zaterdag 28 februari 2009

vrijdag 27 februari 2009

Dag 548 vVH&C

090215 en 090227 – Caro Diario van Nani Moretti bestaat uit drie delen. In het eerste rijdt het hoofdpersonage, vertolkt door Nani Moretti, met zijn brommertje door Rome. We kijken met de argeloosheid van iemand die alles voor de eerste keer ziet. Met die blik krijgen ook appartementsgebouwen, die je meestal niet ziet, een aparte schoonheid. Alleen al door de aandacht die eraan wordt besteed.

S. vertelt mij nadien dat deze vesparit een commentaar is op de slotsequentie van Fellini’s Roma. Daarin zien we een heel peloton motorrijders, het doet denken aan een cohorte Romeinse soldaten dat in slagorde door de stad paradeert. Ook daar is, net als bij Moretti, de stad opvallend leeg. Waardoor de aandacht voor de gebouwen en de monumenten danig wordt aangescherpt. Door het hectische verkeer zie je die dingen gewoon niet, je hebt het al druk genoeg met ervoor te zorgen dat je niet overhoop wordt gereden.

We vergezellen de man die op zijn vespa zijn stad herontdekt tot een eind buiten Rome, tot bij het braakliggende terrein aan de zee waar in 1975 Pasolini werd vermoord. Tijdens die rit horen we het Keulse concert van Keith Jarrett als soundtrack. Op de plek staat een monumentje. Het is nu al aan het afbrokkelen. Met dit stukje film heeft Moretti een onvergankelijker monument opgetrokken.

In het tweede deel van Caro Diario trekken twee intellectuele vrienden (een van hen is opnieuw Moretti zelf, de ander is een Joyce-specialist) Odysseus-gewijs van het ene eiland naar het andere op zoek naar een rustige plek om te schrijven. Op Lipari danst Moretti in een café bij een tv-videoclip van Silvana Mangano, een seksicoon van de Italiaanse film uit de jaren veertig. Moretti drijft in dit deel de spot met de Italiaanse filmkritiek en hij insinueert dat de Italiaanse film niets meer voorstelt. Hij veegt het allemaal op een hoopje en wandelt schijnbaar argeloos (en dansend) zélf de cinema binnen...

De twee kunnen niet op Lipari blijven want het is er te druk. Op Salina dan weer zijn de mensen alleen met hun kinderen bezig. Ze zijn er dan ook baas – de kinderen! –, in die mate zelfs dat de ouders hun enige zoon, een puber alreeds, laten beslissen of er nog aan gezinsuitbreiding kan worden gedaan!

Op Stromboli is er nergens plaats om te verblijven. Het tweetal stuit hier op een ondernemende burgemeester die alles van nul opnieuw wil beginnen. Die man vermoeit hen mateloos. De scène boven op de rokende vulkaan is hilarisch. Midden in dit monumentale landschap voeren de twee roepend – ze staan honderd meter van elkaar, elk aan de rand van een krater – een discussie over de recente ontwikkelingen in een Amerikaanse televisiesoap (de Joyce-kenner is inmiddels aan soaps verslingerd geraakt). Uiteindelijk besluiten ze het te vragen aan een groepje Amerikaanse toeristen dat ook bij die krater zit. Die moeten het toch weten want bij hen is de soap al een halfjaar verder! Deze episode eindigt met een veelzeggend beeld: de soapfanaat, tot de vaststelling gekomen dat er op het hele eiland niet één tv voorhanden is, spurt ijlings naar de laatste ferryboot. We zien hoe hij verdwijnt in de gapende muil van de boegpoort, die zich vervolgens achter hem sluit als een hellemond.

In het derde deel denkt Moretti, of dan toch het personage dat hij speelt, voortdurend dat hij ziek is. Hij probeert alle mogelijke middeltjes, ook de lapmiddeltjes, en therapieën. Hij heeft jeuk. Een ondraaglijke jeuk. Je mag niet krabben, zegt een van de dokters. Als het enkel van mij afhangt, zegt Moretti, zal het niet lukken.

Op het eind van deze sketch, veel meer is het niet, zit Moretti aan een tafel, omringd door de hele apotheek geneesmiddelen die hij niet heeft opgebruikt omdat ze hem niet nuttig leken. (Ik moest op dat moment aan mijn ongelezen boeken denken.) Hij neemt een glas water en drinkt het water alsof hij nog nooit geproefd heeft hoe lekker water kan smaken. En terwijl hij drinkt, zoomt de camera in en kijkt Moretti ons recht in de ogen aan. Dan besef je dat hij altijd met neergeslagen ogen heeft rondgelopen, of zonnebrillen heeft gedragen – in elk geval dat het de eerste keer is dat hij vrij en vrank voor zich uit kijkt. Alsof hij wil zeggen: kijkt en gij zult genezen. Kijk naar de gebouwen in uw stad, kijk niet naar soaps maar naar de natuurpracht van de vulkaan en de eilanden, kijk naar een film als deze.

1697 / Van VUB naar Centraal Station 8

Brussel - 081017

donderdag 26 februari 2009

Dag 547 vVH&C

090215, 090217 en 090225 – Een vliegtuig dat zich in een van de torens ‘boort’, de vlammen die uit de ramen slaan, de brandende mensen die zich naar beneden storten. In Het verdriet van een Amerikaan komt dit alles ter sprake, zij het heel summier en niet meer dan zijdelings. Toch had Siri Hustvedt dit boek nooit vóór ‘nine-eleven’ kunnen geschreven hebben. Meer nog: het gat dat toen in de New Yorkse bodem werd geslagen, de ‘Ground Zero’ genaamde leegte waarin de Amerikaanse eigendunk verdween, staat centraal in deze roman. In dat gat laat Hustvedt haar talrijke personages en de verwikkelingen waarin deze personages gevangen zitten onstuitbaar wegkolken.

Het boek bestaat uit een hoofd- en enkele nevenplots. De hoofdplot kan in enkele zinnen worden samengevat. Erik, een blanke psychiater in New York in het midden van zijn leven, probeert na zijn scheiding zijn leven op orde te houden. In de zorg voor zijn patiënten en in de verhalen die zij vertellen vindt hij houvast. Maar de zieken spiegelen hem ook de barsten in zijn eigen ziel voor. Erik wordt verliefd op de alleenstaande Jamaïcaanse Miranda, die met haar dochter Eggy de verdieping onder de zijne komt huren. Er is toenadering, maar de romance gaat niet door.

Intussen zijn de nevenplots al volop aan de gang.

Jeff Lane, de ex van Miranda maar ook de vader van Eggy, betrekt Erik in een vreemd artistiek project waarvoor hij in Eriks privacy moet inbreken. Ondertussen rouwt Erik zelf om zijn pas overleden vader. Samen met zijn zus Inga, die pas weduwe is geworden, graaft hij in het verleden van het gezin waaruit zij zijn voortgekomen en stuiten op een geschiedenis van immigratie, hard labeur, militaire discipline en de in elke familie onvermijdelijke teleurstellingen. De vertrouwde mix dus van geheimen, kwetsuren en allerlei vormen van verlies. Sonia, het dochtertje van Inga, verwerkt een recent opgelopen trauma: zij heeft mensen uit de WTC-torens zien springen. En zo heeft iedereen wel iets te verwerken. Telkens gaat het om een verlies, kwetsuur, litteken, trauma, leegte… Op tal van manieren keert dit terug: een huwelijk dat in een scheiding is tenondergegaan, een ouder die is overleden, enzovoort… Elk personage heeft wel iets te verwerken. Soms manifesteert de leegte zich wel heel nadrukkelijk want twee personages hebben te maken met amputaties, en er is ook sprake van portretfoto’s waarop de ogen zijn weggekrast, enzovoort… De leegte, de leemte, het gat: dat is het centrale motief van Het verdriet van een Amerikaan.

Het is een eigenaardige titel. De lidwoorden zijn niet onbelangrijk. (In het Engels: The Sorrows – meervoud – of an American.) Het gaat om een aanwijsbaar verdriet, maar dan wel een dat om het even welke Amerikaan en misschien wel alle Amerikanen treft.

Siri Hustvedt vertelt op haar manier de recente geschiedenis van Amerika. Het beginpunt is de immigratie – daarom is die familiegeschiedenis belangrijk, en er is ook de nadruk op het multiraciale karakter van de Amerikaanse samenleving. Deze geschiedenis kent een voorlopig eindpunt bij de naweeën van nine eleven. Dáár is natuurlijk het grootste gat geslagen. Er is voor en er is na 9/11. De American Dream ligt aan diggelen: weg ongebreidelde vooruitgang, weg onschendbaarheid, weg suprematie. Het nationale trauma 9/11 heeft de kwetsuur in elke Amerikaan blootgelegd.

Toen ik over de FDR Drive zoefde keek ik uit het raampje naar de reusachtige Pepsi-Colareclame die aan de overkant van de East River in het donker zweefde, en ik vond hem prachtig. Het oplichtende symbool van een al bijna ouderwetse vorm van Amerikaans kapitalisme riep op dat moment een gevoel van verlies op, alsof de letters een niet meer bestaand, collectief verlangen uitstraalden. Het was idioot om geëmotioneerd te raken van een frisdrankreclame, maar toen het beeld was vervaagd, dacht ik: ze gaan achterelkaar dood, onze vaders en moeders – de immigranten en de bannelingen, de soldaten en de vluchtelingen, de jongens en de meisjes – van ‘weleer’.

Siri Hustvedt, Het verdriet van een Amerikaan, 268

Reactie

Dag Pascal,
je schiet wel een beetje uit de slof als je de reacties van mensen op ongevraagd gefotografeerd worden vergelijkt met de assertiviteit van de eerste de beste proleet op een terras, 'roodverbrand schorremorrie' en daar tegenover de Proust-lezende werkstudent zet, die 'tijdens zijn schaarse vrije uurtjes, eventueel met een fototoestel, als ‘serious photographer’ het hinterland verkent'. Het moet een bittere ervaring zijn geweest.
Hoe is het overigens met mensen die ongevraagd geportretteerd worden? Ik heb een jonge dichteres geportretteerd en durf haar het schilderij niet te laten zien. Op het schilderij heb ik haar ouder gemaakt en bovendien een door mij vermoede karaktertrek uitvergroot.
Vale,
Remco
@Remco
De ervaring is er nooit geweest en kan dus niet bitter worden genoemd. Ik kwam al schrijvende weg bij die imaginaire werkstudent. Stel je het trouwens maar eens voor, een werkstudent, acht of tien uur per dag voor een hongerloon een gore horecakeuken uitwassen en dan nog eens tijd genoeg vinden om én Proust te lezen én fotograferend rond te struinen in het hinterland! Zo’n student kan niet bestaan, hé!

Ik plaats je reactie, samen met het schilderij, onverkort op de blog. Oké?

Groeten,
P.

Dag Pascal,

hij bestaat in jouw verbeelding, die me heel realistisch lijkt: tien uur per dag werken. Toch ook wel eens een vrije avond? En Proust, Kafka lezen. En foto's maken. Ja, dat is toch wel mogelijk.

Plaatsing oké.

1696 / Van VUB naar Centraal Station 7

Brussel - 081017

woensdag 25 februari 2009

Reactie

1663 is een tricky foto. Niettemin of net daardoor heeft deze foto grote charmes, en doet denken aan foto’s van de jaren 70 uit magazines. Er is toeval in het spel of niet maar het komt ongekunsteld over. Zelfs met een min of meer gecomponeerd en dubbel beeld. Een mooie foto van Bea haar bananenboom.
G.V.

grappig als het geen gefotoshopte collage is
S.D.B.

Dag 546 vVH&C

090224 – Waarom hebben mensen er bezwaar tegen dat ze worden gefotografeerd door een onbekende? Waarom wordt in dit verband vaak gezwaaid met de metafoor van het stelen? Ontneemt de fotograaf de gefotografeerde dan werkelijk iets? Het kan toch niet zijn dat het hier louter om de gelijkenis gaat? Je verdubbelt een werkelijkheid, en die verdubbeling herleeft op een scherm of ergens op een print, of je dwaalt ongewild als figurant rond op een kiekje dat in een ver Aziatisch land in een familiealbum wordt geplakt. Akkoord, je hebt daar niet om gevraagd, maar wat heb je te verbergen dat je dáár aanstoot aan zou nemen?

Trouwens, wat heeft het voor zin je te verzetten tegen een welmenende straatfotograaf als je weet dat je tegenwoordig voortdurend in de gaten wordt gehouden door bewakingscamera’s? Je beeltenis circuleert op dit ogenblik in duizenden virtuele universa – het zou idioot zijn daar bij stil te staan.

Het moet om méér gaan dan enkel de roof van de gelijkenis.

Bij Siri Hustvedts vind ik een aanzet tot een antwoord. In de roman Het verdriet van een Amerikaan is sprake van een tentoonstelling waarin een fotograaf zonder toelating genomen beelden uitstalt van mensen die daar, wanneer ze ermee worden geconfronteerd, absoluut niet van gediend zijn.

‘U zag er zo anders uit,’ flapte ze eruit.
Het gevoel van verlies dat me op dat moment bekroop, valt moeilijk te beschrijven. Het leek of ik beroofd was van iets wat me heel dierbaar was, en ook zonder dat ik de afbeelding of afbeeldingen gezien had, had ik een schrijnend gevoel van vernedering.

Siri Hustvedt, Het verdriet van een Amerikaan, 294

Vanwaar dat gevoel van verlies? Het is omdat de gefotografeerde zichzelf niet herkent. Of juister: omdat ánderen hem niet in de beeltenis herkennen. Omdat, met andere woorden, het getoonde beeld niet beantwoordt aan het beeld dat de gefotografeerde van zichzelf heeft. Beeld en zelfbeeld stemmen niet overeen. ’t Is een kwestie van imago. Het gaat niet om privacy maar om perceptie.

Dat verklaart waarom mensen het niet graag hebben dat zijn onverhoeds worden gefotografeerd. Zij krijgen niet de kans te poseren – hetgeen niets anders is dan het etaleren van het zelfbeeld en dus het werken aan het eigen imago. Zij denken dat de fotograaf hen niet zal zien zoals zij denken dat zij werkelijk zijn. De fotograaf ontsteelt hen niet hun beeltenis maar berooft hen wel van de mogelijkheid om die beeltenis bij te stellen.

Toch is daarmee niet alles gezegd. Wat is er bijvoorbeeld gebeurd in vergelijking met een paar decennia geleden, toen mensen het nog een hele eer vonden om te worden gefotografeerd? Een zeer opvallende verandering is het exponentieel toegenomen aantal fototoestellen en gebruikers van fototoestellen (ik zou hen niet allemaal ‘fotografen’ noemen). Hoewel, dat dient te worden gerelativeerd. De kans dat je in Erps-Kwerps of Zoutenaaie ongevraagd zult worden gefotografeerd is minimaal gebleven. De fotograferende hordes besnuffelen enkel de zogenaamde toeristische bezienswaardigheden en richten daar genadeloos hun optisch materiaal op de stilaan behoorlijk geïrriteerde autochtoon. Er is iets anders aan de hand. Iets wat wellicht met dat imago te maken heeft, en met het belang dat mensen daaraan hechten. De modale mens heeft een zelfbewustzijn ontwikkeld dat er dertig jaar geleden nog niet was. En hij heeft in het afsnauwen van bonafide straatfotografen een uitweg gevonden om op een gemakkelijke manier dit zelfbewustzijn te bekrachtigen. ’t Is dezelfde assertiviteit die door de eerste de beste proleet wordt ontwikkeld wanneer hij op het terras van het hotel in zijn vakantiebestemming de kelner schoffeert, een jongeman die om wat studiegeld bij te verdienen roodverbrand schorremorrie bedient maar die ’s avonds Proust of Kafka leest en tijdens zijn schaarse vrije uurtjes, eventueel met een fototoestel, als ‘serious photographer’ het hinterland verkent.

1695 / Van VUB naar Centraal Station 6

Brussel - 081017

dinsdag 24 februari 2009

51 * 25,33 * 107

Langs het kanaal (het duiken van aalscholvers en futen, het drijven van eenden en van, op zijn rug, een dode meeuw): de talloze trompetten van Händel die naadloos overgaan in die ene van Armstrong; een rij van stijve harken met witte pruiken en rode livreien en geheven toeters waaraan banieren met het wapenschild zijn bevestigd, ruimt in mijn verbeelding plaats voor een rokerige nachtclub met een hoog Casablanca-gehalte, het is in elk geval een zwart-witopname. Van binnen ben ik wit, zingt Louis, maar wat baat het?

De lente is in de lucht. De Put van Roksem, de ontwiekte molen van Westkerke, Aartrijke. Tot twee keer toe zie ik, al uitgeput, een paardje bokkig de achterpoten de lucht in slaan en, met zijn energie woekerend alsof het niet op kan, een nutteloos toertje in zijn wei huppelen. Hiermee maakt het genereus deel uit van een bataillaanse grote economie, waarnaar wij mensen, die helaas gevangen zitten in die krenterige kleine, alleen maar met afgunst en zelfmedelijden kunnen opkijken. Waren wij maar net zo genereus als die paardjes, zelf maar een pars pro toto natuurlijk want het gaat om de hele natuur, wij zouden niet in die crisis zitten.

Ik keer terug langs Veldegem, waar ik een brief post waaruit blijken moet hoeveel ik vorige winter aan warmte heb gespendeerd, en Loppem. Het eindeloze eind naar Brugge leg ik lijdend af. Ook het ritme op mijn kop zet me niet tot spoed aan want het toeval serveert me vier adagio’s na elkaar.

Dag 545 vVH&C

090213 – Naar aanleiding van mijn enquête hier (‘Wat voelt u als u op straat wordt gefotografeerd door een onbekende?’) en het toch wel verrassende om niet te zeggen ontnuchterende resultaat ervan, een gesprek met enkele bevriende collega’s-fotografen. (De helft van de respondenten was veeleer negatief (vier vonden het ‘vervelend’ en acht zeggen ronduit dat ze het ‘niet vinden kunnen’), zeven stonden onverschillig en slechts vijf mensen, iets meer dan één op vijf dus, zegden het ‘prettig’ te vinden op straat te worden gefotografeerd door een onbekende.)

Uit het gesprek onthoud ik dat P. zich niet van zijn stuk laat brengen door negatieve reacties. Hij is overtuigd van zijn missie. Hij is het met L. eens dat het heel belangrijk is dat je een enthousiaste attitude uitstraalt. Je hoeft niets te vragen als je ziet dat je ‘object’ je heeft opgemerkt en een dusdanige blik op je afvuurt dat hij jou wel eens over jouw gefotografeer zou durven aanspreken. Wees hem – na te hebben afgedrukt – te snel af met een big smile of een opgestoken duim, zo van: tof hoor, dat tafereeltje waarin jij een hoofdrol speelt! Als er dan toch iemand protesteert, dan is, volgens L., het beste antwoord zeggen dat je ‘a serious photographer’ bent.

(Uiteraard is de bedenking op zijn plaats of je met 24 stemmen van een relevant resultaat kunt spreken. Maar anderzijds is het toch ook wel zo dat die 24 deelnemers zelf al behoren tot wat je een ‘select publiek’ zou kunnen noemen, een publiek dat hier regelmatig langskomt en waarvan je dus zou verwachten dat het, aangezien hier toch ook wel af en toe eens wat straatfotografie te bewonderen valt, geneigd zou zijn er niet zo’n uitdrukkelijk bezwaar tegen te hebben op straat te worden gefotografeerd door een onbekende.)

1694 / Van VUB naar Centraal Station 5

Brussel - 081017

maandag 23 februari 2009

Van VUB naar Centraal Station 4

Brussel - 081017

Ferroviaire observatie (19)

Op weg hierheen zat ik naast een ‘mooi’ koppel. Twee modellen. Jeunesse dorée. Meisje groene ogen, zwart haar, rode alpin en brede witte riem in de broek; jongen bestudeerd ongeschoren, gewassen haar, uitgekiende jeans (onderbroekje zichtbaar wanneer hij naar het bagagerek reikt) en zo’n blauwe matrozenjas van het type dat het nu opnieuw goed doet. Ze praten heel stilletjes, neigen het hoofd naar elkaar wanneer ze dat doen. Ik hoor niet wat ze zeggen want het gaat maar van Sonny Rollins, Sufjan Stevens en Django Reinhardt in mijn oortjes. Het meisje kijkt naar zijn mond, hij kijkt langs haar heen. Het is alsof hij de omgeving in de gaten houdt: hij waakt over haar.

Een oudere vrouw in ons coupéviertal bestudeert de brochure van een sekte, het gaat over ‘God’ en ‘de rede’. Buiten ligt alles er witbevroren bij.

1693 / Van VUB naar Centraal Station 3

Brussel - 081017

zondag 22 februari 2009

Dag 543 vVH&C

090211 en 090220 – ...het was niet alleen angst voor sancties. Maar ambitie was het niet. (Had ik maar ambitie gehad!) Het was: verantwoordelijkheidsbesef. Het hoorde gewoon, zoveel mogelijk punten te halen. En het was: meritocratie. Als je scoorde, kreeg je een beloning. De straf bestond meestal uit het uitblijven van beloning. Mijn ouders waren behaviouristen zonder het zelf te beseffen. En ik, mutatis mutandis, een rat in een kooi. Een -7 was een zeldzaamheid. Pas bij 6 of 5 begon er iets te zwaaien. En wat als het een buis was? Dat weet ik niet, het kwam nooit voor. Ondenkbaar!

Nu is het precies omgekeerd. Ze zijn wel vrij en mondig maar ze krijgen alles te gemakkelijk en dan zijn ze niet bestand tegen tegenstand. Het heeft zeker ook met de ouders te maken. Een vader die achter het stuur vloekt op een verkeersagent kan in vijf seconden twee jaar pedagogisch werk van een lagereschoolmeester ongedaan maken.

Er zijn geen waarden meer, mevrouw.

1692 / Van VUB naar Centraal Station 2

Brussel - 081017

Van VUB naar Centraal Station 1

Brussel - 081017

zaterdag 21 februari 2009

vrijdag 20 februari 2009

Winkelwagenblues (2)


Colruyt Sint-Kruis 090209

Dag 542 vVH&C

090210 – Overschrijven (112)

Wat het lezen van Nabokov tot een groot genoegen maakt, is dat we de meedogenloze waarheid dat onze levens op geen enkele manier passen bij de eigen interne logica van de wereld, opvatten als pure schoonheid.

Orhan Pamuk in De andere kleuren, geciteerd door achille vandenbranden

1690

Brugge, Zand – 090131

donderdag 19 februari 2009

Dag 541 vVH&C

090209 – Ik sta een uur aan te schuiven bij de autokeuring en lees ondertussen het vijfde hoofdstuk van W.G. Sebald, De ringen van Saturnus. Terwijl ik langzaam opschuif richting hellemond, de steeds weer open- en dichtklappende poort waarachter de controleurs, aan wier goedertierendheid en door niets te beïnvloeden mildheid ik dan zal overgeleverd zijn, hun ondoorgrondelijke werkzaamheden verrichten, maakt de door Sebald opgevoerde Joseph Conrad zijn langzame en moeizame vorderingen op de Congostroom richting het hart van de duisternis.

1689

Brugge, Steenstraat – 090131

woensdag 18 februari 2009

Mijn woordenboek (218)

AFTAKELINGSPROCES

Het zal wel een oefening zijn op het grote bergafwaarts, de fascinatie die we hebben voor in elkaar zakkende puddingen die in de ijskast zijn blijven staan, beschimmelende kazen, door toedoen van de droogte barstende zandoppervlakken, rottend hout, verkleurende bladeren, vergelende bladzijden, verslijtende banden, asfalt dat omhoogkomt door wortels-die-hun-werk-doen, afbladderende verf, afgelopen schoenen, roestende carrosserieën, enzovoort.

Het is overal, we zullen niet kunnen zeggen dat we niet hebben gezien: de spikkels in de spiegel, de vervaging in ons zicht, de craquelures in ons gezicht, de groeven op ons voorhoofd, de eelt op onze ziel, het kraken van onze stem, het verschrielen van ons karuur, het uitzakken van onze vlezigheid, de amechtigheid van onze adem, de verstomming van ons gehoor, het uitvallen van ons hoofdhaar, het stilvallen van onze machinerie, het uitdoven van ons licht, het sterven, de dood.

Dag 540 vVH&C

Benoît, nog tot 1 maart in museum Dhondt-Dhaenens in Deurle

1688

De Panne – 090131

dinsdag 17 februari 2009

Dag 539 vVH&C

090208 – Het concert van Spinvis in de 4AD in Diksmuide was indrukwekkend. Hoe die man muziekjes in elkaar knutselt, alsof hij thuis met zijn instrumenten en computer zit te experimenteren, maar dan wel voor een zaal en zonder haperen.

Als hij zou kunnen, hij bespeelde beslist al die instrumenten tegelijk. Maar dat kan natuurlijk niet, een mens heeft maar één stel stembanden, twee longen, twee handen, twee voeten. Toch klonk wat Spinvis bracht vól.

Eén live gebracht instrument en daar nog écht bij zingen, en de rest aanvullen met bandjes, neen, dat gaat niet. Mensen pikken dat niet – en terecht. Spinvis bedacht (?) een prachtige tussenoplossing: hij maakte ter plekke de samples. Dat gaat zo. Hij speelt een riedel of een rif op zijn gitaar, of drumt een lijntje op zijn trommels, of maakt een geluidje met een speelgoedxylofoon of gewoon door een blad papier te verfrommelen. Hij neemt dat op.

En dan speelt hij een eindeloze herhaling ervan af. Al die geluiden en lijnen samen passen bij elkaar. En daarop bouwt Spinvis dan zijn song. Het is gesampled én live tegelijk. Het is vast en zeker aanvaardbaar. Zeker ook omdat je, door dit ontrafelen van het samenspel in afzonderlijke lijnen en geluiden, een inzicht krijgt in de structuur van zo’n compositie. Je hoort dingen die je anders, lui en onmuzikaal als je bent, nooit zou horen.

Spinvis werkt ook met beelden. Drie verticaal opgestelde schermen achter de zanger vormen een koor van wisselende beelden en geluiden. Het zijn ook samples, maar dan wel vooraf opgenomen uiteraard. Dit moet je er dan wel bijnemen als niet-live. Hiervoor wordt de compensatie niet geboden door het ter plekke vervaardigen maar door de aangrijpende esthetische kracht van de beelden.

U moet hier, op de post van 24 december 2008, maar eens kijken om er zich een idee van te vormen.

1687

De Panne – 090131

maandag 16 februari 2009

Dag 537 vVH&C

090207 en 090216 – Passa Porta organiseert een bijeenkomst over de Duitse schrijver W.G. Sebald, die in 1991, toen ik voor het eerst met zijn werk kennismaakte, mijn leven diepgaand heeft beïnvloed. Hij is langzaam, en eigenlijk pas echt na zijn veel te vroege dood op 14 december 2001 (toen hij al, ondanks een zeer beperkt oeuvre van slechts een viertal volwaardige belletristische boeken, werd getipt als Nobelprijskandidaat), uitgegroeid tot een literair monument dat velen bezighoudt en onuitputtelijk fascineert.

De avond in Passa Porta werd georganiseerd naar aanleiding van de vernissage van een kleine tentoonstelling die is gewijd aan een late tekst van Sebald, Zerstreute Reminiszenzen, een toespraak eigenlijk – het werd op 17 november 2001 zijn laatste publieke optreden.

De voertaal van de avond was het Duits, waardoor ik, vreemd genoeg, meer de ervaring had een taalbad te nemen dan tegenover een hoeveelheid afzonderlijk van elkaar te onderscheiden uitgesproken woorden te staan – hetgeen eigenlijk betekent dat ik een rechtstreekser contact had met mijn geliefde schrijver dan ik wellicht zou hebben gehad indien de sprekers een voor mij in alle opzichten begrijpelijke taal zouden hebben gebezigd. Zij zouden mij hebben onderhouden over Sebald, nu durf ik, niet zonder enige zin voor sebaldiaanse mystificatie, bijna stellen dat ik heb geluisterd naar Sebald en dat ik met Sebald heb gesproken.

Om maar te zeggen dat ik mij gedurende twee uur in een soort van trance heb bevonden waarin ik mij er niet langer van bewust was dat er buiten dit nog iets anders bestond en waarin ik de soms boeiende gedachtekronkels van de deelnemers aan het debat haarfijn en met een voor mij beslist ongewone luciditeit wist te volgen.

Ziehier, met excuus voor het amechtige Duits, enkele van de notities die ik in de loop van die twee uur maak.

- S laat zijn zeer nauwkeurig beschreven obsessies los op een omgeving en in een historische context die niet altijd even nauwkeurig worden beschreven.
- In Austerlitz noemt S in Antwerpen de Immerseelstraat naast de Pelikaanstraat en een aantal andere straten. Die straten liggen zo ver uit elkaar dat je ze onmogelijk in een keer kunt bewandelen. Maar het is S om die naam te doen: Immer-Sele-straat. Altijd de ziel.
- Man muss auf eine diffusen Weise recherchieren, wie ein Hund. De hond van S heette Max.
- Austerlitz bestaat uit Einklammerungen. [[[[…]]]], waarbij ‘…’ het verdwijnende is – en dát is de melancholie.- Literatur ist Restitution.
- De Intentionalität is méér dan het Ding. Het gaat niet over het Ding maar over de manier waarop het Ding wordt beschreven.
- Een schuine blik op de Holocaust, via een verroeste lepel of een Hirschbeinkhnopff. Een rechtstreekse blik zou te moraliserend zijn.
- De Auflösung van onze herinneringsbekwaamheid. Zolang je je herinnert dat die verdwenen bomen er ooit hebben gestaan, heerst er een diffuus onbehagen. Maar dat verdwijnt als ook die herinnering is verdwenen. We hebben het gevoel van verlies verloren. Het vergankelijkheidsbesef is aan het verdwijnen. Nu heeft nog één student op honderd dat.
- De verhouding tussen het aantal doden en het aantal levenden heeft een kritisch punt overschreden. Er zijn op dit ogenblik op de planeet meer mensen in leven dan alle doden van alle tijden samen. Wat zouden wij ons dus nog om de doden bekommeren?
- Austerlitz rijmt op Auschwitz.
- Het weten zelf verdwijnt. Deculturatie. Het is beslist geen toeval dat de Bibliothèque Nationale in Parijs, toch een grote vergaarbak van kennis, is gebouwd op de site van een voormalig transitkamp voor te deporteren Joden – en dat dit laatste wordt toegedekt en dreigt vergeten te worden.
- Ambivalentie: tussen melancholie en ironie.
- In fictie een coherentie brengen die er in de werkelijkheid niet is. Dit is een leugen die waarheid is.
- De feitelijke (faktische) versus de beleefte (erlebte) waarheid.

1686

De Panne – 090131

zondag 15 februari 2009

Mijn woordenboek (217)

AFSTOTELIJK

Hoe stomper de stompjes, hoe meer etter uit de wonden borrelt, hoe gruwelijker de littekens – des te stralender de heiligheid van de missionaris die al dat fraais met gevaar voor eigen lijf en leden heeft durven te verzorgen en verbinden. Nu ja, durven. Veel keus had de man uit Tremelo niet, denk ik. Hij was toch niet naar dat verre eiland gereisd om niet te durven? Helaas, de zich enkel tot het geestelijke beperkende verzekering waarop hij zich had ingeschreven dekte hem geenszins in tegen het fysieke gevaar en kijk, o wonder, weldra had hij ook van die stompjes.

Het was een wrede wet waarvoor kinderen uit een vorige generatie, de mijne dus, ontzag leerden te hebben: heilig is de man, of vrouw, die de brute natuurwet van het afstotelijke overwint. Want heilig moet je wel zijn, want zo dwingend is die wet dat je er met eenvoudige karaktersterkte niet toe komt. Er is maar weinig verschil tussen enerzijds de kracht waarmee iemand die uit zijn bek stinkt zijn medemens van zich wegkatapulteert en anderzijds de onweerstaanbaar elkaar afwijzende krachten die worden uitgeoefend tussen twee gelijkgeladen magnetische polen.

Nu is er iets vreemds aan de hand met dat afgestoten worden. Het druist in tegen ons moreel besef. Het heet dan dat mensen niet mogen worden beoordeeld op hun uiterlijke disfuncties of onvolkomenheden. Maar ja, soms is het ‘sterker’ dan onszelf en dan kun je het bezwaarlijk nog onethisch noemen, dat afgestoten worden.

Ik herinner mij die keer dat ik – al klinkt het hier wat paradoxaal – in aanraking kwam met het verschijnsel. Een wanstaltige vrouw met een vreselijke brandwonde op het gelaat stapte op de trein. Hoewel er op dat ogenblik niet zó veel meer vrije plaatsen waren dan gegadigden, voelde toch niemand zich geroepen om naast of tegenover haar plaats te nemen. Niemand had de moed om dit meedogenloze patroon te doorbreken. De vrouw kwam alleen te zitten in een voor de rest zeer goedgevulde wagon en dat was bijzonder pijnlijk. Er was duidelijk geen pater Damiaan aan boord.

Toen gebeurde in mij iets vreemds. De afstoting, die ook ik – omdat ik niet anders kon – ten aanzien van deze gehavende en eenzame vrouw haar werk had laten doen, keerde zich tegen zichzelf. De afstoting werd zelf afstotelijk. Ik vond mijn eigen gedrag weerzinwekkend, ja, al even weerzinwekkend als de brandwonde op het gelaat van die vrouw. Dat, die ervaring, heeft op mijn ziel een litteken achtergelaten.

Dag 535 vVH&C

090203 en 090215 – Het gebeurt dat iemand een foto van zichzelf goed vindt waarop jij die persoon absoluut niet herkent. Ja, in bepaalde gevallen zelfs afstotelijk vindt. En ook het omgekeerde kan gebeuren. De herkenning berust niet op de fysieke, uitwendige gelijkenis. Een andere essentie staat op het spel.

1685

De Panne – 090201

zaterdag 14 februari 2009

Dag 534 vVH&C

090202 – Droom # 16

Mijn bibliotheek staat nog in het oude huis met de hoge plafonds en de planken vloeren. Ik heb er al eens een keuze uit gemaakt van boeken die ik wil bewaren maar nu heb ik vernomen dat de hele resterende boekenverzameling zou worden verkocht en dat de waarde ervan op 6000 frank wordt geschat. Dat lijkt me wat aan de lage kant, en daarom ga ik nog eens enkele boeken ‘redden’. Terwijl ik daarmee bezig ben wordt de vraag gesteld wat er met de boekenplanken moet gebeuren. Daar had ik nog niet aan gedacht.

*

Iemand vraagt mijn familienaam. Ik antwoord: ‘Glück’.

*

Wij maken een busreis. Een corpulente medereiziger hangt uit het raam en probeert langs de buitenkant een dakvenstertje te repareren. Iemand houdt hem bij zijn benen vast om te beletten dat hij uit de bus valt.
We komen aan bij een bos. Er wordt gestopt om een plaspauze te houden. In het bos zitten andere mensen (uit andere bussen?) verdwaasd te roken te midden van duizenden sigarettenpeuken.

1684

Brussel – 090205, 19u02

vrijdag 13 februari 2009

Het bestaat (54)

090201 – Een vriesblauwe lucht, het wintert. Ik stap door het straatje van de duinenwijk. Op een gemene muur tussen twee villatuinen zie ik een kouwelijke merel zitten. Een mannetjesexemplaar, hij zet zijn veren op. Maar hij blijft zitten, ook al blijf ik op nauwelijks twee meter staan. Beseft hij dat ik, door de haag die tussen ons in staat, toch niet bij hem kan? Of is hij zo verkleumd dat hij niet meer over de nodige energie beschikt om op te vliegen? De schrale wind blaast in zijn veren. Ik kijk gefascineerd toe, kijk hem recht in het ene oog waarmee hij mij ziet. Laat hij uit ijdelheid zijn veren openwaaien of probeert hij mij te intimideren? Of is hij geparalyseerd door de angst? Ik houd rekening met de laatste mogelijkheid en stel het beest niet langer op de proef. Ik sta op het punt mijn weg te vervolgen wanneer een oude vrouw die haar hondje aan een lange lijn uitlaat om de hoek het straatje inslaat. Eerst zie ik het hondje, dan de lijn en dan de vrouw. Ik zie hoe zij ziet dat ik naar de vogel sta te kijken en ook dat zij meteen ook de vogel in de gaten krijgt. Waarop ze, met een glimlach, naar mij kijkt. De vertedering die wij, blijkbaar, allebei voor de vogel voelen, schept, voor even maar, een band. Dan gaan we allebei verder: zij in de richting van waar ik kom en ik naar waar ik moet zijn. En de vogel, ja, die blijft op zijn gemene muurtje zitten met de wind in zijn veren en die dwaze blik in zijn oog.

1683

Nevele – 090208, 16u24

donderdag 12 februari 2009

Ferroviaire observatie (18)

Ik had hem al opgemerkt in de gang die onder de perrons doorloopt. Een ouderwets figuur, oudere man, zwarte alpinopet met rechtopstaand steeltje, groene loden jas zoals ik er in geen tien jaar een heb gezien, zwarte boekentas. Geen forens want zoekend naar het juiste perron. Hij kiest de roltrap, ik de vaste. We komen dus op een ander deel van het perron te staan maar een tijdje later stappen we toch door dezelfde deur van dezelfde wagon op de trein. Op dat ogenblik maken we oogcontact. Nuja, wat heet oogcontact bij een man wiens ene oog naar hier en zijn andere naar daar wijst. Ga maar voor, gebaart Marty Feldman. Maar ik ken mijn plaats en weet dat ouderen op weinig voorrechten aanspraak kunnen maken maar dan toch wel op die van de wellevendheid. Leeftijd blijft in dat soort zaken een niet te veronachtzamen eigenschap. Hij garandeert een voorrecht. Ik gebaar dus van nee, nee, nee, u bent het die in dit soort situaties hoort voor te gaan en om dit duidelijk te stellen maak ik een overdreven geste: ik zet een stap achteruit en zwaai zoals een Italiaanse politieagent die midden op de Piazza Navona vindt dat het toeterende kluwen niet snel genoeg wriemelt of als Pete Townsend die op zijn gitaar soleert. De man kijkt mij glimlachend aan (kijkt hij mij wel aan?) en maakt gebruik van het hem door mij gul verleende privilege. Ook binnen blijven wij door het lot verbonden want uiteindelijk nemen we naast elkaar plaats, elk aan onze kant van het middenpad.

En kijk nu, hoe vredig hij daar ligt te slapen. Op de revers van zijn zwarte vest blinkt een kruisje.

1682

Station Brugge – 080514, 8u51

woensdag 11 februari 2009

Winkelwagenblues (1)

Colruyt Sint-Kruis 090209

Dag 531 vVH&C

090130 – Een week of twee nadat ik Het leven van Pi uit had, vond ik in de solden van De Slegte, de solden van de solden zeg maar, of een soort van metasolden, voor een euro of 3 Yann Martels debuut, de verhalenbundel De geschiedenis van de Roccamatio’s uit Helsinki. Vandaag, een week later, ben ik naar De Slegte teruggekeerd om de hele stapel op te kopen – kwestie van mensen eens niet een fles wijn aan te bieden als je bij hen langs gaat. Zij hebben iets aan het cadeau en zelf kom je er goedkoop van af.

Noem het krenterig of spaarzaam, maar ik geef liever een boek waar ik achter kan staan.
En dan heb ik het nog niet eens uit. Ik moet nog beginnen aan het laatste van de vier verhalen, ‘De spiegelmachine’.

Het openings-, tevens titelverhaal gaat over de doodsstrijd van een vriend die aan aids lijdt. Onrechtstreeks is het een beschouwing op de functie van fictie, en op de relativiteit van de tijd: twee thema’s die elke lezer van Pi zal herkennen. Het is een mooi verhaal, aangrijpend ook, maar Martel lijkt mij er toch niet in geslaagd zijn hoge ambitie waar te maken. Een verdienstelijke vingeroefening, meer zou ik het niet noemen.

‘Sterfwijzen’, het derde verhaal, bestaat uit negen brieven die allemaal beginnen met dezelfde aanspreking ‘Geachte mevrouw Barlow’, gevolgd door telkens dezelfde eerste alinea:

Als directeur van de penitentiaire inrichting Cantos en conform de wet op de openbaarheid van bestuur schrijf ik u om u op de hoogte te stellen van de wijze waarop uw zoon Kevin zich voorbereidde op zijn dood door ophanging wegens de door hem gepleegde misdaden.

De volgende alinea’s zijn variaties. In dezelfde volgorde vernemen we wat, in de verschillende ‘sterfwijzen’ (die overigens genummerd zijn met uiteenlopende getallen tussen 18 en 1096), de laatste maaltijd was van Kevin, of hij heeft gesproken met pastoor Preston, hoe hij de nacht heeft doorgebracht, of hij ‘om 6.00 uur’ diezelfde pastoor Preston nog eens heeft gesproken, hoe hij de weg van cel naar schavot heeft afgelegd, of hij is ingegaan op het aanbod om een laatste sigaret te roken, wat zijn laatste woorden waren en hoe hij uiteindelijk op het valluik werd geplaatst, een zak over het hoofd werd getrokken, de strop om de nek werd gelegd en gedood.

De negen brieven samen vormen een ijzersterk, indrukwekkend geheel. Een efficiënt pleidooi tegen de doodstraf. Bovendien is er onmiskenbaar een grote literaire kwaliteit: door de lichte variaties krijgen de brieven iets van een fuga.

Over muziek gaat ook het tweede verhaal, een verhaal dat mij nu al dierbaar is en dat meteen ook de reden vormde waarom ik het boek van Yann Martel aan iedereen die mij na aan het hart ligt cadeau had willen doen. Het verhaal heet ‘De dag van het soldaat Donald J. Rankin-strijkconcert met één dissonante viool van de Amerikaanse componist John Morton’ en het gaat over de kracht van de vriendschap, de betekenis van kunst (muziek in dit geval) en de verdomde plicht die iedereen heeft om de kansen die hem in de vorm van talenten geboden worden aan te grijpen en daar niet mee te wachten.

De stapel was weg. Uitverkocht. Ik hoop dat de exemplaren goede eigenaren vinden. Eigenaren die het boek niet ongelezen stockeren en die, als ze het lezen, dat met de gepaste aandacht doen. Maar er lag wel een nieuwe Martel-stapel: de roman (‘fictieve autobiografie’) Zelf. Ik ben benieuwd.

1681 / De dingen (3)

Kurkentrekker

dinsdag 10 februari 2009

Dag 530 vVH&C

090129 – De oorzaken voor de gretigheid, de gulzigheid waarmee ik cultuurproducten ‘consumeer’ en nauwelijks verteer, strekken zich in de tijd in twee richtingen uit. Enerzijds naar de toekomst omdat het is alsof ik nu, nu het nog kan, mijn honger wil stillen, wil hamsteren, vooraleer de duisternis invalt en het grote vergeten zijn intrede doet. Anderzijds naar het verleden omdat het mij voorkomt dat ik een grote achterstand moet wegwerken, nu ik eindelijk, na vele jaren van stilstand (waardoor?, waarvoor?) in beweging ben gekomen.

1680

Gilbert Decouvreur brengt op vrijdag 27 februari om 20u30 in de Biekorf, Brugge, een lezing over de Zweedse architecten Asplund en Lewerentz.
Analoge opname, digitaal bewerkt.

maandag 9 februari 2009

Reactie

Mijn God, dan zie je op een goeie dag 'Het Grote Verlangen' van Moring opduiken op je blog. Jaren geleden heb ik het boek gelezen, het heeft me alleen maar doen twijfelen aan het begrip 'liefde'.... 't wordt tijd dat ik het herlees. Je hebt me mijn bibliotheek ingedreven.
Pol

Dag 529 vVH&C

090128 - Ik luister vaak naar het persoverzicht na het nieuws van half acht tijdens het Radio 1-programma ‘Voor de dag’. Dat is handig want je krijgt in een notendop de belangrijkste onderwerpen van de kranten van de dag, plus de manier waarop ze worden behandeld. Daarna volgt een overzicht van wat de heren – altijd heren – editorialisten hebben geschreven. Dit overzicht mondt uit in een gesprekje met een van hen, die aan de telefoon zijn standpunt wat nader toelicht. De ene keer is deze man al wat welbespraakter dan de andere keer.

Het is mij opgevallen dat hoe minder welbespraakt de opgebelde commentaarschrijver is, hoe vlugger hij wordt afgebeten door de radiojournaliste – altijd een vrouw – van dienst en hoe korter het gesprekje duurt.

Dat doet mij het volgende denken. Het is voor de kranten belangrijk dat zij, naast het persoverzicht, bij monde van hun commentaarschrijver nog een extra minuut in het drukbeluisterde radioprogramma aan bod komen. Je zou kunnen zeggen dat het een onbetaalde vorm van publiciteit is. Zo gek is dat niet, kranten zijn per slot van rekening commerciële producten die aan de man moeten worden gebracht. Welnu, dan is het niet ondenkbaar dat je, om als journalist een commentaarstuk te mogen schrijven voor je krant, het ook goed moet kunnen zéggen. Want stel dat die van ‘Voor de dag’ je morgenochtend uit je bed bellen! Dat zou betekenen dat het goed kunnen zeggen voorrang krijgt op het goed kunnen schrijven of op het hebben van goede ideeën of opinies. En dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Overigens hebben we al eerder zoiets meegemaakt met de mediatisering van de literatuur. Goed ogen en goed bekken is een plus, ja zelfs een nec plus ultra bij editeurs. En bij al wie erover verslag uitbrengt.

1679 / Ryckevelde kant Oedelem 5/5

Ryckevelde kant Oedelem 3 en 4

zondag 8 februari 2009

Dag 528 vVH&C

090127 – Ik heb de eerste vijftig bladzijden gelezen van Siri Hustvedt, Het verdriet van een Amerikaan. Ik weet nog niet goed – al heb ik wel een idee – waar zij naartoe wil, maar wat ik wel al kan zeggen is dat die eerste vijftig bladzijden met een uitzonderlijk metier zijn geschreven. Ik ben in elk geval volledig méé en voel mij onweerstaanbaar aangetrokken tot de rest van het boek.

Een van de redenen waarom ik Hustvedts aanzet zo goed vind, is dat zij daarin twee grote, ongetwijfeld door de inhoud gestuurde, structurele bewegingen opzet. Deze vormen alvast twee stevige pijlers waarop de rest van het bouwwerk zal komen te rusten.

De eerste pijler is de manier waarop Hustvedt de stamboom van haar hoofdpersonages uit de doeken doet. Helder en duidelijk zet zij ze een na een neer. Broer, zus, vader, moeder, ooms en tantes, grootouders, overgrootouders…: een heel kluwen van familieverwantschappen, tot in de derde of vierde graad, wordt uitgezet en je blijft er als lezer je weg in vinden. Het helpt wel dat Hustvedt daarbij een omgekeerde chronologie volgt: vanuit de ikfiguur keert ze terug in de tijd. Ik zeg niet dat het een origineel procédé is maar Hustvedt heeft het wel goed in haar vingers.
De tweede formele pijler, gestuurd door de inhoud, is dit van het parallellisme tussen de levens die worden geschetst. Het gaat om gebeurtenissen in die levens, die een merkwaardige structurele verwantschap vertonen.

090208 – Vaders die verdwijnen en na lange tijd terugkeren, dat soort dingen. Huizen die vuur vatten. Mensen die in verlaten huizen binnendringen…

De leegte is hoe dan ook een belangrijke topic in dit boek.En dan is er eigenlijk ook de verwarring tussen de seksen. Vrouwen die mannen willen zijn. En dát wordt natuurlijk op een memorabele wijze voorbereid doordat Siri Hustvedt (een vrouw) een mannelijke ikfiguur opvoert…

1678 / Ryckevelde kant Oedelem 2

zaterdag 7 februari 2009

Getekend (7)

Dag 527 vVH&C

090126 – Vroeg uit de veren. Tussen vier en vijf lees ik Het proces-verbaal van Imre Kertész. En in dat – voortreffelijk geschreven – verhaal trekt een zin, die ik hier inkort tot de hoofdzin, mijn aandacht: ‘De Verlosser […] had me de boodschap gestuurd dat hij […] van plan was mij […] te doden.’ Door de paradoxale inhoud van deze zin – een verlosser die wil doden – dringt het tot mij door dat ik dat woord, ‘Verlosser’, nooit gebruik. Zeker niet met hoofdletter. Het staat niet in mijn woordenboek, het komt niet voor in mijn vocabulaire. Ik zou het hoogstens over ‘God’ kunnen hebben, maar dan enkel ten niet-persoonlijken titel, als het ware. Ik gebruik dat woord wel eens, maar dan niet omdat het voor mij een reële betekenis inhoudt of staat voor een reëel bestaande identiteit doch enkel omdat het nu eenmaal in de culturele context waarvan ik onvermijdelijk deel uitmaak over een, hoe zal ik het zeggen, aanzienlijke staat van verdienste beschikt. Ik kan mij dus indenken dat ik het op een min of meer voor mezelf en voor anderen begrijpelijke wijze over ‘God’ zou kunnen hebben, maar ‘de Verlosser’, neen, dat niet. Ik herinner me niet dat woord ooit te hebben gebruikt – ik maak me sterk dat het hier voor de eerste keer gebeurt. Het woord zou in mijn taalwolk niet voorkomen.

De dag na de inauguratiespeech van Obama bracht De Standaard een artikel met de tot taalwolken herleide speeches van de nieuwe president en enkele van zijn voorgangers. Zo kun je om het even welke tekst door het programma wordler halen, ik meen dat het gratis te downloaden is. (Intussen geprobeerd maar bij mij lukt het niet, ik beschik blijkbaar niet over de juiste programmatuur.) De oefening visualiseert de dominante woorden in een tekst. Dat is verhelderend en misschien in bepaalde gevallen zelfs nuttig, maar even verhelderend zou een taalwolk zijn die aangeeft welke woorden niet in een bepaald discours aanwezig zijn. Dat het woord ‘Verlosser’ voor mij nagenoeg niets betekent, maakt van mij ongetwijfeld een andere persoon dan van iemand die het wel regelmatig bezigt.

1677 / Ryckevelde kant Oedelem 1

090102

vrijdag 6 februari 2009

Reactie

In je interessante bijdrage Terugblik (28) van 21 januari heb je volkomen gelijk. Ik voeg er graag nog volgende bedenkingen aan toe. Tentoonstellingsomgevingen prikkelen mij ook altijd -zoals iedere andere omgeving met 'fotografische mogelijkheden' -. Niet omwille van de aanwezigheid van kunst, maar omdat er mogelijkheden zijn voor boeiende foto's. Wat mij dus zelden interesseert is een foto van het afgezonderde werk te maken -noem het een 'objectieve' weergave van het kunstwerk of de foto dat moet dienen als document-.

Meestal is het kunstobject slechts een aanleiding, één element in een nieuw geheel, net zoals mensen of de ruimte of bepaalde elementen uit de ruimte eveneens deel kunnen gaan uitmaken van een nieuw beeld.

Zie bvb.ook 1 of 2 of 3 of 4

Soms gaat het kunstobject zo sterk op in het geheel dat het niet echt meer opvalt.

In het vb 5 zijn de aanwezige foto's nauwelijks nog zichtbaar. Vaak zijn kunstobjecten echt deel van de omgeving dat we ze nauwelijks nog beschouwen als kunstobjecten, zoals in 6

Ze maken dan deel uit van het publiek domein en dus -letterlijk- openbaar kunstbezit.
Wat met fotografische beelden die een culturele, commerciële, etc. betekenis hebben gekregen, zoals affiches voor een film, theaterstuk of evenement zoals in 7 of voor echte wallpapers die stedebouwkundige ingrepen moeten ondersteunen zoals in 8 ?

Wat met architectuur zoals in 9 ?

Dan gaat het helemaal niet meer om dat kunstobject -vaak vind ik dit dan de meest geslaagde foto's-.

Vaak is de vermelding van het kunstobject niet langer relevant. Wat niet wegneemt dat je de informatie over de locatie, de kunstenaar en/of het werk bij de foto vermeldt. Ik probeer dit in de mate van het mogelijke toch te vermelden en als ik mij de kunstenaar of het werk niet meer herinner, dan hou ik het bij de locatie.

Luc

Dag 526 vVH&C

090125 – Wat een mooie, wat een gruwelijke tekst, Genesis. Het scheppingsverhaal is onovertroffen. De stambomen weerklinken als melodieuze litanieën. Maar vrouwonvriendelijkheid is troef. En wat een horror is dat offerverhaal waarin Abraham wordt verzocht zijn godsvrucht te bewijzen door op een berg zijn zoon Isaak in brand te steken? Hij krijgt het bevel en mort niet. Dan laat hij zijn zoon nog zelf het brandhout naar boven takelen ook. Abraham liegt effenaf wanneer Isaak hem vraagt waar het offerdier is: God zal er wel voor eentje zorgen. En hij doet het, hij zoekt geen toevlucht in insubordinatie. Hij maakt wel degelijk aanstalten om zijn zoon de keel af te snijden, te ‘slachten’. Een late engel belet hem de moord. Een domme ram is met zijn horens in het struikgewas verstrikt geraakt – die kan dienen als slachtoffer van dienst. God is verguld met zoveel trouw en belooft Abraham een flink nageslacht. Van slachtofferhulp of enige psychologische bijstand van de schier geofferde Isaak is geen sprake.

1676

donderdag 5 februari 2009

Dag 525 vVH&C

090124 – ‘Het land is in shock.’ Zo opent Martine Tanghe het middagjournaal, dat, je voelde het zo aankomen, voor meer dan de helft gevuld zal zijn met de nasleep van de verschrikkelijke slachtpartij door een losgeslagen gek in een Dendermondse kindercrèche.

Natuurlijk is dat vreselijk. Twee uiteraard volkomen onschuldige baby’s dood, een tiental zwaar gewond, een begeleidster die het onheil probeerde te voorkomen dood, twee andere volwassenen gewond, de geestelijke ravage bij tal van ouders en hulpverleners… Het is allemaal niet in woorden te vatten.

Maar is het land in shock?

De brandweerman die het eerst op de plaats van de misdaad was, doet zijn verhaal. Uiteraard is die man emotioneel. Hij vertelt over bloed en geschreeuw.

Gaat dit ons iets aan?

In het stadhuis komen mensen een rouwregister signeren. De man van een koppel wordt ondervraagd. Hij spreekt de voor de hand liggende woorden uit: ‘Zoiets doen met weerloze mensen die nog niet eens kunnen stappen, dat kan er bij mij niet in.’ Woede vonkt uit zijn ogen. En dan de reporter: ‘U bent kwaad, hé?’

De volgende graad van schaamteloosheid zou zijn: ‘Mijnheer, bent u in staat om zelf het recht in handen te nemen en die moordenaar persoonlijk te gaan lynchen?’ Dát wordt net niet uitgezonden maar het steekt wel impliciet in wat wél wordt uitgezonden.

‘Het land is in shock.’

Gisteren, ook al over de massamoord in Dendermonde, wist iemand te melden dat er een tas was aangetroffen met ‘nog een mes, een bijl, en een lijst met drie plaatsen waar de dader nog van plan was heen te gaan’. Een ervan is een psychiatrische instelling.

Moet dit op de televisie worden gezegd? Wie selecteert de informatie? Zijn er nog filters voorradig? Denk er nog iemand na over wat dat allemaal teweegbrengt. Bijvoorbeeld in psychiatrische instellingen?

‘Het land is in shock.’

Een van de hulpverleners heeft een kordate vergelijking klaar wanneer hij probeert te beschrijven wat hij heeft gezien. ‘Dit is oorlog.’

Het land in shock? Dan vraag ik mij af welke omschrijvingen ze de voorbije weken in Gaza-stad uit de kast hebben moeten halen. Of de voorbije jaren in Bagdad…

Natuurlijk is wat in Dendermonde gebeurd is erg. Het is verschrikkelijk. Maar laat ons de zaken in perspectief blijven zien.

En laat ons nu eindelijk eens onder ogen zien dat er een relatie bestaat tussen vereenzaming, al dan niet in de hand gewerkt door de virtualiteit waarin veel van die jongeren terechtkomen en waarin ze zich een illusorisch welbehagen aanmeten, en vatbaarheid voor buitensporig gewelddadig gedrag.

[090205 - Voor het goede begrip: deze tekst is geschreven vóór ik de de fameuze blog van Bert Anciaux (d.d. 23 januari 2008) las waarin ook een ‘vergelijking’ wordt gemaakt tussen Dendermonde en Gaza en dus ook vóór de heisa die daardoor is ontstaan.]

1675

De Panne - 080208

woensdag 4 februari 2009

Dag 524 vVH&C

090121 – Op een bepaald ogenblik, ergens midden in zijn eindeloze zwalptocht over de Stille Oceaan, verzucht Piscine Molitor Patel, Pi voor de vrienden, dat hij een onweerstaanbare behoefte heeft aan een verhaal. Hij lijdt aan de grootst denkbare ontberingen, en eigenlijk zijn ze veel groter dan denkbaar, maar dát wil hij toch horen of lezen: een goed verhaal. Pi heeft namelijk geen lectuur mee op zijn reddingssloep. Wel een Bengaalse tijger maar geen lectuur, enkel de overlevingshandleiding die hij in de noodkist heeft aangetroffen – maar die heeft hij al vele tientallen keren gelezen.

Ik durf Het leven van Pi aan te bevelen als leeftocht voor uw persoonlijke Kon-Tiki-tocht, Moby Dick-verwikkeling, Edgar Allen Poe's The Narrative of Arthur Gordon Pym-achtige curriculum.

Yann Martel heeft met deze roman – voor zover ik weet – een volstrekt uniek prototypisch verhaal toegevoegd aan het toch niet zo omvangrijke corpus wereldverhalen.

En het is dan nog goed geschreven ook. En spannend. En drager van een rijke inhoud.

Het leven van Pi gaat over levensdrift en godsverlangen.

Martel aarzelt trouwens niet om zichzelf te scharen tussen de ‘grote verhalen’. Het schip waarop Pi met zijn ouders en zijn broer en de hele collectie dieren van de dierentuin van zijn vader inscheept, refereert natuurlijk aan de Ark van Noach. En het eiland waarop Pi, tegen het eind van zijn omzwerving aan, enkele weken doorbrengt alvorens de vreselijke vrucht van een vriendelijk ogende boom te plukken, is een variant op de Hof van Eden. Onmiddellijk na het eten van die vrucht besluit Pi opnieuw het ruime sop te kiezen. Hij wordt niet verjaagd, neen, hij verkiest zelf het onzekere lot in zijn sloep boven een langer verblijf op het eiland, dat bij het betreden ervan zo aanlokkelijk had geleken.

Ark komt voor Paradijs, geen expulsiebevel van hogerhand maar een vertrek op eigen initiatief: Martel zet met de kracht van zijn verbeelding de Bijbel op zijn kop. Dat is nodig want op grond van de morele code die in dat heilige boek wordt verkondigd, zou Pi niet eens recht op overleven hebben. Martel toont aan dat de overlevingsdrang sterker is dan morele codes.

Het boek lijkt een eenvoudig avonturenverhaal, maar het graaft dus veel dieper.

Antropocentrisme, antropomorfe benadering van dieren, de omgang met de natuur, de absurditeit van religieuze twisten… Deze en nog een aantal andere thema’s worden op beeldende en beklijvende manier aangekaart.

Het boek gaat over geloof en geloven. Martel bepleit, via zijn sympathieke maar toch ook wrede hoofdfiguur Pi, een godsgeloof, zonder een voorkeur uit te spreken voor een van de drie grote monotheïstische wereldreligies. Een redelijk argument hiervoor weet hij niet aan te dragen. Het enige wat hij zegt is dat het leven er mooier door wordt. Zoals ook de uitvoerige versie van Pi over zijn wedervaren mooier is dan de korte, die hij aan het eind van het boek als alternatief aanreikt.

1674

dinsdag 3 februari 2009

Dag 522 vVH&C

090121 en 090202 – Jammer van het gestotter. Hoewel, je zou op den duur gaan denken dat ook dat is opgelegd door spindoctors en vervolgens zorgvuldig ingestudeerd. Het maakt hem menselijker. ‘Kijk maar eens, hoe hij ook in dat moeilijke moment de kalmte weet te bewaren.’

De man draagt een joekel van een charisma voor zich uit. Je zou er bang van worden. Zie hoe zijn aura nu al de eenzaamheid van de macht uitstraalt.

Een dag later. Nauwelijks aan het werk of hij ondertekent al zijn eerste besluit. Een symbooldossier natuurlijk. Maar zie, hoe nadrukkelijk linkshandig hij is. Niet zomaar, onopvallend, maar als een kind dat, bang voor vlekken, zijn hele arm rond het schrift krult.
Clinton was ook linkshandig. Veel sympathieke mensen zijn linkshandig.

Wat maakt nu deze nieuwe president zo geloofwaardig? Onze hoop natuurlijk, wij wíllen dat hij geloofwaardig is want wij investeren geen vertrouwen in een president van een wereldmacht zoals we in het eerste het beste rommelkrediet zouden investeren. Maar afgezien daarvan? Wellicht is Obama geloofwaardig omdat hij na een gesjeesde filmster, een pindanotenfabrikant, een oliemagnaat, een vastgoedspeculant en een verlopen zoon van een oliemagnaat eindelijk eens iemand is die volledig op eigen kracht en op de kracht van het woord dat hij beheerst zijn huidige positie heeft verworven.

1673 / Sculptuur 5/5

Ieper, Psychiatrisch Ziekenhuis H. Hart, 090607 – Analoge opname, digitaal afgewerkt. De sculptuur is van Johan Parmentier, die hier rechts in beeld komt.

Sculptuur 4 / Zelfportret (12)

maandag 2 februari 2009

Uit het nieuws

De in ons land levende Joodse gemeenschap laat weten niet te kunnen lachen met een item in het televisieprogramma ‘Man bijt hond’. Het betreft een satirisch bedoeld stukje – niet bijzonder geslaagd als je het mij vraagt en tegelijk behoorlijk ‘stekelig’ maar voor de rest volkomen onschuldig. De makers hekelen nu net dat de Joden zich snel aangevallen voelen.

Er waren de jongste tijd al een paar incidentjes. Voor een ervan tekende de Vlaamse minister van Cultuur door zijn verontwaardiging om de kindermoorden in Dendermonde te vergelijken met zijn verontwaardiging om wat de Israëlische militaire interventie in Gaza heeft aangericht. Dat werd hem niet in dank afgenomen – de uitspraak van Anciaux (verschenen op zijn blog) ontketende ei zo na een diplomatieke rel tussen Israël en België.

Op de radio hoor ik nu de liberale (!) volksvertegenwoordiger Claude Marinower verkondigen dat het ‘ongepast’ is dat ‘een bepaald deel van de Vlaamse bevolking’ herhaaldelijk wordt ‘geschoffeerd’. Marinower is een Jood.

Bizar om te horen dat de Joden in Vlaanderen ervan uitgaan dat ze een onderdeel vormen van de Vlaamse bevolking want gisteren hoorde ik een andere Jood verklaren dat hij niet zou dulden dat zijn geloofsgenoten van de chassidische gemeenschap in Antwerpen zouden worden onderworpen aan de inburgeringsprocedure zoals die door de Vlaamse Gemeenschap wordt voorgeschreven aan al wie zich hier wenst te integreren.

Lange tenen, opgezette stekels en de noodzaak om elk woord twee keer te wikken en te wegen alvorens het uit te spreken of neer te schrijven. Het klimaat is wat je noemt: ongezond.

Dag 519 vVH&C

090118 – Van de leesclubs die ik begeleid leer ik zelf ook altijd bij. Meestal toch. Zo ook bij de laatste keer dat ik Veronesi deed. Zo kwam ik op het voorstel om het meervoud van ‘palindroom’ als een infinitief te lezen. Of op het inzicht dat de katharsis van Pietro niet alleen wordt bewerkstelligd door zijn dochter, die zegt dat haar medeleerlingen haar pesten omdat haar gekke vader weken aan een stuk de hele dag voor de schoolpoort op haar blijft wachten, maar evengoed door Pietro’s bewondering voor de inzet van de moeder die elke dag met haar mongoloïde zoon door het park komt. Of op het inzicht in het belang van de seksscène (voor wat betreft de verfilming van Caos Calmo door het Vaticaan gecontesteerd!) als zuiveringsritueel – zeker omdat Veronesi hier het verband legt met satanische praktijken (en hij laat het ook plaatsvinden op de dag dat, ook in Italië, ‘Halloween’ wordt ‘gevierd’). De setting en de elementen van de setting. De nevenfiguren. De betekenis van de titel. Enzovoort.

1672 / Sculptuur 3

Ieper, Psychiatrisch Ziekenhuis - 090607

zondag 1 februari 2009

1671 / Sculptuur 2

Ieper, Psychiatrisch Ziekenhuis - 090607