zondag 31 januari 2010

031/365

030/365

facebookbericht 214

staat ervan te kijken hoe goed blinden vaak hun plan kunnen trekken.

mijn woordenboek 244

AGRO-INDUSTRIE

Mon village en France van Henri Baudet, oorspronkelijk, in 1955, in het Nederlands geschreven en pas veertig jaar later in het Frans vertaald, gaat, zo blijkt nu ik het nog eens ter hand neem, over de Brie, een streek ten noordoosten van Parijs in de omgeving van Meaux. In mijn herinnering ging het over de nog wat meer naar het noordoosten gelegen Champagne, de streek waar je door rijdt op weg naar Bourgondië of het zuiden, op die eindeloze snelweg tussen Reims en Troyes, waar de op de paaltjes van het afsluitingshek naast de weg geposteerde buizerds en kraaien de enige afleiding vormen in het monotone landschap. Baudet heeft het over hoe de wereld in dit deel van Frankrijk de voorbije eeuw totaal is veranderd. Hij doet ons inzien dat dit landschap er niet altijd zo heeft uitgezien. Dat die eindeloze, licht golvende akkers met goudwuivend graan – die wij, gedachteloos als we zijn, geneigd zijn mooi te vinden – er niet altijd zijn geweest, evenmin als de reusachtige silo’s, de kathedralen van dit zielenloze land. Hun silhouet steekt af tegen gindse horizon waarboven de zon, die de hele dag genadeloos heeft gebrand, al rood wordt en ter kimme neigt.

Het gemengde landschap van hagen en struweel, vochtig weiland en bos, ingeslapen dorpjes waar het idyllische geklep van de klokken en de ooievaars zich vermengt met de metaalklanken die uit de smidse naar buiten waaien – dat is niet meer. Het is ten prooi gevallen aan de agro-industrie.

Er zijn veel dergelijke landschappen. En niet alleen buiten, in het land, maar ook – in metaforische zin – in onze winkels, in onze scholen, in onze kranten, in onze hoofden. De globalisering slaat toe op alle niveaus.

Vaak zien we het verlies niet omdat we niet eens meer weten wat we kwijt zijn. Een litteken, bijvoorbeeld in een landschap, maar ook in een aangezicht, wijst op een verloren volmaaktheid. We kunnen dat betreuren. Maar in bepaalde gevallen blijft van het origineel niets over en zien we niet alleen niet wát er verloren is gegaan maar ook niet dát er iets verloren is gegaan. Dat is een akelige vorm van onzichtbaarheid want het verlorene heeft geen verweer meer tegen de vergetelheid – het is op geen enkele manier nog aanwezig; het is van tafel geveegd; het is onder de mat geschoven.

Wij moeten daar rekening mee houden. Van Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere heb ik vele zaken onthouden, maar dit toch in het bijzonder: dat er een generatie op komst is die er geen idee van heeft dat er aan de agro-industrie een ambachtelijke landbouw voorafging, ontstaan en gegroeid en gehandhaafd op de schaal van het dorp en de familie. Dat het geen zin heeft om nostalgisch gewag te maken van verdwenen soorten als de vuursalamander en de tuinfluiter want voor onze ‘kids’ hebben die wezens evenveel realiteit als Darkwing Duck en Super Mario. Of eigenlijk minder.

Illustratie uit: La France. Géographie – Tourisme, II, Paris 1952

2032

zaterdag 30 januari 2010

terugblik 35 (544 / 1000)

Een openstaande deur die uitgeeft op de Cours Honoré d’Estienne d’Orves in Marseille. De brievenbussencollage wekt de nieuwsgierigheid. Een overvolle accrochage. Renaissance-prentenkabinetten. Je waagt je naar binnen. Hoeveel mensen wonen in deze woonblok? Vreemd klinkende namen op de bussen. Je zoekt naar een compositie. Naar een voorgrond. De trap en de leuning dienen zich aan. Veel meer is het niet. Maar het is veel: het vlak wordt ingedeeld, er is opeens een perspectief. Er is een derde dimensie. Maar het is niet genoeg. Dat voel je aan. Toch kadreer je en ben je klaar om af te drukken. Is het niets, soit. Wat geeft het? Zeker met digitaal. En dan komt het geschenk. Het komt snel en geruisloos de trap af. Dat was niet te voorzien: een zwarte panter. Elegant genoeg om het op zich wat verweesde linkerluik van je tableau in het totaalbeeld te betrekken. Nu gebeurt er overal iets. Het licht dat op de statische brievenbussen valt versus de zwarte beweging. Links en rechts, voor- en achtergrond die zich tot elkaar verhouden. De kat die zich neerwaarts naar de geopende deur spoedt. Langs de bussen, waarin al die geschiedenissen van al die mensen. De deur die uitgeeft op de Cours Honoré d’Estienne d’Orves in Marseille.

2031

Brugge, Station – 100118

vrijdag 29 januari 2010

029/365

facebookbericht 213

vraagt zich af wat ze bij Woestijnvis dachten over de afloop van De slimste mens.

dag 886 – 100118 – maandag

baraque lecture 46
Joe Speedboot is slechts ogenschijnlijk een adolescentenboek of een vederlichte roman. Het boek zet zo aan, al in de titel. En de eerste tientallen bladzijden ruiken naar jongensavontuur. De Vijf, of Piet Pienter en Bert Bibber. De avonturen van de Beverpatrouille. Jongens & Wetenschap. De fascinatie voor techniek. Pubers die een vliegtuig in elkaar knutselen! Maar gaandeweg neemt de diepgang over en uiteindelijk blijk je een gelaagd boek in handen te hebben dat de breedste registers opentrekt en waar je nog niet meteen mee klaar bent. En dat bovendien spannend, ontroerend, grappig en bijzonder goed geschreven is.

Tommy Wieringa raakt thema’s aan die ons allen aanbelangen. Conformisme, kunstenaarschap; de besloten gemeenschap van het dorp met zijn tradities en conventies tegenover de vernieuwingsimpulsen van buitenaf; het opportunisme van de liefde, de beperkingen van de vriendschap; de middelmaat van de grauwe massa tegenover de Messiaanse inspiraties van de helden die daaraan ontstijgen…

Een van de lijnen wordt uitgezet door het thema van het waarnemen en het zien. Fransje Hermans leest erover in zijn favoriete samoeraiboek. Fransje heeft daarom altijd zijn telescoop bij, en hij houdt een kauw, zijn ‘Ogen op Grote Hoogte’. Het avontuur met het vliegtuig, dat Joe Speedboot bouwt om de naakt zonnende mevrouw Ratzinger in haar tuin te kunnen bespieden, leidt nog tot een afgeleide, minderwaardige vorm van zien: het loutere waarnemen. Maar zien is méér dan waarnemen. Het komt er op aan écht te zien, door te dringen tot een kern achter de oppervlakkige verschijning van de dingen, tot hun echte, méér dan consumptieve waarde. Het gaat om gezien worden voor wat je waard bent, om erkenning. Dat genoegen weet Fransje, ondanks al zijn gebreken, te smaken – en dat gebeurt dankzij Joe Speedboot, een buitengewoon iemand, niet een ‘steler van het licht’, dat nodig is om te zien, maar een schenker van licht, een jongeman met uitstraling. Fransje wordt erkend als armworstelaar, maar ook als schrijver – ook al wordt hij maar door één persoon, het meisje PJ, gelezen.

Joe Speedboot is een voortreffelijke lofzang op het heldendom en op de zegeningen van het geloof in helden, een hartstochtelijk pleidooi tegen de middelmaat en het toegeven aan de neiging om in de eigen onvolkomenheden een excuus te vinden om niets te doen.

2030

Brussel, Leuvense Weg – 100127

donderdag 28 januari 2010

028/365

facebookbericht 212

verneemt - op facebook, zoals hij op facebook al veel zaken heeft vernomen - dat J.D. Salinger is overleden en grijpt daarom eens terug naar een tekstje dat hij een jaar of twee geleden over De vanger in het koren/The Catcher in the Rye schreef.

reactie

Gefeliciteerd met uw standpunt over het "schoolincident". Nu nog uw stem luider laten klinken dan enkel in deze blog. Als u het walgelijke laster vindt, die juridische sanctie verdient, hoe dan niet meer of niet minder dan een tegenbeweging op gang brengen...? Ik stel de vraag ook aan uw lezers.
GV

Knap stuk! Volledig akkoord.
HFJ

uit het nieuws

Hoewel het filmpje al van YouTube is verwijderd, kun je het op het internet nog altijd bekijken op nieuwssites, bijvoorbeeld die van de VRT. Een 57-jarige collegeleraar krijgt het na een uit de hand gelopen sneeuwballengevecht aan de stok met een leerling. Hij slaat de jongen in het aangezicht. ‘Zijn hand schoot uit,’ zouden sommigen vergoelijkend zeggen. Hoe het komt dat de man zijn zelfbeheersing verloor, heeft de moedige maker en publicist van dit filmpje niet duidelijk gemaakt – en we vernemen het ook niet in het televisiejournaal waarin dit faits divers het tot item heeft geschopt. De directeur van de school komt sussend aan het woord, een leraar getuigt dat het voortdurend gefilmd worden stress veroorzaakt, er wordt gezegd dat de ouders géén klacht zullen indienen – maar dat is voor de eindredacteur van het journaal allemaal geen reden, blijkbaar, om het filmpje niet te tonen. Integendeel, de slag – die, gezien de dikke wanten die de man draagt, meer heeft van een aai dan van een boks – krijgen we tot drie keer toe te zien. Het kan ook vier keer zijn geweest.

Het publiek maken van dit soort laster zou strafbaar moeten worden gemaakt, en als het dat al is, dan zou het ook effectief moeten worden bestraft. De kerel die het filmpje op het internet plaatste, zou moeten worden bestraft. De VRT zou moeten gestraft worden. Zeker ook omdat zij het filmpje ook na het verwijderen van YouTube op haar website laat staan.

Ik walg van dit soort toestanden. We hebben voortdurend de mond vol van privacy en zo, en we lijken onszelf daarbij altijd erg belangrijk te vinden. Maar als iemands leven wordt verwoest door deze moderne versie van de schandpaal – waar deze leraar wellicht zeer ten onrechte aan wordt vastgebonden –, dan kunnen we er niet genoeg van krijgen. We bekijken het één keer, twee keer, drie keer en misschien nog wel een vierde keer en we heulen mee met de meute.

De journalist die het VRT-item van offscreencommentaar voorzag, had nog een aardige witz in petto. Hij stelde olijk dat de leraar na het incident ‘voorlopig aan de slag blijft’. Ook dat soort wansmakelijkheden zou strafbaar moeten worden gesteld. Blijkbaar heeft men ook op dat niveau – we spreken toch van journalistiek voor de openbare omroep – geen oog meer voor de morele draagwijdte van dat soort taaldemagogie. Of, erger nog, men maalt er niet meer om, dat perfide ironie de ‘objectieve’ verslaggeving kleurt en op die manier de vermenging van informatie en amusement tot norm helpt verheffen.

Wie goed het filmpje bekijkt, hoort hoe de ‘geslagen’ vijftienjarige de aanwezigheid van getuigen als argument gebruikt om zijn leraar te intimideren. Hij wijst ook naar de ‘cameraman’. Het is een veelzeggend gebaar. Het verraadt minstens dat hij zich bewust is van de aanwezigheid van een camera. Het is mogelijk genoeg om duidelijk te maken dat het hele incident is uitgelokt.

Wij moeten dat laatste niet uitsluiten. Ik hoop dat ze dat daar op de VRT ook eens beginnen te doen.

mijn woordenboek 243

AGRESSIVITEIT

Te veel is niet goed genoeg, een teveel is nooit goed. Te weinig ook niet, een tekort is nooit goed. Het teveel en het tekort leiden tot conflicten, en beide samen al helemaal.

Agressiviteit is een gevolg van frustratie, wordt gezegd. Maar frustratie, dat wijst op een tekort, op een ontzegd worden van iets, leidt op zichzelf nog niet tot geweld. Want dan zouden we daar allemaal te veel mee bezig zijn, met geweld. Agressiviteit zie je vooral opduiken als er te veel mensen op een te kleine ruimte samen zijn. Dan gaat het behalve om wat ze te weinig hebben, ook om een tekort aan ruimte en lucht. Dan krijg je wat je krijgt als je te veel ratten in een te kleine doos propt. Je mag er nog een tredmolentje in plaatsen, het zal niet veel helpen: het duurt niet lang of ze vallen elkaar aan, bijten elkaar in de oren of de staart, vreten elkaar op.

Je ziet het in overvolle treinen, in te lange wachtrijen, in voetbalstadions. Bij de koopjesbakken tijdens de solden. Het is een gevolg van angst, benepenheid, ademnood. Geldingsgedrag, hebzucht. Haantjesgedrag.

Agressiviteit hoeft zich niet op een fysieke manier te uiten. Het kan natuurlijk ook verbaal. Terwijl strikt genomen ook binnenvetterij agressiviteit is – een tegen zichzelf gekeerde vorm. En ook bekrompenheid, intolerantie, onvriendelijkheid zijn vormen van agressiviteit. Angst, onvriendelijkheid en agressiviteit zetten, spijtig genoeg, steeds meer de toon in onze samenleving. Omdat we met te veel zijn. En te weinig tijd hebben. En mateloos zijn in wat we allemaal willen: te veel om op deze te beperkte ruimte op te sommen.

Te veel, te kort: precaire evenwichten raken verstoord. En daar komen brokken van. Te veel brokken, inderdaad.

2029

Brussel, Persstraat – 100125

facebookbericht 211

vindt ‘Indian Rezervation Blues and More’ wel een heel straffe driedubbele cd.

facebookbericht 210

zag een vrouw gapen en dan herkende hij, aan de sanseveria en het bleekgroene kleur, voor haar op het tafeltje opengevouwen en met de rug naar boven, De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst.

woensdag 27 januari 2010

027/365

foto in beeld: Edouard Wettstein, ca. 1935

facebookbericht 209

heeft een hekel aan gebakken lucht.

dag 884 – 100116 – zaterdag

An Olaerts kaart in een column over de zogenaamde gevaren voor de privacy die aan Facebook verbonden zijn en de algemeen nauwelijks als een bedreiging voor de privacy ervaren openbaarheid heel terecht aan dat men geneigd is te vergeten dat in die werkelijkheid de privacy constant en overal belaagd wordt. En overigens: wat is dat, privacy? Wat hebben wij te verbergen behalve banaliteit en schamelheid? Facebook biedt nu net de mogelijkheid om te verbergen – en is in die zin veel beter voor de privacy!

reactie

Kijk eens, in 2007 schrijft u dit over 1987. Nu, in 2010 denk ik aan mijn legerdienst in 1990. Nu kunnen we het in perspectief plaatsen; de koude oorlog is voorbij en de BSD liep leeg tot in 2002. Hadden we 20 jaar geleden geweten dat het met de legerdienst en vele kazernes zo zou eindigen (nl. opschorten resp. afbreken), we zouden héél content geweest zijn. Ik hoop dat ze u welgemeend bedankt hebben en uw inzet toch gewaardeerd hebben. Meestal kwamen ze niet verder dan dreigen en gebrul.
(Anoniem)

2028

Brugge, Station – 100118

dinsdag 26 januari 2010

026/365

facebookbericht 208

voelt zich altijd blij als hij naar 'De slimste mens ter wereld' heeft gekeken.

facebookbericht 207

zag hoe het meisje met de rode vingernagels en de zeer Engelse kop – met niet de haarkleur maar wel de ogen en de neus van die rosse Britse prinses wier naam mij nu ontsnapt – enkele blaadjes scherp geurende rucola uit haar tas haalde en verorberde, vervolgens een luidruchtige appel soldaat maakte, om ten slotte haar lectuur van de Duitstalige autobiografie Ausser Dienst van Helmut Schmidt voort te zetten.

facebookbericht 206

merkt dat hij ook in zijn dromen vaak aan de computer zit.

2027

Knokke, Scharpoord – 100125

maandag 25 januari 2010

025/365

getekend 21


facebookbericht 205

kocht net Van Bommel-schoenen en hoopt dat ze heel lang meegaan.

mijn woordenboek 242

AGNOSTICISME
Agnosticisme en atheïsme worden meestal, en uiteraard volkomen ten onrechte, tegen elkaar afgewogen. Dat lijkt mij het gevolg van een denkfout. Net zo min als kleurenblindheid iets te maken heeft met een eventuele voorkeur voor of afkeer van het fauvisme van Wouters of Gauguin (een kleurenblinde kan er net zo goed wel of niet van houden), of doofheid met een voorliefde of aversie voor de symfonieën van Beethoven (behalve misschien zijn laatste maar dan om extramuzikale redenen), of contactgestoordheid met een hang naar kouten aan een toog of fuiven in een feesttent of juist niet…– net zo min heeft ook de overtuiging dat er over een god of enig ander het menselijke tranendal transcenderend opperwezen niets te zeggen valt iets te maken met de stellige overtuiging dat iets dergelijks bestaat. Of niet bestaat. De agnost zegt enkel en alleen dat hij over de kwestie waarover de theïst en atheïst het hebben niets te zeggen heeft, dat hij zich aan dat debat onttrekt, dat hij daar eigenlijk niets mee te maken wenst te hebben. De consequente agnost verlaat het vertrek als twee of meer mensen er over God beginnen.

Ik weet over duivenmelken of macramé of polyfonie ook niets en dus zult u mij daarover niets horen zeggen. Over de schoenmakerij ook niet en dus ook niet over leesten. Ja, ik ben agnost – maar daarmee heb ik niets gezegd over het bestaan of het niet-bestaan van God of een god. Wat ik overigens een weinig interessante kwestie vindt. Er is genoeg transcendentie diesseits om mijn leven al zeven keer zinvol te vinden – en ik heb er maar één.

Het zal u zijn opgevallen, en mij ook trouwens, dat er in mijn voorbeelden enkele deficiënties opduiken. Dat is min of meer spontaan gebeurd, maar nu laat ik ze wel weloverwogen staan. Blind, doof, gestoord… Het lijkt wel op een gebrek te wijzen, over God niets te kunnen of te willen zeggen… Of zijn integendeel zij die het wel doen kierewiet, verdoofd (al dan niet door het opium dat de godsdienst voor het volk is), verblind eventueel? Vraag is alleen waardoor men verblind zou kunnen zijn? Door Gods goedertierenheid? Ik weet het niet, hoor. Als God bestaat, dan moet het een wezen zijn, een iets, een entiteit, die zelf veeleer deficiënt is: doof voor onze klachten, blind voor wat hij aanricht, op en top het noorden kwijt en vooral: contactgestoord en eenzaam.

Ja, dat geloof ik wel, die uitspraak wil ik over God wel maken. Dat, als hij bestaat, hij eenzaam moet zijn.

2026

Brugge, Scheepsdalelaan – 100122

zaterdag 23 januari 2010

dag 881 – 100113 – woensdag

Een van de (vele) goede dingen aan Omega minor van Paul Verhaeghen is dat deze roman – tja, ‘roman’, wat moet ik zeggen? – ons duidelijk maakt wat literaire kwaliteit is en misschien nog meer waarom literaire kwaliteit noodzakelijk is. Dat blijkt in dit meesterwerk. Of als het al geen meesterwerk is, dan is het toch zonder enige twijfel een van de belangrijkste boeken uit de hele 20ste-eeuwse Nederlandse literatuur.(*)

(*) Toevoeging van 100123.
Ik heb het boek uit. Ik trek het compliment – gedeeltelijk – in. Omega minor is géén meesterwerk want meesterwerken horen over de hele lijn geslaagd te zijn. Omega minor is ten dele mislukt. Maar zelfs in zijn onvolmaaktheid torent het in de Nederlandstalige, en zeker de Vlaamse, letteren hoog uit boven alle heimat- en magisch-realistische literatuur, alle zogenaamd maatschappijkritische verhalen waarmee mijn generatie op school werd platgeslagen – met een totaal vertekend zicht op wat literatuur echt kan zijn tot gevolg, en alle bekroonde en bejubelde navelstaarderij en familiedramaatjes van de afgelopen vijfentwintig jaar. Het komt, wat mij betreft, op gelijke hoogte te staan met ambitieuze ondernemingen zoals Het verdriet van België of, veel meer nog, De ontdekking van de hemel (waarmee het qua opzet misschien nog het meest verwant is maar waaraan het stilistisch superieur is).

Natuurlijk is het zo dat het onderwerp ‘holocaust’ platgeschreven is. Natuurlijk is het zo dat Paul Verhaeghen zich daar hyperbewust van is. Natuurlijk is het zo dat Paul Verhaeghen zich bovendien bewust is van het feit dat hij als ‘niet-overlever’ onmiddellijk zal vergeleken worden met schrijvers die het wél hebben meegemaakt: Konrád, Kertész, Semprun, Levi en nog een aantal anderen. Heeft hij wel het récht om daarover te schrijven? Natuurlijk is het zo dat hij een hyperbesef heeft van het feit dat het ronduit dodelijk zou zijn om zich met clichés te vergrijpen aan deze onuitspreekbare geschiedenis.

Het moet op eieren lopen geweest zijn. Het getuigt bijna van overmoed. Maar het is toch vooral: moed. En: Verhaeghen heeft op het moment dat hij aan de schier ondraaglijke bladzijden begint waarin hij over de ultieme verschrikking vertelt al zoveel krediet opgebouwd, dat je bereid bent om van hem veel te aanvaarden. Zelfs dat hij als buitenstaander het heilige huisje van de holocaust aanpakt.

Het vraagstuk ‘Hoe over de holocaust schrijven na Levi c.s.?’ wordt trouwens door Verhaeghen expliciet als een van de thema’s van het boek uitgewerkt.

Verhaeghen schrijft nergens afstandelijk maar wordt ook niet sentimenteel. Hij schrijft objectief maar toch ook niet ongevoelig. Hij communiceert vreselijke emoties maar schuwt het effectbejag. Enkele keren nadert hij de grens. Maar deze overschrijden, neen, dat doet hij volgens mij nooit.

Het vernieuwende dat Verhaeghen aan de al talloze malen beschreven holocaustgeschiedschrijving toevoegt, is – zeer gewaagd – dat de geschiedschrijving zelf natuurlijk allang geen onaangetaste discipline meer is. Elke geschiedschrijving vertrekt vanuit een beperkt perspectief en, zegt Verhaeghen, wat we het meest missen in de verhalen van onder meer Primo Levi, dat is een genuanceerdere kijk op het morele gehalte van de Duitsers en van het Joodse volk. De Duitsers waren niet onvermengd slecht, de Joden waren niet onvermengd goed. Die zwart-witopdeling haalt Verhaeghen uit de officiële en quasi geïnstitutionaliseerde holocaustliteratuur, hoe groot ook haar verdiensten mogen zijn.

2024 / Parijs 41/43

vrijdag 22 januari 2010

022/365

facebookbericht 204

observeert het onhandige gefladder en geflapper en geklapwiek van het duivenstel dat in de boom voor zijn raam probeert te copuleren en realiseert zich dat het verdomd moeilijk moet zijn om zonder handen te vrijen en vraagt zich tegelijk ook af waarom ze het per se op een tak willen doen.

reactie

reactie op facebookbericht 203

"Tijd is een rivier, een niet te stuiten stroming van al het geschapene. Het ene is niet eerder zichtbaar dan op het moment dat het snel voorbij wordt gesleurd en het andere komt eraan drijven om op zijn beurt weer te worden weggeveegd."
Marcus Aurelius (121-180)
Louis S.

@Louis: dank je voor de quote - natuurlijk is de idee van tijd als een rivier niet iets wat Sebald heeft uitgevonden; het ging mij eigenlijk vooral over de verwantschap van de sferen in Austerlitz en in het liedje: Sebald lijkt me goed bij Spinvis te passen

Zelfs Harry Mulisch vergeleek in De Aanslag tijd met een rivier...
Anne B.

Belegen metafoor, feitelijk
Louis S.

@Louis: belegen kaas kan bijzonder lekker zijn en originaliteit garandeert niet altijd kwaliteit

Zeker, al is 'belegen kaas' natuurlijk ook weer een lastige metafoor. Oud brood is niet te vreten. Maar je hebt gelijk: originaliteit garandeert niets. Maar rivieren vergelijken met tijd: ik zou het niet snel meer doen.
Louis S.

de tekst is een vertaling/bewerking van een gedicht van gust gils (als ik mij niet vergis)
Jeroen de P.

facebookbericht 203

vraagt zich af of Spinvis de inspiratie voor ‘Aan de oevers van de tijd’ misschien bij W.G. Sebald vond, die zijn Austerlitz de tijd met een rivier laat vergelijken: ‘Maar wat zijn zo gezien de oevers van de tijd?’ (Austerlitz, 116)

driekleur 9

Die hadden hun wonderbaarlijk kameleontische leven ontwikkeld in alle kleurschakeringen van het spectrum – kopergroen, scharlaken en realgar, zwavelachtig geel en fluweelzwart – in de rotskelken die elke dag tweemaal werden overstroomd door de vloed en omspoeld door lange bossen zeewier en vervolgens, als het water zakte, weer aan licht en lucht werden prijsgegeven.

W.G. Sebald, Austerlitz, 102-104

021/365

100121

dag 878 – 100110 – zondag

D. vertelt over een onwaarschijnlijk toeval tijdens een reis naar Vietnam. Dat was toen nog communistisch (is het dat nu nog?, ik weet het niet) en er werd nogal streng op toegezien dat iedereen op de luchthaven mooi achter de uitgezette lijnen in de rij bleef staan. Dat ligt niet in D’s aard en hij provoceerde op de een of andere manier de luchthavenautoriteiten (zoals dat dan heet, enfin, het ging om iets wat een uniform droeg) door ostentatief buiten de rij te treden om de verwant die hem stond op te wachten te begroeten. Onmiddellijk resultaat: D. werd opgeleid voor een volledige bagagecheck. Nu had D. uit het vaderland een stel videocassettes meegenomen met afleveringen van vaderlandse feuilletons, als soelaas voor het heimwee van zijn verwant in het verre Vietnam tot waar Canvas niet doordringt. Het ging om een onschuldige reeks – was het Terug naar Oosterdonk? Enfin, het doet er niet toe, het was alleszins geen staatsondermijnende propaganda. Die kerel haalde steekproefgewijs één videocassette uit het pak, spoelde hem door tot een willekeurig punt en stuitte op – uitgerekend! – de enige erotisch getinte vijftien seconden van de hele reeks. Het zag er niet goed uit voor D.: de Vietnamese autoriteiten zijn niet tuk op import van westerse pornografie! Gelukkig wist D. de man te overtuigen om nog een paar ‘steekproeven’ te doen. Het resultaat was voorspelbaar: er werd niets subversiefs meer aangetroffen en D. mocht, met een verwittiging, opnieuw in de rij gaan staan. Achter de lijn.

facebookbericht 202

heeft net zijn lectuur van Omega minor van Paul Verhaeghen afgerond en blijft een beetje beduusd/verbluft/geërgerd/verwonderd/verbaasd achter.

driekleur 8

Hun tongen trillen als vreemde vlinders in de nachtlucht en hun ogen zijn spleten in de gekoekte leem van hun gezichten, hun baarden druipen zwart en schraal als bokkensikken van hun kinnen, en in hun handen – hoe bevreemdend, hoe droomachtig – zwaaien geen geweren, maar glimmend naakte zwaarden, kaarsrecht en scherp, en karbonkels schitteren in het gevest. Zij dragen geen uniformen, maar kleurige lorren van wol en zijde – geel, blauw, rood, groen en – ondanks het stof en de wervelwinden van hun reis – oogverblindend wit.

Paul Verhaeghen, Omega minor, 566

2023 / Parijs 40/43

Parijs 39/43

donderdag 21 januari 2010

reactie

aggregatie
typisch : 't is ook nooit goed. Vroeger jammerden beginnende leerkrachten erover dat ze onvoorbereid voor de klassen, de leeuwen gegooid werden. Er werden dan ook belachelijke fouten gemaakt en ik spreek uit ervaring.
De vraag is : kan je leren lesgeven?
Enthousiasme voelen en overbrengen kan niet aangeleerd worden.Zeker niet. Wel kunnen een groot aantal methodes, knepen van het vak etc... wél bijgebracht worden en dat pedagogisch kunnen kan de inhoud uiteraard alleen maar ten goede komen. Het is niet verkeerd om over het lesgeven na te denken en de manier waarop je iets aanpakt. Soms maken beginnende leraars zeer stomme fouten die makkelijk vermeden kunnen worden. Anderzijds verstikt teveel administratie de inspiratie.
Toch denk ik dat je van een zinvol aggregatiejaar en een goede mentor veel kan opsteken.
S.

2022 / Parijs 38/43

woensdag 20 januari 2010

020/365

driekleur 7

Uit de donkere hemel boven de toren van de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal valt een sneeuwbui, en daarginds op de rivier waarover wij nu zo’n vierhonderd jaar later uitkijken, zei Austerlitz, vermaken de Antwerpenaars zich op het ijs, gewoon volk met aardkleurige kielen aan en voornamere personen met zwarte schoudermantels en witkanten plooikragen om hun hals. Op de voorgrond, dicht bij de rechterrand van het schilderij, is een dame ten val gekomen. Ze draagt een kanariegele jurk; de cavalier die zich bezorgd over haar heen buigt een rode, in het vale licht zeer opvallende broek.

W.G. Sebald, Austerlitz, 16-17

facebookbericht 201

is een gelukkig man want hij begint vanavond aan een herlectuur van een van zijn favoriete boeken.

mijn woordenboek 241

AGGREGATIE

Toen ik mijn universitaire studie afrondde, bestond de aggregatie nog niet in haar huidige vorm. Toen kon je nog met één of twee vakjes en een stageles of drie, een formaliteit dus, je bevoegdheid om te onderwijzen verwerven. Nu bestaat, als ik goed ben geïnformeerd, de aggregatie uit een volledig lesjaar, met meerdere vakken en een groot aantal af te leggen stage-uren met alle mogelijke verslagen en de hele administratieve rompslomp die er bij komt kijken. Daarmee wordt meteen impliciet gesuggereerd dat al wie zich vroeger zonder al die heisa aan het lesgeven begaf, er eigenlijk niets van kon terechtbrengen.

Ik ben daar uiteraard resoluut tegen. De aggregatie genaamde onderwijsregeling is voor mij slechts een van de vele vormen van regulitis waaraan ons onderwijs tegenwoordig ten onder gaat, en niet alleen het onderwijs maar alle instellingen en voorzieningen waar menselijkheid en spontane kwaliteiten zwaarder horen door te wegen dan de vaardigheid om op de juiste manier en met het juiste potlood de juiste formulieren in te vullen en deze op het juiste tijdstip aan de juiste instanties te bezorgen.

En dan maar hopen dat die instanties nog weten wie jij bent en waarmee je hen nu weer lastig valt.

Ik hoor dat steeds meer waardevolle onderwijskrachten uit het onderwijs stappen, of wensen te stappen, omdat ze die hele administratie niet zien zitten.

Ik hoor dat mensen die al dertig jaar en meer bewezen hebben dat ze werkelijk, in de ‘oude zin van het woord’, meester zijn, nu op de vingers worden getikt omdat ze niet met het juiste potlood, op die en die manier geslepen, op het juiste papier, enzovoort…

Ikzelf heb die aggregatie niet doorlopen, ook niet in haar toenmalige vorm. Daardoor beschikte ik nimmer over de bevoegdheid om te onderwijzen en ik heb daar wel eens spijt van gehad. Zeker toen ik, door professionele omstandigheden en de – als steeds – voornamelijk door het toeval gestuurde loop der dingen daartoe gedreven werd. Niet in het officiële onderwijssysteem, want dat kon dus niet, maar in een parallel circuit. Toen bleek immers dat ik het kon, meer nog, dat ik daar uitermate geschikt voor was en het bijzonder graag deed en nog altijd graag doe. Geaggregeerd of niet.

Afschaffen, die handel. Dus. Afschaffen, alles wat tot onnodige verdubbelingen, plichtplegingen, administratieve doekjes voor het bloeden, schijnmanoeuvres en zakkenvullerij leidt. Afschaffen het gesystematiseerde gebrek aan vertrouwen in het feit dat wie echt talent heeft wel zal uitvinden hoe hij het moet doen, en afschaffen het systeem dat aan wie dat talent niet heeft (maar wel het juiste potlood enzovoort…) de mogelijkheid biedt om een beroep uit te oefenen dat hij beter niet zou uitoefenen. Want dat is de indruk die wel eens zou kunnen ontstaan: dat het onderwijs wordt bevolkt door bureaucraten en niet door enthousiaste leerkrachten die eraan zijn begonnen uit roeping.

reactie

dit vind ik een zéér mooie blik doorheen het museum
bedankt
M-A

reactie

Humocover van deze week al gezien? Ze tastten de grenzen al af en ze konden blijkbaar nog verder…
A.

2021 / Parijs 37/43

dinsdag 19 januari 2010

019/365

facebookbericht 200

komt zwaar in de problemen met zijn tijd.

mijn woordenboek 240

AGENDA

Een agenda kan een handig instrument maar evengoed een meedogenloos wapen en, indien knullig achtergelaten, een spoor zijn dat delicten denuncieert. Wie er een dubbele of verborgen agenda op nahoudt, dreigt verstrikt te geraken in de vier- of zesdubbele logica van het op twee of meer moerassige fronten liegen en verdraaien van de waarheid of van meerdere waarheden; hij dreigt ten prooi te vallen aan de hinderlaag van de argwaan van de bedrogene; hij riskeert zijn hachje – een hoger goed al bij al dan wat hij met zijn geveins en gechipoteer vermocht te bereiken. Maar dat ziet hij uiteraard pas achteraf in.

En wat bereikt hij dan? Eén dwaze nacht of namiddag in het bed van een frivole freule bijvoorbeeld, een onhandige en onbevredigende sessie van gefriemel op de achterbank van een bedrijfswagen, inderhaast geparkeerd op een Lidl-parking tussen de adressen van twee klanten in die zich niet bewust zijn dat ze dienen als dekmantel of als dekmantel van een dekmantel.

Het vergt op de duur bijna een derde, of vierde, agenda om alle onzuiverheden en leugens en mogelijke vergissingen en onvermijdelijke hiaten en risico’s bij te houden. En de eventuele antwoorden op eventuele vragen. Het brein van de bedrieger draait op volle toeren, een vreemd soort adrenaline zorgt lange tijd voor een verbazingwekkende precisie in het parallel en simultaan veinzen en verlakken, maar uiteindelijk ligt er altijd wel een dwaze bananenschil te wachten tot hij, met zijn glanzende balschoenen nog aan en een slip van zijn overhemd uit zijn broek, terugkeert van deze of gene onnozeliteit die alles bij elkaar genomen beslist al dat gedonder niet waard kan genoemd worden.

De dubbele agenda is ook buiten de seksuele sfeer zeer nadrukkelijk aanwezig. Je kunt in managementkringen ervaren hoe onsympathiek het gebruik ervan is, op recepties van bobo’s en bedrijfsbonzen. Die mannen, en steeds meer ook vrouwen, ja misschien wel zeker de vrouwen die zich zodanig hebben opgewerkt dat ze geloven dat er nog een andere waarheid bestaat dan deze waaraan ze zich tot dan toe gehouden hebben, zeggen steevast ‘zus’ als ze ‘zo’ bedoelen, of misschien nóg iets anders want dat ‘zo’ dient slechts als afleidingsmanoeuvre en lokaas voor de dwazen. Ik ben altijd op mijn hoede in dat soort situaties, het komt mij altijd voor dat macht en onwaarheid, gewetenloze verleiding en bedrieglijke strategie zeer dicht bij elkaar liggen.

Eenvoudig gesteld: met een énkele agenda schop je het in die kringen niet ver. En daarin zijn de loopse echtbreker en de machtsgeile manager aan elkaar verwant: zijn nemen een loopje met de waarheid, die zich afwikkelt in een eenduidige en transparante chronologie, waarin tussen de afzonderlijke momenten geen speld te steken valt (zodat je ook geen steken kunt laten vallen).

2020 / Parijs 36/43

Parijs 35/43

Parijs 34/43

Parijs 33/43

maandag 18 januari 2010

018/365

reactie

Ik koop al 15 jaar geen humo meer, omdat ik de covers verschrikkelijk vind.
Wat de inhoud betreft, zal wel in dezelfde lijn liggen,... iets van vissen in de woestijn.
P.B.

dag 876 – 100108 – vrijdag

@S
Je hebt gelijk, natuurlijk. De Humocover van deze week is weerzinwekkend. Maar wat baat het dat te zeggen. Laat ons niet meer mediawatchen. De strijd tegen de macht van het geld is een verloren strijd. En niet alleen in de journalistiek. Er bestaan op het net voldoende alternatieve kanalen, vaak gevoed door onbezoldigde journalisten, om onze nieuwshonger op het indigestieve af te stillen.

reactie
“Juist, Pascal, maar het gaat hier niet over mijn nieuwshonger, wel over het impact van het blad op veel (jonge) mensen. En over de oneerlijkheid van dat blad. Het dubbele van Humo - en dat is altijd zo geweest. Ik herinner me een initiatief van jaren geleden: er zou een som geld gegeven worden aan ‘de lelijkste mens’ waarmee hij/ zij dan een operatie kon betalen. De voorwaarde was dat zij een verslag schreven over hun lelijkheid en de moeilijkheden die zij door hun ‘afzichtelijkheid’ ervaarden. Die teksten werden uiteraard gepubliceerd. (De winnares was iemand van Oostende.) Het was een weerzinwekkende bedoening, het was zo schrijnend en ik heb het Humo nooit vergeven.”
S.

2019 / Parijs 32/43

zondag 17 januari 2010

017/365

016/365

facebookbericht 199

vindt het wel een beetje stuitend dat in het tv-journaal veel meer aandacht wordt besteed aan de Belgen in Haïti dan aan de slachtoffers van de aardbeving.

2018 / Parijs 31/43

Parijs 30/43

Parijs 29/43

driekleur 6

Drie euro voor de venter van voor drie euro een roos, wit geel rood of zwart / verpakt in cellofaan, ongenood doorzichtig zijn schijnbewegen, etst knerpend / scherp, een kwartier van zilt en de kille pracht van verzaken aan spleen.

NoN, Waanwezig, 20

zaterdag 16 januari 2010

dag 875 – 100107 – donderdag

Ik was al niet zo enthousiast over Grijze zielen en over Het kleine meisje van meneer Linh ben ik het nog veel minder. Het is me een iets te simpel verhaal, geschreven in een iets te simplistische taal, met al te doorzichtige stijlmiddelen. Bovendien is het verhaal melig en loopt het uit op precies die gebeurtenis die je al een paar tientallen bladzijden op voorhand had vooruitgeschoven als de mogelijke ontknoping die je niet plausibel genoeg zou vinden. Waardoor je haar, hoe dramatisch ze ook is, met de grootste onverschilligheid over je heen laat komen.

Mijnheer Lenh is een vluchteling die wordt opgevangen in een land waar men een taal spreekt die hij niet begrijpt. Er schort nog iets meer aan zijn communicatievaardigheid. Hij heeft de hoede over zijn kleindochter, wier naam een homoniem is van sans dieu: Sang diü. Ook aan dat wezentje, dat opvallend rustig blijft onder de gebeurtenissen, scheelt wel iets.

Het was misschien een goed idee om een novelle te schrijven vanuit het standpunt van een aangespoelde, maar Claudel grijpt werkelijk alle mogelijkheden aan die in zijn register besloten liggen om de tegenstelling tussen ginds en hier zo scherp mogelijk te tekenen: warm/koud; junglegroen/Calaismiezergrijs; vriendelijke dorpsgenoten/norse stedelingen… Karikaturaler kan het nauwelijks.

En het is nog erger dan dat want veel meer dan die tegenstelling heeft Claudels novelle niet om het lijf. Meneer Linh wordt niet zo heus behandeld, hij belandt op een plaats waar hij niet graag is, hij verlaat die plaats, en… Nu ja, u leest het zelf maar als u wilt weten wat er met meneer Linh gebeurt. Mij interesseerde het op de duur niet meer omdat het mij enkel zou hebben kunnen interesseren indien de stijl mij daartoe zou hebben aangezet – zoals het nu eenmaal altijd gaat met romans: het thema mag razend interessant zijn, als de verpakking, en de strik rond de verpakking, niet overtuigen, dan kan de auteur maar beter andere vehikels zoeken om zijn boodschap over te brengen.

Neen, de stijl van Claudel is niet mijn ding. Een staccato aaneenschakeling van korte, franjeloze zinnetjes; nauwelijks een sprankelende vergelijking; buitengewoon clichématige beelden (‘ronddraaiende hijskranen’ zijn ‘ijzeren reigers’), die soms niet eens kloppen: ‘In de zachte bries schrijven de zwaluwen onzichtbare gedichten in de hemel.’

facebookbericht 198

'Das Jahrhundert Erreignis' stond er boven de ingang van de velodroom van Dortmund geafficheerd. En buiten deelden leden van een of andere fundamentalistische christensekte pamfletten uit om ons te waarschuwen voor de al te negatieve boodschap van The Wall. 't Is lang uit den boze geweest het goed te vinden, maar nu kan het weer. Geef toe, het is geweldig! (Met dank aan DLK voor de link.)

2017 / Parijs 28/43

vrijdag 15 januari 2010

015/365

driekleur 5

Hij spreekt de zorgvuldig gerepeteerde gevleugelde woorden voor het nageslacht (‘I am become Death, destroyer of worlds’), en op zijn notitieblok schetst hij, telkens en telkens weer, dansende Sjivaatjes, in zwarte en rode viltstift op het gele veld van het papier.

Paul Verhaeghen, Omega minor, 390

dag 873 – 100105 – dinsdag

Op de radio wordt een programma aangekondigd van Paul Jambers, vanavond in ‘Koppen’. De flitsende reporter bezoekt mensen die hij in 1980 heeft geïnterviewd toen ze in het laatste jaar van de humaniora zaten. Mensen van mijn generatie dus, en hij vroeg ze toen wat ze wilden worden en doen met hun leven. Dertig jaar later gaat hij zien wat ze ervan gebakken hebben. Dat is op zich natuurlijk een uitstekend idee en als ik het niet vergeet, wil ik vanavond wel eens kijken. Bovendien vind ik Paul Jambers een schitterende schertsfiguur waar je best wel mee kunt lachen, iemand die vast en zeker niet de hoogmoed heeft die hij voorwendt te hebben maar die integendeel zichzelf bijzonder goed weet te relativeren. Althans, zo stel ik mij hem graag voor.

Een vraagje in het interview dat de radiovrouw met Jambers had – aan de telefoon natuurlijk, want je denkt toch niet dat de heer Jambers zich zal verwaardigen om naar de studio te komen – viel mij op. ‘Kun je dan zeggen dat die mensen het gevoel hadden dat ze zich tegenover Paul Jambers moesten verantwoorden?’ Jambers bevestigt dat: hij heeft dat een paar keer gevoeld. Hij stelt onomwonden dat hij door zijn ontmoeting met die mensen dertig jaar geleden een ingrijpende invloed op hun levens heeft uitgeoefend. Alsof zij onder druk stonden om écht te doen wat zij aankondigden te zullen doen, want Jambers, en dus de televisie, en dus televisiekijkend Vlaanderen (Jambers had een drukbekeken – gelijknamig! – programma) ging later nog eens langskomen.

toevoeging van 100115: Ik heb het programma (in twee afleveringen) met veel plezier bekeken. Het was voortreffelijk gemaakt. Een goede keuze, perfecte dosering. Elke geïnterviewde (toen en nu) kreeg een tiental minuten. Er zaten een paar heel mooie rode draden en overstapjes in. De student filosofie die nu installaties om gas om te zetten in vloeistof (of omgekeerd) verkoopt aan verre buitenlanden zal me bijblijven. De gedesillusioneerde televisieregisseur ook. Dertig jaar ouder, en de onomkeerbaarheid van voorbije – al dan niet gelukte – levens: de dramatiek is onvermijdelijk en de empathie die je daarmee hebt al evenzeer want Jambers had het, onrechtstreeks, ook over je eigen leven natuurlijk, zeker omdat het om leeftijdgenoten ging.

facebookbericht 197

verlangt naar licht en warmte.

2016 / Parijs 27/43

Parijs 26/43