het werkt? Waarom selecteert het op die manier? Op basis waarvan bepaalt het de intensiteit waarmee sommige zaken terugkeren en hoe wordt het tijdstip waarop dat gebeurt ‘uitgekozen’?

2101 / Weimar-Mariënbad 7/73

Weimar – 100406

2100 / Weimar-Mariënbad 6/73

Weimar – 100406

2099 / Weimar-Mariënbad 5/73

Tussen Gotha en Erfurt – 100406

donderdag 15 april 2010

driekleur 21

Toen we die nacht, ik nog steeds slaapdronken, voor de tweede keer uit mijn slaap gerukt, uit de schuilkelder kwamen en weer op straat stonden, zagen we aan de horizon, aan de kant van de haven, vlammen tegen de zwarte hemel oplaaien. Geboeid keek ik naar het kleurenspel, naar het geel en rood van de vlammen die samenvloeiden en weer uiteengingen tegen de achtergrond van de donkere nachthemel.

W.G. Sebald citeert een getuige van de bombardementen op Hamburg tijdens de Tweede Wereldoorlog in De natuurlijke historie van de verwoesting, 94

getekend 28

2098 / Weimar-Mariënbad 4/73

Tüttleben – 100405