vrijdag 31 oktober 2008

Dag 429 vVH&C

081020 en 081030 – Twee symfonieën van Beethoven. Drie en vier, Van Immerseel met Anima Aeterna. Zo lange tijd – die derde is wel erg lang – je concentratie volhouden, dat is onmogelijk. Je begint de aankleding van de concertzaal van het Brugse Concertgebouw te bewonderen. Kijk, hoe die stoelen nu al aan slijtage onderhevig zijn. En je houdt je bezig met de prangende vraag met welke van de violistes je in de koffer zou willen duiken. Tot de kosmologische bespiegelingen waartoe E.M. Forster in Howards End zijn personages laat komen bij het beluisteren van de vijfde, ben jij duidelijk niet in staat. ’t Is wat meer down to earth, allemaal. Je applaudisseert te gepasten tijde: niet na een beweging en alleen maar nadat de hele symfonie is afgewerkt. Je verlaat met P. de zaal en gaat nog iets drinken in de bar. Waar even later ook de tweede altvioliste en de paukenist komen aanwaaien, en de dirigent met enkele acolieten in zijn zog. Zij bespreken trivia.

*

Een communicatiemiddel.

*

081020 – Het ongemak van de galagenodigden wanneer een coryfee niet langer wenst op te draven in het televisiecircus. Of: hoe marginaal de positie van de intellectueel in de media geworden is. Wanneer hij zich niet meer naar het decorum wenst te schikken, is de verontwaardiging groot. Marcel Reich-Ranicki, 88 jaar inmiddels, weigert de Deutsche Fernsehpreis voor zijn loopbaan als tv-literatuurcriticus. Zie hier.

1578 / Mijnsite Cuesmes 5/5

Cuesmes, met in de verte Mons - 080629, 10u39

donderdag 30 oktober 2008

Dag 428 vVH&C

081019 – De moraal is niet gebaseerd op ferme, absolute principes, maar wortelt in een droesem van irrationele, emotionele, intuïtieve, niet te gronden drijfveren. Natie, bijvoorbeeld. De familie. Bloedverwantschap.

In Cassandra’s Dream voert Woody Allen twee broers op die, door geldnood gedreven, bereid zijn om, met het oog op een royale beloning van hun rijke oom, een man uit de weg te ruimen die blijkbaar te veel weet over die oom. Familie is, alles welbeschouwd, het enige waar je in het leven altijd op kunt terugvallen. Voor de familie doe je alles. Familie gaat zelfs voor op moraal. Maar dan begint een van die twee broers gewetenswroeging te krijgen, hij staat op het punt om zich aan te geven bij de politie. De andere broer ziet, om zijn eigen hachje te redden, geen andere mogelijkheid dan ook de broer met het knagende geweten te vermoorden… Bloedverwantschap is dus blijkbaar toch niet het hoogste principe...

1577 / Mijnsite Cuesmes 4

Cuesmes, tot klein museum ingerichte feestzaal bij de cafetaria op de mijnsite - 080629, 12u01

Mijnsite Cuesmes 3


Cuesmes - 080629, 11u31

woensdag 29 oktober 2008

Dag 427 vVH&C

081018 – Boekenverkoop in de bibliotheek. Ik ben twee keer geweest. ’s Voormiddags was het nog 1 euro per boek, na de middag kon je al vijf boeken meegrissen voor 3 euro, of tien voor 5 euro. Ik kwam uiteindelijk met meer dan twintig boeken thuis voor, alles bij elkaar, vijftien euro. Daar kom je voor één nieuw boek vaak niet mee toe. En het was zeker niet al brol dat daar bij die ‘afgevoerde’ boeken lag. Ik monster mijn buit en zie daarin, onder meer: De laatste roker van W.F. Hermans, Een kamer met uitzicht van E.M. Forster, en boeken van Carmiggelt, Kureishi, Queneau en Coetzee. En dan zou ik zeker ook nog andere kleppers van de papiermolen hebben gered (een edelmoedigheid die niet veel kost), ware het niet dat ik ze al in mijn bezit had (waarbij de verwerving zoveel jaren geleden mij vaak veel dieper in mijn portemonnee had doen tasten) en/of dat ik mij op den duur wel een beetje gulzig en hebberig begon te voelen. De schrijnendste afdankertjes heetten, in deze ondankbare onliteraire wereld, Michiels, Modiano, Mishima en Musil.

Je vraagt je toch af wat deze marktontwrichtende en barbaarse, jaarlijks terugkerende bibliotheekboekendeportatie stuurt. ‘Plaatsgebrek,’ luidt het antwoord van een bibmedewerkster. Het klinkt plausibel: er verschijnt veel en architectuur is duur. Maar wat is het criterium? Op basis van welk kenmerk worden boeken veroordeeld in deze boekenholocaust? Aantal bladzijden? Gewicht? Ezelsoren? Verouderde spelling? Niet meer te desinfecteren beduimeldheid? (Iets inhoudelijks zal het wel niet zijn want dat zou veronderstellen dat die hele papierberg zou gelezen zijn, en dat kan je zelfs van de meest toegewijde bibliotheekmedewerkster niet verwachten.) Neen. Niets van dat alles. Het criterium om een boek te dumpen – waarbij deze verkoop nog een laatste kans is voor ze om door een liefhebber te worden opgepikt – is: de tijdsduur die is verstreken sinds hun laatste ontlening. Blijft een boek een jaar, of twee jaar, op de bibliotheekplank staan wachten op een liefdevolle, oprechte belangstelling opbrengende lezer, zoals op een studentenfuif het muurbloempje in een donker hoekje aan een tafeltje met halflege, vergeten en gemorste glazen met verschaald bier wacht tot die koene ridder op zijn witte paard dan toch passeert, je weet maar nooit, dan wacht hem, het boek, de deportatie naar de kartonnen bananendoos, de ruwe behandeling op deze geïmproviseerde boekenmarkt, in het beste geval de vernederende uitwisseling voor een hele of, later op de dag, zelfs maar een halve zilverling en, indien ook hier niemand zich verwaardigt mededogen te hebben, het lot dat ook telefoonboeken, reclamefolders, verkiezingsdrukwerk en de krant van gisteren is beschoren.

Dat er opvallend veel Ruyslinck en Hemmerechts te koop werd aangeboden – wel, daar kan ik nog mee leven. (Ze verkochten trouwens voor geen meter.) Maar dat de hierboven genoemde namen en titels op deze schamele manier voor bewezen diensten aan onze westerse cultuur werden bedankt, ja, dat doet stemt mij toch droef.

Stad & ommeland (8)

Brugge, Kruisvest - 080730

1576 / Mijnsite Cuesmes 2

Cuesmes - 080629, 11u28

dinsdag 28 oktober 2008

Dag 435 vVH&C

081026 – Ik zie een wand van vier bij twee meter en tachtig kilo zwaar. Het moet heel wat voeten in de aarde hebben gehad om die wand hier te krijgen. En op die witte wand vierentwintig paneeltjes. Die zijn op nauwkeurig uitgebalanceerde afstanden van elkaar aangebracht. Ik bekijk de tekeningen. Ik zie de kleuren: oranje, groen, blauw, crème. Ik herken de voorstellingen: ze maken deel uit van een eigen voorstellingswereld die ik al eerder heb leren kennen. Schroeven, raderen, buizen, ruimteschepen… Menselijke figuren zie ik niet (of heb ik niet goed gekeken?, ze zijn in elk geval niet prominent aanwezig); het is een wereld van machines, een bevreemdende mix van poëzie en rationaliteit. Het is een futuristisch ogende, desolate wereld – maar het zou ook het beeld van een vergane beschaving kunnen zijn. (Het gebeurt vaker, die vermenging van tijden in de fantastische (in de betekenis van verzonnen, fictionele) representatie van ofwel het verleden ofwel de toekomst: wat in een ver verleden ligt, krijgt een aura van het toekomstige over zich; en omgekeerd wordt futurologie op smaak gebracht met een verwijzing naar middeleeuwen.) Ik zie de vierentwintig beelden en denk aan een stripverhaal. Blake & Mortimer, zoiets. Dat ik aan een stripverhaal denk, heeft ongetwijfeld te maken met het kleine formaat van de tekeningen: tien op vijftien of daaromtrent want de formaten wisselen. Maar er is ook de onweerstaanbare neiging om achter de beelden, en hun compositie (drie regels van acht beelden), een verhaal te zoeken. Al is dat verhaal er misschien niet. Het totaalbeeld bestaat uit een subtiel modulerend geheel van wisselende groottes. Er ontstaat een ritme en dat verwijst naar muziek. De kracht die van dit geheel uitgaat, komt sterker over dan bij een vorige tentoonstelling van Hendrik Vermeulen, waar dergelijke kleine formaten naast elkaar, met vrij grote tussenruimten, aan de muren van een kamer waren opgehangen en daarin een beetje verloren gingen.

Ik denk nu, een paar uur later, terug aan de tekeningen. Ik zie de schroeven, de buizen, een kolkende beweging, onbemande stoelen achter tafels die door middel van een ladder met een centraal opgestelde spiraal verbonden zijn, een technologisch interieur onder een grote koepel. Dat laatste werkje, wérk, genoot mijn voorkeur. Het is indrukwekkend hoe deze kunstenaar op een paneeltje met min of meer de genoemde afmetingen zo’n ruimtelijkheid weet te creëren.


Voorkeur. Ik aarzel het woord te gebruiken. Voor de kunstenaar zijn die vierentwintig werken ongetwijfeld evenwaardig. Achter die vierentwintig zijn er misschien tien of vijftig of honderd andere die de strenge selectie niet hebben overleefd. Ik weet het niet. Mensen, toeschouwers, al diegenen die niet deze kunstenaar zijn, of niet een kunstenaar zijn, zijn nu eenmaal geneigd om voorkeuren te hebben, rangordes aan te leggen. Het is hun manier om greep op het geheel te krijgen. Het zij hun vergeven. Hun krasselende zoektocht naar een antwoord schiet onvermijdelijk tekort.

Er blijven vragen. Waarom die beelden (en geen andere)? Wat wil die verbeelding mij zeggen? Waarom zijn de werken zo klein? Waarom deze constellatie?

Uiteraard is er onbegrip en is er misverstand. Hoe zou ik het kúnnen begrijpen? Maar: ligt de waarde van de respons niet in de poging te begrijpen? In de belangstelling, de verwondering? Als ik het zou begrijpen, ja, dan zou ik het natuurlijk zelf máken, in zekere zin. Dan zou wat de kunstenaar maakt niet gemaakt moeten worden. Er zou niets gemaakt worden! Kunst is een vraag. De kunstenaar die toont, is een kunstenaar die een vraag stelt en elk antwoord op prijs stelt. Iets anders dan een eerlijk antwoord is waardeloos.

Hendrik Vermeulen, Kunstenplatform Zebrastraat, Gent, 26 oktober - 30 november 2008

1575 / Mijnsite Cuesmes 1

Cuesmes - 080629

maandag 27 oktober 2008

Dag 425 vVH&C

081018 en 081028 – Als je na het bekijken van Gomorra de zaal verlaat, vraag je je af waarom eigenlijk de Italiaanse maffia hier in die mate aanstoot aan neemt dat ze aankondigt regisseur Matteo Garrone voor Kerstmis te zullen doden. De vele maffiafilms uit het verleden, genre The Godfather en dergelijke, hebben nooit zo'n extreme reactie uitgelokt. S. wijst mij op de reden. Het is zeker niet zo dat Garrone allerlei geheimen heeft prijsgegeven of omerta’s geschonden: we weten allemaal min of meer hoe het systeem in elkaar zit, hoe in dat land de parallelle macht georganiseerd is, hoe er wordt geregeerd op basis van de explosieve emotionele cocktail hebzucht-eerzucht-machtzucht. Daar wringt de schoen niet. Het is dat het maffieuze machtscentrum niet, zoals in die andere films, glanzend en glitterend wordt voorgesteld, met het clichématige vertoon van gouden manchetknopen, in sigarenrook en duisternis gehulde, schor en traag sprekende bazen, de knipmesdiscipline van de ondergeschikten die gestaag op de ladder naar een bijna bijbelse hoogte opklimmen en daarbij niet aarzelen om de concurrentie van zich af te duwen – neen, hier worden de bazen belachelijk gemaakt: ze zitten met acht man achter twee onnozele belhamels aan, het zijn vestimentaire horreurs, de peetvader is een halfverzopen terminale keelkankerpatiënt met een stemgeluid als van het schurende scharnier van een Etruskische graftombedeur die in geen drieduizend jaar is geopend. En we zien de gore achterkant van een nietsontziende misdaadmachine.

Laat ons maar hopen dat Garrone niets ‘overkomt’.

Gomorra is een ijzersterke film. Onder meer omdat een van de kenmerken van het goede kunstwerk vervuld is: alles erin heeft een onwrikbare plaats, alles heeft een betekenis, niets is gratuit. Ik licht er een voorbeeld uit (slechts een van de talrijke mogelijke): de apenkooi. In een van de appartementen van het immense blok waar het grootste deel van de handeling zich afspeelt – in die mate dat je het gevoel krijgt dat het blok een metafoor wordt voor de stad, voor Napels – staat op een overloop een kooi met daarin een aap. Hij staat daar een beetje verloren, die kooi, uitzichtloos. Af en toe krijgt de aap een aai van een passant. Welnu, de apenkooi is geen toevallige decoratie. Zoals de aap in de kooi gevangen zit, zo zijn de bewoners van het appartementsgebouw evengoed gevangenen van hun behuizing maar nog meer van hun materialistische macho-leefwijze, zo zijn de Chinese arbeiders in het confectieatelier gevangenen, zo zijn de maffialeden de gevangenen van hun codes en verplichtingen in allerlei onfrisse praktijken: drugs, illegale confectie, seksindustrie, het geld slaan uit de ‘verwerking’ van toxisch afval. Het is een in alle opzichten uitzichtloos bestaan. Eén lichtpunt in de film, heel even, maar dan wel met een sterke beeldende kracht: de kleinste, nog onschuldige, kinderen die spelen op een hoekje van een dakterras. Ze spelen, te midden van het grijs, in een wereld van felle kleuren. Maar die kinderen worden zorgvuldig gerekruteerd door de iets ouderen, die al gecorrumpeerd zijn. Ze hebben geen keus: omdat ze arm zijn en geen toekomst hebben en op een debiele manier van wapens houden en de strak geklede grieten willen imponeren die in het straatje-zonder-eind staan te paraderen, worden ze: apen.

Geen wonder dat de bonzen van de Napolitaanse camorra aanstoot nemen aan Garrone’s meesterwerk.

1574

Brugge – 081006, 14u23

zondag 26 oktober 2008

Reactie

Beste,

In je vote-rubriekje staat "ik heb al gelezen in de nieuwe Verhulst en vind het goed". Klopt dat verwijswoord "het" wel? Het is toch DE Verhulst? Vandaar, lijkt mij: "ik heb al gelezen in de nieuwe Verhulst en vind het boek goed". Of: "ik heb al gelezen in de nieuwe Verhulst en vind hem goed".Sorry voor de schoolmeesterij. Maar aan iemand die zoveel zorg besteedt aan zijn taal, zal deze kleine taalzorg goed besteed zijn, denk ik.

Voor de rest: je blog bezorgt mij veel genoegen: je stijl, je luidop nadenken, je foto's. Die laatste hebben iets speciaals: ze doen me voortdurend denken aan zo'n dun pocketgeval, dat aarzelt voor het wil afdrukken, tot woede van het moment. Waarom ik dat denk? De afstand tot het onderwerp, misschien. Het ietsje donkere licht, vaak. En toch verrassen ze vormelijk (lijnen, contrasten, schuine opname, enz) en inhoudelijk (deze stijlfiguren, maar dan thematisch...). Die laatste verrassingen lijk je voortdurend te zoeken, alsof de wereld (zoals Bloem zei) ze verborgen houdt en plots toont "in hun hogen staat". Anders sprak je niet van DvVH&C. Het verslag van die ontdekkingen is me het liefst. Zo kijk ik ook naar de gegeven aanwezigheid rond mij: tot er ergens een helderheid wil doorbreken. Daarom loop ik ook vaak met de fotocamera rond. Op gevaar dat je mijn reactie als een verkapte aandachttrekkerij bestempelt: ik zet mijn VH&C op mijn blog http://www.dichtertje.skynetblogs.be/.

En blijf maar af en toe verslag doen van je eigenzinnige lectuur...

met vriendelijke groet

Guido Vanhercke

@ Guido Vanhercke:
In mijn 'en vind het goed' zit uiteraard een connotatie met: 'God schiep de wereld en zag dat het goed was', maar ook verwijst de 'het' naar de hoofdpersoon in Verhulsts boek, de zogenaamde ''t' (afkappingsteken + t, een verkorting dus van 'het', wat dan moet staan voor een onpersoonlijke mens).
U hebt gelijk, grammaticaal is 'het' een fout, maar dan wel een waarover is nagedacht!

Mijn woordenboek (203)

AFRUKKEN

Een tak van een boom, een pleister van een wonde die nog niet genezen is en eventueel in behaard gebied ligt, een masker of dé maskers: dat kan allemaal, móet eventueel, worden afgerukt. Een ereteken, distinctief, insigne. (Dan is er sprake van degradatie.) Een affiche wordt van een muur afgerukt, een muts van een hoofd, een poot van een gebraden kip. Het gaat altijd om onherroepelijk losmaken, en dat gaat vaak gepaard met de uitoefening van kracht, geweld. Soms niet veel, maar toch. En het kan pijn doen.

Wie de pleister traag probeert los te peuteren, zal uiteindelijk grotere pijnen moeten doorstaan. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

Er is nog een andere betekenis verbonden aan het hier behandelde woord, ik kom er op terug onder de M of de O. Dit uitstel heeft met taalgevoel te maken, het wordt zeker niet ingegeven door schroom. Ik schroom mij in elk geval niet om te zeggen dat het bij het afrukken, in de gemeenzame betekenis dan, wel degelijk ook gaat om iets losmaken, of dan toch, in psychoanalytisch te duiden zin, met de wens daartoe: het met zacht geweld loswrikken van iets dat daar vaak, in behaard gebied, vervelend hangt of staat te wezen – en ook dat er vaak pijn mee gemoeid is, zij het dan veeleer een geestelijke pijn, iets unheimlichs, iets treurigmakends.

En kijk, nu heb ik misschien toch al de essentie verklapt en is behandeling onder de M of de O al niet meer nodig. Enfin, we zien wel.

1573

Soignies, station – 080629, 8u33

zaterdag 25 oktober 2008

Dag 422 vVH&C

081025 – Ik zag een paar keer een trailer voor het televisieprogramma ‘Voorbij de grens’ waarin een groepje fysiek gehandicapten allerlei gekke ‘uitdagingen’ overwinnen: dwars door de jungle op een rolstoel, blind een vulkaan beklimmen, met evenwichtsstoornissen over een koordenbrug boven een afgrond en meer van die toestanden. In het zog van dit breugheliaanse groepje lammen en blinden ging dan fotografe Lieve Blancquaert mee, en zij zou er een boek van maken. Om maar te zeggen: het sprak mij niet aan.

Tot ik – ‘toevallig’ – op de slotaflevering stuitte, waarin Lieve Blancquaert enkele maanden na het experiment, het boek was inmiddels klaar en zou feestelijk worden voorgesteld, de tien expeditieleden opzoekt en bij hen peilt naar hoe ze op de reis terugblikken.

En kijk, ik moet mijn vooroordeel bijstellen. Blancquaert heeft iets fantastisch’ gerealiseerd. De tien gehandicapten met wie ze samenwerkte leken er in elk geval gelukkig mee – er zijn hechte vriendschappen ontstaan. Maar ook de manier waarop Blancquaert, die zelf ook nadrukkelijk in beeld komt, deze mensen benadert, dwingt respect af. Zij maakte – niet als fotografe maar als tv-maakster, als méns – tien gevoelige, zeer ménselijke portretten. En dan maakte ze er ook nog foto’s bij die, voor zover ik er enkele van heb gezien, behoorlijk indrukwekkend ogen.

(Op de website van Klara staat een vier minuten durend filmpje dat een goed idee geeft van de opzet van het programma en van enkele van Blancquaerts foto’s. De reacties van kijkers in het archief van de site van ‘Voorbij de grens’ bewijzen dat het programma goed is aangekomen.)

1572

Mons - 080629, 9u13

vrijdag 24 oktober 2008

Uit het nieuws

Een uitleg voor de financiële crisis...

Mijn woordenboek (202)

AFRIT

De afrit volgend op de afrit die je uit verstrooidheid hebt gemist ligt altijd veel verder af dan op basis van de gemiddelde afstand tussen twee afritten zou kunnen worden verondersteld.

1571

Dour – 080629, 12u18

donderdag 23 oktober 2008

Mijn woordenboek (201)

AFREKENING

Na het beslechte dispuut wordt eventueel nog een afrekening gepresenteerd. In tegenstelling tot de economische realiteit van het afrekenen, gaat het in de psychologie van de afrekening niet om het herstellen van een evenwicht. Afrekenen is natrappen, het is een wraakoefening. Het is een schril orgelpunt in de retoriek van de kleine verliezer, die geen vrede neemt met het laatste woord. De afrekening lijkt een machtsgreep, maar is in werkelijkheid een resignatie, een manifestatie van onmacht. De afrekening is een volstrekt negatieve geste. Zij is altijd destructief en voltrekt zich in één richting. Zij rekent niet meer op een wederwoord. Over de schade die hier wordt aangericht, valt geen consensus meer te bereiken. Wie afrekent stelt zich ongenaakbaar op maar blijft eenzaam achter met zijn grote verongelijktheid.

1570

woensdag 22 oktober 2008

Getekend (5)

Mijn woordenboek (200)

AFREAGEREN

Het is fundamenteel oneerlijk, en overigens weinig stijlvol, om anderen te laten zweten omdat je er niet in slaagt zelf een frustratie, waarmee zij niets te maken hebben, op een fatsoenlijke manier te verteren. Je kaffert hen uit, zij vangen de vlaag en je onderscheidt je in niet veel van de wegpiraat die jou met opgestoken middenvinger van de sokken rijdt omdat je een halve seconde te lang voor hem in de rij voor het stoplicht hebt staan wachten. Die man – altijd een man! – is meestal niet kwaad op jóu maar heeft iets weg te slikken van thuis, een brokje ongerief van bij moeder-de-vrouw, of van op zijn werk, een al dan niet verdiende uitbrander van de baas.

Jij bent dan voor hem als voor jou de tak in het bos waar je ooit, in al je radeloosheid, tegen geschopt hebt. Hij kon niet ver genoeg voor je uit vliegen. Hij moest breken, eigenlijk. Het was herfst. Je bent het blikje op het trottoir, dat met luid gekletter een eind vooruit tegen ginds straatmeubilaironderdeel wordt geshot. Je bent de krolse kat die op het verkeerde moment voor je voeten loopt en zich dat nog lang zal heugen. Je bent het in een hoek gekeilde boek – het tartte je, je wist geen antwoord op wat het in jou aankaartte en teweegbracht.

Binnenvetten is misschien niet gezond, het is niets anders dan agressie die zich tegen het eigen lichaam keert. Maar het lijkt mij toch eervoller dan een ander die er niet om heeft gevraagd met je onverwerkte teleurstellingen lastig te vallen. Ik ben zo iemand die ziektes kweekt: ik probeer te allen tijde het hoofd koel te houden – iets waarmee ik vaak mijn naasten tot wanhoop drijf want voor hen is de situatie onduidelijk; zij hebben aan mijn relativeren een broertje dood. Ik ben niet het type dat met huisraad gooit (ik denk altijd heel nuchter aan wat het kost om het te vervangen, en ook dat je dan eerst domweg de scherven moet oprapen en je daarvoor moet bukken). Ik ben niet van het soort dat zijn naasten en geliefden slaat.

Hoewel, maar dat terzijde, slaan is behalve te laken (uiteraard, laat daar geen misverstand over ontstaan) toch ook altijd een teken van liefde want geliefden zijn nu net niet alleen diegenen die het meest bij machte zijn je radeloos te maken, zij zijn ook diegenen bij wie je het meest nadrukkelijk aanklopt – létterlijk – om hulp en troost te zoeken voor je radeloosheid. Dát privilege wordt – moet het gezegd? – niet genoten door wie jou onverschillig laat.

Wees gerust, ook katten en honden laten mij niet onverschillig. Ik denk niet dat ik er al ooit een heb weggeshot. Of toch niet echt hard. Ook niet deze die in mijn weg liepen en die al te nadrukkelijk naar mijn aandacht hengelden.

Beter dan het tot slaan of schoppen te laten komen, of tot verbaal geweld en onnodige verwensingen, is het natuurlijk een evenwicht te vinden, een soort van wijsheid eigenlijk (geen berusting), in die mate dat er zich geen teleurstellingen meer kúnnen voordoen en dat er dus niets af te reageren of binnen te vetten valt.

1569 / Zomer in Brugge 8/8

Brugge - 080801, 17u58

dinsdag 21 oktober 2008

Dag 417 vVH&C

081008 en 081020 – Ik heb mijzelf erop betrapt dat ik het wénste dat dat nieuwe boek van Verhulst, met die onmogelijke titel en die ergerlijke megahypemachine erachter, een prul zou blijken te zijn. De idee dat een boek gratis wordt uitgedeeld staat mij om de een of andere reden – te kiezen uit het voorraadje redenen op basis waarvan men mij met recht en reden een conservatieve zak zou kunnen noemen, eventueel zelfs een godverdomse conservatieve zak – tégen. Maar ik autocensureerde tijdig die perverse wens: als dan toch driehonderdduizend potentiële lezers een boek in de strot moet worden geramd, kan het maar beter een goed boek zijn. Een boek dat ze naar ander moois doet grijpen. Welbeschouwd zou die actie al geslaagd mogen heten als er honderd, of tien, of ja, waarom niet, één specimen van het doelpubliek lezer door zou blijken te zijn geworden. Zo bekeken zou het argument van Humo-hoofdredacteur Jörgen Oosterwaal, dat zijn stunt een gewéldige leesbevorderingsactie is, nog hout snijden.

Ik heb enkele bladzijden uit het nieuwe boek van Verhulst gelezen en ben een voldoende geoefend lezer om al meteen op basis daarvan te besluiten dat ik niets essentieels mis als ik ’t in de hoek gooi. Het beroert me niet eens genoeg om dat met een zeker gevoel voor dramatiek te doen: je kunt maar ontgoocheld zijn door iets, of iemand, dat/die je na aan het hart ligt.

Laten we er dan verder ook geen woorden aan vuil maken en eens kijken hoe het met de receptie zit. In De Tijd verklaarde Dimitri Verhulst dat hij ‘bang’ was ‘een hoop stront’ over zich heen te krijgen. ‘Je zult zien: door de heisa gaan de recensenten “Godverdomse dagen” veel strenger beoordelen.’

’t Is dan ook interessant om eens te kijken wat de ‘officiële’ kritiek doet met het boek van Dimitri Verhulst.

We moeten, denk ik toch nog altijd, een zekere intellectuele onafhankelijkheid verwachten.

Dimitri Verhulst is een mooie jongeman, als dusdanig mediageniek, via Humo nu ten eeuwigen dage verbonden met het zogenaamde links-progressieve Vlaanderen (hoewel ik niet meer helemaal zeker ben dat dit nog opgaat voor Humo) – met andere woorden: Dimitri Verhulst kraak je niet ongestraft af. (Zoals je indertijd nooit echt je gedacht mocht zeggen over Kristien Hemmerechts – toch niet zolang ze matrimoniaal via Herman de Coninck een mooie rode paraplu boven het hoofd hield.)

Via Mediargus heb ik drie Vlaamse recensies gevonden die naam waardig. (Eventjes de Metro niet meegerekend. Niet omdat daar staat: ‘Een erg knap boek dat, zelfs al zou het niet gratis uitgedeeld worden, op de gemiddelde boekenplank zou moeten staan’ – maar omdat dat advies niet geargumenteerd wordt.) De drie recensies komen uit Knack, als weekblad een rechtstreekse concurrent van Humo, en de kranten De Morgen en De Standaard, waarvan de eerste traditioneel en de tweede sinds een paar jaar in de Humo-vijver vist.

In Knack is Frank Hellemans ondubbelzinnig negatief. Afgezien van enkele niet-mislukte taalspelletjes (de meeste zijn dus wél mislukt) is Godverdomse dagen… volgens hem een ‘godverdomse slag’ in het water. Hij noemt Verhulst – en dat is nog het meest vernietigend – een ‘pseudorevolutionair’ die liever met vrouw en kat zijn huiselijkheid cultiveert in het verre Wallonië.

De Standaard (bij monde van historicus en literatuurkenner Marc Reynebeau) is voorzichtiger: die krant vist voor zijn publiek in een andere vijver dan de Knack – en er zijn naast de klootjeszee maar twee vijvers waarin ‘leesvissen’ zwemmen. (Sorry voor dit verhulstiaanse gewauwel, ik liet me even gaan maar u ziet, ik lul zó op die manier tweehonderd pagina’s bij elkaar.) Verhulst schrijft een geschiedenis, stelt historicus Reynebeau met kennis van zaken, maar ‘voor de historische betrouwbaarheid of als alternatieve geschiedenisles is dit boek niet erg nuttig’. Verhulst schrijft een boek, stelt literatuurkenner Reynebeau met kennis van zaken, maar het is ‘meer een schrijfdemonstratie dan literatuur’.

De recensent van De Morgen moet, gezien zijn positie in het Vlaamse geschreven-medialandschap, het meest op eieren lopen. Wie het stuk goed leest, moet er niet aan twijfelen: Dirk Leyman vindt, net als Hellemans en Reynebeau en elke serieuze lezer, Godverdomse dagen… een kutboek. Maar de manier waarop hij, zijn broodheer en publiek indachtig, dat net níet zegt, is aandoenlijk. Al in zijn inleiding stelt Leyman dat Verhulst ‘ongetwijfeld’ een ‘literaire lefgozer’ is, maar hij vraagt zich meteen af of ‘het boek niet vooral een volgehouden stijloefening’ is. In het ‘ongetwijfeld’ uit de vaststelling zit al meteen het antwoord op de vraag. Ja, dus.

In het stuk dat na deze inleiding volgt, probeert Leyman vooral om de hete brei heen te stappen. Een positief woord valt er nauwelijks te rapen, de negatieve opmerkingen blijven vriendelijk en wat ontwijkend. Een vergelijking met Julian Barnes’ Een geschiedenis van de wereld in 10 ½ hoofdstuk, gaat ‘slechts ten dele’ op en zou ‘in het nadeel van Verhulst uitvallen’ (indien ze zou worden gemaakt, wat dus niet echt gebeurt). De boodschap wordt ‘erin geramd’, slechts in de stijl ‘valt schoonheid te rapen’ (Leyman suggereert natuurlijk dat een goed boek méér moet hebben dan een goede stijl). Pas in de laatste lijnen geeft Leyman een beetje meer lucht aan zijn ergernis: ‘na een poos gaat de opeenvolging van calamiteiten in de kleren hangen’ – en de woorden ‘gimmick’, ‘geginnegap’ en ‘rijmelarij’ vallen. In de volgende zin klinkt het woord ‘calvarietocht’ opvallend dubbelzinnig: gaat het om de door Verhulst beschreven geschiedenis van de mens, of om het boek zelf? ‘Het boze godverdomse verrassingseffect ebt weg en deze calvarietocht stevent linea recta af op de big bang van Hiroshima.’ En Leyman besluit met een voordeel van de twijfel: ‘Wat na die knal overblijft, is een demonstratieve exercice de style waarin Verhulst zijn woeste talent soms (bewust?) spilzuchtig gebruikt.’

Laat het nu maar stil worden rond die Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Heel stil. En laat ons dan weer uitkijken naar échte schrijvers.

1568 / Zomer in Brugge 7

Brugge - 080801, 17u59

Zomer in Brugge 6

Brugge - 080801, 17u59

Zomer in Brugge 5

Brugge - 080801, 18u00

maandag 20 oktober 2008

Dag 416 vVH&C

081007 – Overschrijven (104)

Het is noodzakelijk zich voor te bereiden op een examen, of een diner, of een mogelijke val van de aandelenkoersen; als er menselijke betrekkingen in het spel zijn moet er echter een andere methode worden aangenomen, daar ze anders tot mislukken gedoemd zijn.

E.M. Forster, Howards End (1910, Amsterdam 1993; vertaling Eric van Domburg Scipio), 56

Dag 415 vVH&C

081007 en 081020 – G. vertelt dat hij bij Michaux las dat voor hem, Michaux, tekenen was als gitaar spelen met één vinger. Ik hoor dat aan, begrijp G. als hij zegt dat hij dat een prachtige zin vindt, maar mis de poëzie om er de draagwijdte van te snappen. Tekenen als gitaar spelen met één vinger? Nu ja, het moet kunnen. Wat ik wél begrijp is wat G. vervolgens over het begeleiden van een tekenklas zegt. Je kunt het academisch aanpakken en de leerlingen een gitaar laten tekenen. Correct en precies, perspectivisch in orde, gelijkend. Juist. Maar je kunt ze diezelfde gitaar laten tekenen vanuit dat citaat. ‘Ik garandeer je, je krijgt andere gitaren te zien,’ zegt G. 'Ze zullen op een andere manier juist zijn.' En misschien, ja, misschien kan ik nu zeggen dat ik toch iets van de poëzie in die zin heb begrepen.

1567

Brugge – 080905, 12u04

zondag 19 oktober 2008

60 * 28,81 * 1990

Ja, dat heb je met een groep mannen van middelbare leeftijd: R blijft thuis met bloeddrukproblemen, E heeft onverwachts een longembolie opgedaan, D zit met een kapotte knie thuis naar De Zevende Dag te kijken en dan zijn er nog een paar die niet thuisblijven omdat ze niet graag fietsen op zondagmorgen. Maar gelukkig is er J, die opnieuw aan de start verschijnt – al moet hij, nog maar net voorbij Oudenburg, rechtsomkeert maken omdat zijn hartslagteller rood uitslaat. Zelf ben ik ook weer van de partij, het is geleden van 22 juni dat ik me nog eens op een zondagochtend om negen uur bij elkaar wist te rapen voor de wekelijkse afspraak. De heren houden er een stevig tempo op na langs eerst de Oostendse en dan de Nieuwpoortse Vaart. Ter hoogte van Leffinge houd ik het ook voor bekeken – een rit tot helemaal in Wulpen en terug, zoals aangekondigd, zie ik niet zitten. Ik keer terug langs Zevekote, Nieuwerkerke en Jabbeke. Daar zoekt de firma Depret ‘medewerkers voor aangenaam werk’ en pakt een basisschool uit met de slogan ‘verbindende communicatie’. Ik zie glimmende kleikluiten in de omgeploegde velden, opvliegende spreeuwenzwermen, zeven of acht keer op een digitale display dat het 10 °C is en in de disparate, troosteloze, knettergekke architectuur van deze contreien talloze te maken foto’s. Ik passeer langs J’s huis en zie zijn Gazelle tegen de gevel staan: hij is veilig thuisgekomen.

Dag 414 vVH&C

081005 en 081019 – C. vertelt over haar mycologische interesse. Er is een zwam die naar muizennesten riekt, een felgroene paddenstoel, maar de naam ontsnapt haar. De gele knolamaniet riekt naar een aardappelkelder (ik vind niets uit, het zijn haar woorden). Vezelkopjes geuren naar sperma. Neen, niet de fallus impudicus, wat je misschien zou verwachten, die ejaculeert een overrijp camembertluchtje. De narcisridderzwam riekt eenvoudigweg naar gas, de scherpe collybia naar azijn. Je houdt het niet voor mogelijk, het boeket dat paddenstoelen prijsgeven. De anijstrechterzwam riekt naar, zoals de naam al aangeeft, anijs. En er is er een die naar appelmoes riekt, maar welke weet C. ook niet meer zeker, ze denkt dat het de abrikozenrussula is. Ja, er is ook een zwam die de geur verspreidt van aangebrande rode kolen. Niet van aangebrande groene kolen: van rode kolen. Dat maakt wel degelijk een verschil. 3600 soorten zijn er, alleen al in ons bosarme landje. Ik ruik niets of omzeggens niets. Ik zal die olfactorische taal nooit begrijpen. Ja, de schimmel in een vochtig huis dat je terug betreedt na een week op reis te zijn geweest, dat ken ik wel. De zwammenwalm in een herfstig bos. Of hoe oude boeken geuren – die geur is mij tamelijk vertrouwd. Het zal ook wel iets met vergankelijkheid te maken hebben en met het onvermogen het allemaal te behapstukken. Maar van paddenstoelen, stricto sensu, ken ik eigenlijk alleen de giftige vliegenzwam (van sprookjes en kindertekeningen) en de lekkere champignon de Paris (uit de supermarkt, in die blauwe plastic doosjes).

1566 / Zomer in Brugge 4

Brugge - 080801, 18u00

zaterdag 18 oktober 2008

Dag 412 vVH&C

081004 – Concert van Paul Weller in de AB in Brussel, gisterenavond. Af en toe stevig rockend, Pete Townsend-achtig breed uithalend met de arm bij het aanslaan van akkoorden-die-er-toe-doen, absolute live-meerwaarde door bepaalde rustige nummers stevig te bewerken (een spacy uitvoering van ‘Wild Wood’, of de ingehouden woede van ‘Porcelain Gods’ als hoogtepunt van het concert), en steeds die doorrookte, melancholieke, vermoeide stem waarvan je voortdurend denkt dat hij het net niet zal halen maar hij haalt het toch. En je bent van dat alles danig onder de indruk. Maar dan zit die kerel alweer als een hippe Johan Stolz in een zeedijkpianobar een tangootje (of is het een rumbaatje) weg te tokkelen. Over het algemeen – jammer dat ik het moet zeggen – maakte Weller een ongeïnteresseerde, routineuze en zelfs arrogante indruk. Er ontstond dan ook nauwelijks enig contact met de zaal – toch essentieel om van een geslaagd optreden te kunnen spreken – en toen de ex-Jam-god uit Engeland er na nauwelijks anderhalf uur met een gesmaakte maar toch wat gemakkelijke cover van ‘All You Need Is Love’ een punt achter zette, legde iedereen zich daar opvallend snel bij neer. Het was overduidelijk dat de set al maanden rotsvast in elkaar gehaakt zat, eens de machine tot stilstand gekomen zou het niet baten er nog een duw aan te geven.

Dag 411 vVH&C

081003 – Van Dale, Groot woordenboek Frans-Nederlands omschrijft met ‘vermogen v. de mens om zichzelf anders te zien dan hij is’ de term bovarysme. We zijn allemaal bovarysten. We zijn allemaal Madame Flauberts.

1565

Brussel – 081017, 10u26: ons koloniaal verleden.

Zie ook hier.

vrijdag 17 oktober 2008

Stad en ommeland (7)

Brugge, Astridpark - 080725, 15u31

Dag 410 vVH&C

081002 – 1958, het is vijftig jaar geleden dat in Brussel de Wereldtentoonstelling ontaardde in een massaorgie van vooruitgangsgeloof en technologie-enthousiasme. Die verjaardag werd en wordt dit jaar met allerlei publicaties, tv-programma’s en tentoonstellingen gevierd. Er is nostalgie, maar er is ook veel meewarigheid. Ik heb het allemaal niet zo gevolgd, maar volgend detail, mij nu ter ore gekomen, wil ik u toch nog niet onthouden. De bekende vijfpuntige Expo-ster, een ontwerp van Lucien De Roeck, mag gerust een voorbeeld van efficiënte beeldvorming worden genoemd: in die dagen moet het ontwerp futuristisch – en dus zeer hedendaags – hebben geoogd, en het blijft tot op vandaag met zijn punten in ons collectief geheugen haken.

Die ster, dat is Expo 58. Welnu, het feit dat de ster vijf punten heeft, is niet toevallig. Dat verneem ik nu. De punten verwijzen naar de vijf continenten. Heel banaal, eigenlijk. Maar ze verwijzen ook – en dáár is het mij hier om te doen – naar de vijf decennia van Belgische kolonisatie in Kongo! (‘De vijf dynamische punten staan tevens voor evenveel decennia Belgische kolonisatie in Kongo.’ – Uit een binnenkort te verschijnen boek over Lucien De Roeck.) Wij weten ook dat er op de Wereldtentoonstelling ‘negers’ werden geëxposeerd (in afgesloten ruimten, waarin zij hun plaatselijke gebruiken en technieken dienden te demonstreren), en dat zij na korte tijd werden geëvacueerd omdat sommige bezoekers deze curiositeiten bananenschillen toewierpen. En wat wij natuurlijk ook weten is dat een deel van de rijkdom die op de Heizel werd uitgestald, en deze uitstalling mogelijk maakte, uit het diepe Afrika afkomstig was.

1564

donderdag 16 oktober 2008

Het bestáát (40)

081001 – Op de trein krijg ik telefoon. De politie! De politie belt, of ik mijn auto niet kan verplaatsen. Zal moeilijk gaan, zeg ik, ik ben op weg naar Brussel. (En ik kan moeilijk rechtsomkeert maken, denk ik daar nog bij maar ik zeg het niet want het zou wellicht te ironisch klinken.) Wat is er aan de hand? Ik verneem dat er een zware tak van een van de bomen in het park voor mijn deur, waaronder mijn auto inderdaad geparkeerd staat, op het punt staat het te begeven, dat wil zeggen: door toedoen van de plots opgestoken herfstwind los te komen van de stam en pardoes op het dak van het aan mijn toebehorende vehikel – nummerplaat, databank, telefoonnummer – te belanden. Spannend! Ik leg aan de politieman uit hoe hij in mijn woonst kan binnengeraken en waar hij daar de reserveautosleutel kan vinden: in het aardewerken olifantje (dat ik een tijd geleden in de Kringloopwinkel heb gekocht voor 5 euro, wat ik hem niet vertel wegens redundant en nodeloos verwarring-scheppend en bovendien lijkt de situatie mij nogal urgent) – het olifantje staat op de schoorsteenmantel, je kunt er niet naast kijken als je binnenkomt.

Ik laat mij verder naar Brussel sporen, vergeet prompt het hele voorval, vergeet het… tot ik deze avond thuiskom en, warempel, zie dat mijn auto een eind verderop sta en dat, naast de plek waar hij eerst stond, in het gras een stapel houtblokken ligt onder een gekortwiekte boom. In de olifant is gerommeld, in mijn associatie-arsenaal eveneens: voortaan heeft die gekortwiekte boom tegenover mijn appartement onmiskenbaars iets olifantachtigs.

1563 / Zomer in Brugge 3

Brugge - 080801, 18u01

woensdag 15 oktober 2008

Dag 409 vVH&C

081001 – In Une fois, een boek van Wim Wenders uit 1993, staan, zoals de ondertitel al verklapt: ‘images et histoires’. De originele titel staat vreemd genoeg niet in het boek vermeld (enkel dat het oorspronkelijk in het Italiaans is verschenen, maar ook met betrekking tot die publicatie geen spoor van een titel), maar het zal allicht Einmal zijn geweest, of zoiets. In het Engels: Once upon a time… Wim Wenders, die wij kennen van zijn films (onder andere Paris, Texas en het memorabele Der Himmel über Berlin) toont zich hierin een verdienstelijk fotograaf.

Maar daar gaat het boek niet over.

Wenders toont aan dat hij een verhalenzoeker is, en dat hij zijn verhalen achter elke hoek vindt. Ook in de op het eerste gezicht weinig verhalen bevattende omstandigheid die gemeenzaam banaliteit wordt genoemd. Maar nog meer toont hij aan dat hij een verhalenverteller is, die weet dat je je de moeite moet getroosten om die verhalen te zien en ze vervolgens te vertellen. Dat laatste is dankbaar want hebben wij niet allemaal behoefte aan verhalen, beantwoorden verhalen niet aan een diepgewortelde honger in elk van ons? Wenders weet bovendien – is het verwonderlijk voor een cineast? – hoe hij zijn objet trouvé-achtige verhalen moet vertellen. Hij doseert, schikt, laat zijn images et histoires in een weloverwogen volgorde op ons los. Het bladeren, dat je in een boek nu eenmaal moet doen, is daarbij een handig hulpmiddel.

Ik was eens, vertelt hij, een keer een tijdje in Houston. (Hij tilt, door de sprookjesformule, de herinnering naar een hoger plan.) Dan volgt een korte beschrijving van het onwezenlijke wolkenkrabberslandschap, dat op de tegenoverliggende bladzijde passend, zij het met een niet zo bijzondere foto, wordt geïllustreerd.
Maar, zegt Wenders, het meest van al is mij toch een uit meerdere verdiepingen bestaande parkeergarage bijgebleven, omwille van zijn lineaire exterieur, en omwille van zijn interieur, waarin je, door de horizontale uitsparingen in de gevelstructuur, voortdurend de indruk had dat je een ‘CinémaScope’-achtig gekaderd uitzicht had van de buitenwereld. Je leest nog altijd deze korte tekst en begint je af te vragen hoe dat dan zou geweest zijn, wat Wenders precies bedoelt. Je begint al aanstalten te maken om naar de volgende pagina’s te gaan, waar je foto’s hoopt aan te treffen die dit vooruitzicht invullen. En dan zegt Wenders ook nog dat hij daar ergens in de buurt, tijdens een van zijn uitstapjes, een fotograaf aan het werk heeft gezien, traag en minutieus, die hij zelf ook heeft gefotografeerd.

Op de volgende bladzijden wordt dit eenvoudige verhaal visueel ingevuld.
Dit zijn bijzonder mooie foto’s, maar dat zijn de foto’s in dit boek niet altijd. Soms zijn ze louter documentaire aanvullingen bij Wenders’ verhaaltje, soms zijn ze zelfs ronduit ‘mislukt’, wat Wenders trouwens zelf ook aangeeft. Dat vormt geen bezwaar want in dit boek gaat het niet in de eerste plaats om de foto’s, en ook niet om de tot verhaaltjes opgetilde herinneringen, maar om de relatie tussen die twee en om de spanningsboog die ontstaat door het kleine uitstel dat wordt veroorzaakt door het feit dat je tijdens het lezen van de tekst nog niet meteen de foto ziet want je moet eerst nog de bladzijde omdraaien.

Dat mechanisme wordt a contrario helemaal duidelijk wanneer Wenders een zeer boeiende anekdote vertelt, waarbij je (je bent al vertrouwd met het mechanisme van het boek) staat te popelen om de bladzijde om te draaien (het gaat om mannen die in de Moskouse ondergrondse met hun neus op uit het Westen geïmporteerde foto’s van blote dames staan te geilen), maar dan stelt Wenders doodleuk dat hij wel een foto heeft gemaakt maar dat het niets geworden is omdat het er werkelijk té donker was. En een andere keer begint hij zelfs zijn anekdote met te zeggen dat het verdorie toch jammer was dat hij die keer zijn fototoestel niet bij zich had! Ja, daar legt hij wel helemaal ons verlangen naar beelden bloot, en naar een afweging tussen de tekst en het beeld – een mechanisme dat Wim Wenders met dit boek in elk geval goed zichtbaar heeft gemaakt.

1562 / Zomer in Brugge 2

Brugge - 080801, 18u04

dinsdag 14 oktober 2008

Het bestaat (39)

080930 – Op een bank op het tegenoverliggende perron in het ondergrondse Station Centraal zit een jongeman en op zijn schoot rust het hoofd van een jonge vrouw. Zij draagt een kort rokje en lange laarzen en zij ligt languit op de bank, haar ene been in de knie geplooid, het andere been gestrekt. Ze laat zich de liefkozingen van de jongeman welgevallen. Rond mij staan forenzen. Het vertrek en de aankomst van treinen worden aangekondigd. Achter het koppel rijdt de trein uit Amsterdam binnen. Het koppel blijft gewoon zitten/liggen. De trein komt tot stilstand en mensen stappen uit.

video

1561

Brugge, Marguerite Yourcenarstraat – 081012, 18u35

maandag 13 oktober 2008

Dag 408 vVH&C

081001 en 081013 – Het zwarte bloed van Louis Guilloux was in 1935 in Frankrijk een belangrijke roman. Hij is gebouwd rond het personage Cripure, een filosofieleraar die zijn bijnaam overhoudt aan de knarsende manier waarop hij het in zijn lessen heeft over La Critique de la Raison Pure van Immanuel Kant.

De zeer lijvige roman van Guilloux is op zijn manier een Kritiek van de Zuivere Rede want die komt in 1917, of bij uitbreiding 1914-1918, wel degelijk in nauwe schoentjes te staan: de westerse beschaving, die op rede en redelijkheid is gebaseerd, gaat kopje onder in de uit een mengsel van mensenbloed en slijk en vermoorde illusies bestaande blubber van Ieper en Verdun.

Tegen die achtergrond van zinloos oorlogsgeweld situeert Guilloux zijn verhaal. De mismaakte schlemiel Cripure heeft een goede inborst maar mislukt in zowat alles wat hij onderneemt. Zijn gitzwarte levensvisie voert naar een onvermijdelijke ondergang. Homo homini lupus, de mens is een wolf voor zijn medemens – Guilloux laat daarover geen misverstand bestaan.

Heeft uitgever Coppens & Frenks terecht deze vergeten Franse interbellumroman aan het Nederlandstalige publiek voorgesteld? Op zich moeten we altijd bewondering hebben voor riskante edelmoedigheid, maar hier vraag ik mij toch af of Het zwarte bloed nog wel echt iets voor onze tijd is en in hoeverre we niet beter, als we er dan toch de tijd voor nemen om zeshonderd bladzijden tot ons te nemen, de grote Russische romans lezen die Guilloux duidelijk voor ogen hebben gestaan.

Guilloux laat ons kennismaken met een heel peloton personages, de ene al meer karikaturaal voorgesteld dan de andere, de meeste slecht en een enkeling (bijvoorbeeld Claire, de echtgenote van meneer Couturier) op het heilige af goed – en wij, lezers, worden verondersteld hun lotgevallen met de gepaste aandacht te volgen. Maar dat is lastig want bij de oeverloze spreektalige dialogen en herhalingen en het nogal franjeloze proza wil de aandacht wel eens verslappen. De karikaturale, soms zelfs slapstickachtige schetsen neutraliseren de eventuele empathie. Het gaat er allemaal nogal grotesk aan toe – het is er vaak een beetje óver.

Daar staat tegenover dat bepaalde scènes of droombeelden (bijvoorbeeld het kerkgebouw als rund, het volksoproer bij het station en de slotscène waar iedereen samenstroomt bij het inderhaast geïmproviseerde transport van de ongelukkige Cripure naar het ziekenhuis) mij zeker een tijdje zullen bijblijven.

Louis Guilloux, Het zwarte bloed (1935; Amsterdam 1999; vertaald en van een nawoord voorzien door Mirjam de Veth), 621 p.

Het bestáát (38)

Dag T.,
Uiteraard weet ik dat die bus rechts van de glazen deur de voorkeur geniet, maar voor een uitgeverij is dat wel een bus met een heel smalle gleuf! Mijn pak paste daar niet in - en nu mag je echt geen freudiaanse connotaties maken bij dit bericht!

Reactie

Toen ik onderstaand gedicht schreef, had ik 'De gedenkschriften van Hadrianus' van M. Yourcenar nog niet gelezen. Een maand geleden stuitte ik op de passage: 'Mijn geheime kamer in het midden van de vijver van de Villa is als wijkplaats niet innerlijk genoeg'.

Ik lees het gedicht nu ook zo:

De man met het rugzakje is de oude keizer die zijn verleden draagt. Hij kijkt naar de overkant, niet naar de kleine gans (zijn leven), die drijft op zijn spiegelbeeld / tussen dat van het beeld (van de man) en de man zelf. Het beeld kijkt naar de gans (het leven van de man) en wil verlost worden, nooit meer spiegelen, zodat de gans wegvliegt.

Vijver Villa Hadriana

Het water is groen, zonlichtgroen
tegen het donker van de bijgebouwen.

Hij staat er ontspannen te wachten
handen in zijn zak, overhemd
opgestroopte mouwen, vol in het licht.
Kijkt naar de overkant, niet naar de kleine
gans die aarzelt in het water.

De gans drijft op zijn spiegelbeeld
tussen dat van het beeld en de man
met zijn rugzakje, op zijn gemak.

Het beeld staat armloos, stijf, architraaf
nee, deel daarvan op zijn kop, al hoeveel jaar?

Kijkt naar de gans, naar het wisselend
spiegelbeeld en wil misschien wel vallen
in het lichte groen, verlost van de sokkel
zijn, nooit meer spiegelen, zodat de gans
opschrikt, wegvliegt, langs de man.

*

Brampton, een klein dorp aan Hadrian's Wall, mooi landschap, een paar winkels, een pub, veel aantrekkelijke huizen met kleurige tuinen, blije kinderen op straat. Ik dacht: er moeten hier veel gelukkige mensen wonen. Het geweld voorbij; grensconflicten opgelost. Rust, ruimte, genoeg eten en drinken, mogelijkheden. Maar later zag ik veel te dikke mensen die niet meer goed konden lopen, kinderen met zakken chips, verwaarloosde huizen en ik las over bizarre moorden en over meisjes-gangs, die met wapens een buurt terroriseerden. Ik herinnerde me de Zweedse film 'Fucking Amal'.

De Muur van Hadrianus kwam in verval na het vertrek van de Romeinen uit Britannië. Na de zesde eeuw ging het hard. Er bleef niet veel over van het machtige bouwwerk. Boeren en burgers gebruikten de stenen voor hun eigen huizen. Soms werden muren opgetrokken als grens op de fundamenten van de Wall en met gebruik van de oude stenen. Spolia. Zo gebruikten de Romeinen vroeger de resten van de Griekse beschaving. In Istanbul vond ik in een cisterne de kop van Medusa omgekeerd onder een pilaar.

Rian de Waal vertelde vrijdag 15-8, op de laatste avond van het Peter de Grote Festival in Groningen dat Bach in de helft van zijn composities gebruik maakte van oude, bestaande melodieën. Vivaldi werd door hem recycled. Liszt deed het met Schubert. Schubert zelf deed het met zijn eigen melodieën. Zo werd het lied 'Der Wanderer' gebruikt in een uitgebreide piano-Fantasie.

In de literatuur gebeurt het ook dat een schrijver motieven uit een verhaal gebruikt in een roman, of elementen uit een gedicht omwerkt in een essay. Voordat ik ooit van Spolia had gehoord, deed ik hetzelfde.

Marguerite Yourcenar laat keizer Hadrianus in zijn herinneringen interessante dingen zeggen: 'En ik beken dat het verstand versteld staat tegenover het ware wonder van de liefde, tegenover de vreemde obsessie die maakt dat datzelfde vlees waar we ons zo weinig aan gelegen laten liggen als het ons eigen lichaam vormt en ons alleen de zorg opdringt het te wassen, te voeden en, als het kan, voor lijden te behoeden, ons zo'n hartstochtelijk verlangen naar liefkozingen kan inboezemen enkel en alleen omdat het bezield wordt door een andere individualiteit dan de onze en omdat het bepaalde schoonheidstrekken toont, waarover trouwens de beste arbiters van mening verschillen.

'En: 'Er is maar één punt waarop ik me superieur voel ten opzichte van het gros der mensen: ik ben zowel vrijer als dienstbaarder dan zij durven te zijn.'

Hadrianus schrijft: 'Ben ik op de leeftijd gekomen waarop het leven voor ieder mens een aanvaarde nederlaag is.' Ik ben zeven jaar ouder en verbaasd over zijn vermoeidheid, zijn ouderdom, zijn somberheid. En dan lees ik hoe hij toch geniet van het paardrijden van zijn adjudant en hoe hij met hem na een wilde rit zijn voet zet op de grond waar hij niet is. En zo zwemt hij en rent over de vlakten, zittend in zijn stoel.

Bassin Villa Hadrien

L’eau est verte, lumière verte de soleil
se détachant sur l’obscurité des dépendances.

Il attend là, détendu
les mains dans la poche, chemise
les manches retroussées, en pleine lumière.
Regarde l’autre bord, pas la petite oie
qui balance dans l’eau.

L’oie flotte sur son image
entre celle de la statue et de l’homme
avec son sac à dos, à l’aise.

La statue se tient raide, sans bras, architrave
non, une partie sur la tête, depuis combien d’années déjà?

Regarde l’oie, l’image réfléchie changeante
et veut peut-être tomber, tomber
dans la verdure claire être délivrée de son socle,
plus jamais réfléchir de sorte que l’oie
dans un mouvement d’effroi s’envole devant l’homme.

Remco

1560 / Zomer in Brugge 1

Brugge - 080801, 18u05

zondag 12 oktober 2008

Dag 407 vVH&C

080929 – …En dan vergat ik het nog te hebben over de parallel die bestaat tussen het rijk dat Hadrianus probeert samen te houden en het boek dat Yourcenar schrijft: ook een afgeronde, beheersbare eenheid. Zoals Hadrianus de pas door zijn voorganger veroverde gebieden terug afstoot omdat ze het geheel te zwaar dreigen te maken, zo schrapt Yourcenar ook in haar notities, de mateloos uitgebreide resultaten van haar oeverloze opzoekingswerk, om – door verdichting – te komen tot een harde kern, een perfect gepolijste steen waarbij je de indruk hebt, ook al gaat het om een roman van om en bij de driehonderd bladzijden, dat er geen woord te veel of te weinig in staat.

1559

zaterdag 11 oktober 2008

Het bestáát (37)

080928 – X werd door zijn vriendin verkeerdelijk aangesproken met de naam van haar ex-man, zoals hij eerder al door zijn vrouw, inmiddels ex-vrouw, met de naam van haar ex-vriend was aangesproken – maar hij kon daar om glimlachen want hij had ooit al eens zijn vriendin abusievelijk met de naam van zijn ex-vrouw aangesproken, zoals hij indertijd zijn ex-vrouw, toen nog vrouw, met de naam van een voormalige vriendin had aangesproken.

Het bestáát (36)

080928 – Dat in Veurne nog steeds de goedbedoelde en nogal schattige schimpscheuten ‘zwieneschoe’ en ‘luuzeveste’ werden gehanteerd, deed mevrouw Mennes, die voorlopig nog de bedoeling had als germaniste in Leuven te doctoreren maar die in de plaatselijke middelbare school was gepositioneerd geraakt (enigszins excentrisch ten aanzien van het intellectuele epicentrum van het land), besluiten dat hier dringend wat meer beschaving diende te worden binnengebracht.

1558

Blankenberge – 081004, 15u17

woensdag 8 oktober 2008

Dag 405 vVH&C

080927, 080929 en 081008 – Voor mij is de schoonheid van Yourcenars Herinneringen van Hadrianus gelegen in de manier waarop uit die opsomming van historische feiten en waarnemingen, die ons een (wellicht) adequaat beeld schetst van het leven van de keizer en de wereld waarin hij keizer moest zijn, een poëtische en zeer gevoelige, sensuele schoonheid oprijst, als het ware zijdelings. Er ontstaat een groot contrast tussen de hyperpersoonlijke emoties die Yourcenar evoceert en het ongenaakbare olympische standpunt dat zij inneemt – ik bedoel dan niet zozeer ten overstaan van haar personages maar ten overstaan van de tijd: zij schrijft vanuit het heden over een ver verleden, waarin zij echter haar heden, dat daar nog een toekomst is (1925-1951, zij heeft bijna dertig jaar aan het boek gewerkt), laat doorschemeren. Door dat contrast tussen ratio en sensitiviteit ontstaat er in een aantal passages, bijvoorbeeld die betreffende de rouw van Hadrianus om de dood van zijn geliefde Antinoös, een schier ondraaglijke schoonheid.

Marguerite Yourcenar, Herinneringen van Hadrianus (1951; vertaling Jenny Tuin, Amsterdam 2005³)

Reactie

[…]
Ik heb je artikel gelezen waarvoor je genomineerd bent. Heel mooi en vooral met de juiste sfeer: eenheid van beschrijving beeldende kunsten, poëzie en plaats. Ik vond die eenheid ook visueel evenwaardig en parallel uitgewerkt met jouw foto's, lay-out met poëzie en kleurgebruik. Ik heb natuurlijk voor jou gestemd. Maar wees in het vervolg niet zo bescheiden, vraag gewoon voor jou te stemmen (ik was ooit eens genomineerd en heb toen niet voor mijzelf gestemd, achteraf heb ik vernomen dat er één stem voor mijn ontwerp te kort was voor de overwinning). Maar hoe dan ook: de nominatie is de onderscheiding.
[…]
Hans

Aan de cultuurredactie van De Standaard

Ik heb niet speciaal een 'Boon' voor Claus, maar de titel (in De Standaard Online) 'Eerste Nobelprijs zonder Claus' vind ik bijzonder onsmakelijk en ongepast.

Vriendelijke groet,
P.

Reactie


Remco Ekkers stuurde mij deze reactie (op foto 1088) en ik ben daar bijzonder blij mee.

1555 / Blankenberge 8

Blankenberge – 081004, 16u04

Blankenberge 7

Blankenberge – 081004, 16u02

dinsdag 7 oktober 2008

Dag 403 vVH&C / Stad en ommeland (6)

080927 -


Op de begraafplaats

De drie windmolens en wat ik daarbij schreef
De drie windmolens aan de andere kant van de plas
‘De zon is voor even achter een wolk verdwenen’
En ik zit hier te wachten tot zij op de molens valt

Dat stond op die zerk te lezen: zon, even, verdwenen
En ik zit hier te wachten tot het op de molens valt
Het licht, dat mij licht vergeten doet dat daar, ginds,
Onder die steen, iemands geliefde, voor altijd…

De drie windmolens aan de overzijde van de plas
Draaien en malen en draaien en ik wacht tot zij
Die voor even, niet voor altijd onder een zerk,
Achter een wolk is verdwenen, voor mij haar licht

Op die molens… Ja wat? Tovert? Laat vallen? Schijnen?
Scheen. Schreef. Schreefloze letters op een steen. Het
Maalt, draait, maalt. Nog zit ik op deze oever en kijk naar
De drie witte windmolens. Denkend aan wat dat graf me gaf.

Dag 402 vVH&C

080927 Overschrijven (103)

Een hele avond lang discussieerde ik met hem over het gebod dat inhoudt dat je anderen moet liefhebben gelijk jezelf; het is te zeer in tegenspraak met de menselijke aard om oprecht te worden nageleefd door het gewone volk, dat altijd alleen van zichzelf zal houden, en het is al helemaal niet geschikt voor de wijze, die zichzelf niet overmatig liefheeft.

Marguerite Yourcenar, Herinneringen van Hadrianus (1951; vertaling Jenny Tuin, Amsterdam
2005³), 256

1554 / Blankenberge 6

Blankenberge – 081004, 16u00

Blankenberge 5

Blankenberge – 081004, 15u45

Blankenberge 4

Blankenberge – 081004, 15u40