zondag 31 augustus 2008

J.M.H. Berckmans overleden

Vandaag overleed de schrijver J.M.H. Berckmans. Hij werd 54. Dertien jaar geleden interviewde ik hem. Het hier weergegeven interview verscheen in De Standaard van 13 april 1995.

‘Ik ben niet bang voor mijn literaire toekomst’
J.M.H. Berckmans over zijn nieuwe verhalenbundel Taxi naar de Boerhaavestraat

Elk jaar levert hij zijn boek af. J.M.H. Berckmans blijft verhalen spuien als een lek in de waterleiding: krachtig en zonder uitgeput te geraken. Als ik aankom in de Brederodestraat, waar Berckmans ‘tussen de bruine ratten’ woont (zoals hij het in zijn nieuwe boek schrijft), wuift de auteur net zijn uitgever uit. Die was Taxi naar de Boerhaavestraat komen tonen, de nieuwe verhalenbundel van J.M.H. Berckmans die deze week in de boekhandel komt. De auteur neemt me mee naar één hoog: een appartement met kleine kamers en lage plafonds. Het is er kil en grauw. Niet bepaald ordelijk ook. Op de tafel bij het raam staat een tekstverwerker. Tegen de muur een rek met boeken. En overal: paperassen en asbakken.

Taxi naar de Boerhaavestraat is een typisch Berckmans-boek. In de gekende stijl: spetterend, meedogenloos, wreed. Een tekst van Berckmans is vuurwerk. Zonder pardon slingert hij hem in je gezicht. Wat je ermee aanvangt? Zoek het zelf maar uit. Moraalridders kunnen er geen weg mee, maar de literaire kwaliteit ervan valt moeilijk te negeren. Hoogstens kan je zeggen dat de auteur zich opsluit in een monomaan universum, waarin het moeilijk wordt zichzelf niet te herhalen. Hij heeft het over het onvermogen te communiceren, de futiliteit van zoiets als geluk, het krankzinnige ritme van deze ‘roemloze’ tijd.

Vensters op een andere wereld dan die van hemzelf ontbreken geheel. Zo interesseert de politieke toestand hem geen zier. ‘Ik ga zelfs niet stemmen, heb ik nog nooit gedaan,’ zegt hij. Berckmans houdt zich bezig met wat volgens hem de condition humaine is, niet met een toevallige maatschappelijke constellatie. De dag van vandaag gaat aan Berckmans voorbij.

U doet echt geen moeite om op de hoogte te blijven?
‘Het is twee jaar geleden dat ik nog een boek heb gelezen. Ik kan niet lezen en schrijven tegelijk. Onmogelijk. Ik moet het allemaal niet weten. Tot vorig jaar ging ik drie, vier keer per week naar de bioscoop. Dat doe ik niet meer. Ik kan het niet meer betalen. Goede films zie ik wel op de tv. En ik kijk naar Ziggurat. Maar niet naar het nieuws. Ik lees zelfs geen krant. Mijn moeder zegt, Jean-Marie, zegt ze, hoe kunt ge nu de ganse dag niks doen, lees dan toch eens een gazet, lees een boek, of lees de Humo! Maar ik doe dat niet. (opgewonden) Ik moet niet weten wat er in de gazet staat. Ik moet niet weten wat erin de Humo staat. Ik moet niet weten wat er in de wereld gebeurt! (wordt nu heftig, gesticuleert) Het interesséért me niet!’

In zijn verhaal ‘Het einde van de eeuw’ laat hij enkele terroristen – ‘partizanen’, verbetert Berckmans mij – in een cel wachten op hun terechtstelling. Het enige verhaal overigens in zijn nieuwe bundel, waar hij het strikt autobiografische achter zich laat.

Heb ik het juist voor, als ik lees dat de verlosser waar de gevangenen op zitten te wachten, uiteindelijk altijd een verrader blijkt te zijn?
‘Natuurlijk.’

U wijst dus elke politiek, elke ideologie af?
‘Natuurlijk.’

Maar dat kan u toch niet volhouden? Er zijn toch altijd zaken waar men voor of tegen is. Voor of tegen het subsidiëren van kunstenaars bijvoorbeeld. U hebt, zeker als schrijver, toch altijd een politieke overtuiging?
(vlak) ‘Het interesseert me niet, absoluut niet. Niets van dat alles interesseert me. Ik ben door de wereld gedegouteerd, én door de maatschappij, én door de mensen.’

U kan toch maar ‘gedegouteerd’ zijn vanuit een bepaalde overtuiging, een droom die u in uw achterhoofd houdt?
‘Ik heb geen droom meer in mijn achterhoofd. Ik heb heel lang een droom in mijn achterhoofd en zelfs in mijn voorhoofd gehad, maar ik ben daar flink van teruggekomen. Ik ben geen twintigjarige Amadees meer.’ (Amada was een extreem linkse partij, die zich in 1979 omvormde tot de Partij van de Arbeid, pc.)

In het verhaal ‘Het einde van de eeuw’ heeft een van de beulen, Goossens, de neiging om te zeggen: daar doe ik niet meer aan mee. Die man heeft dus een geweten. U sluit blijkbaar niet uit, dat iemand een geweten heeft? En dus principes, waarnaar dat geweten zich richt?
‘Neen, dat sluit ik niet uit. Sommige van mijn personages leven in de hoop, al weten ze niet waarop. (reciteert, nadrukkelijk articulerend) “Ze leven al in de gloria, al weten ze niet in de hoop op wat, op welke crematoria.” Zo formuleer ik dat. Da’s toch ook sterk, als beeld?’

U neemt niet alleen afstand van de hoop, maar ook van de wanhoop. U laat alles achter, u wordt bijna onverschillig.
‘Ik schrijf het ergens expliciet: ik ben de definitieve, de zwartste, de allerdiepste, de allerlaatste wanhoop nu definitief voorbij en schrijf alleen nog datgene wat ik denk dat ik schrijven moet. Voilà.’

Maar wat als uw eigen belang op het spel staat?
‘Ja, ik heb natuurlijk bepaalde opvattingen. Ik krijg 24.000 frank dopgeld. Daar kan ik geen eten van kopen, geen schoenen, geen broek noch trui. En van de 847 exemplaren die ik van mijn vorige boek heb verkocht, kan ik ook niet leven. Er zijn een miljoen armen in België. Heb je vanmorgen ook de cijfers gehoord? Elke dag sterven massa’s kinderen aan de belachelijkste ziekten. Een snotvalling kan genoeg zijn. Elke dag, mas-sa’s kin-de-ren! (vanuit de keuken, waar hij een glas water is gaan halen) Bah! Wat je zegt, ondersteuning van de kunstenaar. Oké, ik beschouw mijzelf als een behoorlijk getalenteerde kunstenaar. Waarom moet ik 24.000 frank per maand verdienen? Straks gooien ze mij er misschien af. Wel, dat doen ze maar. (zelfverzekerd, op treiterende toon) Dan ga ik naar het OCMW en dan krijgt ik nog 19.000 frank.’

U schrijft: ‘Ze redeneerde niet slecht, toch niet voor een hoer, al weet ik niet of jullie zich een optimistische extreem linkse hoer kunnen voorstellen.’
‘Ik vind dat een mooi beeld. Ik druk daar geen overtuiging mee uit. Kijk, ik heb altijd heel veel sympathie gehad voor extreem links. Als ik dan toch mijzelf maatschappelijk zou moeten situeren, zou ik zeggen: links van extreem links. Ik heb zeer veel sympathie voor het personage Anna Blumenthal, een van de gevangenen in dat verhaal “Het einde van de wereld”. Zij is míjn Ulrike Meinhof.’

Het klinkt als een cliché maar het is niet anders: Berckmans orakelt met dezelfde cadans als waarmee hij schrijft. Hij steekt ondertussen de ene sigaret na de andere op.

Hardnekkige critici herhalen dat Berckmans zichzelf herhaalt. Ik confronteer hem ermee, want vind zijn thematiek ook erg beperkt. Per slot van rekening beschrijft hij voortdurend zijn ervaring van negativiteit en onvermogen. Is Berckmans’ koker onuitputtelijk?
‘Dat is geen probleem. Ik verzin op tijd wel iets, hé. Gij gaat mij toch niet vertellen dat ik geen inspiratie kan blijven opdoen. Allez jong, inspiratie, wat is dát? Over mijn inspiratie hoeft u zich echt geen zorgen te maken, en mijn lezerspubliek ook niet. Dat gaat maar door en door en door en door. Het ene boek komt na het andere. Voor die ene, steeds weer dezelfde thematiek bestaan er tienduizend invalshoeken. Dat zijn tienduizend verhalen. Inspiratie, dat is het probleem niet. Techniek is het probleem. Chauffage kapot, gasvuur kapot: dat zijn problemen, allemaal. Inspiratie? Neen, elk verhaal is toch altijd nieuw, is toch altijd anders? Ik heb nog nooit twee keer hetzelfde verhaal geschreven.’

En het blijft maar komen.
‘Het blijft maar komen.’

Maar u bent wel van plan meer fictioneler werk te schrijven, losser van het autobiografische.
‘Ja, ook in de vorm van gedichten. Daar ben ik hard mee bezig. Ik heb al vaker poëzie geschreven. Ik schrijf ook songteksten voor de rock ’n rollband waar ik al anderhalf jaar als zanger deel van uitmaak: Cirkus Bulderdrang. Dat is ook literatuur, hoor! Mijn teksten zijn trouwens op zichzelf muziek – ’t is eigenlijk allemaal hetzelfde. We hebben twee maanden in de Zwarte Komedie gespeeld, elke week drie avonden. We brengen cabaret, theater, rock ’n roll, illusionisme, gebedsgenezing – alles wat je maar wil. Het is één grote show. En we treden elke week op voor driehonderd man. Het begint heel goed te lopen. We hebben onze eerste maxisingle opgenomen. Ik doe dat veel liever dan schrijven.’

Nóg liever dan schrijven?
Bwa, schrijven doe ik niet graag. Ik sta veel liever op een podium liedjes te zingen dan dat ik in het holst van de nacht moet zitten zoeken naar hoe het moet.’

Jean-Marie Berckmans staat op, deelt mee: ‘Ik kan u niets aanbieden, mijn gasvuur is kapot, ik heb alleen water’, en gaat in de keuken twee glazen water halen.

‘Verzwalpt in de meanders van een roemloze tijd’, schrijft u. Waarom is onze tijd roemloos?
(luid, gesticulerend) ‘De tram! Daar! (wijst naar de Brederodestraat, buiten, waar er net een passeert) Ik word gek van dat lawaai, daarom ook wil ik hier weg. De tijd waarin we leven is toch hallucinant? De wereld stevent regelrecht af op een totale verpaupering. Er zal een elite overblijven, die de hele hightech van bovenuit dirigeert. Wie moet er binnen honderd jaar nog gaan werken? Alles gebeurt tegen dan automatisch. Een cliché misschien, maar zo is dat nu eenmaal. De massa paupers wordt almaar groter. Kijk hier maar eens in de buurt. Klein Konstantinopel, zoals ik het in mijn nieuwe boek noem (dat pas volgend jaar uitkomt, pc). De Grauwzone, zoals ik het bezing met Bulderdrang. Het Reservaat. Het Getto. Daar komen we in: in getto’s, reservaten, grauwzones!’
(verandert van register) ‘Nu is ’t werkelijk zeer goed. De titel van mijn nieuwe boek is Bericht uit Klein Konstantinopel. Ik schilder niet expliciet mijn omgeving. Alles speelt zich nu af, zeker in het begin van de bundel, in de Grauwzone – een mythisch oord –, in het Reservaat, en op het einde van de bundel in het Getto.’

Wie of wat zijn ‘de bruine ratten’ in de Brederodestraat, waar u het in Taxi naar de Boerhaavestraat, in het verhaal ‘Groepsfoto met Camilla Wouters’ over heeft?
‘De Turken.’

Jean-Marie Berckmans staat op, gaat alweer een glas water halen in de keuken. En komt terug.
‘Alleen, ik vind het een zeer beangstigende, zeer deprimerende tijd. En ik heb daar toevallig het epitheton “roemloos” voor gebruikt, omdat ik dat poëtisch vind. Ik kies mijn epitheta omwille van hun poëtische kracht. Ik gebruik heel vaak beelden en woorden, gewoon omdat ik vind dat ze als beelden of woorden die samen achter elkaar staan een poëtische kracht hebben. Ik ben heel sterk in dichten. Ik ben geobsedeerd door de poëtische kracht van het beeld. Ik schrijf niet zomaar gewoon onnozel proza, hé?’

De tijd, dat zijn ook de mensen. Is J.M.H. Berckmans een misantroop?
‘Ik heb een heel grote minachting voor het grootste deel van de mensheid. Vooral omdat mensen zo ongelooflijk dom zijn. Ik heb er geen zaken mee, met de mensen. (stilte) Nee, ik heb er geen zaken mee. Het enige wat mij interesseert is boeken schrijven en rock ’n roll maken. Da’s het enige, en van iets anders wil ik niets weten. En ik ben goed in rock ’n roll. Dat zegt men mij toch, ik krijg daar veel complimenten over. Het zijn toch ook heel goede songs, heel sterke. Vaak zijn ze heel melodieus.’

Waarmee kan u die songs vergelijken? Waar situeert u zichzelf in de muziek van vandaag?
‘Ik maak mijn eigen muziek. Die is met niets vergelijkbaar.’

Geldt dat ook voor uw schrijverij?
‘Och, Jaap Goedegebuure noemde mij de Antwerpse Bukowski, Frank Hellemans noemt mij de Antwerpse Céline, Jos Borré noemt mij de Jeroen Bosch van de Vlaamse letteren. Ik vind dat allemaal flauwekul, hoor. Ik vind dat ik op mezelf sta. Er is niemand in Vlaanderen of in Nederland die schrijft wat ik schrijf. Of toch wel: Jan Arends, J.M.A. Biesheuvel, A. Moonen. Een van mijn verhalen, “Kleine Odyssee”, werd gepubliceerd in dat tijdschrift, Zoetermeer, en er kwam een grote bespreking van in Het Parool. Daarin stond dat alleen al door mij verhaal Zoetermeer het kopen meer dan waard was, want (citeert uit het hoofd) “J.M.H. Berckmans is Biesheuvel, Moonen en Pointl tegelijk”. Dat vond ik wel tof.’

In het verhaal ‘Mismaakte chronologie van het afgelopen gebeuren’ krijgt Malone dies van Samuel Beckett als enige boek in uw nieuwe bundel een expliciete vermelding. U noemt het ‘Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.’ Wat bedoelt u daarmee?
‘Dat is gewoon een boutade.’

Dat meent u niet.
Malone dies is de totale afbraak van alle menselijkheid. Dat boek heeft een enorme invloed op mij gehad. Ik ben alleen door Beckett en Arends beïnvloed.’

‘En dat Camilla de gorilla niet te hoog van de toren moet blazen. Die moet niks anders doen dan tappen en de dikke koe moet niks anders doen dan afdragen. Die moeten niks anders doen dan de patjes bedienen en wat is daar nu aan. Die moeten niet zagen, die moeten niet zeveren, en als het eenmaal zover is nog een schone erfenis van Mie Bees die ondertussen met haar laatste scheet de hele Lemméstraat de lucht in blaast. Alleen het huis van Elsschot staat nog overeind.’ Zo eindigt het verhaal ‘Een beetje voorbij het huis van Elsschot’.

Behalve voor Beckett dus ook een grote onderscheiding voor Elsschot?
‘Zeker en vast. Dat is een eerbetoon. Een mooi eerbetoon! Met weer zo’n sterk beeld. Het huis van Elsschot staat schuin tegenover dat van mijn ouders.’

U noemt nog andere reëel bestaande figuren met name. Frans Boenders, Jooris van Hulle, Marc Cels (‘Die beroemde fotograaf van De Standaard’), Juliette Binoche. En Boudewijn en Albert, wier namen u dan verandert in ‘Jef Klak’ en ‘Bettens’. Uit strategische overwegingen?
‘Nee, ik deed het om die hele troonopvolgingstoestand te ridiculiseren. Zoals ik in dat verhaal “Groepsfoto met Camilla Wouters” eigenlijk ook mijn hele familie ridiculiseer.’

Sommigen zullen niet zo gelukkig zijn met hun vermelding. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan Kristien Hemmerechts, die u niet bepaald vriendelijk aanpakt. Nochtans hebt u ooit in een interview verklaard haar verhalen goed te vinden.
‘Dat is lang geleden.’

Uw eigen naam komt ook in uw bundel voor, maar soms vervormd.
‘Dat schept een zekere afstand.’

Wat niet belet dat u zich volledig blootgeeft.
‘Ik ken geen gêne. (gaat water halen) Dat zie je in “De wortel in de brievenbus”. Dat verhaal is in de ikvorm geschreven. “Kleine Odyssee van waar je vertrekt naar waar je vertrokken bent” ook. Wat ik soms wel doe als ik vind dat er afstand nodig is, is overschakelen naar de jijvorm. Heb je dat gemerkt?’

Hoe kan u nu vinden dat er afstand nodig is, als u alles al hebt prijsgegeven?
‘Het is ook stilistisch interessant.’

Bij een titel als ‘De wortel in de brievenbus’ moet een mens geen tekeningetje maken. In dat verhaal gaat de ikfiguur op zoek naar ‘die ene enkele metafoor’. Volgens hem bestaat die hierin, ‘dat niks nog in woorden te vatten is’. Maar de vrouwelijke tegenspeelster houdt er een andere mening op na; volgens haar gaat het om ‘de wortel in de brievenbus’. Ik maak J.M.H. Berckmans erop attent dat seksualiteit nochtans niet bepaald een grote rol speelt in zijn verhalen.
‘Dat interesseert me ook niet. Het enige wat me interesseert is boeken schrijven en rock ’n roll maken.’

De zoektocht naar die ene metafoor leidt niet naar de dood.
(afgemeten) ‘Nee, nee, nee.’

In Rock & Roll met Frieda Vindevogel schrijft u: ‘De dood is geen beeld maar een stijlfiguur.’ Wat bedoelt u daarmee?
‘Dat is iets wat mij te binnen schoot. Een kronkel in de hersens van het hoofdpersonage. Ik schrijf wel vaker dingen waarvan ik niet weet wat ze betekenen. Er loopt eigenlijk zo goed als geen normaal personage rond in dat boek.’

Wat is er te doen in de Boerhaavestraat?
‘Daar was een zothuis. Het grootste van Antwerpen.’

Liever chef dan Jef

Schone televisie: http://www.brusselnieuws.be/artikels/stadsnieuws/multimedia/video/julien-vrebos-ontmoet-oud-korpschef-roland-vanreusel

Dag 360 vVH&C

080829 en 080830 – Met branie en bluf badineert Dimitri Verhulst in De helaasheid der dingen over zelfs vandaag nog door taboes bezwaarde onderwerpen, bijvoorbeeld dat hij, enfin, zijn mannelijk hoofdpersonage (ZMH), zijn moeder háát, of dat hij, cq ZMH, absoluut niets met kinderen heeft. Ook al worden deze pijnlijke ontboezemingen zeer zwaar aangelengd met een – toegegeven – bijwijlen verdienstelijke vertelstijl en een flinke portie boereleute, ze blijven toch aan de ribben kleven. Afgezien daarvan valt, als we het hele boekje overzien, toch vooral de onwil op om dieper op deze en andere interessante onderwerpen in te gaan. Of is het onkunde? Ik heb niet de indruk dat aan Verhulst, doordat hij zich aan de schone letteren heeft begeven, de grootste filosoof is verloren gegaan. Een enkele keer probeert hij een uitweidinkje, over het aanleggen van verzamelingen bijvoorbeeld, maar veel potten breekt hij daarin toch niet. En dat kan toch niet allemaal aan Verhulsts nauwelijks verholen anti-intellectualisme gelegen zijn?

De helaasheid der dingen, met zijn inmiddels al dertig of meer drukken, is een vlot en licht, maar toch vooral een licht werkje. Ondraaglijk licht.

Nantes 4

Nantes 3

38 * 28,21 * 1930

In het kanaal drijft het kadaver van een uit de kluiten gewassen grijs-bruine vogel, ik denk een mantelmeeuw. Enkel de romp is zichtbaar, de kop bevindt zich onder de waterspiegel. Eerst denk ik aan zoiets als een grondelende eend, maar het beest blijft onbeweeglijk dobberen en is dus kennelijk dood. Kan een meeuw zwemmend sterven? Kan een meeuw uit de lucht dood in het water vallen en vervolgens, door zijn lichter soortelijk gewicht, blijven drijven? Onbeantwoorde vragen begeleiden mij naar Oudenburg, dat ik omwille van de windrichting als keerpunt uitverkies. Van daaruit gaat het naar Ettelgem, waar ik in een tijdrit voor veteranen terechtkom. In de tegenovergestelde richting zwoegen gezette lichamen op volle wielen tegen de wind in richting aankomst. Ik hoor voor het eerst het geluid van een vol wiel! Terug bij het kanaal zie ik hoe onder de aanzettende wolken een jumbo zich opmaakt voor zijn landing in Oostende. Ik steek een fietser voorbij met op zijn gele T-shirt in groene letters: ‘Ettelgem leeft’! Het laatste stuk leg ik opnieuw op de kanaaloever af: ik heb met mijn parcours een gespiegelde P beschreven, of een liggende ongespiegelde b, zo u wil, waarbij het been van die b naar het oosten wijst en het oog het rondje in Oudenburg en Ettelgem voorstelt. Aan het Waggelwater kom ik nog A. en P. tegen, die Chips aan het uitlaten zijn.

Reactie

(op Dag 356 vVH&C)

Ik herinner me Connie Palmen als een giechelend schoolmeisje, dronken van bewondering en later gewoon echt dronken van de vele glazen wijn, die probeerde Claus te interviewen in dat verre buitenland. Was dat Groningen? In de schouwburg. Het lukte haar niet, zowel door de mateloze adoratie als de drank. En dan het dédain van de geciteerde opmerking!

Claus was wel gecharmeerd van zijn jonge en vrouwelijke gesprekspartner. Het was een andere Claus dan met wie ik even tevoren in een gelukkig goed restaurant had gegeten: hoffelijk, charmant, vriendelijk, van man tot man. Ach Claus en de vrouwen...

Vale,
Remco

1517 / Nantes 2

zaterdag 30 augustus 2008

49 * 27,25 * 1892

Met weinig zin en een lichte hoofdpijn vertrokken, maar blijkbaar hebben de vier ritjes in Frankrijk waarvan twee op dermate geaccidenteerd terrein dat er op een plakkaat langs de weg van ‘col’ sprake was, mijn conditie in die mate een opstoot gegeven dat ik ondanks de weerzin en de ontegensprekelijke vermoeidheid waaraan mijn algehele gestel al meerdere dagen ten prooi valt, op de fiets toch nauwelijks mijn benen voel. Maar het kan ook met de wind te maken hebben, die tot Dudzele in mijn voordeel blaast. Een zomerse dag, bleke kleuren overal: bleekblauw, bleekgroen, korengeel. Ik keer terug langs het bedreigde dubbelkanaal. Ergens onderweg zie ik, bij een huis dat wellicht zal moeten verdwijnen als die verbreding er komt, een tafeltje met daarop de petitie. Voor de passanten. Maar ik rijd te snel en, ten andere, ik héb die bede al ondertekend. Ik kom op terrein waar ik al een hele tijd niet meer ben geweest: tussen Donk, Maldegem en Oedelem. Hier ligt er een nieuwe asfaltlaag, daar is dat perceel verkocht en ginds is er een huis verdwenen. Ik keer terug langs Oedelem-Berg (na vorige week in de Aveyron niet meer dan een nauwelijks merkbare verhoging) en Male.

Dag 358 vVH&C

080815, 080828 en 080830 – De tentoonstelling ‘Regarde de tous tes yeux, regarde’ over de relatie tussen de hedendaagse kunst en Georges Perec in het Musée des Beaux Arts in Nantes gaat over het arbitraire, neurotische, ludieke, dwangmatige, poëtische uiteindelijk van elke ordening – een gegeven dat mij natuurlijk zeer na aan het hart ligt (adepten van deze blog begrijpen mij) en dat Perec briljant aan het licht heeft gebracht: voor zover ik er zicht op heb want ik heb lang niet alles gelezen, is zijn hele oeuvre (grotendeels) gebaseerd op de stelregel dat creativiteit ontstaat door zichzelf een beperking op te leggen. (Elke ordening is een beperking, een inperking van de realiteit.) Regarder de tous ses yeux betekent, ‘zo bekeken’, niets anders dan kijken naar de werkelijkheid als naar een geheel dat op verschillende, talloze, oneindig veel manieren kan worden geordend.

Let op het gebruik van de werkwoorden croire en penser in het volgende citaat:

…nous oscillons entre l’illusion de l’achevé et le vertige de l’insaisissable. Au nom de l’achevé, nous voulons croire qu’un ordre unique existe qui nous permettrait d’accéder d’emblée au savoir ; au nom de l’insaisissable, nous voulons penser que l’ordre et le désordre sont deux mêmes mots désignant le hasard.

[Mijn vertaling: …wij worden heen en weer geslingerd tussen de illusie van het voltooide en de duizeling van het ongrijpbare. In naam van het voltooide willen wij geloven dat er slechts één orde bestaat op basis waarvan wij een rechtstreekse toegang tot het weten zouden hebben; in naam van het ongrijpbare willen wij denken dat orde en wanorde twee identieke woorden zijn om het toeval te benoemen.]

Georges Perec, Penser/Classer, Paris (Seuil) 2003, 41

1516 / Nantes 1

vrijdag 29 augustus 2008

Dag 356 vVH&C

Hommage als evenwichtsoefening

Na het overlijden van Hugo Claus op 19 maart kropen heel wat van zijn collega’s in de pen om hun vriend, voorbeeld, meester… in gelegenheidstoespraken of -artikels uit te wuiven. Dat is moedig want als je afscheid neemt van een reus riskeer je het om zelf een lilliputter te lijken. Je moet op de tippen van je tenen staan, maar tegelijk moet je je toch ook een beetje klein maken, de reus reus laten zijn en zelf niet al te lichtvaardig uitpakken met literaire hoogstandjes. Alleen al daarom is zo’n hommagebundel een boeiende leeservaring. Je ziet hoe de auteurs zich met wisselend succes aan deze delicate evenwichtsoefening wagen.

Iets wat, zo lijkt mij, in elk geval dient te worden vermeden bij dit soort gelegenheidsteksten is dat je vóór je onderwerp gaat staan. Connie Palmen schrijft vanuit een oprecht verdriet een mooi opstel, daar niet van, maar het is gênant om te moeten lezen hoe zij zich warmt aan de gloed van haar vriend. Zij herinnert zich een samenzijn met Claus in de coulissen van een of ander literair optreden in een ver buitenland: ‘al blaften we eensgezind tegen de hondsvotten en paladijnen, wat jou het meest raakte was dat ik zei dat we natuurlijk zo woedend waren omdat we in de vleselijke nabijheid van de middelmatigen en talentlozen nog altijd alles eraan deden om hun brakke karakters op te vijzelen, zodat ze niet als geslagen honden terug hoefden te keren naar hun armzalige bestaan.’ (Maar het is ook bij Palmen dat ik de raakste typering aantrof, een die je zó Claus opnieuw voor het geestesoog tovert, zoals hij écht was: ‘Vergenoegd lachend kijk je ons aan, met de innemende schutterigheid die je tot in de finesses hebt verfijnd om haar tot je scherpste wapen te smeden.’)

Dimitri Verhulst gaat in de genoemde evenwichtsoefening ook niet helemaal vrijuit. In zijn overigens voortreffelijk en zeer smakelijk geschreven stuk vergelijkt hij zichzelf met een tak aan de boom van de literatuur. Op zich plausibel, maar het is euvele overmoed om Claus dan óók tak te noemen; Verhulst had de ‘meester’ minstens het statuut van stam of wortel moeten gunnen.

Erwin Mortier dan weer plaatst zichzelf expliciet en radicaal ónder Claus: ‘Ik prijs me gelukkig dat ik geboren ben in een België waar Hugo Claus heeft bestaan.’ – het klinkt bijna té nederig. Mortiers harde uitspraak over de Belgische kardinaal, die Claus’ beslissing om zich niet langer geniepig door de ziekte te laten ondermijnen niet vermocht te appreciëren, komt verderop in ‘Heel ons verdriet’, de rede die Mortier uitsprak tijdens de afscheidsplechtigheid in de Bourlaschouwburg op 29 maart. ‘De eigen morele superioriteit celebreren boven het lichaam van een geliefde dode is geen heldendaad. Meneer de kardinaal: schaam je.’

De verwoording van Cees Nooteboom laat in elk geval nog maar eens zien hoe zinvol het op zich al was Claus dat inderdaad met zijn laatste gebaar het hele euthanasiedebat weer even wist aan te zwengelen: ‘de wreedheid van [alzheimer] wil dat degene die de ziekte heeft zich van het verloop van het proces bewust is’. Een proces dat Mortier pregnant voorstelt als ‘een rat […] die draad na draad de bekabeling van dat schitterende brein doorknaagde’. Mortier haalde met zijn uithaal naar de kerkvorst de pers – het moet lang geleden zijn dat een intellectueel te onzent daarin slaagde. (Zoals het lang geleden moet zijn, merkt Piet Piryns in zijn bijdrage op, dat een zo vooraanstaand cultuurmens de opener van het VTM-journaal haalde – dat was toen een al zichtbaar zieke Claus op weinig samenhangende wijze zijn vreugde vertolkte bij een verkiezingsnederlaag van het Vlaams Belang; het was zonder meer een inbreuk op de journalistieke erecode om dát uit te zenden, al zegt Piryns dat niet met zoveel woorden.)
Piryns is overigens in deze bundel een van de bijdragers die er in slaagt een zeer dienende maar niettemin waardige rol te spelen. De interviews die hij Claus afnam op diens zeventigste en vijfenzeventigste verjaardag zijn lezenswaardig en vaak ook bijzonder grappig. Uiteraard is Claus in het interview van 2004 al wat minder bij de pinken, maar Piryns ontlokt hem er toch nog een mooie bedenking over poëzie: hoe je voor haar ‘niet alleen de logica van Descartes’ moet uitschakelen, ‘maar ook die van de dadaïsten’. Poëzie ‘moet altijd gemengd zijn: het mag niet te veel een kopie van de werkelijkheid zijn, maar er moet toch voldoende van de realiteit doorschemeren’. Inderdaad, alleen dan, zo lijkt het wel, kunnen de schrijvers hun enige ‘macht’ uitoefenen: ‘de macht om met hun verbeelding een wereld te maken die niet bestaat en toch geldig is’ (Nooteboom).

De bijdrage van Clausdeskundige Paul Claes is de meest instructieve. Claes heeft het, zonder al te academisch te worden, over allusie, imitatie, plagiaat, intertekstualiteit en al die andere kunstjes waarmee Claus meesterlijk-spelenderwijs zijn indrukwekkende oeuvre ineenknutselde. Het is mooi dat ook deze tekst een plaats krijgt in het hommageboek: uiteindelijk verdient de schrijver het toch nog altijd het meest om omwille van de intrinsieke waarde van zijn oeuvre nog een tijdje in de collectieve herinnering te blijven voortbestaan. (Hetzelfde kan worden gezegd van de bijdrage van Geert Buelens, die uitlegt waarom Hugo Claus ‘[o]nze grootste dichter’ was: ‘Achter de façade van die fabelachtige techniek en dat onwereldse lyrische vermogen bevond zich iemand die het spel volslagen ernstig nam en die, bovenal, lezers tot in het diepst van hun ziel, hersenschors en hormonale huishouding kan treffen.’)
Een van de hoogtepunten in de bundel is de korte maar uitermate krachtige hommage van Guy Verhofstadt, de man die van het Belgische politieke podium stapte in de week zelf dat de schrijver naar wie hij zo opkeek stierf. Bewonderenswaardig, hoe hij er in slaagt om uitermate gebald zijn bewondering én zijn verdriet onder woorden te brengen. Het is, puur literair gesproken, een van de beste bijdragen in dit boek.

Jef Lambrecht, een bevriende journalist, schreef een mooie poëtische impressie. De bijdrage van criticus Kees Fens, die enkele weken later ook zou sterven, is zeer aangrijpend (‘De intensiteit van Claus’ leven […] heeft hem een grootse, anderen aantastende dood gegeven.’). Journalist Hugo Camps wuift zijn vriend uit met een verslag van een laatste bijeenkomst met enkele intimi. En het dubbele afscheid van Cees Nooteboom is ontroerend mooi. ‘[H]et duurt een leven lang om dat alles te ontdekken’, schrijft hij in het NRC-stuk ‘Hem kennen was hem bewonderen’ over de ‘overvloed’ van zijn vriend. Ook de toespraak ‘Voor Hugo’, die hij in de Bourla hield, is ingehouden en waardig. Nooteboom spreekt over ‘die andere Hugo van de laatste […] weken’, hoe die ‘[b]reekbaar’ was, en ‘alert’. ‘Het was of hij op spiegels liep, en daardoor was het ook een beetje of wij opnieuw moesten leren lopen, behoedzamer, voorzichtig, om hem heen.’ Dat is bijzonder mooi gezegd.

Het is zeer gepast om Claus zelf dit mooie huldeboek te laten afsluiten met ‘Sonnet XV’.

Sonnet XV

Jaren geleden kon ik dromen
(o infantiele profetische ziel)
van de dingen die zouden komen,
fataal als de uitvinding van het wiel.

Nu is de wereld sterfelijk als ik,
en daarmee uit.
Alleen onzekerheid geeft mij een kick,
ik geloof geen fluit.

Dromen jaag ik naar de zolder
waar de domme kinderen wonen.
Ik lieg. Er is nog één dolle kolder

en dat is zij over wie ik bericht
in dit gelovig klinkgedicht,
de laatste van mijn demonen.


Diverse auteurs, De laatste van mijn demonen. Voor Hugo Claus (Amsterdam, 2008)

Deze recensie verschijnt eerstdaags in De Poëziekrant.

1515

H.

donderdag 28 augustus 2008

Dag 353 vVH&C

080807 – G. vertelt over L., met wie hij per fiets de Alpen is overgestoken, hoe hij veel heeft opgestoken van diens opvatting over problemen, probleemsituaties en problematische situaties: voor elk probleem is er een oplossing. Het is een heel eenvoudige, lapidaire houding, maar ik kan het mij voorstellen: bijzonder efficiënt en heilzaam. Ja, wat kan er gebeuren, eigenlijk (behalve het allerergste)? Binnen de waaier van beheersbare problemen (geen wijn voor ’s avonds, een lekke band, een helling van 20 procent) is er voor alles een aanpak. En de kalmte die voortvloeit uit die instelling, lost al de helft van het vraagstuk op.

Reactie

Ik reageer te weinig op je blog, Pascal. Nochtans heb ik meer dan eens redenen om dat meer te doen. Ik lees je blog, maar kijk ook aandachtig naar je foto's. Ik doe hierbij een poging om m'n 'schande' in te halen.

Met regelmaat blijf ik naar foto 's kijken die op het eerste gezicht banaal lijken en stel ik vast dat dit slechts schijn is. Ze tonen gewone, cq. voordehandliggende realiteiten, maar als je ze even vasthoudt worden ze mysterieus. Ze nodigen uit om ze nader te onderzoeken en dat zint me wel. [Is het niet zo dat we ook 'op de tast' fotograferen? Waarmee ik bedoel dat we 'ergens' wel voelen dat we op een bepaald moment iets op een bepaalde manier fotograferen en pas bij het bekijken achteraf weet waarom het een betekenis heeft. Wat mij boeiender lijkt dan dat je het op voorhand allemààl 'zou geweten hebben'.]

Foto 1487 ontlokt me 'slechts' de kreet 'Help!'. Ja, het is een aha-foto, maar je moet het maar gezien hebben. En! Je moet als beschouwer wel kijken om het te zien.

Twee andere foto 's kunnen mij veel meer boeien.

Vooreerst foto 1495 van zat. 9 aug. waarin het fris groen achter het smeedijzeren hek te keer gaat en hoe dit in het beeld tegengesteld lijkt met het verval van het gebouw of hoe de natuur terugwint op de cultuur. Nochtans. De foto laat zien dat er slechts beweging in één richting is.

Foto 1488 van 2 aug. dan. Ik kijk en neem nota van de knappe compositie én de interne orde [de orde in de chaos a.h.w.]. Ook van de associaties en beeldrijmen. Het beeld van Van Eyck is groen, evenals het doek tegen de gevel - dat de oude gevel bedekt. Het beeld van Van Eyck bevindt zich op de gulden snede in de foto en tevens in het groene vlak. De lantaarnpaal staat tegen de achtergrond van het witte gedeelte van het doek. Het doek hangt door zoals de ketting op de voorgrond. De silhouetten van Van Eyck en de vrouw op het voorplan zijn identiek. Ze dragen beiden een kleed en een hoofddoek en ze dragen hun rechterhand lichtjes voor zich uit.

Toeval is boeiend. Help?! Helpt het als je 'toeval' benoemt als 'mysterie'? In deze context zijn het synoniemen. Ik denk dat sommige fotografen zich in het mysterie te pletter lopen.

Doe zo voort. Tot binnenkort.

Luc

1514

Brugge – 080628, 12u14

woensdag 27 augustus 2008

Getekend (3)

Dag 352 vVH&C

080807 en 080826 – I. en D. vertellen mij dat Clem Schouwenaars opnieuw in de mode is. We nippen van onze aperitief in de tuin van hun buitenverblijf in Reninge; Schouwenaars was van de streek. Ik herinner mij ooit De seizoenen te hebben gelezen – wellicht heb ik het boek nog, maar niet op een plank uitgestald, wel in een doos op zolder: niet in die mate goed of prestigeverhogend om te showen, niet in die mate slecht dat een volledige desavouering aan de orde is. Ik herinner mij de auteur Schouwenaars als een misnoegde, gefrustreerde, verbitterde scribent, die zich uit pure koppigheid had teruggetrokken in een fermette hier in de Westhoek. Het kon – zoals ook Daniel Robberechts uitdrukkelijk stelde – niet ver genoeg zijn van het literaire centrum. En van daaruit schreef hij dan al zijn wrevels van zich af. In stilistisch opzicht niet geheel onverdienstelijk, herinner ik mij nu. En kijk, veertig jaar later wordt hij nog altijd gelezen en halen zijn boeken, die, voor zover ik weet, niet meer worden herdrukt, in het tweedehandscircuit hoge prijzen!

1513

Drie broers.

dinsdag 26 augustus 2008

Dag 351 vVH&C

080825 en 080826 – Ik las zelden, om niet te zeggen nooit eerder, een zo pregnant, helder, trefzeker en doeltreffend exposé als het eerste deel van W.G. Sebald, De natuurlijke historie van de verwoesting. Dit deel, getiteld ‘Luchtoorlog en literatuur’, is gebaseerd op de colleges die Sebald in 1997 in Zürich gaf en waarop hij heel wat respons kreeg omdat hij blijkbaar ‘een gevoelige plek in de psychische huishouding van de Duitse natie [had] geraakt’.

De natuurlijke historie van de verwoesting gaat over de manier waarop de Duitse naoorlogse literatuur is omgesprongen met de geallieerde vergelding, in de vorm van massale bombardementen op vrijwel alle Duitse steden – of beter gezegd: de manier waarop de Duitse literatuur, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, daar niet is mee omgesprongen. (Een van die uitzonderingen, door Sebald genoemd, is Der Engel schwieg van Heinrich Böll, een bescheiden roman die meer dan veertig jaar op publicatie moest wachten omdat het naoorlogse Duitsland daar hoegenaamd niet klaar voor was blijkbaar, en die uiteindelijk pas postuum werd uitgegeven.) Sebald geeft om zijn stelling te staven vele voorbeelden, onder meer dat van Victor Klemperer, een rechtgeaarde schrijver die niet, zoals vele anderen, voor ballingschap ‘koos’ maar thuis bleef, in Dresden, en die in februari 1945, enkele dagen na de verschrikkelijke bombardementen die zijn stad wegvaagden, in zijn nochtans nauwgezet en uitvoerig bijgehouden dagboeken alles bij elkaar vrij nuchter over het onvoorstelbare bericht: ‘Zelfs de dagboekaantekening van Victor Klemperer over de ondergang van Dresden blijft binnen de grenzen van de taalconventie.’

Sebald probeert dit fenomeen, dat de allure heeft van een collectieve verdringing, te verklaren. Niet alleen inhoudelijk is dat een zeer zeker interessant gegeven, bovendien getuigt de manier waarop van een superieur stilistisch meesterschap.

W.G. Sebald, De natuurlijke historie van de verwoesting (vert. Ria van Hengel), Amsterdam 2008²

1512 / Een donkere dag in Watou 4/4

Dag 350 vVH&C

080805 – ’s Nachts, op JIM-tv: een door Neckermann gesponsord programma, mikkend op een jeugdig publiek, over vakantiebestemmingen in Spanje (Lloret del Mar) en Turkije (Bodrum, het zogenaamde ‘Turkse Saint-Tropez’), met de focus op schaarsgekleed luieren overdag en decadent uitgaan ’s nachts. Vooral de ‘sfeerbeelden’ van de Turkse bestemming deden mij kolkhalzen.

1511 / Een donkere dag in Watou 3

maandag 25 augustus 2008

1510 / Een donkere dag in Watou 2

Dag 349 vVH&C

080825 – Een tachtigtal foto’s van vaak desolate landschappen, verticaal, de horizon telkens in het midden, banale straattaferelen (‘cette obsession de ne pas montrer le pittoresque’) of gewoon helemaal niets. Een weg die naar de einder loopt en soms zelfs dat niet. ‘On voit le monde tel qu’il est.’ Daarnaast een uitvoerig gesprek met de Franse fotograaf Raymond Depardon. En die twee elementen samen, dat is het boekje Errance. Maar wat een boek!

Het woord errance slaat op een zwerf- of dwaaltocht, een omzwerving, een niet richtingloos (dat zou niet kunnen) maar wel doelloos, onfunctioneel zich verplaatsen. Dat is wat Depardon doet en waar dit boekje over gaat. Wat krijg je te zien als je niets specifieks zoekt en hoe zit de sensatie in elkaar dat op die manier eigenlijk alles evenwaardig, even mooi wordt (ook in zijn lelijkheid)? Waardoor Depardon kan zeggen: ‘je ne me sens étranger nulle part’.

Het is psychologie, het is zen. Het is: loslaten. Het is een zoektocht naar zichzelf, een onthecht streven naar aandacht voor de wereld, gevoed door een evenwichtige innerlijkheid.

(Maar natuurlijk is er ook de technische perfectie waarmee deze foto’s zijn gemaakt en bewerkt, zonder dewelke je niets zou overhouden behalve een ijdele, pretentieuze pretentie.)

Dag 348 vVH&C

080801 en 080825 – De dingen van Georges Perec is een verhaal dat pijn doet. Het is het relaas van onze verveling, van onze midlifecrisissen, van de uitzichtloosheid van onze levens, van het besef dat we zijn vastgelopen in ons onvermogen om zelf een andere richting uit te zetten dan deze die ons in onze kapitalistische wereld wordt voorgeschreven: een baan vinden, een woonst verwerven en deze aankleden met goederen en nutteloze prullen, een gezin stichten, zich conformeren. De dingen is een literaire verwoording van economische, sociologische, ideologische inzichten. Perec zet er een meedogenloos muziekje onder. De talloze opsommingen van vooral voorwerpen en goederen sorteren een dubbel effect: enerzijds is er het hopeloze besef dat we nóóit alles zullen kunnen verwerven – terwijl toch ook een devaluatie ontstaat: alles wordt met hetzelfde toontje afgeraffeld, naast elkaar en op gelijke hoogte geplaatst, er ontstaat op den duur verzadiging. Anderzijds heeft het ritme van al die opsommingen natuurlijk ook een bezwerende werking. Perec voert ons ermee mee, hij creëert meesterlijk een dramatische spanning.

En naast de opsommingen zijn er de consistent volgehouden werkwoordvormen – tegenwoordige en verleden tijd, voorwaardelijke wijs, toekomstige tijd – waardoor mede de hele ideologische dimensie van de vooruitgang, het paradijs op aarde, de revolutie van het proletariaat, die toch allemaal met tijd en (ir)realiteit (voorwaardelijkheid) te maken hebben – op de helling wordt gezet.

1509 / Een donkere dag in Watou 1

1508

De Panne - 080704 - 14u13 - 14u27

zondag 24 augustus 2008

woensdag 20 augustus 2008

dinsdag 19 augustus 2008

maandag 18 augustus 2008

zondag 17 augustus 2008

zaterdag 16 augustus 2008

vrijdag 15 augustus 2008

donderdag 14 augustus 2008

woensdag 13 augustus 2008

dinsdag 12 augustus 2008

1498 / Wijk 2

Dag 347 vVH&C

080801 – Overschrijven (98)

Maar ook de vriendschappen begonnen rafels te vertonen. Op sommige avonden gingen de paren, bijeen in het strijdperk van hun piepkleine kamertjes, elkaar met stem en blikken te lijf. Op sommige avonden begrepen ze eindelijk dat hun o zo prachtige vriendschap, hun bijna als initiatie fungerende woordkeus, hun privé-grapjes, die gezamenlijke wereld, die gezamenlijke taal en die gezamenlijke gebaren die zij gesmeed hadden nergens naar verwezen: het was een verschrompelde wereld, een uitgeput universum dat nergens naar toe leidde. Hun leven was geen verovering, maar verbrokkeling en versnippering. Ze realiseerden zich dan hoezeer zij tot routine, tot apathie gedoemd waren. Ze verveelden zich gezamenlijk, alsof er tussen hen nooit iets anders dan leegte was geweest. Lange tijd hadden woordspelingen, zuippartijen, boswandelingen, grandioze maaltijden, lange discussies over een film, plannen en geroddel voor hen de rol van avontuur, levensgeschiedenis en waarheid gespeeld. Maar het waren slechts holle zinnen, lege gebaren, zonder gewicht, zonder openheid en zonder toekomst, duizendmaal herhaalde woorden, duizendmaal geschudde handen, een ritueel dat hen niet meer beschermde.

Een uur lang probeerden ze het dan eens te worden over de film die ze zouden gaan zien. Ze spraken om maar niets te hoeven zeggen, gaven elkaar raadseltjes op en deden het spelletje waarbij je moet raden wie er geïmiteerd wordt. Elk alleen achtergebleven paar sprak verbitterd over de anderen en soms over zichzelf; ze hadden het weemoedig over hun voorbije jeugd; ze herinnerden zich dat ze enthousiast waren geweest, spontaan, vol echte plannen, prachtige beelden en verlangens. Ze droomden van nieuwe vriendschappen; maar ze slaagden er maar nauwelijks in ze zich voor te stellen.

De groep viel langzaam, maar meedogenloos duidelijk uiteen. Met een soms onverhoedse snelheid werd het voor sommigen in nauwelijks een paar weken duidelijk dat het leven van weleer nooit meer mogelijk zou zijn. De moedeloosheid was te groot. De wereld om hen heen te veeleisend.

Georges Perec, De dingen (Amsterdam 1990), 75-77

maandag 11 augustus 2008

1497 / Wijk 1

Dienstmededeling

Ik ben er even niet. Maar dankzij de optie 'uitgesteld posten' kan de continuïteit hier worden verzekerd. Dat doe ik met een reeks portretten van straatgenoten, gemaakt in opdracht van de mensen die het wijkfeest organiseerden.

Dag 346 vVH&C

080730 - Zo'n op een berg gerichte webcam, die altijd maar doordraait, brengt vooral de onverschilligheid van de wereld in beeld. De natuur gaat altijd maar door, ook als er niemand is. Daardoor krijgen die tekenen van menselijke aanwezigheid - de bedrading, de reclamepanelen - iets treurigs. Dit is de wereld zoals hij er nog zal zijn als wij allang zijn verdwenen.

De Mont Dore (Cantal, F); met dank aan E.

zondag 10 augustus 2008

1496

Dag 345 vVH&C

080730 – Het beste van de film Eldorado (Bouli Lanners, 2008; bekroond met nevenprijzen in Cannes) was, behalve de fotografie en de locatieresearch, de lichte absurdistische toets, die op een gegeven ogenblik zelfs iets beklemmends heeft. Het is om te lachen maar je weet het eigenlijk niet meer zo goed of het wel om te lachen is. Het is er bij het bezoek aan de hulpvaardige garagist, een oudere man met een wit baardje. In zijn verlopen loods bewaart hij onder dekens een stel autowrakken, ze zijn allemaal geblutst en de garagist heeft de ‘indruk’ van het slachtoffer in de carrosserie telkens zorgvuldig bewaard. ‘Vooral van dat jonge, zwangere meisje: dat is een héél mooie indruk.’ Later besef je dat de twee zwervers, protagonisten van deze roadmovie, bij niemand minder dan God op bezoek zijn geweest, een machteloze God, die het ook niet helpen kan dat zijn schepping niet rampenvrij is. Het kan inderdaad gebeuren dat mooie, jonge, zwangere vrouwen overhoop worden gereden. Een andere keer dat je zo’n beklemmend gevoel krijgt, is wanneer, bij wijze van parodie op het theatrale principe van de deus ex machina, een van een hoge brug geworpen hond pardoes op het dak van de bij een van de brugpijlers geparkeerde Amerikaanse slee van onze beide helden neerploft. Indruk gemaakt! En ja, het beest, waarvan de poten twee aan twee zijn samengebonden, overleeft de klap. Althans tijdelijk. Mooi in de film vond ik ook de shots vanuit de rijdende auto: altijd op de hoogte gericht – wat je dan te zien krijgt: boomkruinen, de bovenste helft van gevels en, vooral, de wolken. En eigenlijk vond ik nog veel meer mooi, nu ik er begin over na te denken.

zaterdag 9 augustus 2008

Dag 344 vVH&C

080809 – Ik kende, net zoals u, Christine Comyn niet. Ik ken haar nog niet, maar nu weet ik wel dat ze een tentoonstelling heeft in de Absolute Art Gallery in Knokke. Kent u de Absolute Art Gallery in Knokke? Behoort u tot het cliëntèle? Hebt u kluiten en een slechte smaak?

Enfin, daarover gaat het nu niet.

Wel gaat het over iets wat ik in Belicht geheugen van Man Ray lees, het gaat over het verschil tussen fotografie en schilderkunst – en dan de relatie van wat ik bij Man Ray lees met wat ik lees in de catalogus van de tentoonstelling van Christine Comyn in de Absolute Art Gallery in Knokke.

Man Ray: ‘Terwijl fotografie eenvoudig een manier van inschatting was, iets krijgen wat van tevoren was bedacht, bleef schilderen een avontuur; een onbekende macht kon plotseling het hele aanzien van dingen veranderen. Het resultaat kon net zo verrassend voor mij zijn als voor de beschouwer. De verrassingen veroorzaakt door een slecht afgesteld mechanisch instrument, hebben geen waarde, maar de kronkelingen van de hersens, die tegelijkertijd voelen en denken, zijn altijd interessant.’ (369)

En dan nu Christine Comyn, die zelf de inleiding schrijft op de catalogus van haar tentoonstelling in Knokke. Christine Comyn is gespecialiseerd in portretreeksen. Zij neemt hetzelfde model, ik vermoed een foto van dat model, en schildert het verschillende keren naast elkaar. En dan stelt zij vast (in het Engels want geld kent geen grenzen): ‘Contrary to the act of photography, painting requires time: I am in the middle of it for hours […]. In the meantime, in a very chaotic way, all kinds of thoughts and impulses are running through my mind, looking for a way out, asking me questions and forcing me to find solutions, every very second: where to put a certain line, what colour to use, transparent or not, which movement to make, slow or fast, which pencil or brush to take, where to keep to reality and where to get lost in fantasy, when to stop, etc. […] What fascinates me the most, is the fact that, even if I do my very best, I will never be able to paint twice or more the same face with the same expression, just because of other questions raised during the action and other decisions were taken. // There’s a certain area in my mind, making me do things the very same moment, that I never could have imagined before I started the painting. It’s giving me wings and it feels like magic. // That area in my mind, I call it “the twilight zone”.’

1495

Gent, Musschestraat – 080604, 10u11

vrijdag 8 augustus 2008

Dag 343 vVH&C

080808 – Wie zou ik willen als winnaar voor deze kabbelende Tour? Het laat me Siberisch koud maar ja, een mens ontwikkelt toch een voorkeur. Op basis waarvan? Indrukken. Imago. Randinformatie. En zie, hoe je daarbij wordt gestuurd door de media en de grillen van het toeval. Evans rijdt defensief, je bent voor Sastre. Boogerd noemt Evans een lafaard, je bent voor Evans. Zeker als je hoort dat hij de bevrijdingsstrijd in Tibet steunt! Maar dan: Evans duwt nukkig VRT-cameraploeg weg – zou je toch niet voor Sastre gaan supporteren? Neen, Sastre is een te grijze muis. Hoewel, hij laat zich in humanitair opzicht ook niet onbetuigd door kankerkinderen te steunen. Tienduizend euri naar een kinderkankerorganisatie. En dan nog wel een Gentse! Maar dan heb je die ploegbaas van hem: ook een bekeerde dopingbom blijft een dopingbom. Een onbetrouwbaar sujet met pretoogjes die je zeggen dat hij méér weet. Uiteindelijk is het die ene demarrage op l’Alpe d’Huez, de enige demarrage door een favoriet in deze Tour (ook al moest hij er eerst de toelating voor vragen), die de balans doet doorslaan. Vanaf nu zijn we voor Sastre! ’t Is te hopen dat hij wint – maar ach, eigenlijk zal het mij worst wezen. Ik hou niet van secondentours. Waar is de tijd van het grote machtsvertoon van helden die met minuten en kwartieren rekenden! Niet die bloedeloze boekhouderij tijdens de overgangsetappes maar ernstige, klassementsbedreigende ontsnappingen! Ritten van vierhonderd kilometers! Zeven cols op een dag en enkel de laatste veertig kilometers in beeld! En doping, man, doping! Het had geen naam! Neen, kleurloze boekhouders waren het niet, in die tijd van zwart-wit en veel ruis op het beeld.

Avond in De Panne 6/6

1494 / Avond in De Panne 5/6

donderdag 7 augustus 2008

Ondertussen in Brugge (122)

Dag 342 vVH&C

080731 – Eerste zinnen zijn al even belangrijk als een eerste indruk.

‘Vriend. Hoe vaak heb ik je al niet gezegd dat ik mij geheel wil inzetten voor de psychiatrisch gestoorde mens.’ [geen vraagteken maar een punt]; ‘Het is niet zo maar een dag.’; ‘Hij zou beter zijn als de mensen hem niet uitgelachen hadden op koninginnedag toen hij ziek was.’; ‘”Mijn man is nu een wild verscheurend dier,” zei mevrouw Overdiep in de groentewinkel tegen de vrouw die haar hielp en die bezig was drie kilo aardappels af te wegen.’ [drie kilo, geen twee of vier]; ‘Lena, waarom stink je zo?’; ‘De honoraria die een schrijver voor zijn verhalen, artikelen of gedichten vangt, zijn zoals iedereen weet altijd bijzonder hoog geweest.’ [lees ik het goed?, jawel!]; ‘Het was koud, het regende, het hagelde en het sneeuwde, toen een man de grote weg die recht naar de hoofdstad voert, afliep.’; ‘Jammer, maar ik ben helemaal door de mand gevallen.’; ‘Hij wist dat hij het heel dramatisch moest doen en dat het anders niet zou slagen.’ [en, niet want…]; ‘Hoe wisten ze eigenlijk dat hij vroeger krantepapier at als hij honger had?’; ‘Een klein moedervlekje dat vlak bij de liezen zat en dat soms door de zoom van het badpak werd bedekt, soms niet.’; ‘Een mens kan zo verschrikkelijk teleurgesteld worden in zijn verwachtingen.’ [vind ik niet zo’n goeie]; ‘Vandaag heeft Frederik opgebeld en voor de eerste maal moest ik wreed tegen hem zijn.’

Misschien heeft u de onverbiddelijke toon herkend: aan het woord is…
Jan Arends, Verzameld werk, Amsterdam 1994³

Dag 340 vVH&C

080724 en 080807 – Tot tweemaal toe zegt hij in zijn memoires Belicht geheugen dat het een verdienste van zijn filmpjes is dat ze niet lang duren! Ja, zo zie je maar hoe de beeldtaal is geëvolueerd! Emak Bakia van Man Ray lijkt me toch vooral het resultaat te zijn van stoeien met een nieuw speeltje. Het vergt heel wat inlevingsvermogen om te beseffen hoe revolutionair en du jamais vu deze beelden indertijd (1926) moeten zijn geweest.

1493 / Avond in De Panne 4/6

dinsdag 5 augustus 2008

52 * 26,71 * 1565

P. trommelt mij op voor een rit naar het meest nabije gebergte: de lichte, ietwat wulpse verhevenheden in de buurt van Aartrijke, Ichtegem en Eernegem. De helling van Ichtegem, de Lookhuisstraat op en dan weer de Keibergstraat af, is beslist pittig te noemen want hij wordt nog eens op smaak gebracht door een kasseistrook van anderhalve kilometer die, op z’n zachtst gezegd (al is die uitdrukking hier niet écht op zijn plaats), er niet al te best bijligt. We brengen het grootste gedeelte van de rit – langs het geniebruggetje over de autostrade (een carnetje met fotogenieke plaatsen), de dorpskern van Snellegem (het lastige portretteren van iemand die snel naar een volgende vergadering moet) en de Aartrijkse uiterwaarden (L. die maar een fractie van de mogelijkheden van zijn D300 gebruikt) – gezellig (over fotografie) keuvelend door, hetgeen de tijd en de kilometers aanzienlijk bekort. Er ontspint zich een soort van verbale humor die ik wel vermag te pruimen. Ondertussen hebben we het ook even over de datering in de betonstroken van het amechtige fietspad waarop we rijden: een blijk van historische zin die de wegenbouwers helaas enkele decennia geleden hebben opgegeven. De rotstrook die wij op dat moment te verduren krijgen, stamt van mei ’68. Op de terugweg, door het bos van Varsenare, worden we bijgebeend door een krasse zestiger die ons, ‘te zien aan ons achterste’ (sic), nog ‘jong’ vindt. Reden genoeg om die man uit het wiel te rijden, maar ik moet lossen bij mijn eigen tempoversnelling en dan gaat die kerel maar ineens vijf kilometer per uur sneller rijden. Enfin, we zijn hem al bij al toch kwijtgeraakt – dat soort vrijpostigheid moeten wij niet: zó jong zijn we nu ook weer niet meer. Aan mijn lijf geen polonaise.

1491 / Avond in De Panne 2/6

Avond in De Panne 1/6

zondag 3 augustus 2008

1489

Station Brugge – 080518, 11u24

zaterdag 2 augustus 2008

1488

Brugge, Jan van Eyckplein – 080705, 20u13