zaterdag 31 januari 2009

Terugblik (28) 508 / 1000

Je hebt fotografen die niet graag citeren. Zij zijn van oordeel dat je niet hoort te profiteren van andermans werk. Een dergelijk puristisch standpunt is moeilijk vol te houden want het beeld is zo alomtegenwoordig in onze leefwereld dat je als fotograaf bijna voortdurend zou moeten elimineren en op je hoede zijn. De kans dat je onwillekeurig door iemand anders’ lens meekijkt en een beeld dat in je blikveld opduikt toch mee in je kader neemt, is niet gering. (En dan spreek ik nog niet over het onrechtstreekse, impliciete citeren, dat eruit bestaat dat je kijkt à la façon de – maar dat veronderstelt dan weer een gedegen kennis van de fotografiegeschiedenis.)

Andere fotografen trekken zich daar niets van aan. Behoort het beeld van een ander tot het straatbeeld, tot het landschap, wel, wat is dan het probleem? Of als je – als dat is toegestaan – in een museum of op een tentoonstelling fotografeert, dan fotografeer je toch niet in de eerste plaats de werken zelf maar de situatie, de specifieke omstandigheid van het museum, de tentoonstelling? (Je hebt mensen die in musea de werken zelf fotograferen, vaak nog met een flitsbelichting ook al steekt het werk achter glas. Deze mensen zijn meestal Japanners en kunnen geen ‘fotografen’ worden genoemd.)

Parijs, Musée Picasso - 060604

Ik vind het perfect legitiem dat je de foto (of het kunstwerk) van een ander in je eigen werk betrekt. Maar dan moet je wel een meerwaarde creëren. Dan gaat het niet om een foto van een foto (dat kan ook natuurlijk, maar dan met louter documentaire doeleinden – maar hou dan wel rekening met het feit dat er postkaarten en eventueel catalogi bestaan, of dat je het werk in kwestie misschien kunt kopen), maar om de relatie die die foto aangaat met wat ook nog in het beeld wordt betrokken (inhoudelijk) of om de compositie van het geheel waarin de gefotografeerde foto zelf een element wordt (vormelijk), of, in het beste geval, om een combinatie van die twee.

Ik denk dat foto 508 zeker aan de eerste en misschien ook wel aan de tweede vereiste voldoet.

De foto werd in juni 2005 genomen op een fototentoonstelling in de Beurshal van Brugge. Ik denk dat het de eindejaarstentoonstelling was van de fotografieafdeling van de Stedelijke Academie. Ik weet niet van wie de foto is. En kijk, dat is misschien fout. Als je het beeld van een ander zo nadrukkelijk citeert als ik het hier doe, dan moet je ook je bron vermelden. Meestal doe ik dat, hier ben ik nalatig geweest. Dat is jammer, zeker ook omdat de fotograaf (of fotografe) die vermelding zeker verdient.

1670 / Sculptuur 1

Ieper, 080607

vrijdag 30 januari 2009

Vertigo

W.G. Sebald is mijn favoriete auteur en voor de creatieve mogelijkheden die besloten liggen in de relatie tussen woord en beeld heb ik een zwak.

Gegeven die twee – euh – gegevenheden, ben ik wat blij Vertigo te hebben ontdekt. De auteur van deze blog houdt zich uitsluitend bezig met Sebald en, in de geest van Sebald, met fictie waarin gebruik wordt gemaakt van beelden. Zoals trouwens Sebald zelf deed.

Ik liet een reactie achter op Terry Pitts’ blog:

Hello Mr Pitts,
What a treasure you are sharing with us! I thank you for your generosity.
In return I want to share with you, and possibly with some of your readers, some texts I've written on Sebald. (They are written in Dutch, but maybe by using a translation-machine you can get an impression...)
I was one of the first to introduce W.G. Sebald in the Dutch speaking part of Belgium - the land of Antwerp and Breendonk, where
Austerlitz
starts. These texts were published in a magazine and I gave them a second life on my blog.
W.G. Sebald is and will stay one of my favourite writers. I'm happy to have found your blog, I will certainly read it and I will also recommend it on mine.
Thankfully yours,
Pascal Cornet
PS
I live in Bruges, according to your list of photography-embedded fiction the place where it all started with Rodenbach's
Bruges-la-Morte!


*

De vlinderman: over De émigres
Ontroeringen van een dwalende ziel: over Melancholische dwaalwegen
Als ik dan toch een lijstje zou moeten…: over De émigres
De natuurlijke historie van de verwoesting
Austerlitz

Dag 518 vVH&C

090116 – Hoe kan iemand die zwaar in het krijt staat het goedmaken? Bijvoorbeeld na een vergrijp dat een gans leven diepgaand heeft beïnvloed, dat een kwetsuur heeft veroorzaakt die een kwarteeuw later nog schrijnt? Is een spijtbetuiging, een uitdrukkelijk verwoord excuus genoeg? Hoe kun je weten dat zo’n excuus gemeend was? Bestaan er criteria om dit uit te maken? Hoe voelt een oprecht gegeven hand aan? Hoeveel zand, en welk soort zand, heb je nodig om definitief te kunnen zeggen: zand erover! Ligt er misschien – in moreel opzicht – iets essentieels besloten in de onzekerheid die met dit alles gepaard gaat?

1669

Brugge, Kruisvest – 081207, 23u30

donderdag 29 januari 2009

***

Beste vrienden van het ronde rad en de ronkende raderen; van bidon, guidon en carton; van spakengeflikker en poldergalmende internationales; van kilovretende kilometers,

Ik ben in het grootste geheim en in alle bescheidenheid begonnen met een relanceplan. Na de historische conditiecrash van 4 januari in de Blankenbergse Polder - de gecombineerde visuele herinnering van een kudde grijze ganzen in de weide naast mij en van een kleurrijk pelotonnetje dat alweer twee bochten verder uit het zicht dreigde te verdwijnen, blijft in mijn geheugen, wat zeg ik, in mijn ziel gegrift (ik blijf mij afvragen met welke troep ik mij op dat ogenblik het meeste verwant voelde) - na die afgang dus heb ik besloten om in de grootste beslotenheid mijn conditiepeil op peil te brengen (fietsen is een zaak van herhalingen). Een flandrien, ook een belgicistische, heeft zijn trots.Maar ik kom terug! Ik kom terug!

Dag 523 vVH&C

090122 en 090129 – Met aanvankelijk gemengde gevoelens maar vervolgens stijgende waardering heb ik naar Slumdog Millionaire gekeken. Het is de verdienste van Danny Boyle dat hij met een gemakkelijk toegankelijke en sterk aansprekende beeld- en klanktaal en tussen de plooien van een combinatie van spannend verhaal en vertederende romance en passant zijn kijk op het hedendaagse India meegeeft, en bij uitbreiding op de met versneld tempo globaliserende wereld waarin we stilaan met te velen verwikkeld zijn. Filmisch worden alle middelen gemobiliseerd (felle kleuren, scheve perspectieven, een zenuwachtige cameravoering) om actie, geweld en overvolle drukte te onderstrepen. En Boyle aarzelt niet om voor de romance alle clichés van stal te halen, tot en met de kuise Gone With The Wind-kus waarmee de film happy eindigt. Een concessie aan de Bollywoodse esthetiek. Daarna volgt nog, bij wijze van eindgeneriek, een Michael Jackson-achtige massachoreografie. Die is voor het geheel zeker niet onbelangrijk want door de relativerende toon die hij daarmee zet, geeft Boyle, voor zover dat nog nodig was, aan dat hij méér heeft willen maken dan alleen maar een spannend feelgoodsprookje (zoals de film in de recensies veel te nadrukkelijk wordt voorgesteld). Boyle heeft, gebruik makend van de taal- en beeldregisters van de populaire cultuur, de populaire cultuur van binnenuit ondergraven en ontmaskerd als een valkuil voor al wie zich vergaapt aan roem en rijkdom, in die mate dat het beroerde van de eigen situatie niet voldoende onder ogen wordt gezien. En in die zin gaat Slumdog Millionaire zelfs niet alleen over India maar óók over ons. Het hilarische beeld van de jongen die bereid is om zich in een strontput te laten vallen om toch maar een handtekening van zijn idool te kunnen bemachtigen, zal mij in dat verband bijblijven – en dit is niet terug te voeren op een mogelijk scatologisch trekje van mijnentwege.

De personages, ook in hun kindfase, zijn zeer geloofwaardig. Een van de hoogtepunten in de film is het ogenblik waarop het hoofdpersonage, de aan een miljoenen-televisiekwis deelnemende 18-jarige en al zeer veel meegemaakt hebbende Jamal, moet kiezen tussen het antwoord dat de kwismaster hem in de man’s room heeft ingefluisterd en het enige andere mogelijke antwoord. Zal hij de kwismaster vertrouwen of niet? Boyle voert hier de spanning ten top, je weet perfect hoe de film zal aflopen maar hier weet je echt niet hoe dit onderdeel zal uitdraaien. Het is bovendien geen gratuite spanning maar een waarachter een morele evaluatie van het zeer on-Indiase mediabestel schuilgaat.

U moet er maar eens op letten wiens beeltenis op de bankjes van 1000 roepie prijkt.

1668 / De winter van 2009 - 17/17

Brugge, Damse Vaart – 090111

De winter van 2009 - 16

Brugge, Katelijnevest - 090109, 13u15

De winter van 2009 - 15

Brugge, Stil Ende - 090111, 16u41

woensdag 28 januari 2009

Dag 517 vVH&C

090116 – De Morgen maakt op de radio reclame voor een reeks van hoogtepunten uit de Nederlandstalige literatuur. De reeks wordt als lokker voor de krant aan de man gebracht met de slogan: ‘De boeken die al uw andere boeken overbodig maken.’ In het beste geval is het een verwijzing naar Reves (ironisch bedoelde) verkoopsargument met betrekking tot zijn vaak aangekondigde en al even vaak uitgestelde en uiteindelijk teleurstellende Het boek van violet en dood maar ik vrees dat de slogan van De Morgen is ontsproten aan het brein van een reclamejongen die misschien nog nooit van Gerard Reve heeft gehoord.

Hoe dan ook, de frase heeft in elk geval de verdienste dat zij aan het denken zet over de betekenis van literatuur in onze levens. Zij lijkt onder meer ook enige gêne te bevatten over al die ongelezen boeken die op onze bibliotheekplanken staan. In het ‘maakt alle andere boeken overbodig’ klinkt iets groteschoonmaakachtigs mee, de behoefte aan een schone lei, een vernieuwd overzicht. Zet deze fraai en overzichtelijk uitgegeven reeks boeken op je plank en zet al de rest, en vooral al het ongelezene dat je nu al jaren onrustig maakt, rustig bij het oud papier op het plankier.

1667 / De winter van 2009 - 14

Brugge, Predikherenbrug – 090109

dinsdag 27 januari 2009

mirage 11

Nieuwpoort, 080301

Dag 515 vVH&C

090113 – De radioreporter maakt op een Vlaamse speelplaats een reportage over te zware boekentassen. Het is een oud probleem. De boekentassen wegen twee tot drie keer te zwaar voor kinderruggen. Sommige kinderen die zelf amper veertig kilo wegen, zeulen dode gewichten van meer dan tien kilogram van en naar school. Tien procent van het eigen lichaamsgewicht is, voor de goede gezondheid, een maximum. En als ze de tas op hun rug dragen, dan doen ze dat veel te laag ‘want dat is in de mode’.

De kindertjes dienen met handschoenen aangepakt. Ze worden op de boekentasweegactie van de school vriendelijk uitgenodigd om hun last te laten wegen en krijgen vervolgens de suggestie mee dat ze de inhoud wat zouden kunnen uitdunnen.

De school in kwestie is vastbesloten om het probleem aan te pakken. Het is een langetermijnproject, zegt de directeur met determinatie in de stem. Dit jaar wordt aan sensibiliseren en informeren gedaan. De boekentasweegactie van vandaag past daarin als hoogtepunt; zelfs de pers is erop uitgenodigd, blijkbaar. Volgend jaar wordt onderzocht, en het jaar daarop geëvalueerd. Dan zullen de nodige maatregelen worden getroffen. Enfin, de actievoerders hebben zich al het volledige bureaucratische jargon van de met harde hand gemanagede zachte sector eigengemaakt en de actie zelf, die hiervan het resultaat is, duurt wellicht lang genoeg om bij de leerlingen al de eerste ruggengraatmisvormingen te laten ontstaan. En dan, dan zal men tot de vaststelling komen dat het probleem van de te zware boekentassen kan worden opgelost door ze lichter te maken. Bijvoorbeeld door de kinderen ertoe te bewegen niet elke dag van elk vak alle materiaal te laten meebrengen. Ze kunnen bijvoorbeeld ook enkel datgene meebrengen wat ze nodig hebben.

Wanneer de reporter vraagt of de kinderen misschien niet wat al te nonchalant zijn in hun boekentasbeheer, antwoordt de boekentasactiecoördinator behoedzaam eufemiserend: ‘Neenee, integendeel, ze zijn misschien iets te ijverig want ze zorgen ervoor dat ze altijd alles mee hebben zodat je ze nooit op enige nalatigheid zult kunnen betrappen.’ Niet zonder handschoenen.

Het probleem van de te zware boekentassen is oud. Het bestond al in mijn tijd. Enfin, het bestond eigenlijk niet want het werd meteen opgelost. Hoe? Door een wonderlijke cocktail van autoriteit en gehoorzaamheid. Het was stomweg verboden om met te volle boekentassen naar school te komen. En wie zich daar niet aan hield, kreeg straf.

1666 / De winter van 2009 - 13

Brussel, Warandepark – 090106

maandag 26 januari 2009

Reactie

"Afstand" is belangrijk in elke goede compositie,en misschien zijn het wel de surrealisten die dit het best begrepen en toegepast hebben en zo door figuren of objecten die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben op de juiste afstand van elkaar in een compositie te plaatsen een dialoog doen ontstaan.
Morandi was samen met Carra en nog iemand waarvan de naam me ontschiet de oprichter van de "metafysische schilderkunst".
En naast afstand vind ik de "onstoffelijking" van zijn objecten eigenlijk het belangrijkste aspect van zijn werk.
Hij schilderde zijn objecten vaak voor hij ze schilderde dwz hij bedekte zijn flessen met een laagje verf om zo de fles te ontdoen van zijn "fles" zijn.
Ook speelt de schaduw een belangrijke rol in Morandi’s werk.
Naast objecten zoals flessen, allerlei potten, stenen, schelpen, bloemen... schilderde en etste hij ook veel landschappen.
Sam

Reactie

Het is zeer sterk wat je over jullie bezoek aan Passendale schrijft. Het is beklijvend en getuigt van grote gevoeligheid want alle facetten worden hier ingeleefd: de materie - steentjes, gebeitelde lettergleuven - en ook de materie in zijn monumentale omvang - het geluid van een auto - bewegen op het ijs. En natuurlijk de metafoor.
Ik ben er stil van.
S.

Dag 514 vVH&C

090113 en 090126 – Eergisteren met mijn oudste zoon en zijn Australische internetkennis naar Passendale en Ieper gereden. Haar betovergrootvader heeft hier nog gevochten, vandaar. Ze wou met eigen ogen de sites zien. Vreemd want deze jonge vrouw is zo goed als blind. Een monumentale witte vorm met een donker gat in, dat is voor haar de Menenpoort. Een grote witte waas met evenwijdige lijnen, dat is Tyne Cot Cimetery.

Ik leid haar hand over de ingebeitelde namen; ik laat haar het verschil voelen tussen de zerken van Commonwealth-militairen en die van de enkele Duitsers die op Tyne Cot begraven liggen; ik ‘toon’ haar het kruis en de davidster en hoe boven op de joodse zerken steentjes zijn gelegd. Van de Menenpoort is zij danig onder de indruk. De galm van een opgedreven auto die door de poort de stad uit scheurt, zal voor haar allicht de indruk van ruimtelijkheid versterken (waar het voor ons, zienden, alleen maar een ergernis is…).

De handicap van deze vrouw heeft de kracht van een metafoor en maakt mijn bezoek aan beide plaatsen intenser. Haar blindheid staat voor het algemene onvermogen om zich een voorstelling te vormen van de gruwel waaraan op deze plaatsen wordt herinnerd.

(Hoe kan het onvoorstelbare worden herinnerd?)

Bij de Menenpoort kerft, naast het geluid van de auto, nog een tweede beklijvende impressie zich in haar geheugen. De Ieperse omwallingsgracht namelijk is dichtgevroren en ik laat de gelegenheid niet voorbijgaan om deze Australische met een voor haar hoogst ongewoon natuurfenomeen te confronteren. Ziedaar voortaan de cluster in haar geheugen: glijden, scheuren, de waas van een wit monument en een vage, ontoereikende poging om een onvoorstelbare slachting te herdenken.

1665

Ieper, Menenpoort – 090111, 14u44

zondag 25 januari 2009

23 * 25,04 * 56

Op het kanaal: eendse koppelvorming. Het hek bij de overbodige brug, die midden in een weide staat en die ze zouden afbreken naar ik heb vernomen, is geopend en op het staatsdomein staat een auto geparkeerd. Op de andere oever rolschaatst een vader met zijn zoon. Twee weekends geleden, toen het nog winter was, ijsschaatsten ze wellicht. In mijn oortjes zingt Barbara over Kerstmis. ‘Bien sûr il y eut des scènes près du Pont de l’Alma.’ Op het water zie ik iets kleins wegduiken. Te klein voor een aalscholver of fuut. Een dodaars? Elvis Costello zingt en op het woord ‘stop’ in de zin ‘Who knows where on earth it’s going to stop?’ breekt de opname af en schakelt de iPod over naar iets van Fernandel. Even voorbij de brug van Stalhille keer ik terug omdat er uit de wolk, die vanuit het westen op me afkomt, druppels beginnen te vallen en het is me nog net iets te koud om nat te worden. Ik geraak verstrikt in het verkeersknooppunt aan de oprit van de E40 bij Jabbeke. Ik kies op goed geluk een uitweg en tref op die manier een schitterende fotolocatie aan: een kleine boerderij naast een konijnenpijp in het talud van de expressweg waaronder het baantje waarop ik rijd zich een weg zoekt naar de andere kant. In de tuin van een van de villa’s langs de Legeweg in Sint-Andries wappert een Amerikaanse vlag. Rijdend voorbij de gevangenis moet ik denken aan die babykiller uit Dendermonde want hij zit hier, hoorde ik vanmorgen op de radio.

De dingen (2)

Handschoen

Het bestaat (53)

– Ik proef straks zo’n jenevertje, vooraleer ik naar de tekenklas ga.
– Zie maar dat je nog rechte lijnen kunt trekken.
– Het is levend model en bij levend model zijn het allemaal gebogen lijnen.

1664 / De winter van 2009 - 12

Veldegem – 090103, 15u04

zaterdag 24 januari 2009

Dag 521 vVH&C

090114 en 090120
Een uitweg uit het weten

Beste Michaël,
Geachte hoogwaardigheidsbekleders,
Dames en heren,

U bent naar hier gekomen om foto’s te bekijken. U verwacht dat het mooie foto’s zijn.
Of wilt u goede foto’s zien? Sterke foto’s? Interessante foto’s?

De foto’s van Michaël Depestele zijn mooi én goed én sterk. En interessant.

Het zal u niet verbazen dat ik u dat zeg. Maar daar neemt u geen vrede mee. Eigenlijk verwacht u van mij dat ik u zeg waarom deze foto’s goed, mooi, sterk en interessant zijn.

U bent naar hier gekomen met verwachtingen. Niet alleen ten aanzien van de foto’s maar ook ten aanzien van mij want u veronderstelt dat ik u iets over die foto’s zal vertellen. Dat is eigenlijk, als je er goed over nadenkt, vreemd. Het zou niet in u opkomen zoiets van mij te verwachten indien u mij toevallig op straat zou tegenkomen, bijvoorbeeld terwijl wij samen op het groene voetgangerslicht staan te wachten om over te steken.

Hoe komt dat?

Wij bevinden ons hier in een setting. Of noem het een context, een kader. Dat kader roept verwachtingen op. Het is beslist niet de eerste keer dat u naar een vernissage komt, dus u weet wat hier allemaal te gebeuren staat.

Ik zal u niet zeggen wat op de foto’s van Michaël Depestele te zien is. U moet zelf goed kijken. Ik kan u hooguit iets zeggen over die foto’s, en misschien ook over hoe u ze moet, of beter, kunt bekijken.

Michaël Depestele komt voor zijn werk als beroepsfotograaf vaak in vreemde situaties terecht. De krant waarvoor hij werkt wil dat van hem. Hij krijgt daar geld voor. Daarom bezoekt Michaël: een optocht, een wedstrijd, een feest, een plechtigheid, een bijeenkomst, een prijsuitreiking, een vernissage. Ja, laat ons het maar toegeven: ook een vernissage is een vreemde situatie. En op die plaatsen maakt Michaël de foto’s die zijn opdrachtgever van hem verwacht. Die foto’s moeten tonen wat daar gebeurt. Ze moeten duidelijk zijn, eenduidig. En dus zien we: een autowrak, een groepsportret, een man die een menigte toespreekt. Iedereen begrijpt die foto’s.

Dat zijn niet de foto’s die we hier te zien krijgen, maar dat had u al door.

De foto’s die we hier zien, zijn de foto’s die Michaël Depestele naast en in het kader van zijn opdracht voor zichzelf maakt. En eigenlijk ook voor ons, wat zeer genereus is.

Om de foto’s die Michaël Depestele voor zichzelf maakt op die bijzondere gelegenheden en in die vreemde situaties te begrijpen, moeten wij proberen te achterhalen waarin ze verschillen van de foto’s die in de krant komen.

Toevallig kreeg ik, tijdens het schrijven van deze tekst, een versregel onder ogen die het eigenlijk allemaal zegt: ‘Poëzie […] zoekt een uitweg uit het weten.’ Die regel is van Elvis Peeters.
Michaël focust in zijn eigen foto’s niet op waar het in die situaties volgens de krantenlogica om te doen is. Hij brengt iets ánders in beeld. Op een optocht toont hij niet de optocht. Op een missverkiezing toont hij niet de miss. Op een koers toont hij niet de koers. Hij vangt een ándere essentie. Een essentie die niet is te herleiden tot de inhoud, tot hetgeen we kunnen wéten, maar een die gelegen is in de vorm. Michaël Depestele toont ons het kader, de context. En hij probeert daar uit te breken. Poëzie zoekt een uitweg uit het weten.

Laat ons eens kijken wat we zien als we goed kijken.

© Michaël Depestele

U moet er eens op letten op hoeveel foto’s een omheining, een afbakening, een afsluiting te zien is. Dat is, voor mij, het in beeld gebrachte kader.

U moet er eens op letten hoe vaak personen niet volledig in het beeld staan. Ook op die manier brengt Michaël de afgrenzing in beeld.

U moet er eens op letten hoe dikwijls op de foto’s een persoon een deur opent of om een hoekje kijkt en zo het blikveld betreedt of verlaat. Ook op die manier toont Michaël het kader.

Door op die manier, door zijn focus op iets anders te richten en ons iets ánders te laten zien, is Michaël Depestele niet alleen een beroepsfotograaf maar – ik neem een beladen woord in de mond – een kunstenaar.

Hij is dat heus niet alleen omdat hij mooie afdrukken van zijn foto’s inlijst en op bedachtzame wijze accrocheert, of omdat hij een vernissage organiseert waarop hij drankjes laat rondgaan.

Kunstenaar is diegene die erin slaagt om ons de suggestie te schenken van een ándere kijk op de werkelijkheid. Hij leert ons dat onze manier van naar de werkelijkheid te kijken slechts een van de vele mogelijke is. De kunstenaar laat ons geen andere dingen ervaren, hij laat ons zien dat er andere mogelijkheden zijn om de dingen te ervaren dan de mogelijkheden die wij hebben leren te verwachten en die ons worden voorgeschreven. En die leiden niet altijd tot waarheid, dat weet iedereen die al eens heeft nagedacht over de manier waarop hij door de beeldvorming in onze gemediatiseerde wereld wordt gemanipuleerd.

Michaël Depestele toont met zijn opgestelde stoelen, met zijn podiums, met zijn hamburgerkramen en nadarafsluitingen de voorgeschreven ensceneringen.

© Michaël Depestele

Een van de foto’s die wat ik hier probeer te zeggen het duidelijkst laat zien, is deze die Michaël maakte in het stembureau. Op de achtergrond zien we iemand achter het gordijntje in een stemhok zijn stem uitbrengen. Dit is wat de foto voor de krant ons moet tonen. Maar Michaël Depestele toont ons veel meer. Hij toont de hele constructie die de mensen opzetten om het stemmen mogelijk te maken: de hokjes, de stoelen op de voorgrond waarop de wachtende kiezers kunnen plaatsnemen. En dan is er de ordehandhaver die om het hoekje kijkt – en die op die manier benadrukt hoe belangrijk het kader, de context is voor de fotograaf.

De foto’s van Michaël Depestele brengen, zoals dat met sterke foto’s, en met sterke kunst in het algemeen, altijd het geval is, ook de beeldvorming, en dus de fotografie zelf in beeld. Michaël Depestele stelt met andere woorden zijn eigen medium ter discussie.

Om al die redenen is het adjectief ‘mooi’ niet toereikend. Daarom moeten ook ‘goed’ en ‘sterk’ en ‘interessant’ erbij.

Iets is interessant wanneer het u confronteert met uw verwachtingen. Wanneer het alles wat u over iets dacht te weten op de helling plaatst. Wanneer het u de uitweg toont uit het weten.

Als u nu goed hebt geluisterd en hebt ervaren dat wat u hebt gehoord niet beantwoordde aan uw verwachtingen, wel, dan was dit voor u een interessante inleiding. En dat is ze al helemaal als u daardoor nu de foto’s van Michaël Depestele op een ándere manier ziet dan u ze uit uzelf zou hebben gezien. Als ze niet beantwoorden aan uw verwachtingen. Als ze u dus verrassen, uitdagen, confronteren met het feit dat uw verwachtingspatroon altijd ontoereikend is.

Eigenlijk is dat een grote rijkdom.

Ik dank Michaël voor de gelegenheid die hij mij geboden heeft om uw verwachtingspatronen te doorbreken, en voor de generositeit waarmee hij ons helpt een uitweg te zoeken uit ons weten.

Deze tekst werd op 20 januari voorgelezen bij wijze van inleiding op de fototentoonstelling van Michaël Depestele. Tot 22 februari in CC Ieper Lakenhalen – Foyer, alle dagen van 10 tot 16 u, gratis toegang.

1663

G. (analoge opname, dubbele belichting (toevallig), digitaal afgewerkt)

vrijdag 23 januari 2009

Dag 513 vVH&C

090112, 090114 en 090123 – We hebben ons om de tuin laten leiden: ‘Raymond Klassiek’ was geen optreden met alleen maar Raymond, neen, hij kwam, tussen de stukjes Weense wals van het West-Vlaams orkest van Patrick Peire door, gewoon enkele liedjes brengen aan de piano. Het serviceclubpubliek zou waarschijnlijk, met alleen Peire op het programma, niet in dermate grote getale zijn komen opdagen voor dit concert-voor-het-goede-doel.

Het was een vreselijk concert. De keuze van de klassieke muziek was aangepast aan de modale smaak van de rotarianen (met enkel een sereen gebrachte Valse Triste van Sibelius en een orkeststukje voor hobo solo van Piazzolla op niveau), maar Raymond van het Groenewoud spande toch de kroon qua onuitstaanbaarheid.

We dansen de Bostella, zong hij. En: Het gaat om ons. Liedjes met teksten over verveeld samenzijn en geforceerde pret en valse contacten. In de knop gebroken dromen. Zeer gedurfd hoor, van Raymond, om dat uitgerekend hier, bij deze gelegenheid, te zingen – maar het rotarypubliek vond het goed en de van hier tot ginder gedecolleteerde del in de rij better seats achter mij rattlede met haar jewelry.

Enkel tijdens het door het orkest fraai begeleide Twee meisjes wist RvhG zijn eigen tics en cabotinages onder controle te houden en te bewijzen dat in hem toch ook een groot kunstenaarschap schuilgaat.

Samen zijn
Ja, vooral samen zijn
Zou dat niet geweldig zijn
Is het niet gezellig
Om voor elkaar de hel te zijn

Wat een pijnlijke bedoening.

1662 / De winter van 2009 - 11

Mullem – 090110, 16u34

donderdag 22 januari 2009

Ferroviaire observatie (17)

Ik zat schuin tegenover een prachtige jonge zwarte vrouw. Heel mooi gelaat met edele trekken, tulband over de haardos, leesbrilletje. Ze las een Engelstalige pocket, titel gelezen maar nu blijkbaar vergeten. Het was iets alomvattends, zoals ‘The Road’ of ‘The Truth’ of ‘On Reality’. Ik zag ook een vignet dat verwees naar de Booker Prize, ik zou dus die titel kunnen opzoeken. De vrouw had dat waardige en zelfbewuste over zich dat negervrouwen vaak hebben. En natuurlijk was er vandaag die dimensie méér met op de cover van alle Metro’s die iedereen aan het lezen was die dekselse Obama! Naast de zwarte vrouw zat, recht tegenover mij dus, aan het raampje, een blanke jonge vrouw. Ze sliep, hoofd gevleid in de kap van haar jas. Het contrast tussen die twee: blank-zwart, lezend-slapend. Het hoofd van de zwarte vrouw ging bij momenten helemaal schuil achter haar boek, dat ze hoog voor zich ophield. Opeens zag ik één oog boven de V van de vouw van het opengeslagen boek uit piepen, in de richting van de deur waardoor iemand de wagon betrad. Dát beeld: het grote donkere oog, met de tulband erboven en het boek eronder, en dan de volledige figuur van die zwarte vrouw, met de slapende blanke vrouw ernaast: dat beeld had ik willen vatten, het zou een prachtige foto hebben opgeleverd. (Maar zelfs al zou ik een fototoestel in de aanslag hebben gehad, ik denk niet dat ik zou hebben durven afdrukken.)

1661 / De winter van 2009 - 10

Mullem – 090110, 16u47

woensdag 21 januari 2009

1660 / De winter van 2009 - 9

Mullem - 090110, 15u32

Het bestaat (52)

090110 – C vertelt hoe het huwelijk van mijnheer en mevrouw V ooit op de klippen is gelopen. Mevrouw V ging met de Katholieke Arbeiders Vrouwen een busuitstap maken naar de Meli Honingfabriek in Veurne en het gezelschap zou op de terugreis nog eens stoppen voor een Tupperwaredemonstratie in Hooglede – zodat ze pas tegen een uur of zeven terug thuis zouden zijn. De bus zou voor het vertrek de groep dames op het kerkplein ophalen. Maar de bus kwam niet en na een uur was de bus daar nóg niet. Alle dames dropen af en mevrouw V ging naar huis. Waar zij mijnheer V met de buurvrouw in bed aantrof. Een week later woonde mijnheer V op een appartementje. Op zijn werk, een christelijke verzekeringsmaatschappij, mocht mijnheer V niet langer loketwerk verrichten. Er zou geroddeld kunnen worden. Hij werd op zeer christelijke wijze in een achterkamertje geparkeerd en heeft daar tot zijn pensioen, vele jaren later, gezeten.

De winter van 2009 - 8

Ver-Assebroek - 090109, 15u50

De winter van 2009 - 7

Ver-Assebroek - 090109, 15u37

dinsdag 20 januari 2009

Mijn woordenboek (216)

AFSTOMPEND

Het stompzinnige stompt af. Stompzinnig geweld, stompzinnige seks, stompzinnig vertier, stompzinnige snelheid en oppervlakkigheid. Als je jonge mensen ervan kunt overtuigen dat Brusselmans, Aspe & tutti quanti literatuur zijn, zullen ze op den duur de scherpte missen om de waarde in te zien van échte schrijvers. Als je jonge mensen ervan kunt overtuigen van de waarden die door die MTV-rotzooi worden uitgedragen, kun je moeilijk verwachten dat ze niet seksistisch, materialistisch en egoïstisch worden. Als je jonge mensen ervan kunt overtuigen dat de virtuele contacten die zij via het net hebben échte vriendschappen zijn, kun je moeilijk van ze verwachten dat ze sociaal vaardig zijn. Als jonge mensen worden gebombardeerd met de vunzigste porno nog voor ze een medemens hebben gezien, laat staan hebben aangeraakt, geroken, gevoeld, gestreeld, kun je moeilijk van ze verwachten dat ze gegarandeerd een normale en zinvolle seksualiteit zullen ontwikkelen. Als je jonge mensen voortdurend op hun wenken bedient en voortdurend hun wensen instant bevredigt, als je ze niet leert wat wachten en geduld betekenen, enzovoort…

De afstomping bedreigt vooral de jeugdige leeftijden – uiteraard omdat die nog het meest voor vorming vatbaar zijn. Of voor deformatie.

Ik sla, vertrekkende vanuit het begrip, het woord afstomping, twee richtingen uit.

Iets stompt af, er is een onderwerp. Ik bedoel niet de middelen waarvan dat onderwerp zich bedient – amusement, kicks, sensatie, consumptie, cynisme – maar de instantie, of wat het ook moge zijn, die daar belang bij heeft. Die belang heeft bij het afstompen of, moet ik het anders zeggen, het niet ervoor zorgen dat er niet wordt afgestompt. Misschien is het verkeerd, een verlate vorm van animisme, daar een instantie te bevroeden, een soort van Big Brother of hogere macht – wat dan weer zou wijzen op een of andere vorm van complotdenken. Daarom stel ik alleen maar vast dat we in een maatschappij leven waarin onvoldoende gezag en voorbeeld aanwezig is om het afstompen tegen te gaan. Om de inspanning te doen opbrengen die nodig is om het afstompen, dat zelf toegeeft aan een soort wet der traagheid, of recht op luiheid of wat dan ook, tegen te gaan.

De tweede richting betreft datgene wat wordt afgestompt. Een oorspronkelijke scherpte, iets alerts dat in principe in elke mens aanwezig is. Want wat al stomp is kan niet nog stomper worden. Deze gedachte stoelt op een positief mensbeeld, het zij zo. Achter elke door overmatige stompzinnigheid cynisch en lui en moe en verveeld geworden mens schuilt een alerte, scherpzinnige, levenslustige en tot opbouwen gestemde ziel die, helaas, gefnuikt, verdoofd, gedoofd, uitgeblust is.

1659 / De winter van 2009 - 6

Assebroek – 090109, 12u05

maandag 19 januari 2009

De dingen (1)

Appel

Dag 509 vVH&C

090114 en 090115 – Een voormalige premier leerde zijn onderdanen ooit het onderscheid tussen feitelijke en hypothetische vragen. Dat is een nuttig onderscheid, maar het betekent nog niet dat hypothetische vragen niet interessant zouden kunnen zijn. Zij hebben in elk geval het onschatbare voordeel dat zij ons aan het denken zetten en aldus de loutere pragmatiek overstijgen.

Zo kunnen wij ons afvragen hoe België er zou hebben uitgezien indien Albert I niet van zijn rots zou zijn gevallen, indien Dutroux niet zou zijn teruggevonden door een houthakker, indien de Koningskwestie niet niet en dus wél op een burgeroorlog zou zijn uitgedraaid, indien België geen kolonie zou hebben gehad.

Met Het complot tegen Amerika stelt Philip Roth ook een hypothetische vraag. En geen kleintje. Wat zou er gebeurd zijn indien de Verenigde Staten eind de jaren 1930 zou zijn gezwicht voor de verlokkingen van het nazisme en bijgevolg niet in de Tweede Wereldoorlog zou zijn gestapt omdat het geen graten zou hebben gezien in het Duitse expansionisme op het Europese continent? De historische evidentie waarmee Roth zijn boek stoffeert, maakt deze hypothese in die mate plausibel dat ze niet ‘fantastisch’ en daardoor irrelevant wordt. Het tegendeel is waar. Door de literaire kwaliteiten van zijn boek slaagt Roth er zelfs in om daarenboven een aantal algemene kenmerken van een maatschappij in diepe crisis in beeld te brengen.

Roth heeft het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. Niets lijkt zo moeilijk als een alternatieve geschiedenis te schrijven. Roth verleidt ons erin te geloven dat Amerika een met het nazisme sympathiserende president heeft gehad, terwijl we natuurlijk allemaal weten dat dit niet het geval is geweest. Het moet al even moeilijk zijn om op een geloofwaardige manier de Holocaust te ontkennen.

Roth zet zo overtuigend zijn hypothetische werkelijkheid neer, dat de lezer soms vergeet dat het niet zo is gegaan. Dat is een vreemde gewaarwording – ook al omdat hier blijkt dat je met fictie een soort werkelijkheidservaring kunt oproepen. Zoals de geschiedschrijving dat kan. En daarmee wordt natuurlijk ook de kwestie van de onontkoombare relatie tussen geschiedschrijving en fictionalisering een thema van dit uitzonderlijke boek.

Hoe moeilijk en onwaarschijnlijk ook, Roth slaagt erin om zijn hypothese geloofwaardigheid mee te geven. Hij schetst een klimaat van onzekerheid, angst en wantrouwen, en ook als hij de ‘gebeurtenissen’ laat culmineren in een gewelddadige staatsgreep en een heuse Jodenvervolging, blijven wij begrijpen wat hij ons wil zeggen. Geloofwaardig is het alleszins want wij weten maar al te goed dat het mogelijk is. Wat Roth als een fictie in het Amerika van de late jaren dertig, vroege jaren veertig situeert, was in Duitsland in die periode immers realiteit – hoe onvoorstelbaar het ook moge zijn. Én er waren in de Verenigde Staten in die periode voldoende feiten op basis waarvan we nu kunnen stellen dat Roths hypothese nog zo gek niet is.

Door het verhaal te vertellen vanuit het oogpunt van een kind dat opgroeit in een modaal (joods) gezin, toont Roth ons de monsterlijke kracht van het alledaagse, de op onveranderlijkheid gerichte wet der traagheid die onze levens beheerst en die ons blind doet zijn voor gebeurtenissen die zich op een veel ruimere schaal aan het voltrekken zijn. Wij zijn, om het eenvoudig te zeggen, niet alert. Wij zijn verdoofd door ons comfort. En door de media waardoor wij worden gemanipuleerd (want ook dat aspect komt in dit boek zeer nadrukkelijk aan bod). Wij beschikken niet over het vermogen om het naderende onheil op tijd te herkennen.

Door de ‘grote’ geschiedenis te beschrijven vanuit het standpunt van het gezin (gezien door de ogen van het kind) slaagt Roth er ook in om te tonen hoe de tweespalt in de samenleving – met het antisemitisme als splijtzwam – wordt weerspiegeld in de nucleus van het gezin en die van het ras: tegenstellingen binnen de joodse gemeenschap zelf.

Maar er is ook de verdeeldheid in het individu zelf: de kleine Phil Roth probeert de onderbuurjongen Seldon, wiens familie veel meer het slachtoffer wordt van het gelaakte antisemitisme, van zich af te schudden – zonder dat daar echt beweegredenen voor zijn. En laat dat nu een structurele overeenkomst zijn tussen antisemitisme en op niets behalve een instinctieve afkeer gebaseerde antipathie.

Op die manier wordt Het complot tegen Amerika een metafoor. Niet alleen voor het rechtse, in zichzelf gekeerde en paranoïde Amerika dat Roth in 2004 bekritiseerde, maar evengoed voor de bedreigingen waaraan onze huidige leefwereld is blootgesteld. Wij zullen ook niet moeten zeggen dat we ‘het niet geweten hebben’. Zoals we ook moeten afleren te zeggen: ‘Dit kan hier niet gebeuren.’

Daarom ook is een houding die erop gericht is zich enkel met feitelijke vragen bezig te houden zo laakbaar. Hypothetische vragen kunnen ertoe bijdragen dat de situaties waarin de onaangename feitelijke vragen moeten worden gesteld zich niet voordoen.

1658 / De winter van 2009 - 5


Assebroekse Meersen – 090109, 15u15

zondag 18 januari 2009

Reactie

In de Hof van Eden blijft alles gelijk. Dan is er dus geen ontwikkeling. Als Eva niet het lef had gehad te kiezen voor het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, van bewustwording dus, zouden Adam en zij en hun nakomelingen eeuwig kinderen zijn gebleven. We moeten kennelijk door de stof heen, en door pijn en smart, groeien in bewustwording.
Remco

Reactie

Hemelse muziek op "helse" woorden - dat kan niet. De muziek versterkt juist die woorden - zeker in de barok - met een heel arsenaal aan retorische middelen, en is per definitie medeschuldig. Hels lijkt me trouwens de juiste term niet voor de bijbel.

Ik heb geen moeite met schuldbesef. Is de mens(heid) dan niet schuldig, soms? Dat heeft met slavenmoraal niets te maken. Een god die het lijden van de mens op zich neemt, en op aarde een loser is - dat is voor mij de best denkbare; ik geef er jhwh & allah (& zeker diens profeet) voor cadeau. Veel wellust zie ik niet in dat lijden. En indien wel - ben je tegen wellust? (Schrijf dan liever een diatribe tegen de markies van Sade).

Mijn vergelijking met de andere monotheïsmen-van-het-boek is geenszins van de pot gerukt. Het Christendom is als enige - na eeuwen dwaling - zo tolerant geworden dat je er ongestraft over mag zeggen wat je wil. (It was despised...) Daarom vind ik het moreel verkeerd om dat nu zelf te doen. (D.w.z. kritiek uiteraard wel, verguizing niet).

Hartelijk,
Sibelius

Dag 508 vVH&C

090113 - Beste Sibelius,

Hartelijk dank voor je omstandige, bewogen en feitelijke commentaar. Met jouw goedvinden plaats ik hem op de blog, zoals ik met commentaren gewoon ben te doen, zij het niet na eerst de uitdrukkelijke toestemming van de commentaarschrijver te hebben verkregen.

Ik weet niets van Händel, en de Bijbel heb ik nooit echt goed gelezen. (Maar ik ben wel op alle mogelijke manieren geïmpregneerd door de christelijke cultuur - ten goede én ten kwade.) Het enige wat ik wou zeggen met het stukje dat ik schreef was: hoe hevig het contrast bij mij was aangekomen tussen wat ik hoorde en wat ik ondertussen in het programmaboekje las. En nu overdenk ik: waarom plaatst de librettist van de Messiah uitgerekend die teksten naast elkaar - terwijl er toch vele andere zijn die niet in die mate aanstootgevend zijn?

Ik heb het over een 'staalkaart van zowat alles wat de gristelijke geloofsleer (...) weerzinwekkend maakt', daarmee zeg ik dus absoluut niet dat àlles aan die geloofsleer weerzinwekkend is. En wat is dan weerzinwekkend?, vraag je wellicht. De schuld die de gelovigen wordt aangepraat (He was wounded for our transgressions), pervers vermengd met bloederigheid en masochistisch vertoon van bijna wellustig fysiek lijden (He hid not His face from shame and spitting); de morele attitude die Nietzsche treffend heeft omschreven als de 'Slavenmoraal' (with his stripes we are healed); de domme idee dat wij een kudde onnozele schapen zijn.

Over jodendom of islam heb ik helemaal niets willen zeggen, dus wat jij daar allemaal bij sleurt is van de pot gerukt. Maar nu je het me toch vraagt: ik vind een aantal zaken die met die religies verbonden zijn al even weerzinwekkend. Gaande van het bombarderen van de Gazastrook tot het afschieten van raketten op onschuldige Israëliërs. Ook die religies hebben hun défauts, zoals ze, net zoals het christendom (alle vormen daarvan), tot grootse culturele en artistieke prestaties hebben bijgedragen.

De paragraaf over de bisschop was helemaal niet zo bedoeld zoals jij hem gelezen hebt. Natuurlijk mag de bisschop van mij op de eerste rij zitten. En het siert hem dat hij komt opdagen. Ik wou enkel een contrast oproepen tussen de protserige weelde van de muziek en het sobere grijze mannetje dat daar kwam binnengewandeld.

Even hartelijke groeten terug,
P.

Reactie

Uiteraard is de strekking van de Messiah Christelijk. Niet met een G, want dat duidt op Calvinisme. De Messiah is Anglicaans door een Lutheraan.

Het libretto is volledig gecompileerd uit (soms gewijzigde) Bijbelteksten. Grotendeels uit het Oude Testament: 40 nummers op de 52, om precies te zijn. Niet specifiek Christelijk dus, maar Joods.

Dat je daar zo verbaasd over bent. Je hebt toch al eens in of uit de Bijbel gelezen?

Wat moet ik nu van je begrijpen? Dat alle religie verwerpelijk is? Het Jodendom? (Maar dan riskeer je als antisemiet te worden gebrandmerkt). Alleen het Christendom? (Dat kan je lekker veilig zeggen). Ook de islam? (Ik denk niet dat je er op je blog het woord weerzinwekkend over had durven gebruiken, 't kon je je kop kosten).

Hels? - Alle cultuurgoed dus van het Christendom? De gotische kathedralen, de Divina Commedia, het voltallige vocale oeuvre van J.S. Bach? Je meent het.

& Dat de bisschop op de eerste rij mag, is toch niet specifiek klerikaal? Het Festival van Vlaanderen hield jarenlang een stoel vrij voor de burgemeester & schepen van cultuur van de Stad Brugge, die zich i.t.t. monseigneur systematisch nooit verwaardigden om te komen opdagen (of zich zelfs af te melden).

Verhoogde helderheid? Het spijt me, maar ik vind dit onder je niveau. Heb je nog een oude rekening te vereffenen of zo?

Hartelijke groeten,

Sibelius

Ik wil je graag de lectuur aanbevelen van: Roger A. Bullard - Messiah. The Gospel according to Handel's Oratorio. London, Hodder & Stoughton, 1995

1657 / De winter van 2009 - 4

Assebroekse Meersen – 090109, 15u48

zaterdag 17 januari 2009

Mijn woordenboek (215)

AFSTAND

Het zou hier kunnen gaan over het plezier dat verbonden is met het uren achter elkaar met 130 per uur van de ene péage naar de andere Franse landschappen te doorkruisen – een plezier dat elementair is, of misschien beter: basaal omdat het wellicht appelleert aan instincten die zich diep in onze voorvaderen hebben geworteld toen zij op een of andere toendra nog achter bizons aan hosten. Of het zou kunnen gaan over de zich tot onoverbrugbare kloven uitdiepende onvermogens en onbereikbaarheden die het sociale verkeer, ook tussen bekenden, kennissen en vrienden, tegenwoordig kenmerken. Maar ik wil het over flessen hebben.

De kunstschilder Giorgio Morandi, u kent hem misschien wel, specialiseerde zich in het konterfeiten van flessen. Nuja, flessen. Ook potjes, kannetjes, vazen waren zijn dada. Om kort te gaan, de hele porseleinwinkel die hij met – het weze hem niet ontzegd – een sterk ontwikkelde smaak voor keramiek- en glasblazerskunst in zijn atelier verzamelde. Voor sommige van die recipiënten had hij een bijzondere voorkeur want ze duiken in meerdere van zijn voorstellingen op. Maar daar gaat het nu niet over.

Ik wil het hebben over mijn schilderleraar, de heer JJ. Hij rijdt nu op zondag in een lederen pak op een Harley door de polders en heeft een leeuwenvlag aan zijn gevel hangen en begeeft zich bij mijn weten al zeer geruime tijd niet meer aan de schilderkunst – maar indertijd heeft hij mij wel zeer veel geleerd en ik blijf hem daar dankbaar voor. In die mate zeer veel dat ik voor hem een ereplaats vrijhoud in mijn pantheon van leermeesters, naast mijnheer D, die mij leerde lezen, mijnheer G, die mij leerde niet argeloos te zijn, mijnheer F, die mij leerde hoe in de geschiedenis alles altijd terugkeert en dat de mens den mens een wolf is, en mijnheer B, die mij leerde wat schoonheid is.

Mijnheer JJ leerde mij wat afstand is. Dat zit zo. Hij toonde ons, zijn leerlingen van de zaterdagse schildersklas, een schilderij van Morandi. Wij vonden dat toen nog raar – laat ons maar zeggen dat wij nog niet wisten hoe salonfähig de Italiaan zou worden. ‘Flessen’, antwoordden wij op de vraag wat wij zagen. ‘Mis’, luidde de repliek. ‘Kijk goed.’ Wij keken goed maar hoe goed wij ook keken, wij zagen niet wat JJ wilde dat wij zagen. Tot hij het ons uiteindelijk zelf zegde – op een zodanige manier dat ik althans het nooit vergeten ben en dat heet dan: pedagogie.

Waar het in de schilderijen van Morandi om gaat, dat zijn niet de flessen, of toch niet in de eerste of enige plaats, dat is, al evenzeer als de flessen (potjes, keukengerief), de ruimte tussen de flessen. De afstand. Het is maar door die afstand dat de flessen fles kunnen zijn.

En kijk, wat een levensles is dat niet! Je zou voor minder in een pantheon terechtkomen.

1656 / De winter van 2009 - 3

Ver-Assebroek – 090109, 15u08

vrijdag 16 januari 2009

Dag 506 vVH&C

090105 – Dag P.,

Ik ben natuurlijk zeer vereerd dat je aan mij denkt, maar de eerlijkheid gebiedt mij toch te zeggen dat het nooit eerder in mij is opgekomen om mij te verdiepen in het werk van Michel de Ghelderode en dat ik de kans klein acht dat iets dergelijks in de toekomst nog zou gebeuren. Ik heb zelf de grootste moeite om het teveel en de toevloed zoveel mogelijk in te dijken en om, zoals jij dat fraai omschrijft, tot 'een nieuwe essentie' te komen. Als ik nu nog zou moeten lezen wat hier allemaal op lectuur te wachten staat, dan heb ik zo al twee of drie extra levens nodig. Bovendien vormt plaatsgebrek een nijpend probleem.

Ik denk dat Arthur in de Langestraat die boeken beter naar waarde zal weten te schatten. In De Slegte zul je er zeer weinig voor krijgen.

Erg hé, dat je de dag van vandaag niet meer weet wat je met dergelijke mooie boeken moet doen?

Ik herken ook dat verlangen naar overzicht en schaarste. Naar een ruimte met witte muren en enkel een stoel en een tafel...

Ik wil natuurlijk wel eens aan S. vragen of zij geïnteresseerd is in het dramaturgisch oeuvre van Michel de Ghelderode.

Van harte,
P.

1655 / De winter van 2009 - 2

Assebroek – 090109, 13u10

donderdag 15 januari 2009

Dag 504 vVH&C

090103 – Ik zag Amarcord van Fellini vooral als een genereuze opeenstapeling van fantastische beeldcomposities waarin de personages worden ingezet en heen en weer geschoven als stillevenattributen. Maar het is natuurlijk ook een poëtisch zelfportret, vol liefde en mededogen voor gezinsleden en medemensen – níet voor schoolmeesters en fascisten.

Er vliegt af en toe iets door het scherm. Iets dat uit talloze partikels bestaat – het dwarrelt, het waait, het staat nagenoeg stil: pluisjes, bladeren, sneeuw, sterren. Kijk, lijkt Fellini te willen zeggen, hoe wij slechts een pluisje, een blad, een dwarrelende vlok zijn in het universum. Maar ook een ster die kan schitteren. Amarcord gaat over het vermogen om te dromen, over de wens te wonen. In een huis, een vertrouwde omgeving, op een geboortegrond. Ergens in de film kijkt iemand naar het firmament. Hoe blijven die sterren op hun plaats, wat is hun fundament?

Heel mooi is op het eind de begrafenisstoet: moeder, en meteen ook de geborgen jeugd, wordt ten grave gedragen. De stoet passeert aan de cinema en daar staat buiten een bordkartonnen dubbelportret van Laurel & Hardy met daaronder de mededeling: ‘Prossimamente’. Nu moet je treuren, maar straks keren de vreugde en de lach terug.

1654 / De winter van 2009 - 1

Brugge, Bloedput – 090109, 11u36

woensdag 14 januari 2009

Dag 503 vVH&C

090102 en 090114 – Een paar dagen geleden wenste ik iedereen een gelukkig jaar, en ook ‘dat er zich inderdaad een change moge voordoen’. Maar nu zit ik te denken: misschien willen de mensen nog het liefste dat alles bij het oude vertrouwde zou blijven. Want alles ís al aan het veranderen: klimaatwijziging, financiële crisis, de verharding van de maatschappij en de afbrokkeling van het sociale weefsel, de toename van de stress en algemeen van de onzekerheid, de verloedering van de zeden, de implosie van de omgangsvormen, het verdwijnen van alle rituelen die voor een beetje vastigheid en voorspelbaarheid moesten zorgen. Neen, de mensen willen vastigheid, voorspelbaarheid en – in het algemeen – zekerheid. Change is nu net niet wat nodig is. Wij waren lange tijd gelukkig zolang er niets veranderde. (Of zolang we het nog niet gemerkt hadden dat alles ingrijpend en met versneld tempo aan het veranderen was.) In de Hof van Eden blijft alles gelijk.

Aanvulling

'Cause people often talk about being scared of change
But for me I'm more afraid of things staying the same
'Cause the game is never won
By standing in any one place
For too long

Nick Cave, Jezus of the Moon, uit: Dig, Lazarus, Dig!!!

1653

Brugge, De Slegte - 081122

dinsdag 13 januari 2009

Mijn woordenboek (214)

AFSTAMMING

Interesseert het mij echt te weten waar ik vandaan kom? Mijn ouders, twee van mijn vier grootouders – daar houdt het bij op. Meer weet ik niet. En wat weet ik dan van die vier mensen? Hallucinant weinig. Nog minder dan ik van mezelf weet.

Maar goed, ik maak de oefening. Hoe zouden mijn overgrootouders en mijn betovergrootouders eruit hebben gezien? Waar en waarvan leefden zij? Welke taal spraken zij? Konden zij schrijven? Waren zij godvrezend, machtig, welstellend? Zagen zij graag hun kinderen? Hoe zagen zij eruit? Lagen in hun gelaatstrekken alreeds de mijne besloten? Vormde zich in hun hersenen al de aanzet tot mijn spinsels, in hun bloed de kiemen van de ziekte die mij zal vellen? Hoe dachten zij over hún voorgeslacht? Dáchten zij daaraan? Dachten zij überhaupt – want misschien hadden zij daar geen tijd voor of zin in. Dertig generaties geleden beleefde ergens de leerlooier of instrumentenbouwer of pestlijder of monnik waaruit ik uiteindelijk ben voortgekomen de voorlaatste millenniumwende. Alvorens een gruwelijke dood te sterven, of een langgerekt sterfbed te doorstaan, of zich misschien uit arren moede van een rotspunt te storten, had hij voor minstens één nazaat gezorgd. Het zaad was doorgegeven en giert nu met erectiel vermogen door mijn bloedbanen. Interesseert het mij te weten wat het lot van deze hypothetische voorvader was, hoe hij door het leven ging? Kom ik dan iets over mijzelf aan de weet? En zo ja, waarom zou ik dat per se willen? Nog eens dertig generaties eerder verdwaalt een jonge deserterende huurling in ginds nog onontgonnen woud, verkracht een houthakker de bastaarddochter van de lokale mandataris, of sterft de dorpssmid een gruwelijke dood aan de gevolgen van een onverzorgde hondenbeet. En hoe verder ik terugga in de tijd en hypothetische voorzaten verzin in een alsmaar leger wordende wereld, interesseert het me steeds minder om te weten van welk toevallig samenspel van geschiedenissen ik het resultaat ben. En lijkt het me alsmaar hovaardiger überhaupt dat soort nieuwsgierigheid aan de dag te leggen.

1652

D. - Analoge opname. Digitaal afgewerkt

maandag 12 januari 2009

Mijn woordenboek (213)

AFSPRAAK

De moeilijkste afspraken om zich aan te houden, zijn deze met zichzelf. Want dat kan natuurlijk ook.

Meestal echter zijn er twee of meer mensen betrokken bij een afspraak. De afspraak is het middel om de vliedende en ziedende entiteiten, die de afspraak-makende identiteiten toch altijd zijn, samen te brengen en zo mogelijk te houden. We spreken om kwart voor twaalf aan bij de tweede brugpijler. We spreken af dat jij afdroogt en dat ik afwas. We spreken af dat we strikte afspraken maken. In de afspraak komen twee of meer onafhankelijke contracterende geesten en de door die geesten gestuurde gedragspatronen samen – en de controle op het nakomen van de afspraak is te allen tijde impliciet gestipuleerd en ook verzekerd: onder welke vorm ook, de ánder zorgt voor sanctionering.

Bij afspraken met jezelf – niet meer roken, vroeg naar bed, eindelijk dat boek schrijven – ligt het moeilijker. Er is geen externe controle. Er is géén controle want zichzelf controleren, dat is geen controle. En dus komt het naleven van de afspraak, die in dit geval eigenlijk een voornemen is, volledig op de eigen schouders te rusten.

Dag 502 vVH&C

090102, 090110 en 090112 – Na de eerste aflevering van het nieuwe VRT-feuilleton Van vlees en bloed ben ik enthousiast. Een keur van schitterende acteurs (Peter Van den Eede, Tom Van Dyck, Lucas Van den Eynde, Sien Eggers…), uitstekende fotografie en een verhaallijn met rare kronkels: aanvankelijk lijkt alles serieus maar het wordt op de duur duidelijk dat we hier te maken hebben met een gedramatiseerde en geësthetiseerde vorm van In de gloria en van die kolderprogramma’s van (pdw), hoe heten ze ook alweer, Kijk eens op de doos en De vloek van Vlimovost, waar ik indertijd met stijgende verbazing en waardering naar heb zitten kijken.

Kijk, ik ben nu al blij dat ik een week of drie geleden niet heb toegegeven aan de impuls om samen met mijn vaste telefoon ook mijn televisieabonnement op te zeggen.

Naschrift 090112 – Al veel minder enthousiast over de inmiddels ook bekeken tweede aflevering…

1651

Ver-Assebroek, Kerstmarkt – 081220, 20u11

Reactie

Psychiatrische aandoeningen veroorzaakt of versterkt door hulpverleners? Het verdient nuancering.
Wel volledig akkoord dat een ‘diagnose’ de afstand en vervreemding tussen hulpverlener en patiënt vergroot.
Een diagnose is een ‘bril’ waardoor naar een patiënt wordt gekeken. Deze bril is een gekleurde bril die het niet meer mogelijk maakt om ‘de mens’ achter de patiënt, de moed, het lijden, de ontwikkeling, de dromen te zien. De patiënt verwordt tot een ‘object’ dat wordt behandeld met ‘evidence based’ methoden. De reflecterende hulpverlener blijft achter met de vraag of er ‘beter’ wordt gewerkt, dan wel of we de complexiteit en onvoorspelbaarheid vastklikken in termen die onzekerheid en aarzeling in de professionele psychiatrie jammer genoeg niet meer toelaten.
Where is the wisdom we have lost in knowledge? (TS Elliot)

Joost Vanhaecke

zondag 11 januari 2009

1650

Mijn moeder, omgeving Brangy-sur-Bresle (F), – 080719, rond de middag
Analoge opname, digitaal bewerkt. Met dank aan PW.

zaterdag 10 januari 2009

Het bestaat (51)

081228 - X bleek een wrak en wrakken praten niet goed. Het werd een pijnlijk uurtje, veel langer ben ik er niet gebleven. Ik praatte met een levende dode, hij heeft al zijn eigen doodsbericht opgesteld. Op het einde stelde ik voor om binnen twee weken nog eens terug te komen maar we beseften allebei dat het dan misschien al niet meer zou moeten.

Enfin, ik heb hem toch nog een paar quotes weten te ontfutselen en moet daarmee nu aan de slag.

Overigens hing zijn huis vol met waardevolle schilderijen... en had hij in een sierkast een indrukwekkende collectie gegraveerd glaswerk uit vervlogen tijden. Maar hij had er geen oog voor en ik waagde het niet hem ernaar te vragen.

Een treurige ontmoeting.

1649

Brugge, Bevrijdingslaan – 081201, 15u00

vrijdag 9 januari 2009

Dag 499 vVH&C

081229 – Een mooie uitvoering bijgewoond van Händels Messiah in de Brugse Sint-Jacobskerk. Af en toe weerklinkt die muziek hier wel, zij klonk mij dus min of meer vertrouwd in de oren. En natuurlijk was het smullen van de highlights – Hallelujah!

Ondertussen nam ik kennis van de tekst. Dat had ik nooit eerder gedaan, ik viel van de ene verbazing in de andere. Want wat hadden we in handen? Niets minder dan een weerzinwekkende staalkaart van zowat alles wat de gristelijke geloofsleer zo, nuja, weerzinwekkend maakt.

He was despised and rejected of men, a man of sorrows and acquainted with grief. He gave His back to the smiters [zij die slaan], and His cheecks to them that plucked off the hair, He hid not His face from shame and spitting.

Surely he hath born our grieves and carried our sorrows! He was wounded for our transgressions, he was bruised for our iniquities [vanwege onze zonden werd hij gebroken] […]

And with his stripes we are healed.

All we like sheep gave gone astray [verloren gelopen]: we have turned every one to his own way. And the Lord hath laid on Him the iniquity [schuld] of us all.

Hemelse muziek, helse woorden.

Wij waren zowat als laatsten in de kerk naar binnen gegaan en vonden nog net een stoel in de laatste rij. Vlak voor ons betrad ook een onopvallend mannetje met opgestoken kraag en grijze sjaal daaronder het kille gebouw: de bisschop van Brugge. Een minuutje later zag ik hem plaatsnemen op een gereserveerde stoel in de eerste rij.

1648

Station Brugge – 081203

donderdag 8 januari 2009

Mijn woordenboek (211)

AFSLUITER

Dat woord plachten we wel eens te gebruiken na een lange avond of een halve nacht stappen. Ook in trek was de al enigszins zwalpende uitdrukking ‘een laatste voorlaatste’, maar de betekenis lag daar wel lichtjes anders. Wie ‘een laatste voorlaatste’ aankondigde, voelde wel dat het einde in zicht was maar had nog geen zin in stoppen.

De term ‘afsluiter’ dook normaal gezien vroeger op de avond op: wanneer iedereen nog nuchter genoeg was om ongeschonden huiswaarts te keren. Of om dat althans te wíllen want je wist nooit wat er misschien tóch nog te gebeuren stond. Eens een kritiek punt overschreden, werd het gebruik niet meer aan regie of geplogenheden onderworpen. Dan keerde de telling om en ging de afsluiter weer over naar een laatste voorlaatste. Hoewel, soms bloedde de avond, of nacht, stomweg dood. Dan kon het gebeuren dat je daar alleen stond met die laatste voorlaatste, die dan onherroepelijk de laatste bleek te zijn want je had niemand meer om je averechtse tellingen te toetsen.

Eén afsluiter zal mij altijd bijblijven. En daarover wil ik het hier hebben. Het is de mooiste afsluiter die ik ooit gehad heb, enfin, ik moet nauwkeurig zijn: het waren er zeven. We namen immers elk een ‘afsluitend’ rondje voor onze rekening – en het was toen nog met Franse franken rekenen.

We zouden een weekendje Cap Gris Nez afsluiten. Daar gingen we vroeger met de vrienden heen. (De vriendengroep doorstond de huwelijken, wat veeleer uitzonderlijk is, maar bleek niet bestand tegen de scheidingen…) Het was prachtig weer, de zon begon al flink te zakken, we zouden er nog eentje drinken en dan naar huis vertrekken om voor het donker thuis te zijn en naar Sportweekend te kunnen kijken. Dat was buiten de waard gerekend, al zat die er voor niets tussen: wíj waren het die de consumpties regelden. We stonden buiten in het zonnetje (er waren geen stoeltjes want ’t was buiten het terrassenseizoen) en lieten de al rood wordende gloed op onze kaken branden. We stonden op een rij, voor een maximale expositie. Wij dronken en de zon zakte en schoof naar rechts op. De slagschaduw van een huis kwam onweerstaanbaar op ons af, waardoor wij steeds verder naar links moesten uitwijken. Wij moesten altijd maar verder lopen om onze bestellingen op te halen, wij stonden op den duur naast het café. Pas toen het zonlicht, en de bijhorende warmte, helemaal achter dat huis verdwenen was en het ernaar uitzag dat de zon zich die dag niet meer zou laten zien, en pas nadat iedereen zijn traktatie had volbracht (die twee tijdstippen vielen wonderwel samen), besloten wij deze vergadering op te breken. De straling, de warmte, de drank en de vriendschap hadden ons danig verblijd.

Uiteindelijk kropen we enigszins beschonken (toen was dat nog mogelijk, ik spreek van meer dan twintig jaar geleden) in onze auto’s en vatten de terugreis aan. Een mooiere afsluiter heb ik sindsdien nooit meer gehad.

1647 / Plaisierbos 4/4

Veldegem - 090103

Dag 498 vVH&C

081228 – Zover is het nu al gekomen. Straffen mag al een tijd niet meer – kijk maar uit of je spruit mobiliseert Child Focus. Maar nu mag je ook niet meer duidelijk zeggen dat iets fout is, leert een artikel in De Standaard Online: in Engeland wordt leraars in alle ernst voorgesteld om niet meer met rode inkt huiswerken of proefwerken te verbeteren.

Dag 497 vVH&C

081228 en 090108 – Gesprek over psychiatrische aandoeningen die worden versterkt (en misschien zelfs veroorzaakt) doordat ze worden aangepraat. Selffulfilling prophecy. De verpletterende verantwoordelijkheid van psychiaters, zorgverstrekkers, therapeuten allerhande.

woensdag 7 januari 2009

Mijn woordenboek (210)

AFSCHUWELIJK

Afschuwelijk-schitterend: dat was zowat het begrippenpaar waaraan zowat alles uit de kunst werd onderworpen toen onze esthetische categorieën nog niet zo precieus ontwikkeld waren als ze nu zijn. Genadeloos werden deze van goddelijke genade voorziene schilder en gene potsierlijke kliederaar in de desbetreffende categorie – piëdestal dan wel doofpot – ondergebracht, om daar dan nooit meer uit of van te kunnen. (In plaats van ‘afschuwelijk’ werd ook het verdict ‘slecht’ gehanteerd – waarbij een Duits accent werd bovengehaald en de e zeer scherp werd aangezet: schlécht.) Het ging er bepaald apodictisch en dictatoriaal aan toe. Zonder mededogen werden in een oogwenk reputaties gesmeed, banvloeken uitgevaardigd, aureolen uitgedeeld. En altijd met de zegen van deze of gene hoge pief, op wiens naam werd geteerd om het eigen onfeilbare gezag en oordeel te staven. Het heeft mij twintig jaar en heel wat sociale averij gekost om dit puberale gedrag te vervangen door wat meer zin voor nuancering.

1646 / Plaisierbos 3/4

Veldegem – 090103

Plaisierbos 2/4

dinsdag 6 januari 2009

Dag 496 vVH&C / Debuut (3)

Uitglijdend licht

081226 - Hij was in 2006 ‘Nederlands kampioen slam poetry’. Hij daagt ‘de lezer uit om het spel actief mee te spelen, zich de gedichten eigen te maken, als was de lezer de dichter, als was de dichter geen ander’. Hij begint zijn debuutbundel Als geen ander (wat een mooie titel!) met het prozagedicht ‘Urk is vol, nu Nederland nog’ – of hoe moet je het noemen: een prozastukje, een stukje poëtisch proza of gewoon een verhaaltje? Het is een gedachte-experiment. Er kunnen drie mensen op een vierkante meter. Welnu, het vroegere eiland Urk is, zo bekeken, net groot genoeg om alle Nederlanders te bevatten. Maar Urk is nu, door de aanleg van de Flevopolder, verbonden met Nederland. De mensen kunnen dus uit het overvolle Urk in Nederland stromen. Ze stromen over een rand. Ik denk dat Krijn Peter Hesselink (1976) het met dat over-stromen niet heeft willen hebben over watersnood of 1953 of een overvol Nederland, maar dat hij het gebruikt in de zin van: betekenis die over een rand gulpt en datgene wat aan de andere kant van de rand ligt vruchtbaar maakt.

Hetgeen, bondig samengevat, is wat een gedicht moet doen: uit zichzelf treden en zijn omgeving bevruchten, inspireren.

‘Als het licht uitglijdt’ heet de eerste cyclus in deze debuutbundel. En met ‘Het licht glijdt uit / op het glazen tafelblad’, begint ook het gedicht ‘Schermutselingen rond een onbelicht stuk drankgelag’. Het is een observatie – één uit de duizenden mogelijke. Maar je merkt het op en je zegt: ‘Ik zou het zo graag / van de tafel rapen / bij de hand nemen’. Vasthouden, dus. Dat gaat natuurlijk niet: ‘het glipt me door de vingers / dat weet ik nu al, en […] / […] zo rimpelloos en licht / zie ik het nooit meer’.

De observatie is vluchtig, ze gaat voorbij. Ze vliegt weg, zoals de duif en het lieveheersbeestje die door de volgende gedichten fladderen.

In de tweede cyclus, ‘Het begint met een vrouw’, licht Hesselink de familierelaties door. De baby wordt kind tussen moeder en vader, hij leeft in ‘Een hof van heden’:

God weet hoe ik die kinderfijne vingertjes
ooit fijn heb kunnen knijpen, tot
stof vermalen, uitstrooien, vergeten
als hij tenminste weten kan en God is

God neuriet een vergeefse tweede stem
nu takken knappen, aarde scheurt
de hof verspringt, de hegschaar doolt
knipt fruit uit en een mond om te verslikken

een kinderhandje om aan te ontglippen

Het kind wordt jongen, in wie ‘het buitenlicht’ zich ‘een weg naar binnen’ ‘wrikt’ (in ‘Onder de sterren’). Is het datzelfde licht dat Hesselink wou vangen in de eerste gedichten? De jongen wordt man, de ‘piepende man’ die in een ‘ballade’ wordt bezongen: ‘hier dringt een hengst zich tussen zijn benen’.

We zijn klaar om op een ‘Muur van vlees’ te stuiten – en zo heet dan ook de derde cyclus van Als geen ander. Daarin staat een gedicht dat dezelfde titel draagt als de bundel. Dit gedicht is, zoals de meeste gedichten in deze cyclus, erotisch geladen.

De lucht proeven
die je rond de lippen zweeft
die in je is geweest zoals
geen ander.

Je hullen in de schaduw van
mijn oogleden.

De pijn voelen als ik je
knijp, de liefde
blauw zien kleuren, waar ik je ook
grijp, niet meer loslaat
loslaat, grijp.

Wimper aan wimper
knopen, verstrikt

in geen ander.

In het gedicht ‘Voorbij het dode punt’ heeft Hesselink het over die ‘muur van vlees’, de onoverbrugbare afstand tussen mensen, ook tussen geliefden: ‘Ik had bij je naar binnen willen / klimmen maar klom / door je heen’. De ik komt daardoor in een landschap met een weids uitzicht terecht, waarin hij kwetsbaar is: ‘niets dekte me hier in de rug’. Ook het gedicht ‘In het voorbijgaan’ drukt de afstand uit die door geen woord is te overbruggen. Taal neemt de plaats in van het lichaam, maar het lichaam valt uit elkaar. Vaak gebruikte uitdrukkingen (zoals ‘ik hou van jou’) krijgen de grammaticale status van zinsonderwerp, worden dus personages – maar die worden meteen verhakkeld door de versafbrekingen.

Het is een komen en gaan. Wie langs mij heen loopt
rukt een hand mee, of een ooglid, legt er
wat woorden voor in de plaats. Ik hou
van jou dekt plots mijn blikveld af. Ik heb
je nooit gekend klampt zich vast aan mijn dekbed.

Wie zijn toch die passanten? Ik heb mijn mond
nog niet geopend voor de vraag of iemand
lokt mijn lippen mee. Mijn tanden stuiteren
rinkelend de trap af.

In de cyclus ‘Het vel rond je contouren’ moet de liefde de duimen leggen voor de afstand. De symbiose is nu helemaal doorbroken. De ik wordt wakker naast een ánder, kruipt in een gedicht zelfs in de huid van zijn ex – ‘tot / jij helemaal jij was, ik de volmaakte / buitenstaander, binnendringer’ (‘Sorry’). De dood sluipt binnen in de relatie: ‘Nog zit jij op de rand van mijn bed / het raam staat op een kier / een wesp kruipt naar binnen / komt op adem, heeft eindelijk / een goede plek gevonden om / te sterven’ (‘Ruimte voor jou’).

In ‘Onder zoden’ komt de poëtische activiteit in beeld naast een liefde (een seksualiteit) die zich van haar eigen ontoereikendheid bewust is:

Het gras was nat. Nu kleven er sprietjes aan
jouw trap. En daar houdt het niet op. Nu jij
mij binnen hebt gelaten, zaai ik uit
over je vloer, je bankstel. Zelfs je bed
blijft niet gespaard. Dichten is kijken naar
wat niet ter zake doet en daar
een zaak van maken. Of een groen behang
om iemand af te dekken. Ik wil je
bedanken. Ik lag met een meisje in het park.
Jij vlak daaronder. Geen halm die beefde. Hooguit
trilde je even met je billen toen zij
net weg was en ik
nog even op je nalag.

‘Dichten is kijken naar / wat niet ter zake doet en daar / een zaak van maken.’ Dat was het uitgangspunt: je kunt het ook doen met licht dat uitglijdt op een glazen tafelblad.

De laatste cyclus van de bundel heet ‘Hogere wiskunde’. Nu begint alles te schuiven, niet alleen de ik of de liefde maar de hele werkelijkheid – zoals in het gedicht ‘Aankomst’: ‘We zijn op tijd volgens de dienstregeling / maar is de dienstregeling op tijd’. Niets is nu nog zeker en we vragen ons af: ‘vind je onder de stevige grond weer grond / onder de voeten?’ (‘Luchtfietser, luister’)

Wie meer wil weten over Krijn Peter Hesselink, wie deze intrigerende dichter bijvoorbeeld wil zien performen op YouTube-filmpjes, moet maar eens kijken op http://www.krijnpeter.nl/.

Krijn Peter Hesselink, Als geen ander, Nieuw Amsterdam, 2008
Deze recensie verscheen, net als Debuut (1) en Debuut (2), in Poëziekrant 2008/8

1645 / Plaisierbos 1/4

Veldegem - 090103

maandag 5 januari 2009

Dag 495 vVH&C

090103 en 090105 – Een tijdje geleden was er een bericht dat bloggers met een reactiemogelijkheid en een tellertje op hun blog zouden moeten gaan betalen omdat door die reactiemogelijkheid of door de werking van dat tellertje hun bezoekers cookiegewijs gegevens achterlieten. Privacy. Dan was er het blogrelletje met minister De Crem, die bij die gelegenheid uitdrukkelijk verklaarde eens nader te zullen bekijken wat er kon worden ondernomen om dat vrijheidje van meningsuiting eens wat meer aan banden te leggen. Dat was niet de eerste keer dat ik dacht: Tiens, hoelang zullen de internautprivileges, waarvan ook ik gebruik maak, nog blijven duren?

Een jaar of twintig (of was het dertig?) geleden had je het ook met vrije radio’s: eerst de totale anarchie, waarna het fenomeen stevig aan banden werd gelegd. Het zou in de logica van de loop der dingen liggen als ook de vrijheid in bloggerland niet eindeloos zou blijken te zijn. Een recent bericht (De Standaard 18 december 2008) leert dat klasfoto’s ‘niet zomaar’ op het internet mogen verschijnen. ‘Klasfoto’s mogen slechts op het internet gepost worden, als de betrokkenen dat toelaten, zegt de Privacycommissie.’ Uit het artikel blijkt dat die commissie werkt met het begrip ‘gerichte’ foto’s. Dat is natuurlijk niet zo’n helder begrip: wat is gericht? Een fotograaf ‘richt’ toch altijd? Waarschijnlijk wordt bedoeld dat je toch nog altijd ook een foto van een bezienswaardigheid moet kunnen maken waarop dan, onvermijdelijk, ook mensen te zien kunnen zijn. Die staan er dan onbedoeld op, deze foto’s van hen zijn ‘ongericht’. Meteen komt een nieuw genre in beeld: foto’s van mensen die, om het stigma ‘gericht’ te vermijden, ‘ongericht’ lijken maar het in feite niet zijn.

De gerichtheidsbepaling is niet de enige dubbelzinnigheid. Gerichte foto’s van personen mogen wél op het internet als deze personen daartoe hun toestemming geven. Dat hoeft niet schriftelijk te gebeuren: een mondelinge toestemming is voldoende. Maar ga dat maar eens bewijzen, het lijkt me niet meteen de meest waterdichte regeling.

Dit soort tijdingen doet mij vrezen dat er nattigheid op komst is voor bloggers en fotografen.

1644

G & T

zondag 4 januari 2009

33 * 25,60 * 33

Het is confronterend. Een jaar of drie geleden zou het misschien nog gelukt zijn: na maanden niet te hebben gefietst al meteen bij de eerste gezamenlijke fietsrit stilletjes meepeddelen in het peloton. Maar niet meer, dus. Zie het maar onder ogen: de pijn in je knie, de brand in je longen, de waas voor je ogen. Je wordt ouder, papa, geef het maar toe. Je kunt niet meer mee, je waait er uit. Zelfs als de zes anderen je opwachten. Ergens diep in de Blankenbergse polder zwaai ik ze uit. Rij maar door. Ik sla linksaf en laat me linea recta naar Brugge meewaaien op de rugwind. Nu heb ik de adem om te kijken naar de talloze ganzen die in de weiden grazen of in gedisciplineerde formaties overvliegen, naar een rosse torenvalk, naar een compositie met alleenstaande boom, landbouwmachine en kerktoren. Hoe dichter ik de cathédrales pour uniques montagnes van de stad zie naderen, hoe zwaarder de wolken op het plat land wegen.

1643

zaterdag 3 januari 2009

Mijn woordenboek (212)

de afleveringen 210 en 211 volgen later, maar deze moet voor omwille van de actualiteitswaarde

AFSMELTEN

Sinds een paar jaar staat vanaf half november op het plein voor het station van Brugge, zoals wellicht op vele andere pleinen in Europa en de Verenigde Staten en misschien zelfs Australië, een tent met daarin een tentoonstelling van ‘ijssculpturen’ – ik plaats het woord maar even tussen aanhalingstekens omdat ik daaraan, aan die apostroffen, mijn ergernis opknoop nopens de moedwillige begripsverwarring tussen onbeschaamde kitsch en kunst, waarvan hier eventjes het jargon wordt ontleend: ‘sculpturen’, ‘tentoonstelling’… Maar daarover moet het hier niet gaan.

De tent, een sporthal groot, wordt twee maanden lang, dat is één zesde van een jaar, kunstmatig op temperatuur gehouden. Opdat, zoals u ongetwijfeld begrijpt, de kunstig gesculptuurde kunstsculpturen niet zouden wegsmelten. Om dat natuurlijke proces te counteren, moet een achttal dieselgeneratoren continu aan de praat worden gehouden. Voor zover de buitentemperatuur niet onder nul gaat, veronderstel ik, maar de buitentemperatuur gaat nu eenmaal niet meer zo vaak onder nul. Ik zeg dat ik het veronderstel dat die dieselgeneratoren worden stilgelegd wanneer het vriest – ik zou niet steil achterover vallen van verbazing indien zou blijken dat in het scenario van dit soort evenementen niet is voorzien dat iemand de thermometer in de gaten houdt. Maar ze kunnen er natuurlijk ook een thermostaat op gezet hebben: de techniek staat voor niets.

Hoewel. De techniek staat natuurlijk niet voor niets. De techniek staat voor de belangrijkste historische gebeurtenis aller tijden (sinds het massale uitsterven van de dinosaurussen als gevolg van de inslag van een gigantische meteoriet), te weten de niet te stuiten opwarming van het klimaat en het afsmelten van de poolkappen waardoor de hele, mondiaal geworden, beschaving in haar voortbestaan wordt bedreigd.

Soms vraag ik mij af of wat hier digitaal wordt vastgelegd ooit, nadat de ramp zich zal hebben voltrokken en wanneer er opnieuw een gezond gebrek aan belangstelling voor ijssculpturen zal zijn ingetreden, zal worden gelezen door een of andere vorser die het Nederlands, dan allang een dode taal, zal hebben weten te ontcijferen. Welnu, ik richt mij hier expliciet tot deze toekomstige lezer: ik, een West-Europees persoon die leefde ten tijde van de overgang van het tweede naar het derde millennium en van het industriële naar het postindustriële tijdvak, bevestig dat er in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw, toen het afsmelten van de nu, in uw tijd, geachte toekomstige vorser, verdwenen ijskappen onomkeerbaar begon te worden, een gewoonte bestond om bij buitentemperaturen van vijf tot vijftien graden (ja, het kon toen nog erg fris zijn in de winter), een tentoonstelling op te zetten met kunstig vervaardigde ijssculpturen, die voor afsmelten moesten worden behoed door middel van à volonté CO2 producerende generatoren. En neen, dit gebruik was geen magische praktijk om het stilaan onvermijdelijke alsnog te keren.

1642 / C. 3/3

C. 2/3

vrijdag 2 januari 2009

Dag 493 vVH&C

081224 – ‘Neen, niet als kinderen. Dat niet.’ De 82-jarige boer kijkt met verdriet in de ogen toe hoe een van zijn koeien ligt te zieltogen op het gangpad van de stal – het beest zal daar de volgende nacht sterven. (Wat kies niet in beeld wordt gebracht.) In wat deze boer niet zegt, dat hij zijn beesten dan wel niet als kinderen graag ziet maar ze toch diep in zijn hart heeft gesloten omdat hij er in elke vezel van zijn leven van afhankelijk is, resoneert het eentonige ritme van een precair bestaan, van elementaire verzorging, exploitatie, dierenliefde – en in dat laatste ook een duistere dimensie van wat een mensenman kan doen zonder een vrouw in de buurt op wie niet het incestverbod rust.

Met La vie moderne toont Raymond Depardon het onherroepelijke verdwijnen van een levensvorm: dat van Franse boer in afgelegen gebieden. Mensen die midden in een onherbergzaam landschap leven (Ardèche, Haute-Loire, Cévennes) en wier hoeve slechts te bereiken is via een kilometers lange cul-de-sac. Niemand wil het nog doen, behalve enkele jeugdige naïevelingen, overjaarse hippies of verbitterden die het leven in de bewoonde wereld beu zijn. Een van hen is een vrouw die, met medeneming van een vijftienjarige dochter die de rurale stijfkoppigheid cumuleert met een puberaal stilzwijgen, haar leven in een Noord-Franse stad achter zich heeft gelaten: les Ch’tis à l’envers.

Depardon portretteert deze mensen. Niet zozeer als individuele karakters maar als soort die in zijn voortbestaan bedreigd is. We leren een verzopen zestiger kennen, twee krasse tachtigers, een negentigjarige vrouw. Wezens die met hun ene been in de negentiende en zelfs achttiende eeuw staan en met het andere in de eenentwintigste. Een grand écart die niet lang meer vol te houden is. Geen kind dat hier nog zou willen blijven met alle verlokkingen uit de buitenwereld, de échte wereld. Trouwens, hier zijn geen kinderen meer. Ja, die jonge koppels brengen hun kinderen mee, maar dat voor hen hier geen toekomst ligt, is zonder meer duidelijk.

Depardon stelt vragen. De antwoorden zijn afgemeten, bot. Veel hebben deze mensen niet te vertellen. Het lijkt niet ondenkbaar dat ze elkaar slechts het hoogstnodige zeggen. Misschien gaan hier zelfs hele dagen in absolute stilte voorbij. Depardon laat deze stiltes horen. Zijn interviews, minutenlang in één take geregistreerd, zijn perfect getimed. Ze leggen het ongeduld van deze mensen bloot. Ook al hebben ze misschien niets dringends te doen, overgeleverd als ze zijn aan het trage ritme van de dag, van de week, van het seizoen, ze laten toch duidelijk blijken dat ze op dit soort zotternijen niet zijn afgesteld. Het past niet in hun schema, deze intrusie van de moderniteit in de vorm van een camera, een microfoon, een lichtmeter.

Aandoenlijk hoe Depardon het negeren van zijn instructies negeert. Wellicht heeft hij deze mensen gevraagd om geen acht te slaan op de camera en zeker op de cameraman. Maar deze boeren zijn zo primitief dat het volstrekt onnatuurlijk zou overkomen indien ze consequent gevolg zouden geven aan deze instructie (de jongere boeren, die ook meer en beter praten, slagen er wél in een studiopose aan te nemen). Een van de boerinnen is zeer aandoenlijk wanneer ze haar blik in de camera verliest en vervolgens de man achter de camera een koekje aanbiedt.

De intrusie is onmogelijk zonder dat het oorspronkelijke milieu diepgaand wordt beïnvloed. Hoe discreet ook de filmmaker probeert te zijn. Het jonge koppel dat met een zekere ambitie geiten wil kweken blijkt bij het volgende bezoek een half jaar later te hebben geconcludeerd dat het niet mogelijk is zijn dromen waar te maken. Je vraagt je af hoe ze er toe gekomen zijn dergelijke dromen te koesteren.

De film begint met een lange travelling. We rijden op de toegangsweg naar een van de boerderijen. De camera is boven op de auto gemonteerd. Waar de weg op het erf uitkomt, loopt een hond ons tegemoet. Deze scène is duidelijk gerepeteerd: een hond die maar af en toe een vreemde ziet zou niet kwispelstaarten maar bassen. Maar goed. Dan komt de boer tevoorschijn. Voorovergebogen, traag, nors.

Op het einde van de film rijden we in een ander seizoen bij een laag en rood zonlicht terug weg. We herkennen het silhouet van de bergen aan de horizon. Op dezelfde plaats staat opnieuw die landbouwmachine. En dan plots, op de heuvelkam, een van die oude mannen die niet veel meer te gaan hebben. Hij zwaait nadrukkelijk niet. Hij wordt achtergelaten en we weten wel zeker dat we hem nooit meer zullen zien. Hém niet maar ook niet de soort die hij vertegenwoordigt.