zaterdag 31 mei 2008

1425


Eeklo - 080229, 20u55

vrijdag 30 mei 2008

Dag 275 vVH&C

080520 – Ik begrijp uw kritiek, maar het is toch een beetje streng. Ik schat Claes hoog in als pasticheur en superieur ironicus. Er zit iets van het belerende, het jongensboekachtige enzovoort in Psyche – maar ik kan mij niet voorstellen dat Claes zich van dat alles niet bewust is. Hij etaleert zijn eruditie en is onbeschaamd pedant – maar hij bekommert zich niet om zijn imago. Hij heeft lak aan wat het publiek wenst, en hoort alleen daarom al geloofd te worden.

(Ik reageer op een negatieve opmerking over Paul Claes’ Psyche op de lezersblog van Achilles van den Branden.)

*

080522 – Het antwoord mag voor u evident lijken, maar ik stel de vraag toch omdat hij interessant is (en hoop u hiermee niet te choqueren):

Zijn de veertigduizend [inmiddels tachtigduizend (080530)] doden in China en de tachtigduizend doden in Myanmar erger dan de brand in de Philharmonie van Berlijn, een topwerk van de toparchitect Hans Scharoun?

1424

Brugge – 080426, 12u59

donderdag 29 mei 2008

Dag 273 vVH&C

080518 – Iemand vraagt, in een gesprek over het onheil dat heden ten dage door de bureaucratie in de scholen wordt aangericht: ‘Wat is erger dan een vrouwelijke inspecteur?’ Het antwoord luidt, onafwendbaar: ‘Een mannelijke inspectrice.’
(Met dank aan G.D.)

*

080518 – ‘Een individu was oneindig veel moeilijker af te beelden dan een archetype.’ (Paul Claes, Psyche (Amsterdam 2006), 287; Claes heeft het over de pogingen van beeldhouwers, die gewoon zijn om op basis van een ideaalbeeld goden af te beelden, om, zonder voorbeeld, een gelijkende beeltenis te vervaardigen van Antinoös.) Dit citaat bevestigt wat ik onlangs schreef over de verschillende inzet van Louise Bourgeois en Jan Fabre. Fabre maakte archetypes, Bourgeois zoekt zichzelf uit te drukken.

1423

Tussen Dudzele en Knokke - 080420, 10u47

woensdag 28 mei 2008

Dag 271 vVH&C

Eugène Atget, rue Valette et Panthéon, 1925

080528 – In de tweede aflevering van de BBC-tv-reeks The Genius of Photography (nog drie weken op donderdagavond op Canvas) werd uit de doeken gedaan hoe het kwam dat Eugène Atget, die zijn hele leven er alles aan had gedaan om het oude Parijs van de vergetelheid te redden, zelf niet daarin is terechtgekomen. Integendeel zelfs, iemand als Joel Meyerowitz, die hier eerder al eens ter sprake kwam naar aanleiding van een tentoonstelling van werk van hem in Charleroi, noemt Atget in dat programma zonder verpinken ‘de grootste fotograaf die er ooit is geweest’ – een oordeel dat ik nu, in mijn zoektocht naar de hierbij geplaatste portretfoto’s van Atget door Berenice Abbott, bevestigd zie in een uitspraak van Christopher Rauschenberg, zelf ook geen onverdienstelijk fotograaf: ‘Like many people, I consider him to have been the greatest photographer of all time.’

Abbott maakte haar foto’s van Atget enkele maanden voor diens dood. Voor zover bekend zouden het de enige zijn van hem die zijn overgeleverd.

Berenice Abbott speelde een belangrijke rol in het overhevelen van Atgets levenswerk naar onze tijd. Het toeval eiste daarbij een hoofdrol op. Abbott was immers in de leer bij Man Ray, de avant-gardefotograaf en -kunstenaar die toen al grote bekendheid genoot met zijn experimentele fotografie en kunstobjecten. Man Ray en Eugène Atget woonden in dezelfde straat, maar wisten van elkaars bestaan nauwelijks af. Atget werkte in alle stilte en bescheidenheid, en trok met zijn driepikkel ’s ochtends vroeg Parijs in. Hij kwam bij manier van spreken thuis wanneer Ray stilaan wakker werd. Ray, die behalve veel exuberanter ook 33 jaar jonger was, had het druk met het onderhouden van zijn contacten met de surrealisten en de Parijse beau monde.

Op een dag ontmoet Berenice Abbott die vreemde man met zijn aftandse materiaal. Zij vraagt wat hij dan doet als fotograaf, en of zij enkele van zijn foto’s mag zien. Dat mag. Abbott ziet de foto’s en is verrukt. Weet je eigenlijk wel, vraagt ze aan Man Ray, dat hier een paar huizen verder een fantastische fotograaf woont? Dat weet Ray niet of nauwelijks, maar hij heeft wel de contacten die nodig zijn om iemands reputatie te máken. En zo is het gegaan volgens de makers van de televisiedocumentaire. Abbott koopt nog snel (Atget heeft niet lang meer te leven) een deel van Atgets catalogus op, en ze doet het nodige om zijn werk niet verloren te laten gaan. Zij weze daarvoor geprezen.

Nu is het natuurlijk interessant om na te gaan of hiervan sporen zijn terug te vinden bij en rond Ray. Twee bronnen staan mij, zonder dat ik het huis uit moet, ter beschikking: Belicht geheugen, de autobiografie van Man Ray, en de gezaghebbende biografie Man Ray. American Artist door Neil Baldwin.

Het register van Belicht geheugen leert dat Eugène Atget alvast in Rays autobiografie niet één keer vermeld staat. Dat is ontnuchterend. Grote fotografen kunnen, door de bemiddeling van Ray, Atget nu ‘de grootste aller tijden’ vinden, zonder dat Ray zich verwaardigt om Atget in zijn autobiografie te vermelden.

Baldwin vertelt het verhaal zoals het min of meer ook in The Genius of Photography aan bod is gekomen. Maar bij hem klinkt het toch een beetje anders. Abbott ziet haar eerste foto’s van Atget niet bij Atget, maar bij Ray! ‘There was a sudden flash of recognition – the shock of realism unadorned […] the real world, seen with wonderment and surprise, was mirrored in each print.’ Abbott vraagt Ray wie de man is die deze wonderlijke foto’s heeft gemaakt, Ray antwoordt: ‘A primitive’. Wat vreemd is, want hij vindt Atgets foto’s blijkbaar toch goed genoeg om ze in zijn atelier uit te hangen. Ray vertelt Abbott dat hij Atget ooit eens had voorgesteld om wat modernere apparatuur te gebruiken, maar dat Atget dit had afgewimpeld: ‘“le snapshot” went faster than he could think, “Trop vite, enfin.”’ Abbott zoekt na de kennismaking met Atgets foto’s in Rays atelier Atget op, koopt enkele van zijn prints, en fotografeert hem. Na zijn dood zal zij er alles aan doen om zijn nalatenschap zo goed mogelijk bij elkaar te houden.

Wat, denk je dan, zou er met Atgets werk en, bij uitbreiding (gezien de grote appreciatie die hij geniet bij tal van andere grote fotografen), met de héle geschiedenis van de fotografie zijn gebeurd, als Atget en Ray niet in dezelfde straat zouden hebben gewoond en als Abbott niet op Atget zou zijn gestoten en op die manier Ray alsnog ertoe zou hebben aangezet om bij zijn vrienden de naam van Atget bekend te maken (Baldwin: ‘singing his praises at café gatherings’)?

1422

dinsdag 27 mei 2008

Parijs 1-51

1421

Brugge, Elisabethlaan - 080423, 12u02

maandag 26 mei 2008

Dag 270 vVH&C

080523 – Een avondje televisie, dat was lang geleden. (6 maart, om precies te zijn.)

De Canvascollectie is een heel goed gemaakt, drempelverlagend programma over mensen die kunstenaar willen zijn. In de tweede aflevering van de BBC-reeks The Genius of Photography staat Eugène Atget centraal. In Phara zien we ons aller Kristientje Hemmerechts nog eens terug.
Nu weet ik het wel zeker: dat mens is ziek. Ze heeft een pamflet geschreven over waar ze nu al haar hele leven over schrijft: hoe vrouwen en mannen verschillend omgaan met seksualiteit. Het heet, niet bijster welluidend (maar dat is Hem ook niet): De man, zijn penis en het mes.

(Marja Pruis heeft het pamflet gelezen en vraagt zich in De Groene Amsterdammer af waarover het nou eigenlijk gaat: ‘Klopt het nou dat ze fulmineert tegen de vrouwonvriendelijke wijze waarop er geneukt wordt in de letteren, vervolgens haar voorbeelden put uit romans van schrijvers die helemaal of half dood zijn en in ieder geval geen Nederlands kunnen lezen en dus nooit zullen reageren, deze schrijvers verwijt zich niet wat meer in te leven in het gevoelsleven van het neukobject en daarna beweert dat deze eenzijdige mannelijke blik een fnuikend effect heeft op a. het welbevinden van de lezeres en b. de toestand in de wereld?’)

Hemmerechts is ziek, zei ik, en ik leid dat af uit haar televisieoptredentje bij Phara. Wanneer Lieven – sidekicks zijn er voor de lastige klussen – Van Gils haar de logische vraag stelt of ze niet wat al te gemakkelijk alle mannen over één kam scheert, antwoordt ze: ‘U moet geen schrik hebben dat ik van u denk dat u mij hier onmiddellijk gaat bespringen.’

Van Gils beperkt zich wijselijk tot een wenkbrauwfrons en haspelt het obligate interviewtje af. Om het onlogische gewauwel van de schrijfster (ze heeft het niet over dé man, maar ook niet over een concrete man) bekreunt hij zich verder niet – en ook De Aguirre doet er wijselijk het zwijgen toe. Iedereen kijkt al uit naar wat de zoon van Bobbejaan Schoepen te vertellen heeft.

Een notoire penisdrager (en naar verluidt ook -gebruiker) was de heer Hendrix Jimmy. Aan hem is het portret gewijd waarmee Canvas deze interessante tv-avond afsluit. Ontnuchterend om te zien hoe die man gemanipuleerd werd en in een doodlopend straatje van drugs en malafide poenpakkers verzeild raakte. En ja, hij kon zich nergens nog vertonen zonder dat men van hem eiste dat hij zijn trucje uitvoerde: plongplong doen met de tanden en vervolgens zijn gitaar in brand steken (uiteraard na er eerst een hautparleur mee in elkaar te hebben geramd). Zielig.

1420 / Parijs 39

vrijdag 23 mei 2008

Dag 269 vVH&C

080514, 080515 en 080523 – Een voetbalvedette is verongelukt. Op mijn weg van Antwerpen naar Brugge rijd ik langs de geschonden boom van Sterchelé. Bloemen, sjaals, briefjes. Ginds, aan de overkant van het maïsveld, staat een man wezenloos voor zich uit te staren. Onweerstaanbaar, de behoefte om tot hier te komen, blijkbaar.

Een paar dagen geleden op de radio sprak in het ochtendprogramma een vrouwelijke journaliste van ‘ramptoerisme’ toen het ging over de supporters die naar deze boom pelgrimeerden. Ik vond dat schokkend, dat ze dat zei.

Volksheld of ordinaire, veel te rijkelijk betaalde boemelaar? Hij reed met een Cayman. Die zijn niet gemaakt om te tuffen.

De breed uitgesponnen ceremonies voor, tijdens en na de laatste match. De zomer begint zónder spits. Collectief, georchestreerd, geritualiseerd. Niemand houdt zijn ogen droog.

Intussen in China: gekerm van onder het beton; mensen die het niet zullen redden omdat de hulpploegen te laat komen. (En in Myanmar omdat ze door het bewind niet in het land worden toegelaten.)

In de krant wijzen de eerste commentaren schuchter op het onverantwoorde rijgedrag van de voetballer. Hoeveel zeg je dat hij per uur reed? En ook schrijft iemand dat mensen in onze maatschappij nooit nog hun verdriet kunnen tonen. Dat ze daarom dergelijke collectieve, en door de media heel grondig geregisseerde, momenten met beide handen aangrijpen.

1417 / Parijs 17

donderdag 22 mei 2008

32 * 28,94 * 921

Na drie kilometer begin ik ze al te tellen: de kilometers, de hectometers. Wat saai, dat eind naar Zandvoorde. Tijd voor innovatie! Aan Nieuwege-brug naar rechts, dus. Over de betonbaan. Het pek tussen de voegen is zo oncomfortabel opgehoogd dat de barsten wel erg diep moeten zijn geweest om van een verbetering te kunnen spreken. Stalhille. Ik volg een eindje de Oostendse Steenweg richting Brugge. Sla linksaf, de kasseibaan op richting Zuienkerke. Tweeënhalf kilometer, misschien wel twee sterren in Paris-Roubaix. Ik ben, achtereenvolgens: De Vlaeminck, Museeuw, Boonen; handen bovenop het stuur, tempo bewaren. Ik voel ze niet! (Ik voel ze wél.) Die idiote Eurovisie-inzending rammelt door m’n kop. Ja, natuurlijk moet België blijven meedoen – al was het maar om de homo’s een plezier te doen. Ik haal nog 25. Einde kasseistrook. In een garage van een huis in aanbouw zie ik een groot Champion’s League-reclamepaneel. Plannen voor fotoreeksen gaan door mijn hoofd. Voor Zuienkerke sla ik rechtsaf, ik kom op onverkend terrein. Het noorden kwijt, tot ik in de verte, waar ik het helemaal niet verwachtte, het A.Z. Sint-Jan zie opdoemen. Langs Meetkerke terug. Het smalle grindpad langs het kanaaltje. Een konijn loopt voor me uit, achtervolgd door een mus. Ik achtervolg een mus. Aan het kapelletje bij de brug, dat nog dieper lijkt te zijn weggezakt (vastleggen voor het vergaat) een rechts-linkse combinatie. Een Jeep houdt halt om me te laten passeren. Hoffelijke suv’s bestaan ook, blijkbaar. Een ondercategorie.

De kunst van het kijken (9)

Dit is de negende aflevering in een reeks die is gebaseerd op het boek Jon Thompson, De kunst van het kijken, Ludion, 2006. De auteur bespreekt een tweehonderdtal ‘moderne’ schilderijen.
De opzet van deze stukjes is dat ik eerst beschrijf wat en hoe ik zie, pas nadien de tekst van Thompson lees en zo nodig mijn ‘lezing’ van het schilderij aanvul.


Jean-Baptiste Camille Corot, De vijvers in Ville-d’Avray – ochtendnevel (1868)

Een moerasbos. Of een vochtige wei naast een bos. Een grijze dag in de vroege herfst. Nevel. Alles heeft dezelfde toon, dezelfde kleur. Eigenlijk heeft alles geen kleur. Hier hangt een monotone sfeer waarin alles opgaat: de bomen, het water, de lucht, de drie figuren – twee koeien en een mens. Die mens draagt de kleuren van die koeien, heeft ook een witte toets op de kop en komt daardoor als het ware op een zelfde lijn met de koeien te staan. Ik zie berken, ook met een witte toets. Afgewaaide takken: is er een storm geweest? Het schilderij ademt een troosteloze sfeer, het maakt een koude, kille indruk.

Thompson:

Het schilderij meet een bij anderhalve meter. Corot schildert dit doek op 72-jarige leeftijd. Hij ervaart het landschap als een geïdealiseerde eenheid, ‘waarin natuur, mensen en goden in perfecte harmonie samenle[v]en’. Dit schilderij is een klassieke pastorale. Het tijdstip, de ochtend, is van belang: het gaat om het licht, de sfeer, de stemming. Alles heeft dezelfde grijsgroene en lichtlila tint, ‘een beetje schimmig en zwevend’.

Corot benadert het landschap als ‘dichter en denker’, niet als waarnemingsdeskundige. Zijn invloed op het impressionisme is groot.

1416 / Parijs 15

dinsdag 20 mei 2008

Mijn woordenboek (192)

AFLAAT
Mijn peilloze verwondering, dat het ooit heeft kunnen bestaan en dat de heffe des volks erdoor kon worden misleid: door die plompe, al te opzichtige vermenging van moraal en economische logica, door die mime van een afbetalingssysteem om renteloos tijd in de hemel te kopen. Het is, samen met het geloof in de verrijzenis, de leer van de transsubstantiatie, de kathedralenhybris, de gruwelvoorstellingen in de Romaanse iconografie, de à la carte-verschijningen van de Moedermaagd, de dogma’s van onbevlekte ontvangenis en onfeilbaarheid, het bloedend hart, het pasterke van Ars, het geloof in de efficiëntie van paternosters bidden en kaarsen branden, de missioneringsijver, de seksuele moraal en nog tal van andere primitieve verzinsels zonder enige twijfel een van de meest krankzinnige verwezenlijkingen van tweeduizend jaar christendom geweest. Behendig inspelend op de aanleg tot neuroses, het onvermogen om zelf te beslissen, de dom- en luiheid die het denken over eindigheid in de weg staan. Op de bereidheid zich te onderwerpen aan een bloedrode wereldlijke macht die zich achter kardinaalsrood verschanst. Op de condition humaine, de kruideniersmentaliteit in velen. De angst.

1414 / Parijs 9

maandag 19 mei 2008

Dag 263 vVH&C

080508 – Gisterenavond op straat, zeer goed hoorbaar voor al wie het raam open had staan – en dat heeft met deze warme dagen iedereen: een ruzie, zwaar uit de hand lopend. Manlief beent recht naar huis af en zégt dat dan ook: ‘Ik ga naar huis.’ De vrouw loopt hem achterna en gilt hem vanalles naar de kop. De auto, waaruit beiden zijn uitgestapt, staat midden op de straat, met draaiende motor. Het andere verkeer rijdt daar omzichtig en in een wijde boog omheen. ‘Wat is het? Ben ik te dik misschien?’ Gilt zij, de vrouw. De man beent. Ik kijk, onwillekeurig, uit het raam en stel vast dat de vrouw weliswaar niet mager is, maar beslist ook niet corpulent, veeleer ergens daartussenin, een beetje aan de mollige kant. ‘Ben ik te oud? Vind je mij lelijk?’ De man blijft benen. ‘Besef je wel wat je doet?’ Ik ben getuige van het kapseizen van een huwelijksboot. Hier stopt het. Neen, die vrouw is niet te dik. Wat er aan de hand is, is veel erger. Ze loopt hem nog een eind achterna, maar overweegt dan blijkbaar dat ze haar (hun?, zijn?) auto ook niet zomaar midden op straat kan laten staan. En ze keert terug. Ik kijk naar haar, een beetje verdoken opgesteld achter Bea’s bananenboom. Neen, dik is ze niet. Ze heeft een stevige boezem, dat wel. Vindt die stevig doorbenende echtgenoot daar dan geen troost meer?

1413 / Parijs 5

zondag 18 mei 2008

Dag 262 vVH&C

080514, 080517 en 080518 – Het was een heilzame coïncidentie, in Parijs de drie tentoonstellingen (Sophie Calle, Jan Fabre en Louise Bourgeois) in die volgorde te zien, en aansluitend nog eens het nieuwe museum voor etnische ‘kunsten’ aan de quai Branly binnen te stappen.

Elke kunstenaar is idiosyncratisch, maar de ene is het meer dan de andere. Elke kunst is per definitie een onvergelijkbare taal – de kunstenaar is veroordeeld tot originaliteit, waarmee meteen alle verwarring, polyinterpretabiliteit, aanleiding tot misverstand begint – maar de ene kunst roept al makkelijker vergelijkingen op dan de andere. Op de een of andere manier wíllen wij die vergelijking. Kunst die buiten alles staat, kijkt ons met de nek aan. En daar kijken wij niet naar.

Dat de maskers, tapijten, trommels, cultusvoorwerpen enzovoort van de quai Branly volledig ingebed zijn in een cultuur, opgenomen in een netwerk van relaties en een web van geruststellende, bezwerende, troostende rituelen: daar kunnen wij toch alleen maar jaloers op zijn en nostalgisch naar terugverlangen. (Niet naar het precaire van een schaarste-economie natuurlijk, waar mensen ziek werden en vroeg stierven, waar leden van de andere stam de kop werden ingeslagen (die dan ter afschrikking op een paal bij de ingang van het dorp in de grond werd geplant…) maar wel naar het psychologische comfort van het niet moeten nadenken en het zich opgenomen weten in een vanzelfsprekende collectiviteit.)

Van kunst verlangen we, pardon, verlang ik dat zij mij niet alleen uitdaagt en mijn wereldbeeld op de helling plaatst, maar toch ook zat zij mij op de een of de andere manier opneemt, geruststelt, troost. Daartoe moet zij behalve nieuw en prikkelend toch ook begrijpelijk zijn en een taal spreken die min of meer gelijk is aan deze die mij vertrouwd is. Die taal moet ik kennen. Ik moet haar geleerd hebben. Kunst kan mij daarbij helpen. Hoe meer kunst ik heb gezien, en dus min of meer ken, hoe beter ik kunst kan lezen. Daarom vergelijk ik wat ik heb gezien. En dat doe ik dus hier met de drie + één tentoonstellingen die ik in Parijs heb bezocht.

Louise Bourgeois heeft het over die ene vrouw die zij zelf geweest is en nog altijd is – en zodoende over dé vrouw en dé mens (voor zover andere vrouwen en ook mannen zich in haar werk herkennen). Sophie Calle heeft het over zichzelf nù en over een bepaald soort vrouwen, een soort dat ik hier gemakshalve de feministische soort zal noemen, of toch het door de lezersrubriek van de Marie Claire gerecupeerde soort feministes. Wat Calle over mannen te zeggen heeft, is bepaald eenzijdig. Jan Fabre is dan weer veel te ambitieus om het over individuen te hebben. Waar hij het toch over zichzelf heeft, lopen feit en fictie door elkaar heen. (Is zijn grootvader nu ja dan neen die beroemde entomoloog?) En ook het genderonderscheid speelt in zijn werk nauwelijks een rol. Mensen, zowel mannen als vrouwen, zijn sterfelijke zakken met botten en bloed, driften, angsten, strevingen en ideeën. Fabre speelt een verdieping hoger, waar mensen interfereren met engelen en goden. (Maar zijn gratuite mystificaties maken hem ongeloofwaardig.) Het etnografisch museum ten slotte heeft het ook weer over dé mens, maar op een andere manier: het gaat over rassen, stammen, etnieën. En ja, het gaat vooral over verdwenen mensen.

Er zijn een aantal specifieke vergelijkingspunten tussen Calle, Fabre en Bourgeois.

De drie theatraliseren, maar elk op een andere manier. Calle gebruikt daarvoor anderen, Bourgeois brengt intiem en met een beroep op onze (gezonde) nieuwsgierigheid de trauma’s van haar kindertijd in beeld, Fabre ensceneert de grote metafysische thema’s opzichtig en met zin voor spektakel en spektakelzucht – waardoor hij op de duur op onze lachspieren werkt (waarbij het nog niet eens zeker is of dat het tegenovergestelde is van wat door hem wordt beoogd).

Door te graven in de eigen voorgeschiedenis stoot Bourgeois op motieven die schijnbaar primitief en van alle tijden zijn – wat haar dan weer meer dan Fabre, die koste wat het kost origineel lijkt te willen zijn, met de etnische ‘kunst’ verwant maakt. Bourgeois onderzoekt het innerlijk – ze stuit daarbij uiteindelijk op de materie (de vergankelijkheid van het eigen lichaam die schrijnend aan het licht wordt gebracht door haar monumentale recentste tekeningen, die in Beaubourg voor het eerst werden getoond). Bourgeois staat haaks op Calle in zoverre ze, waar ze allebei het persoonlijke leven als materiaal nemen, veel universeler is. Fabre, die universele thema’s aansnijdt, komt niet los van zijn hoogst private onderneming als artiest: hij vecht als Ridder van de Schoonheid tegen een onzichtbare vijand en voegt op die manier een ironisch-heroïsche dimensie toe aan zijn demarches.

Enzovoort…

1412 / Parijs 3

zaterdag 17 mei 2008

Dag 261 vVH&C

080506 – Dat is vreemd: de ontmoeting met een persoon van vlees en bloed, die je tot dan enkel en alleen ‘kent’ van wat hij op het internet schrijft. En je kent hem dus niet. Zoals hij jou en jouw stad niet kent. Of toch niet zoals jijzelf. Je neemt hem mee op een wandeling, en probeert door zijn ogen naar de vertrouwde straten en pleinen te kijken. Je praat, voert een gesprek, luistert. Hij fluistert. Flarden. Fragmenten. Je probeert een puzzel in elkaar te passen maar je kent het eindbeeld niet. En dan besef je: zoals hij probeert. Die man kent jou ook alleen maar van het internet. Ook voor hem botst de virtuele werkelijkheid met de realiteit. Met deze keien, deze sla. Dit glas, dit woord. Ook voor hem past het plaatje niet. Of niet helemaal. Slechts zeer ten dele. Hij loopt rond en in een vreemde stad, met een vreemde man.

1411 / Parijs 2

vrijdag 16 mei 2008

Uit het nieuws

Als ik het goed begrijp, hebben deze ‘experten’ uit Servië en Bretagne voor hun beurt gesproken. Was het niet de bedoeling dat zij pas in een officieel rapport hun bevindingen zouden ventileren? Maar neen, zij gaven al op een inderhaast samengeroepen persconferentie hun mening. Dit doet vermoeden dat die mening al op voorhand gevormd was, en dat vooral de timing voor de opdrachtgevers (Franstalige Belgen die dit soort onderzoeken ‘organiseren’ om het Vlaamse imago te schaden - wat aardig gelukt is) belangrijk was: midden in een communautaire crisis. Voor het officiële rapport zal de mening wel worden aangepast aan de Belgische realiteit (de taalwetten waarmee Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden Keulen, die bevoegd is voor de benoeming van de burgemeesters, terecht schermt), maar ondertussen is het kwaad geschied en de imagoschade geleden. Dat optrommelen van buitenlandse (Europese, VN-) missies om in België de Franstaligen als zwart schaap te laten omschrijven, is een perfide en clever georganiseerd politiek manoeuvre van de Franstaligen.

En neen, ondergetekende is geen extreemrechtse flamingant, verre van.

(reactie op website NRC)

1410 / Parijs 1

donderdag 15 mei 2008

Dag 260 vVH&C

080514 en 080515 - Net als Jan Fabre heeft Louise Bourgeois een privémythologie uitgewerkt. Maar ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat de kunst van Bourgeois – hoe zal ik het zeggen? – échter is. (En ik besef nu eens te meer, terwijl ik dit schrijf, hoe de toevallige chronologie van gesprekken die wij horen, boeken die wij lezen, mensen die wij ontmoeten, tentoonstellingen of films die wij zien… in grote (ontoelaatbare?) mate onze ervaring stuurt.)

De tentoonstelling (in de link eens klikken op ‘bande annonce’) in Beaubourg begint met tekeningen van de ‘huis-vrouw’: een vrouwenlichaam met een huis als hoofd. Dat motief keert vele decennia later in Bourgeois’ werk nog altijd terug. Samen met een aantal andere motieven: het weven, het ouderlijke bed, de moederspin (die een web weeft en, daarin zittend, ook een huis-vrouw is)…, ik noem er maar enkele. Ook een omzwachteld been is zo’n motief. Louise Bourgeois had een manke zuster en was daar heel erg van onder de indruk. Om maar te zeggen dat al die motieven een duidelijk aanwijsbare band met haar eigen leven hebben. Haar vader was tapissier en had dus beroepshalve veel te weven. Het ouderlijke bed verwijst naar een jeugdtrauma, enzovoort…

Louise Bourgeois is geboren in 1911, zij is nog steeds actief.

In vergelijking met de doorleefde privémythologie van Louise Bourgeois is die van Jan Fabre gratuit. Fabre beeldt, zeer ambitieus, de grote, algemene thema’s uit: leven, dood, het kunstenaarschap. Hij trekt potsierlijk als gepantserde krijger ten strijde om ‘de schoonheid’ te verdedigen. Bourgeois brengt persoonlijke feiten in kaart, en bereikt universele zeggingskracht door de esthetische kwaliteiten van haar werk. Zij maakt échte tekeningen, échte beelden, échte installaties. Esthetiek komt bij haar voor concept. Fabre schenkt mij dat genoegen niet. Zijn werk is vaak origineel en beklijvend, daar niet van (hij maakt bijvoorbeeld met ijzerdraad en botschijven een kleed dat enkel een leegte verhult), maar het blijft toch vooral cerebraal, een uitbeelding van ideeën. Dat verschil tussen beide kunstenaars blijkt ook uit het feit dat Bourgeois veel nadrukkelijker is ingebed in de kunstgeschiedenis. Haar totems, die zij ‘personages’ noemt, vertonen een grote verwantschap met de zogenaamd primitieve kunst. Er zijn links te leggen met uiteenlopende kunstenaars als Giacometti en Duchamp. Niet dat ze modieus is, verre van, maar ze staat niet buiten de 20ste-eeuwse kunst. Met alles wat ze maakt, drukt ze een eigen stempel, het is herkenbaar ‘Bourgeois’. Maar met niet één tekening, beeld, textiel of installatie gaat ze volledig op zichzelf staan. Zoals Fabre, met zijn op de duur irritante hang naar originaliteit (keverschilden, bicblauwe tekeningen, hesp…). Om het nu even geleerd te zeggen: Bourgeois’ werken zijn onderling en met de buitenwereld verweven, Fabres werk is idiosyncratisch, wat meteen verklaart waarom het zoveel uitleg behoeft en ook waarom de dialoog die het met de kunstwerken in het Louvre aangaat vrijblijvend, niet-dwingend overkomt.

Enkele observaties, hier uitgeschreven op basis van wat ik noteerde tijdens mijn bezoek aan de tentoonstelling:

- een penis wordt ‘little girl’ genoemd of, in het Frans, ‘fillette’

- op de onderkant van een blad waarop LB in 1968 met rode inkt een boom heeft geschilderd, staat gedrukt: ‘Strathmore drawing board n° 74 […] [use other side]’; LB doorstreepte ‘use other side’ en plaatste in de plaats daarvan haar signatuur

- anatomie / psychologie / landschap / materie / architectuur (nest, geborgenheid, huis) / geest

- spiraaltrap leidt naar cirkelvormig platform waarop enkel een bed staat; elektroden leiden naar kleren die aan een als kapstok fungerend bot hangen

- ‘the tapestry of memory is woven and rewoven’

- ‘it is not so much where my motivation comes from but rather how it manages to survive’

- ‘le désir et le besoin humain d’être en relation ou d’appartenir à quelque chose, de faire partie d’une famille, d’une communauté’

- ‘le présent doit nier le passé’

1409

Brussel - 080430, 8u31

woensdag 14 mei 2008

Dag 259 vVH&C

080513 – Jan Fabre heeft in het Louvre een halve vleugel mogen vullen met zijn sculpturen, installaties en tekeningen. Zij ‘gaan een dialoog aan’, zoals dat tegenwoordig zo fraai wordt gefrazeld, met de 14de- tot 17de-eeuwse Vlaamse, Hollandse, Franse en Duitse schilderkunst. Mooi, en veel eer voor onze compatriot, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat (a) Fabre zijn privémythologie desgevraagd in om het even welke museale context dialogen zou kunnen doen aangaan, dat (b) Fabre erg veel tekst nodig heeft, en dat (c) de werken van Fabre een povere smoezeligheid aankleeft, die zeker in contrast met de meesterwerken uit de genoemde eeuwen en dito cultuurgebieden, zwaar opvalt (alle engelenhaar, skarabeegeflonker en bladgoud ten spijt). Het lichtpunt, en wat mij betreft hoogtepunt, van deze vreemde hommage was de video ‘Het probleem’ waarin we zien hoe Fabre zich, bollen rollend, vermeit in het gezelschap van twee vooraanstaande Duitse filosofen (een ervan is Peter Sloterdijk). Het uitgelezen gezelschap amuseert zich zichtbaar. (Toelichting: de bollen die de heren voortrollen zijn manshoog, de activiteit wordt zonder aanwijsbare richting en zonder nut uitgevoerd op een Beiers stoppelveld, en zij refereert aan het voortrollen van keverhoge mestbollen door de mestkevers die al evenzeer Fabres universum bevolken.) In dat filmpje is overduidelijk te zien dat Fabre het allemaal ook niet zó serieus meent, en dat vormt een aangenaam relativerende toon bij al zijn topzware en bloederige symbolen en metaforen. Deze indruk van ironie blijft bij en roept in elk geval bij mij de prangende vraag op: is hier een charlatan aan het werk die de Fransozen op Tijl Uylenspiegelachtige wijze magistraal bij de neus heeft genomen?

1408

Brugge - 080428, 20u18 (foto affiche: Stephan Vanfleteren)

dinsdag 13 mei 2008

Dag 258 vVH&C

080506 en 080513 – Op een dag kreeg ze een brief, een e-mail eigenlijk, van haar man. Of vriend. Of geliefde. Enfin, het doet er niet toe en nu al zeker niet meer want het was een afscheidsbrief. Gesteld in voorzichtige, omcirkelende, weloverwogen bewoordingen, diplomatisch, koel, onvermijdelijk keihard. Prenez soin de vous is de laatste zin in die brief. Zorg goed voor jezelf. Zorg goed voor jezelf [want ik zal niet meer voor jou kunnen zorgen aangezien ik er niet meer zal zijn en dus zal je het zelf moeten doen]. Zoiets. De Franse kunstenares Sophie Calle, want aan haar was die brief gericht, stuurde een kopie van de brief naar honderdzeven bekende en minder bekende vrouwen met de bede om er ‘iets’ mee te doen vanuit de eigen leefwereld, de eigen professie, de eigen kunstdiscipline, de eigen gevoeligheid. Dat leverde honderdzeven bijdragen op – brieven, tekeningen, filmpjes met iemand die danst, iemand die zingt, iemand die acteert… – en al die reacties werden door Calle samengebracht eerst voor het Frans paviljoen op de Biënnale van Venetië en nu in de – op zich al indrukwekkende – leeszaal van de Bibliothèque Nationale in Parijs. (Er hoort ook een heel mooie catalogus bij de tentoonstelling - die behalve uit de documenten ook uit foto's bestaat, die Calle van de honderdzeven vrouwen heeft gemaakt: vaak heel mooie en in elk geval technisch stevig uitgevoerde portretten, waarop ook is vastgelegd hoe de vrouwen op de brief reageren.)

Net als in eerder werk tast Calle de grenzen af tussen privé en openbaar, verkent ze de listen en lagen van voyeurisme en exhibitionisme, speelt ze met de verwarring die ontstaat wanneer feit en fictie in elkaar overvloeien.

Die verwarring zet zich over op de bezoeker van de tentoonstelling. Er is gêne, soms is het amusant. Een fadozangeres zingt de brief met veel gevoel voor drama, maar schiet af en toe in de lach omdat ze vindt dat de brief onvoldoende poëzie bevat voor een fado-interpretatie. Een vrouwelijke clown leest de brief voor op een hilarisch-komische manier (‘oh, qu’est-ce qu’il y a ici, une parenthèse, ohlala, j’aime les parenthèses!’). Een actrice leest de brief voor terwijl ze een ajuin schilt – wat dan de tranen in haar ogen moet verklaren. De zangeres Guesch – Etienne, Etienne! – Patti leest de brief voor, gezeten op een bank, terwijl achter haar een betoging door het beeld schuift. Een scenarioschrijfster heeft op basis van de brief een scenario geschreven. Een componiste een compositie. Een romanschrijfster een verhaal.

Sophie Calle heeft haar verdriet verwerkt, zoveel is zeker. Ze heeft goed voor zichzelf gezorgd. Hoe ‘G.’ er vanaf komt, is minder duidelijk. Door de tentoonstelling waart een ternauwernood ingehouden feministische bulderlach zoals die ook wel in de lezersbrieven van de Marie Claire in enigszins besmuikte vorm zal doorklinken, het antwoord van de veelgeplaagde vrouw op de mannelijke arrogantie: hoe durft hij het te zeggen, zorg goed voor jezelf (terwijl het natuurlijk ook alleen maar een onhandige formulering is van een menselijk wezen dat evengoed verdrietig is). De vrouwen hebben zich vakkundig gesolidariseerd en over het weerloze slachtoffer gebogen. Calle geeft zich bloot – zij heeft zich blijkbaar zelf ook in die man vergist – maar slaat terug met haar tot kunst gesublimeerd verdriet. De tentoonstelling aarzelt tussen wanhopige want vergeefse liefdesverklaring (alsnog) en afrekening, tussen vraag en wraak.

1407

Brussel - 080430, 8u37

maandag 12 mei 2008

Dag 257 vVH&C

080502 en 080512 – Optreden in de Brugse Botanieken Hof (‘Red Rock’) van Absynthe Minded: muzikale veelzijdigheid, stevig ritme, een indrukwekkende batterie, maar toch ook een wat te opzichtige en routineus afgeraffelde opbouw naar climaxen. Maar het blijft wel fris klinken, die mengeling van alternatieve rock, zigeunerklanken en melancholieke drinkballades met sex appeal. Daarvoor: Balthazar – ik kende de groep niet maar kreeg toch de indruk dat het zo’n optreden was waarvan je binnen vijf jaar zult zeggen: ‘ik heb hen nog gratis weten optreden in de Botanieken Hof’.

(’t Is niet denderend als concertrecensie, ik weet het wel. Wat ik wou zeggen is dat het prettig was nog eens zo’n festivalweide onder mijn voeten en de zomer in de lucht te voelen. Krakend plastic onder je zolen en een vleugje shag-met-een-geurtje dat komt aanwaaien op de nachtbries.)

1406 / Vlissingen 3/3 / mirage 8

1405 / Vlissingen 2/3

zaterdag 10 mei 2008

Dag 255 vVH&C

080501 en 080509 – Thomas Claus, de zoon van, vertelt in de Humo over zijn kunst. Hij heeft een aantal jaren geprobeerd een succesrijk beeldend kunstenaar te zijn. Toen hem duidelijk werd dat hij deze ambitie niet zou kunnen waarmaken, heeft hij al zijn kunstwerken in een huurgarage gepropt. Hij bleef voor die garage de huur betalen en vergat de kunstwerken. Tot de eigenaar van de garage hem verzocht de garage leeg te maken: de garage zou worden afgebroken. Toen heeft Thomas beslist om zijn garage niet leeg te maken. Nu staat op die plek een nieuw gebouw. Thomas weet niet wat er met zijn kunstwerken is gebeurd.

In datzelfde interview is sprake van een foto die in de kranten is verschenen. Thomas, ontroostbaar huilend op de begrafenis van zijn vader. Een schande, dat die foto is gepubliceerd. Zegt Thomas bitter. Humo, ongegeneerd, publiceert nu zelf ook die foto.

Ook in de Humo lees ik over iemand die vertelt waar hij was toen hij vernam dat Kurt Cobain dood was. ‘Ik weet het nog goed,’ vertelt hij. ‘De dood van Cobain heeft mij het leven gered.’ Hij klinkt enigszins routineus wanneer hij, duidelijk voor de zoveelste keer, zijn anekdote vertelt. ‘Ik zat achter het stuur en ik was net in slaap gevallen. Door het bericht schoot ik wakker en ben ik niet tegen een muur geknald.’

1403 / Westerschelde 8/8

Westerschelde 7/8

vrijdag 9 mei 2008

Westerschelde 6/8

Mijn woordenboek (191)

AFKRAKEN

In Stockholm sterven, zo liet ik mij ooit tijdens een wandeling in die stad door een ervaren gids uitleggen, elk jaar passanten door de ijspegels die tijdens de dooi van de dakranden naar beneden vallen. De burijnscherpe projectielen zijn blijkbaar zo zwaar, en vallen, wanneer hun hechtpunt een kritiek afsmeltpunt heeft bereikt, zo trefzeker naar beneden, dat ze zich met meticuleuze precisie dwars door de schedelpan in de hersenen boren van de ongelukkige die het zich op dat al even precieze moment permitteert om uitgerekend dáár onder desbetreffende dakrand te lopen. De Stockholmers wordt dan ook aangeraden om op het eind van de winter zo weinig mogelijk onder dakranden te lopen, zo mogelijk een beschermend hoofddeksel te dragen, zich minstens van het gevaar bewust te zijn.

En daarmee heb ik aan de verleiding weerstaan om het hier te hebben over literaire kritiek of over de commentaar die vrienden of mensen in je omgeving hebben op jouw of elkaars of andermans werk. Scherp, eventueel, als een Stockholmse pegel die zich door een schedelpan boort.

1402 / Westerschelde 5/8

Westerschelde 4/8

donderdag 8 mei 2008

mirage 7

Westerschelde 3/8

Dag 251 vVH&C

080426
Honderd woorden (11)
Dat de dingen zomaar kunnen samenkomen. Gratis mooi zijn, zo. Gerookte vis, het is bij u bekend. Nochtans, dát was het niet, in die plastic zak. Ik heb er al een, zei ik aan de Slegteman. Ik toonde mijn boodschappentas. Met daarin – alreeds afzonderlijk verpakt – de kabeljauw die ik mij net had aangeschaft op de markt. De gladgepolijste arduinen, eeuwen van transactie. Het boek Rookgordijnen – vijf euro: mooi afgeprijsd – ging, gaat, over roken. Niet van vis maar door mensen. Roken in de kunst. En zo kwamen ze samen: het roken en de vis. Hoe de dingen kunnen samenkomen. Daarvoor openstaan.

1401 / Westerschelde 2/8

Westerschelde 1/8

woensdag 7 mei 2008

41 * 27,33 * 889

Zonder D – en hij zonder mij – zouden we elk zeker drie kilometer trager hebben gereden, zo strak stond te noordoostenwind. En ik zou tien kilometer minder hebben gefietst. Maar goed, we trekken samen op, we solidariseren ons en verenigen onze krachten en dat blijkt – in dit uiteenvallende land – nog altijd meer op te leveren dan de som van de delen gedeeld door het aantal delen. De gesprekken vlotten niet echt, om eerlijk te zijn, ze modderen wat aan, maar ach, we zijn hier om te fietsen natuurlijk. We rijden naar Sijsele, Knesselare, Beernem. Ik bewonder het apparaat op D’s stuur: een conglomeraat van kilometerteller, snelheidsmeter, gemiddeldeberekenaar, hoogtemeter, hartslagmeter, gps en ik vergeet waarschijnlijk nog wel een paar functies. Of er zoiets zou bestaan, misschien, om alvast op mijn fiets mijn verslagjes uit te tikken? D suggereert een dictafoon. Ik kijk nog wat rond en stel vast dat het zo droog is dat de voren die de tractoren trekken verpulveren nog voor ze getrokken zijn.

Dag 249 vVH&C

080423 – Vantage Point. Ik begrijp die commentaren niet goed, dat dit een totaal nieuwe dEUS-plaat zou zijn, met een volledig nieuw geluid. Niets, of toch heel weinig, is minder waar. Dit is vintage dEUS: complexe, gelaagde composities, misschien iets minder gelaagd maar toch; een volle, ingehouden sound; de getormenteerde melancholie van de rustige nummers; de massieve erupties van harmonieus lawaai wanneer de aanvangsmelodie, opgejaagd door het ritme en aangedikt met steeds vettiger klinkende geluidlagen, openscheurt, barst, uitbarst. Het is ritmischer, melodieuzer, dansbaarder dan de dEUS van vijftien jaar geleden, dan de onovertroffen brute, onvermengde, onversneden energie van Worst Case Scenario, maar het blijft zeer herkenbaar uit de duizend, voor zowat elke klank van deze opnieuw heel rijke en zijn geheimen pas na herhaalde beluistering prijsgevende cd: dEUS, zijnde een wat mij betreft buitengewoon genietbaar mengsel van branie, zeer onvlaams kosmopolitisme, ongegeneerd eclecticisme.

1400

dinsdag 6 mei 2008

Dag 248 vVH&C

040826 en 080506 – Zelfs het bloed, dat op het einde van de film opwelt (ik verklap niets want het zit al in de titel, There Will Be Blood), is zwart. Het kón eenvoudigweg niet rood zijn, na een film waarin zowat alles somber gekleurd is. Sepiabruin en grijs overheersen. Hier is er een streepje groen, daar een vlek blauw of rood – enkel en alleen omdat het onvermijdelijk is als je een boom of een zee of vuur in beeld wil brengen. Het bloed is dus zwart, net zoals de olie die uit de aarde sijpelt, in de bron welt, uit het boorgat opspuit. Bloed en olie, de kleur van het geld.

There Will Be Blood van Paul Anderson (onder meer Magnolia) is een adembenemende film met bijbelse allure over onze economie, hoe daarvoor alles moet wijken, prachtig in beeld gebracht, indrukwekkend geacteerd door onder meer Daniel Day-Lewis, en door Jonny Greenwood, in zijn vrije tijd lid van Radiohead, van een sterke muziekscore voorzien.

1399

S., H., P., B., S. en F.

maandag 5 mei 2008

35 * 27,75 * 848

Nog maar net vertrokken of mijn fiets verandert in een rijdend bureau: W belt met een eindredactioneel probleempje, het gaat over een tekst waarin sprake is van een God die lijdt en eenzaam is. Doet me denken aan Gerard Reve, natuurlijk, die deze middag door een kandidaat in Blokken ‘Rêve’ werd genoemd – de jury kon het niet goedkeuren. Mijn Parijse benen staan nog niet op Polderstand: ik geraak, ook al waait de wind in het voordeel, nauwelijks vooruit. Tot ik word voorbijgestoken door een man in bermuda en geruit hemd-met-korte-mouwen. We stayeren, en raken op de duur aan de praat. Ik verneem dat deze man veertig jaar bij Bruggen & Wegen heeft gewerkt, dertig jaar niet op een fiets heeft gezeten, nu al drie jaar vier keer in de week gaat fietsen, altijd rondjes van een kilometer of dertig maalt, ’s winters bijtraint op de hometrainer, zijn vrienden van het werk niet vaak ziet maar ze ook niet mist, suikerziek is, en naast het fietsen ook nog met tuinieren en filmpjes maken bezig is. Aan de sluis van Zandvoorde moet hij mij laten gaan: hij heeft blijkbaar toch wat gebluft. De terugweg is er tegenwind, ik haal nauwelijks nog 23 per uur. Ben dan ook blij dat er opnieuw een ouder manspersoon met een net wat grotere snelheid mij voorbijrijdt. Ik haak aan en blijf in het wiel tot aan het AZ Sint-Jan. In tegenstelling tot de eerste ontmoeting verloopt dit samenzijn woordenloos. Ik zie hoe de man pas na een kilometer of wat nadat ik gelost heb achterom kijkt en merkt dat ik dan alweer honderd meter achter zit. Ik ben alleen achtergelaten, en lijd.

1398

Brugge - 080310, 15u09

1397

Brugge - 080310, 14u48

vrijdag 2 mei 2008

Dag 247 vVH&C

080422 – Wat zielig eigenlijk: dagen van op voorhand wordt er gespeculeerd: wat als Standard kampioen wordt? Hoe zal het gevierd worden? Hoeveel mensen zullen er in de straten van Luik samenkomen? Een uur voor de wedstrijd staat een reporter al de sfeer te peilen. ’t Is een beetje mak: iedereen staat braaf in de rij voor de loketten. Enzovoort. En dan is het zover, Standard ís kampioen, en dan moet er toch iets worden getoond. En ja hoor, dan krijg je die stoet gênante beelden: dronkemannen die zwalpen door de Luikse straten, auto’s beschadigen, tegen palen zeiken. Standard Champion!, lallen ze. Tof hoor, die feestvreugde.

*

Hoe kan een land met een meer dan tweeduizend jaar oude, hoogstaande cultuur; een land dat bol staat van levenskunst; een mooi land met een mooie taal en mooie mensen; een land met een stevige linkse traditie, een land waar de sociaal-realistische film is uitgevonden, en kunststromingen zoals het futurisme zijn tot stand gekomen – geen linkse kunststroming, zeker niet, maar dan toch een kunststroming; een land met steden die nog altijd tot de mooiste van de wereld behoren en waar de klassieke, de Romaanse, de renaissancistische, de classicistische, de moderne bouwkunst tot hoogtepunten in de wereldarchitectuur hebben geleid – hoe kan zo’n land een man verkiezen die op zo’n manier zijn tanden blootlacht dat hier, bij ons, de eerste de beste uit de Vlaamse boerenklei ontsproten dorpsgek zijn fiets niet zou toevertrouwen aan een fietsenmaker als die op diezelfde manier zou lachen.

1396

Brussel - 080417, 13u48

donderdag 1 mei 2008

Dag 246 vVH&C

080420 en 080501 – P vertelt over zijn zieke schoonmoeder, die het moeilijk had met het feit dat hij in huis diegene is die kookt (dat was in haar land, in haar cultuur not done) – maar die hem toch haar potten en pannen naliet omdat hij zo lekker dat gerecht uit haar thuisland had weten klaar te maken. Maar in die ene diepe pot mag hij alleen maar die ene saus bereiden, deed ze hem beloven - ik ben de naam van die saus vergeten, het was iets op basis van pindanoten. P belooft het haar. P vertelt ook over hoe mooi zijn schoonmoeder is heengegaan.

En wat later vertelt S over de neurotische X, die voortdurend al dan niet denkbeeldige pluisjes en haren van haar kleren plukt, ook als ze tegen je praat, en die een keer van de kraamkliniek terugkwam en haar man voor verrot uitschold omdat hij tijdens haar afwezigheid haar verzameling koperen pannen niet in de juiste volgorde aan de haakjes had teruggehangen.

1395 / Schoolfeest 7/7