maandag 28 april 2008

Dag 243 vVH&C

Foto: Paul Willaert

080415 -

Mijn permanente duizeling

Ik weet het:
ik kan niet anders,
ik kan niet zonder,
ik kan ‘t niet laten,
‘t is sterker dan mezelf.

In alle mogelijke opzichten,
onder alle lichten,
onder alle luchten,
ik hoor je zuchten,
het mag niet baten
ik kan ’t niet laten:

ik kadreer voortdurend.

Bevrijd me uit dat harnas
van bruggen en palen
van carrosserie en x-gerate lingerie
van ramen en frames.

Geef me ruimte,
laat me asemen.
Bevrijd me uit de permanente duizeling
van décolleté en perspectief.

Heb me lief.

1392 / Schoolfeest 1

zaterdag 26 april 2008

Mijn woordenboek (190)

AFKOMST

Middle Class – zo ongeveer zou je mijn afkomst kunnen omschrijven. Veeleer lower dan upper. Mijn moeders vader was ‘vlasser’ in de Kortrijkse Leievallei en mijn vaders vader had iets verantwoordelijks in een overslagbedrijf dat verbonden was aan een steenkoolmijn in het (Belgisch-)Limburgse Maasbekken. Meteen heb ik hier naast mijn sociologische ook mijn geografische roots gegeven. In mijn bloed zit het hele land, van het diepe Zuid-West-Vlaanderen tot het zéér verre Limburg – en bovendien hebben mijn ouders tussen mijn geboorte en mijn derde levensjaar ook nog op drie verschillende adressen in het toen volop achterstand oplopende Henegouwen gewoond. Ook linguïstiek heb ik een dubieuze afkomst want het lot, dat onder meer de omzwervingen van het – tweetalige – gezin waarin het mij had gedropt stuurde, deed er lang over om uit te maken of mijn moedertaal het Nederlands zou worden dan wel het Frans.

Afkomst doet er voor mij niet toe. Althans, zo houd ik mezelf voor. Ik probeer een meritocraat te zijn – niet het minst omdat ik zo ben opgevoed: hard werken leidt tot scoren, en alleen scoren wordt beloond. Het is geoorloofd het hier uitdrukkelijk zo te stellen omdat ik ook enkele aristocraten tot mijn kennissenkring mag rekenen. Ik weet dus waarover ik spreek.

Een van die aristocraten, zij het dat hij slechts van verarmde adel een telg is, leeft net als ik als meritocraat. Wat hem siert, uiteraard. Dat neemt niet weg dat ik de ‘zwarte’ sneeuw die hij vanuit zijn standpunt meent te hebben gezien, in zijn plaats nog als wit of hoogstens als lichtgrijs zou hebben getaxeerd. De tijd van priester Daens en ‘De bossen van Vlaanderen’ mag dan ver achter ons liggen en de stelling dat we allemaal gelijk zijn tot het algemeen gedeelde gedachtegoed behoren, ik heb herhaaldelijk aan den lijve mogen ondervinden dat de ene toch gelijker is dan de andere.

Dag 241 vVH&C

080415 - Lijstje: Stefan Hertmans, Leonard Nolens, Kees van Kooten, Michel Seuphor, Gwy Mandelinck, en nu David Van Reybrouck.

1390

Meifoor 14

vrijdag 25 april 2008

35 * 30,40 * 813

Zelfs zonder de muziek bij te hebben, bijten ‘The Architect’ en ‘Slow’ zich, op het ritme van mijn pedaalslag, vast in mijn kop – nu eens het ene dan weer het andere en soms zelfs allebei tegelijk. Ja, de deuntjes van dEUS zijn beslist commerciëler geworden. dEUSdeuntjes. Ik zie: een meeuw die dobberend op het water een dode vis verorbert; een man die breed naar het land gekeerd staat te pissen, zijn fiets, gepakt en gezakt voor wat wellicht een meerdaagse tocht is, ligt langs de kant van de weg; een wit en zwart iets, plat op de straat, ik denk het is een doodgereden kat maar het blijkt een zak. Heen is het wind tegen en ik haal het keerpunt met 27,5 op de gemiddeldeteller. Maar dan gaat het een rotvaart. Ik kom nauwelijks onder de 35, ik ben regelrecht aan het koersen, houd mijn snelheid zelfs op peil door af en toe rechtop op de trappers te lopen of de aerodynamische Roger De Vlaeminck-houding aan te nemen.

Dag 240 vVH&C

080414 – Genoteerd: ‘Ik ben nog altijd de eenvoudige Eddy Wally van vroeger en nu.’ (Eddy Wally, in De Rode Loper op Eén. Geweldig!)

Dag 239 vVH&C

080418 – Jan Fabre zegt in Spraakmakers op Canvas dat hij creëert omdat er na hem nog iets een tijdje zou blijven voortbestaan. En op de vraag hoe het komt dat de Seefhoek al een paar belangrijke kunstenaars heeft voortgebracht (Bervoets, Panamarenko…) antwoordt hij: ‘De verbeelding.’ Impliciet: het is de verbeelding die je uit een moeilijke situatie helpt te bevrijden.

1389 / Meifoor 13

Meifoor 11

donderdag 24 april 2008

Dag 237 vVH&C

080421 en 080424 – Een vruchtbare invalshoek om iets over Nachttrein naar Lissabon te zeggen lijkt mij de genrekwestie – waarbij meteen voor ogen dient te worden gehouden dat de identiteit van de auteur uiteenvalt in die van de filosoof Peter Bieri, zoals hij ook bij de burgerlijke stand van het (Duitstalige) Zwitserse Bern staat ingeschreven, en de romanschrijver Pascal Mercier, het (Fransklinkende) pseudoniem derselben.

De roman Nachttrein naar Lissabon bevat, volgens het inmiddels geijkte (Carlos Ruiz Zafón, Nicole Krauss…) postmoderne procédé, een boek-in-het-boek, dat zelf veeleer thuishoort in het genre (of subgenre) van de filosofische autobiografische essayistiek. Dat boek-in-het-boek bestaat uit filosofische notities van een filosofisch aangelegd hoofdpersonage, aantekeningen die in een ander register en met grotere literaire kwaliteit zijn gesteld dan wat je zou kunnen noemen het vrij uitvoerige verhaal (een zoektocht, uiteraard) dat eromheen gesponnen is. Uiteraard is Bieri/Mercier de auteur van zowel de notities als het verhaal – maar het laat zich aanzien dat het vooral in de boek-in-het-boek-notities is dat de voormalige hoogleraar filosofie uit Bern Bieri zijn ‘ei’ heeft gelegd.

Peter Bieri is benevens romancier (ps. Mercier) ook auteur van een gezaghebbend filosofisch handboek over vrijheid, en dan wél onder zijn eigen naam. Als ‘Pascal Mercier’ publiceerde hij vóór Nachttrein naar Lissabon twee romans. Allebei bejubeld door de kritiek en grotendeels genegeerd door het publiek.

Het heeft er alle schijn van dat de Peter Bieri in Pascal Mercier daar geen vrede mee nam en bijzonder graag voor zijn in romans gedeponeerde filosofische ideeën een bredere respons weggelegd zag. Breder dan de specialisten die Das Handwerk der Freiheit tot zich hadden genomen én dan het handvol lezers dat warm liep voor Perlmanns Schweigen (1995) en Der Klavierstimmer (1998). Hoe kan ik dat het best doen, lijkt Bieri zich te hebben afgevraagd. Hoe moet ik een bestseller schrijven? Wat is het recept?

Er zijn elementen in de roman die lijken te wijzen op een dergelijke bewuste strategie.

Wie recept zegt, zegt ingrediënten. En de inmiddels klassieke ingrediënten van de bestseller zijn er wel degelijk: een speurtocht op basis van documenten en gesprekken met getuigen naar een hoogst intrigerende figuur die in de coulissen van het verleden spoorloos lijkt te zijn verdwenen, een vleugje romance, een snuifje levenswijsheid, een identiteitsqueeste, een intrigerende zuiderse stad als assaisonnement – waar dat Buenos Aires is in Een geschiedenis van de liefde en Barcelona in Schaduw van de wind, is het hier: Lissabon. Dit pomogenre leunt hoe dan ook stevig aan bij de danbrownistieke receptuur – maar voor zover het hier om serieuze literatuur gaat, blijven de magisch-realistische toets, de topzware symboliek met veel hocuspocus en de onwaarschijnlijke gebeurtenissen gelukkig achterwege. (En wellicht nog het een en het ander – maar ik heb die Da Vinci- en Bernini-bekers natuurlijk wijselijk aan mij laten voorbijgaan.)

Naast de klassieke bestselleringrediënten bevat Nachttrein naar Lissabon ook enkele impliciete verwijzingen naar de megaseller Schaduw van de wind, bijvoorbeeld in tussentitels: ‘De verwarrende schaduwen van de dood’; ‘De schaduwen van de ziel’.

Dat kan geen toeval zijn, dit is een knipoog. Een vette.

Serieuze literatuur? Op de rand hoor, die Mercier. Er is één element, minstens één, dat hem aan deze zijde van de kitsch houdt: de buitengewoon hoge kwaliteit van de teksten die, her en der in de roman geciteerd, samen het document (het boek-in-het-boek) vormen dat de speurtocht van het hoofdpersonage, Gregorius, en uiteindelijk ook diens leven, richting geeft. Die fragmenten zijn zo goed geschreven, en inhoudelijk zo sterk, dat ze op zich al voldoende reden vormen om het boek te lezen. Of, als de verhaalverpakking u niet interesseert, alléén die fragmenten te lezen. (Dat ze cursief gedrukt staan, lijkt deze optie zelfs aan te moedigen.) Het gaat om prozateksten, maar dan wel prozateksten met een poëtische kwaliteit – waarmee Bieri meteen illustreert wat hij de personages in zijn boek laat denken, namelijk dat bepaalde waarheden enkel op een poëtische wijze tot uitdrukking kunnen worden gebracht.

Dat hij meteen zelf de daad bij het woord voegt, is zonder meer een huzarenstuk.

Ik gebruikte daarnet niet toevallig het woord kitsch. Want ook daarover gaat het in Nachttrein naar Lissabon. Mercier (Bieri) vergelijkt kitsch met de tralies van een gevangenis: ze zijn ‘met het goud van versimpelde, onechte gevoelens bekleed, zodat je ze voor de zuilen van een paleis houdt’ (233). Mercier geeft ook af op de eenvoudige mensen die populaire romans lezen. En hij maakt, alsof de ironie er nog niet dik genoeg op lag, op een gegeven ogenblik, een beetje kwansuis, ook een opmerking over bestsellers: ‘dat kwam overeen met zijn gewoonte bestsellers pas jaren later te lezen’ (396). Het ligt er vingerdik op: Nachttrein naar Lissabon mag dan al de allure hebben van een bestseller, het is in het genre naar binnen geschoven als een paard van Troje.

Door dit alles wordt de genrekeuze van Nachttrein naar Lissabon een staaltje van superieure ironie in hoofde van de auteur. Inhoud, gepresenteerd in een bestsellerpakje. Het verhaal – met alle trucs die daarvoor nodig zijn – als glijmiddel voor interessante ideeën in bestsellertijden.

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon (Amsterdam 2007 - 17de dr.), 415 p.

1388 / Meifoor 10

woensdag 23 april 2008

Terugblik 472 / 1000 (22)

We moeten er niet flauw over doen: het toeval speelt vaak een grote rol. Een zéér grote rol. Deze foto levert daarvan een mooi voorbeeld. Want wat gebeurt er? Ondergetekende zit met vrienden een koffie te drinken op het terras van een café in een straat in Luik. In de linkerooghoek duikt een gestalte op met plastic zak. Om de een of andere reden trekt hij mijn aandacht, lijkt hij markant, onderscheidt hij zich van de andere passanten. Ondergetekende grijpt naar zijn fototoestel, doet een rudimentaire cadrage wijl de man passeert, drukt af, en zet, nog eens aan zijn koffie nippend, het gesprek voort. Dat heeft alles samen hooguit twee seconden geduurd. De man verdwijnt rechts uit beeld en wordt meteen vergeten. Een van de honderden foto’s die op niets lijken te zullen uitdraaien.

Niet dus. Want wat blijkt? Datgene wat u ziet als u nu zelf zorgvuldig kijkt. De man kijkt in de lens. Hij stapt met zijn armzalige autochtone zelf onder een veelbelovende boodschap vol zon en exotisme door. Die boodschap wordt daarboven – en daarenboven – nog tweemaal herhaald op de wimpers van wat, met een beetje verbeelding, twee ogen zouden kunnen zijn in een gelaat. Dat gelaat, de gevel van het pand waarin het reisbureau huist, staat min of meer centraal in de compositie – ook dat is toeval. De man stapt met vreemd gebogen, ietwat slepend rechterbeen over een compositie van eveneens gebogen lijnen heen. Toeval opnieuw: dat hij niet óp die lijnen stapt, wat het tableau denkelijk niet ten goede zou zijn gekomen. (De vervorming van het been doet mij denken aan
de racewagen van Jacques-Henri Lartigue, waarop de vervormde wielen snelheid suggereren – hier is eerder sprake van traagte, loomheid, iets slepends.) Rechts in beeld komt in de vorm van een kinderwagen een nieuwe thematiek aangereden: die van leven en dood, jeugd en ouderdom, de tijd.

Ondertussen zijn die twee seconden uitgedijd tot meer dan drie jaar. Er is vanalles gebeurd, intussen, maar nog steeds staat die man in die Luikse straat daar. Bevroren in zijn beweging, in zijn grimas, in zijn toevallige samenloop van omstandigheden. Hij is uitvergroot, ingelijst, hangt aan mijn muur. En nu toon ik hem aan u en gaat hij misschien in andere breinen en herinneringen leven. Ook dat is fotografie. Het streven om de tijd en de werkelijkheid te vatten en vervolgens uit te smeren, te vermenigvuldigen, oneindig te maken. Een moeilijke onderneming, alle hulp baat. Ook deze die met gulle hand door dame Fortuna wordt aangereikt.

En dan nog dit. Hebt u ook de slogan gezien van het reisbureau? Il reste tant de monde à découvrir. Ook daarover gaat fotografie: in de beslotenheid van het kader schuilt een wereld die altijd veel groter is.

Dag 235 vVH&C

080423 – Een inzicht, na het bekijken van de dvd’s met fotografenportretten (Dag 229 vVH&C) en het boek L’Art sans art d’Henri Cartier-Bresson: je moet afstappen van de gedachte dat de fotograaf bij het afdrukken het hele beeld controleert. Heeft HCB bij het maken van de bekende foto van de man die over de plas springt het dubbele beeldrijm voorzien (tussen de affiche op de muur en de springende man enerzijds, en tussen de affiche op de muur en de stukken gebogen metaal in de plas anderzijds)? Wellicht niet, of het zou moeten zijn dat hij het geheel zou hebben geënsceneerd en dus de hele constructie – waarin le moment décisif – een inderdaad beslissende rol speelt, zou hebben opgezet. Wat niet interessant zou zijn, en wat, als je zorgvuldig vele andere foto’s bekijkt, ook helemaal niet waarschijnlijk is. De contactafdrukken, zoals die in de fotografenportretten werden getoond, bevestigen dit. Vaak, en niet alleen bij HCB, gaat achter de uiteindelijke foto een hele reeks van minder geslaagde of volledig mislukte pogingen schuil.

Het toeval speelt met andere woorden een grote rol. Een gestuurd toeval, maar toch een toeval. De fotograaf controleert niet het volledige beeld (de straatfotograaf, de snapshotfotograaf, niet de fotograaf die alles opzet, mensen en dingen, als voor een stilleven…). Dat is, welbeschouwd, een bevrijdende gedachte. De kwaliteit van de foto moet niet dáárin, in die controle, worden gezocht. Maar waarin dan wel? Ik denk in het feit dat de goede foto’s nu net dat oncontroleerbare tonen. Het is precies het omgekeerde: de goede foto’s tonen wat wij zonder die foto’s niet kúnnen zien. Zij tonen wat enkel in de werkelijkheid van de foto (die een andere werkelijkheid is dan de gefotografeerde werkelijkheid) zichtbaar wordt. Goede foto’s maken het onzichtbaar zichtbaar.

En goede fotografen zijn dan fotografen die goede foto’s maken. Die het soort foto’s maken die goede foto’s kunnen blijken te zijn. Goede foto’s die wellicht in veel gevallen ook hén verrassen.

1387 / Meifoor 6

dinsdag 22 april 2008

Dag 216 vVH&C

080322 en 080422 – In Paris van Cédric Klapisch zit er behalve een fameuze dip (zus (Juliette Binoche) probeert voor haar zieke broer het meisje van het appartement aan de overkant van de straat te versieren) ook een geniale sequentie: de droom van een architect, hoe hij daarin in de 3D-animatie van zijn eigen woningbouwproject terechtkomt en de optimistische peptalk van de bewoners van dit steriele Utopia moet aanhoren. Onnodig te zeggen dat deze brave man zwetend wakker wordt!

Paris is een wat softe compilatiefilm waarin, volgens het Short Cuts-procédé, verschillende personages worden gevolgd en samenkomen. De boodschap is eenvoudig: met de levensbedreidgende ziekte van de broer en het onzekere lot van de vluchtelingen die alles veil hebben en zelfs hun leven op het spel zetten om in gammele bootjes het beloofde land te bereiken, houdt Klapisch de bewoners van de hoofdstad van dat paradijs, Parijs, voor dat ze maar beter wat kunnen doen aan hun buitensporige aanleg tot klagen.

1386 / Meifoor 5

maandag 21 april 2008

Ali met de pet

Alexander blogt weer. Onder een andere naam. Het was een half jaar geleden al goed, nu is het nog beter.

Uit het nieuws

Enkele dagen geleden stortte een Congolees vliegtuig neer op een Congolese stad. Daarbij vielen, ja hoeveel doden vielen er eigenlijk – we zullen het wel nooit weten. Twintig of dertig. Of misschien wel veertig. Enfin, soit. Belangrijk voor de Vlaamse berichtgevers was blijkbaar dat er bij de overlevenden vier Belgen waren. Hoeveel overlevers waren er in totaal? Werd niet gezegd. Hoeveel Belgen of houders van een andere nationaliteit dan de Congolese kwamen om? Geen idee.

Dat soort vermeldingen stuit tegen de borst, natuurlijk. Niet dat we niet blij zijn dat die Belgen die ramp hebben overleefd en niet ook in dat verhakkelde en verbrande wrak tussen al die anonieme Congolezen zijn omgekomen. Maar waarom wordt het nodig geacht om bij dit soort berichtgeving een onderscheid te maken tussen nationaliteiten? Tsunami met tweehonderdduizend slachtoffers? Geen nood, ‘er zitten geen Belgen bij’.

Misschien kan dit Congolese vliegtuigincident al een eerste aanzet vormen tot een wat decentere berichtgeving. Want wat blijkt wanneer een van de vier ‘Belgische’ overlevers via de telefoon een getuigenis uitbrengt? Dat hij Michel Luntumbue heet! De Belg Michel Luntumbue heeft de crash overleefd! Geen raszuivere Belg, maar toch een Belg! Zijn we nu iets minder blij? Nee toch?

Pascal Digital in print

Pascal Digital in print! Twee en een halve lemmata uit de reeks ‘Mijn woordenboek’ (‘Afdak’, ‘Afblijven’ en twee zinnen uit ‘Aanhangwagen’) werden overgenomen in de rubriek ‘Wie blogt die blijft’ van het tijdschrift Dighter (2007, nr. 4 – nu pas verschenen en nog niet op de website). Met dank aan Paul Rigolle.

Dag 234 vVH&C

080418 en 080421 – Een interessant tv-programma over Wikipedia. Een voormalig redacteur van de Encyclopedia Britannica kaartte sceptisch de kwaliteit van de lemmata aan. Veel is juist, maar er wordt geen onderscheid gemaakt tussen wat wel en wat nog niet geverifieerd is, wat één keer en wat gedoublechecked is. Tussen wat niet en wat wel is getoetst aan nieuwe bevindingen. Tussen het al dan niet betrouwbaar zijn van de bronnen. En doordat de informatie te allen tijde door de grootste nitwit kan worden geamendeerd, heb je nooit een volledige controle.

Ook de cultuurcriticus Andrew Keen (The Cult of the Amateur), scepticus als het over de verworvenheden vna het internet gaat, formuleerde zijn bedenkingen. Wikipedia wordt voor zeer velen, en niet alleen voor luie studenten, de enige bron van informatie. De waarheid wordt wereldwijd eengemaakt. Alle nuances verdwijnen in die grote digitale vergaarbak. Specialisme en expertise verdwijnen. Iedereen, ook de grootste amateur – ja, bij voorkeur de grootste amateur – is tegenwoordig publicist en encyclopedist (de Diderot van om de hoek), en je krijgt een enorme nivellering naar onderen, met de gekende knip- en plakdissertaties als meest in het oog springend gevolg. De overgeschreven fout als hedendaags academisch distinctief. Wikipedia als superdemocratische vergaarbak van ‘kennis’ – autoriteit (in de betekenis van gezaghebbend) is inderdaad een taboe geworden.

Ik vraag me af in hoeverre het verdwijnen van het zoeken – in archieven, bibliotheken, enzovoort – niet ook tot een grote verarming leidt. Wikipedia als serendipiteitskiller. Wikipedia dicteert wat de wikipediagebruikers interessant vinden.

Meifoor 4

Dag 215 vVH&C

080320 – Ik zit me al de hele tijd af te vragen waarom het overlijden van Claus me zo verdriet. Hield ik van zijn werk? Ik kan dat eigenlijk niet zeggen. Ik las nauwelijks zijn poëzie, van zijn toneel weet ik omzeggens niets, op Het sacrament na vond ik zijn filmkunst niet echt om over naar huis te schrijven, en de romans, tja, daar heb ik veel moeite voor gedaan maar ik ken er die het genre beoefenen op een manier die mij veel meer aanspreekt. Het verdriet van België is inderdaad bijwijlen een meesterwerk (en in elk geval een monument voor de Vlaamse taal), en enkele verhalen uit De zwarte keizer maakten ooit een grote indruk op mij – al is het te lang geleden, ik zou niet meer weten waarom ze dat deden.

Gisterenavond las ik – luidop – een paar bladzijden van het lange gedicht 'Het teken van de hamster' en ik was onder de indruk. Van de compositie. Van het grote lef waarmee beelden en motieven worden aaneengeregen. Het gedicht over de dood van de broer in De sporen vond ik indertijd erg aangrijpend, zij het een beetje op een gemakkelijke manier.

Want dat kon Claus, denk ik, als geen ander: de grote gevoelens bespelen op een manier die intelligent, barok en verhullend genoeg was om het cliché te overstijgen. Hij daagde het cliché uit. En ja, misschien overschreed hij soms wel eens de grens tussen kunst en kitsch, zoals Gerard – toen nog Kornelis van het – Reve het gisteren zo onwelluidend op de verrekijk verkondigde.

Waarom doet zijn verscheiden mij verdriet? Omdat hij, net als koning Boudewijn en Eddy Merckx, er altijd geweest is – hij is zo'n icoon dat je op je levensweg vergezelt en waarmee je je eigen, onmiskenbaar Vlaamse, culturele identiteit samenstelt. Maar toch ook omdat met hem een uniek karakter, een groot mens verdwijnt.

Ik kan daar eigenlijk niets over zeggen want ik heb hem uiteraard nooit persoonlijk gekend, daarvoor was hij te ongenaakbaar en ik te nietig. Dat ik hem ooit, te Leuven, heb aangesproken: het is een van mijn topanekdotes en er komt een dag dat ik beverig en vergeetachtig enkel nog dat zal weten te vertellen als het toevallig misschien ooit nog een keer over Claus zou mogen gaan… Hij zat, hand met sigaret nonchalant buitenboord hangend, op de passagierszit van een DS en vroeg mij, toevallige passant, de weg naar het cultureel centrum waar hij die avond in ruil voor ettelijke zilverlingen en het applaus van devote bewonderaars een paar van zijn poëtische parels te berde moest brengen. Ik, sukkel, wuifde wartaal wauwelend onbestemd in de richting die ik zelf uit moest – het was ‘daar ergens’. De straat klom, ik had nog een lange weg voor de boeg naar ik weet al lang niet meer naar waar. Niet naar die cultuurtempel in elk geval. De ver-vertrouwde stem mompelde beleefd een dankformule en de wagen gleed, zweefde, steeg op naar gindse Olympus.

Ik zag Hem ook ooit eens in een krantenwinkel in Gent. Hij ging naar buiten op het ogenblik dat ik naar binnen stapte – ik herinner me nog goed het aura dat daar tussen de periodieken, sigaretten en viltstiften voelbaar was blijven hangen.

Zijn grootsheid en, mutatis mutandis, mijn nietigheid, heb ik ook ooit aan den lijve ervaren, toen ik als 'snurkende recensent' van dienst 'de échte Leeuw van Vlaanderen' (een Waalse krant vandaag) in de foyer van de Bourla, na een poëzievoorleesavond, een vraagje moest stellen. Moest stellen: ik kon het mij niet veroorloven daar als journalist te zijn geweest zonder de belangrijkste gast van de avond een quote te ontfutselen. Ik had al de hele avond meer van plankenkoorts en faalangst te lijden gehad dan alle tien dichters die die avond hadden opgetreden samen. En daardoor was nauwelijks iets tot mij doorgedrongen. Het was onontkoombaar, dus: ik moest het monument benaderen. Zou hij eerst, zoals een grote kat, nog wat met mij spelen en met mij, met een paar goedgemikte vegen van zijn klauw, de vloer van de gelagzaal aanvegen, of zou hij…? Hij verwaardigde zich een antwoord te mompelen op mijn duizendvoud gerepeteerde maar desalniettemin door gestotter vakkundig de nek omgewrongen vraagje. Ik, bevend als een riet, noteerde enkele woorden in mijn notaboekje en maakte mij uit te voeten. Oef, ik was er van af, ik had iets waarmee ik in mijn artikel trots en in vette letters voor het door mij genoteerde antwoord kon schrijven: ‘Hugo Claus:’.

Wat een vernedering – daar heb ik beseft dat ik nooit een journalist was geweest en er ook nooit een zou worden.

Een uniek karakter, een groot mens. Ik ken hem alleen via de omweg van de media. Ik ken hem dus níet – maar toch meen ik dat Claus Claus was omdat hij in zich een grandioze mix tot stand bracht van gekwetstheid en branie, onzekerheid en bluf. Wat zeg je, ik geen schilderijen kunnen maken zoals Alechinsky en Corneille? Wacht maar! Wat zeg je, ik geen roman kunnen schrijven zoals Faulkner? Wacht maar! Wat zeg je, ik geen dichtbundel kunnen schrijven zoals Dante of een toneelstuk zoals Euripides? Wacht maar! Hij zette met zijn knip- en plakwerk het hele intellectuelengild voor schut, en met zijn ongeziene, robuuste, in de Vlaamse en Noord-Franse klei (de suikerarbeiders!) geaarde energie ging hij in zijn eentje de wereld te lijf. Plus, hij regisseerde als geen ander zijn eigen imago, zijn carrière, zijn leven: vrij en soeverein, tot en met de laatste beslissing. Want daarmee weet hij, op de eindmeet, toch nog maar eens een groot respect af te dwingen. Op zijn eentje helpt hij het euthanasiedebat tien jaar vooruit (zoals hij in zijn eentje de vrije meningsuiting (Masscheroen) en ook de Vlaamse oorlogsverledenverwerking (De verwondering, Het verdriet...) een heel eind heeft doen opschuiven). Claus niet maatschappelijk geëngageerd?, vergeet het...

Bovendien was hij een mooie man, hij had die kop, die stem. Hij had de flair. Hij was iemand die propaganda maakte voor het leven… Dat je, ook al is er geen God en geen zin, toch gráág kunt leven… Als je maar durft.

1385 / Meifoor 3

Meifoor 2

zondag 20 april 2008

Dag 214 vVH&C

080319 – Hugo Claus is dood. Hij is gestorven dag op dag vijf jaar na de eerste Amerikaanse bombardementen op Bagdad, en op de laatste dag van Verhofstadt als premier. Die had wellicht gehoopt op een andere manier afscheid van het volk te kunnen nemen, maar stelde toch een van zijn gaafste gebaren als eerste minister. In een prachtige hommage beschrijft hij de dichter als een door de ouderdom gepolijste ‘blok marmer waarop men oh zo graag steunen of rusten wil’.

Wat kunnen we anders doen dan vanavond enkele van zijn gedichten lezen?

Hugo Claus bleef consequent in zijn zucht naar soevereiniteit, in zijn vaste wil om zijn leven niet door een ander te laten bepalen. Ook dat dwingt bewondering af. De rest zal de tijd polijsten – maar we kunnen er van uitgaan dat er nog wel een tijdje méér van zijn oeuvre zal overblijven dan ‘een van mijn verzen, door een krolse minnaar gepreveld in het oor van zijn geliefde’.

1384 / Meifoor 1

Bea's bananenboom (39)

13 maart - 21u16

Bea's bananenboom (38)

9 maart - 9u15

Bea's bananenboom (37)

5 maart - 7u18

zaterdag 19 april 2008

33 * 26,60 * 778

Langs het kanaal en de spoorweg (waar ik een bruine kiekendief zie) tot aan het stationnetje van Varsenare, en dan via Varsenare langs de Zeeweg tot aan Zevenkerke en Loppem. Vervolgens bezuiden de E40 naar Oostkamp, waar ik even halt houd om de tentoonstelling met de idiote titel Letternijen de bezoeken: letters en grafische tekens op doek, papier en steen, en metaalsculpturen van de Boudens-clan. Ik sla daar een wat mal figuur, een zweetlucht verspreidend in mijn rennerspakje tussen al die esthetiserende objecten. Ik keer terug langs Steenbrugge, de Bombardiersite (waar de uitbaters van de Meifoor hun tenten, nuja, stacaravans en allerhande mobiel tuig, hebben opgeslagen), en het station van Brugge.

Dag 233 vVH&C

080416 en 080419 – De foto's van Robert Knoth in Certificaat nr. 000358, een boek over de kernrampen in Kazachstan, Oekraïne, Wit-Rusland, de Oeral en Siberië, vertellen, vaak in tegenlicht en afgedrukt met grove korrel, het trieste verhaal van een vergeten rampspoed, verfrommeld achtergelaten in een binnenste uithoek van een continent dat onmetelijk genoeg is om dit soort schandes te verbergen.

(Net vandaag las ik bij Stefan Hertmans, in Steden, over een ander continent, een andere schande: ‘Deze indruk van een Australisch binnenland als een slecht geweten wordt […]gevoed als men kennis neemt van de ongelooflijk onverantwoorde en cynische atoomproeven die de Britten hier in de jaren vijftig hielden, en die grote aboriginal-gebieden, die als heilig land golden, voor een relatieve oneindigheid ontoegankelijk hebben gemaakt…’ (p. 19))

Schrijnende verhalen, getuigenissen van schildklier- en botkanker, waterhoofden, steriel geboren half- of heel mismaakte kinderen, enzovoort. En van een land dat ten eeuwigen dage stráált van misère – waar in besmet water wordt gezwommen, waar besmette groenten uit besmette moestuintjes worden geconsumeerd, waar besmette runderen besmet melk en besmet vlees leveren.

Op een van de foto’s zijn voetballende jongens te zien, met op de voorgrond supporterende vaders. P. – die op zijn website, dat zie ik pas nu, een schitterende Ronde Van Vlaanderen-reportage heeft geplaatst, maar dat terzijde – vertelde, heel aangrijpend, over zijn gevoelens bij die foto…

…waarop ik, ook niet zo goed overweg kunnende met wat het beeld bij mij teweegbracht, mij enige dichterlijke vrijheid permitteerde:

Wat zien we hier,
gewoon voetbalvertier?
Zegt uit Vlissingen Piet:
‘Dat zien we hier niet.’

Enfin, dat zien we wél.
En ook vriendschap en tijd.
De spits wijst en krijt:
‘Hier die pass! – Snel!’

De tumor intussen
in zone drie twee en één
valt niet te sussen
en kankert gemeen

voort in de ad’ren
van kind’ren en vad’ren.
Zoveel Becquerel
maakt de ziel kil.

De zones ‘drie twee en één’ doelen, jawel, met zijdelings de connotatie van een voetbalterm, op de zones waarin het gebied met een gruwelijke passertrek is opgedeeld: ‘Zone 1 is geëvacueerd, voor zone 2 is er een niet dwingend advies te vertrekken, maar je mag je niet nieuw vestigen. Zone 3 mag nieuwe bewoners opnemen of de oude bewoners terug laten keren.’ (p. 70)

Ik schreef nog het een en ander over uit de teksten van Antoinette de Jong in het boek. Wie die weinig opvrolijkende citaten wil lezen, kan hieronder op het beeld klikken.

Dag 213 vVH&C

090319 – Tom Barman interviewt voor de televisie Nick Cave. Cave vertelt de anekdote dat hij samen met Johnny Cash een liedje mocht zingen. Nooit gedacht toen ik hem de trap af zag sukkelen, zegt Cave, dat hij dat nog zou kunnen. Enfin, ze zingen het liedje in, en dan zegt de producer: ‘Nog eens.’ Heb ik dan vals gezongen?, denkt Cave, maar neen, het is Cash die zijn toon niet haalde, en ze doen het over. Het zijn die kleine dingen, zegt Cave, die het leven de moeite waard maken.

Dat klinkt als een understatement. Barman lacht, hij zit al de hele tijd hyperkynetisch op zijn stoel te wrikken. ‘Dat pakken ze me niet meer af.’ Dat voegt Cave er nog aan toe.

Het maakt me een beetje ongemakkelijk maar ik sta er verder niet bij stil. Tot S. opmerkt: ‘Waarom zegt iemand: “Dat pakken ze me niet meer af?” Wat betekent dat?’

Een terechte opmerking. Stof tot nadenken. De opmerking maakt van halfgod Cave een heel gewone mens. Een die van speciale momenten, ook al minimaliseert hij ze een beetje hautain (Cásh zong vals, niet ik, haha!), zegt dat ‘ze’ het hem niet meer zullen afpakken.

Wie zegt: 'Dat kunnen ze me niet afpakken', is het al kwijt. Want zo is het nu eenmaal: we kunnen niets vasthouden. Of toch zeer weinig. Het zinnetje drukt de onvrede daarover uit. Het onvermogen om daarin te berusten en desalniettemin de vrede te vinden. Zoiets.

1383

vrijdag 18 april 2008

Dag 212 vVH&C

080320 – Ik las in betrekkelijk korte tijd Boetekleed, De cementen tuin, Aan Chesil Beach, Zaterdag en nu Ziek van liefde. Ik heb het nu wel even gehad met Ian McEwan.
Tijdens een incident met een luchtballon ontstaat er tussen twee mensen, die elkaar daar voor het eerst ontmoeten, een speciale band. De ene wil dat, de andere niet. De ene stalkt, de andere ondergaat daarvan de gevolgen. McEwan verknoopt dit gegeven in een amalgaam van psychologische en evolutionistische theorieën, in een spel van waan en werkelijkheid. Welke gevoelens zijn echt, welke niet? Wie houdt wie in de tang van zijn dwanggedachten? Spannend! Maar het glijdt van me af als douchewater nadat ik me heb ingesmeerd met uierzalf. (Schijnt goed te zijn voor de huid.) En daarom: ik heb het nu wel even gehad. Het is een procédé, een stramien, een truc eigenlijk. McEwan schrijft meesterlijk, maar hij is, als auteur, totaal afwezig in zijn boeken – en dat is op de een of andere manier onaangenaam, onaanvaardbaar. Soms kreeg ik de indruk, bij deze Ziek van liefde, dat ‘McEwan’ een firmanaam is, de dekmantel van een schrijfbureau. Zo glad en perfect is het allemaal.

1382

Brussel - 080214, 9u43

donderdag 17 april 2008

Dag 211 vVH&C

Overschrijven (91)

Bruiloft

Blijf weg van de bruiloft. Daar zijn twee mensen
die je niet wilt spreken. Er is een oom die moppen
tapt, een tante die een zelf vertaald liedje zingt,
een oma die iedereen aanklampt en zegt:
'Dat ik dit nog mag meemaken.'

Er komt een ex die alle flessen op tafel ziet
en denkt: dat is niet genoeg. Er zijn kinderen
die rennen, schreeuwen, stampen, vallen, huilen
en naar huis worden gebracht. Er zijn mannen
die de barsten in elkaars schouders slaan.

Er zijn zwermende vrouwen met minder genade
dan guillotines. Er is een passant die spijbelt
van een crematie. Er is iemand die het bos
in loopt, glas in de hand,
en nooit meer wordt gezien.

Ingmar Heytze (1970)
Uit: Elders in de wereld (2008)
Met dank aan het Project Laurensz. Coster

1381

Ver-Assebroek, Pastoor Verhaegheplein - 080414, 20u02

woensdag 16 april 2008

Dag 210 vVH&C

080322 – De koorddanser viel van het koord, tot grote ontzetting van alle omstanders. Hij bleef roerloos op de grond liggen. Iedereen begon te denken dat hij dood was. Maar op het ogenblik dat de eerste toeschouwer zich losmaakte van de groep om dat te verifiëren, veerde de koorddanser lachend recht en hij begon alle namen te noemen. En hij sprak tot de kinderen: ‘Weet je wat jullie moeten doen in het leven? Wat je ook doet, houd het koord strak!’
(Bij My life as a dog (1985) van Lasse Hallström.)

1380

Brugge, Beursplein - 080405, 16u45

dinsdag 15 april 2008

Dag 229 vVH&C

080415 – De televisiezender arte bracht een aantal jaren geleden een reeks over fotografen: Contacts. En daarvan zag ik nu een paar afleveringen op dvd’s die S hadden meegebracht van de bibliotheek. ‘Over fotografen’ is eigenlijk niet precies genoeg. De korte afleveringen (telkens niet meer dan een kwartiertje) brengen meer de werkwijze van die fotografen in beeld dan hun biografie. Niet technisch, hoe ze belichten en afdrukken en zo, maar bij het selecteren van het juiste beeld op hun contactafdrukken. Vandaar de titel, natuurlijk. Dat is uitermate boeiend want doordat je ook al de mislukte of de minder gelukte beelden te zien krijgt, wordt meteen ook veel sneller duidelijk waarom het juiste beeld juist is en wat dan precies die juistheid inhoudt. Het hangt dikwijls van een minuscuul verschil af. De namen die ik voorlopig probeer te onthouden (en die ik voorheen niet kende) zijn: Raymond Depardon, Josef Koudelka en Nobuyoshi Araki.

1379

R. en W.

maandag 14 april 2008

Dag 228 vVH&C

080414 – Tijdens het ontbijt heb ik het met B over de ongebreidelde creativiteit van een gemeenschappelijke vriend.

We gaan een appartementsgebouw van Aalto bekijken in een buitenwijk van Luzern. Wat een prachtige, subtiele, mooie lijn!

In een schooltje naast het appartementsgebouw is er een overdekt koertje achter een ruit. Je kunt zo op het koertje stappen. Op de ruit is het silhouet van een zwevende roofvogel gekleefd. Ik neem daar een foto van en met de foto op het schermpje van mijn toestel neem ik L, de vogelaar...
...in het gezelschap die al een paar dagen zijn hartje ophaalt aan krooneenden, bonte kraaien, gieren en arenden, bij de neus. ‘Verdorie, L, dat je die niet hebt gezien!’

In Bazel wacht ons de indrukwekkende collectie van het Kunstmuseum. Ik noteer namen: Degas (La tasse de chocolat - afbeelding), Cézanne, Corot, Matisse, Böcklin (Toteninsel), Holbein (portretten en liggende Christus), Lyonel Feininger, Ruysdael, Malewitch (Die Waschfrau, 1911)… Een prachtig gebouw van Paul Bonatz, overigens, dat museum.

Op de bus lees ik twee citaten voor uit de boeken die ik tijdens deze reis heb gelezen: de volledige p. 237 van Nachttrein naar Lissabon (over hoe we ons niet alleen in de tijd maar ook in de ruimte uitstrekken, en wat het deshalve betekent ergens terug te keren) en een anekdote van Filip Tas uit het boek met fotografeninterviews (Fotografie in dialoog, 212):

Overschrijven (91)
Ik had in mijn etalage een foto staan van een 6-jarig blind meisje met krulletjes, in profiel. Er komt een dame binnen en die zegt: ‘Mijnheer, er staat bij u een portret in de etalage en ik vind dat zo mooi. Ik zou mijn kindje op dezelfde manier willen gefotografeerd hebben.’ Zij komt terug met haar dochtertje. Ik fotografeer haar zoals het portret in de etalage. Na enkele dagen komt die mevrouw de proeven bekijken en haar gezicht betrekt. ‘Maar mijnheer’, zei ze, ‘nu ben ik toch niet tevreden, hoor.’ Maar mevrouw, ik dacht dat het toch een goede foto was.’ ‘Dat kan goed zijn’, zei ze, ‘maar mijn kind heeft maar één oog.’ Ik antwoordde: ‘Maar mevrouw, in profiel heb je maar één oog. Als je een profiel wil met twee ogen, dan moet je naar Pablo Picasso toe.’ ‘Pablo Picasso?’ vroeg ze, ‘Wie is dat?’ Dus dat trof geen doel. Ik zeg: ‘Het model dat u gekozen hebt voor uw kind, dat is ook in profiel en dat heeft ook maar één oog.’ ‘Dat kan goed zijn,’ zegt ze, ‘maar dat is mijn kind niet.’
Straatsburg: bezoek aan de kathedraal. Roze steen, rozet.
Terug in de bus voor het laatste stuk van deze reis. Met S, K en A over beleggen en onze muzikale voorkeuren van vroeger, van zeg maar ‘twintig jaar geleden’. A heeft het onder meer over David Gilmour, die een aria van Bizet zingt. Wanneer we de grens met Luxemburg oversteken, meldt de chauffeur met een mengeling van trots en wrevel: ‘Ons tiende land.’

Wanneer het donker is geworden, legt de chauffeur een film op, Alles moet weg. Dat is, op de reizen van G, du jamais vu. Onbegrijpelijk, wat is er aan de hand? Ik ga op de enige plek zitten waar de schermen niet te zien zijn: vooraan, naast G. Het is duidelijk dat het initiatief van E niet naar zijn zin is. We praten het weg. Over de hoogtepunten van de reis, over tv kijken, over zijn huis in de Zwalmstreek… Wanneer, we zijn al in Wetteren, de film eindelijk afgelopen is, plaatst G nog een laatste woordje. Dat verloopt nogal in mineur, reden waarom ik zelf ook nog eens de microfoon ter hand neem voor een bedanking namens de groep. En dat we de titel van de film maar moeten zien als een aansporing om al de rommel in onze levens aan de kant te vegen.

Mijn woordenboek (189)

AFKOMEN

‘Ik kom eens af’ betekent zoveel als ‘Ik kom niet maar ik kan u dat hier niet met zoveel woorden zeggen’. Net zo betekent ‘Kom eens af’: ‘Ik nodig je uit maar doe dat alleen uit beleefdheid, zonder daarmee oprecht de wens uit te drukken dat ik u echt eens te mijnent zou mogen begroeten’ of ‘Ik nodig je uit maar ga er nu al van uit dat er toch niets van in huis zal komen en dat is maar goed ook’.

1378 / Meteora 21/21

G.

zondag 13 april 2008

81 * 27,39 * 745

Met de wielervrienden van de zondagvoormiddag rijden we naar Sluis en Aardenburg, waar we de Catelijneroute afleggen. Allerlei gesprekjes, onder meer voorbeschouwingen bij Parijs-Roubaix en Club-Cercle later op de dag, maar vaak ook is het heel stil. Een bruine kiekendief vliegt op. We stoppen even in Waterlandkerkje en komen voorbij het Nederlandse plaatsje Sint-Kruis. Ik geniet met volle teugen van het licht: hoe het valt op een dak of een toren, die dan wit afsteekt tegen donkere wolken. We rijden door een Ruysdael. We houden halt in café De Tol, op de grens bij het Belgische Middelburg. Voor J, roodaangelopen, komt die pauze niets te vroeg. Ik eet een heerlijke verse aspergesoep. Die versterking komt goed van pas voor de laatste twintig kilometer, vaak tegen de wind in, langs Moerkerke en Damme.

1377 / Meteora 20

Altdorf (Zwitserland) – 080401, 15u13

Dag 227 vVH&C

080413 – Om halfzes al op. Hoofdpijn. Ik lees in de lobby wat Willem Elias te melden heeft over Roger Scrutons analytische theorie over fotografie. Het is een zeer onwaarschijnlijke theorie – ik kan me eigenlijk maar moeilijk voorstellen dat Elias het allemaal goed begrepen heeft. Of ben ik niet fris genoeg? Ik bestel een koffie verkeerd. Een handelsreiziger met pokdalig aangezicht, piekfijn kostuum en zwartgelakte, hoogglanzende puntschoenen komt beneden en drinkt zijn espresso aan de toog. Wat later parkeert een arbeider zijn vespa aan de voordeur. Hij draagt werkschoenen en een muts. De nachtwaker, die nors deed tegen mij, is vriendelijk tegen hen. De taal niet kennen.

Tijdens het ontbijt met G, J en D gaat het over een vrij bekende Vlaamse fotograaf, de vader van een kennis. Hij huldigde inzake architectuur een minimalistische opvatting die afwijkt van die van G. G was nog maar net in zijn woning ingetrokken, een vanuit architecturaal oogpunt interessante en inmiddels ook beschermde woning, ‘of daar stond hij al’. Hij was ‘gewapend’, voegt G er nog aan toe, en hij wijst naar een denkbeeldig apparaat op zijn buik, zo een waar je langs boven moet in kijken.

Op weg naar Como worden we opgehouden door een file. Gesprek met D over de reis, het werk…
In Como zien we een appartementsgebouw uit 1927 van de ‘rationele’ architect Terragni. Het is gebouwd in een stijl waar we nu niet meer van opkijken, maar voor die tijd was het beslist revolutionair. Terwijl we het bekijken haalt een piloot fratsen uit met zijn brandbestrijdingsvliegtuig.
Honderd meter verderop staat een monument voor de gevallenen van 14-18 naar een ontwerp van de ‘futurist’ Sant'Elia. Schrijnend, want deze artiest, die begon als bordenwasser en ’s avonds op zijn kamertje fantasierijke ontwerpen tekende, sneuvelde zelf in die oorlog. Het tijdens het interbellum, en wellicht onder Mussolini, opgetrokken monument krijgt in combinatie met een mobiele verkiezingsaffiche van Berlusconi op de voorgrond een wrange bijklank.
Op weg naar Luzern passeren we in Mendrisio en Lugano, plaatsen waar ooit Belgische wielrenners wereldkampioen werden. De chauffeur geeft enkele weetjes over de Zwitsers: atoomschuilkelders, verplichte legerdienst… G pareert met feiten over Bellinzona (waar we even halt houden om de burchten te bewonderen) en de Turner-route. Waarop hij begint te freewheelen over Wilhelm Tell en het steeltje van diens appel. ‘Dat moet ge doen als ge iets niet weet: creatief zijn! Een student die op het examen daarin slaagt, krijgt nog een vijf op tien.’

In Altdorf wisselen we euro’s voor Zwitserse franken. In Küssnacht bezoeken we de Astridkapel. Hoe vreemd, hier huist geen enkele emotie. Wat zouden de Britten ervan hebben gemaakt? Op de trappen van de kapel poseren we voor de groepsfoto van deze reis.

In Meggen bezoeken we de Piuskerk waarvan de wanden bestaan uit dunne marmerplaten, wat binnenin een vreemd translucent effect geeft. Een effect waar je rap doorheen kijkt.

Tijdens het avondeten heb ik het met J en D over Wim Sonneveld en de slappe-lachsketch van Toon Hermans waarin hij zijn assistent Johnny een tennisracket laat halen in de auto… J vertelt dat hij ooit, op bezoek bij een architect in Hilversum, Toon Hermans heeft ontmoet. Dat zat zo. Ze waren in Hilversum voor iets anders en toen ging het over die architect, van wie ze wisten dat hij daar woonde en ze vroegen zich af of hij nog zou leven en zo ja of hij het op prijs zou stellen dat ze hem een bezoekje brachten en ze zeiden, vooruit, laten we het eens proberen en ze zochten zijn naam op in het telefoonboek en ja, ze vonden hem en ze belden hem en, wat bleek, ze waren meer dan welkom, het was zo’n oude man die alweer blij was met een beetje belangstelling, maar wat bleek, hij woonde in de orangerie van een mooi kasteeltje en, ja, wie woonde er in dat kasteel (dat die architect zelf had opgeknapt), juist ja, Toon Hermans! – kijk daar kwam hij net aanjoggen, het was kort na zijn hartoperatie, en hij kwam bij de architect en zijn gasten even aanzitten, en zo, ja, zo konden ze even kennismaken met de grote Toon Hermans. Moraal van het verhaal: je moet het toeval, de chance, een beetje zelf uitlokken.

Avondwandeling door Luzern. De houten bruggen. Het spectaculaire cultuurcentrum van Jean Nouvel. In een café heb ik het met J, D en S over reisbestemmingen en exotisme, en over analoge en digitale fotografie. Ook Hasselblads verslijten!

1376 / Meteora 19

Vierwoudstedenmeer (Zwitserland) – 080401, 15u58

zaterdag 12 april 2008

1375 / Meteora 18

Venetië, Calle del Cimitero - 080331, 13u01

Dag 226 vVH&C

080411 – Een uur te vroeg op. Niemand weet nog precies hoe laat het is: Griekse tijd, Italiaanse tijd, zomertijd, wintertijd. Het loopt allemaal door elkaar. Ik ga aan dek en maak foto’s en filmpjes van de zonsopgang: een moeilijk onderwerp!

Na het ontbijt met E, N en K komt Venetië in zicht. Een nieuw hoogtepunt van de reis! Ik weet niet of het gebruikelijk is, maar in plaats van rechtstreeks naar de haven, vaart de ferry, appartementsgebouwhoog zoals ik al zei, eerst door het Canal Grande. Gevolg: een magnifiek zicht op de Venetiaanse skyline en – merci, G, voor de extra les gisteren op het dek – op het San Marcoplein. Grandioos! Grote chance! Een mooiere kennismaking – ik was hier nooit eerder – kan ik mij niet voorstellen. Wat staan we te genieten en te glunderen op het hoogste dek!

De euforie is snel weg als we het plein hebben betreden (nadat we er met een ‘zwarte’ vapporetto vanuit de haven heen zijn gebracht): zo stel ik mij de hel voor, als een klaarblijkelijke maar onbereikbare schoonheid. Het San Marcoplein verzuipt, als het al niet in het water is dan onder de vloedgolf van toeristen. En dan die smerige duiven, vliegende ratten. Geen mogelijkheid, hier, om de waarheden die ik gisteren uit de Cantecleer-gids over Venetië (Marianna Langewiesche, 1978) overpende te toetsen:

- p. 11: ‘Venetië heeft de vorm van een springende vis.’
- p. 12: ‘Het water biedt de stad duizend mogelijkheden om zich te spiegelen.’

Hier zo snel mogelijk weg, gaat het door mijn hoofd. Enkel die ene gedachte.

Na het bezoek aan de San Marcobasiliek, en daarin aan de Palo d’Oro en de schatkamer (met de buit van de Venetianen, die behalve gewiekste handeldrijvers ook schaamteloze schurken waren – Cantecleer (p. 75): ‘De roofzucht werd de Venetianen tot een tweede natuur. Reeds onder doge Domenico Silvo (1071-1084) bestond er een wet die bepaalde dat ieder schip versiering voor de San Marco mee moest brengen.’), ontvlucht ik zo snel mogelijk de drukte. Wég van dit plein!

Maar naar waar? Ik laat de anderen naar het museum gaan – lijkt me niet de aangewezen manier om kennis te maken met een stad – en pas de Sophie Calle-truc toe: ik volg passanten naar waar ze me brengen. Mijn eerste slachtoffer stapt twee straten verder al een portiek binnen, de volgende brengt me bij de Rialtobrug. De derde stapt, na eerst bijzonder fotogeniek naast een affiche te hebben postgevat...

..., al meteen op een vapporetto. Een vierde, een Japanse vrouw, brengt me helemaal terug naar het San Marcoplein en het Gran Canal, waar ze, na eerst een foto te hebben genomen van de Brug der Zuchten, ook op een boot stapt. Hoe boeiend het ook was, ik heb snel genoeg van het spelletje en laat me nu op eigen kracht verdwalen in de straatjes tussen San Marco en het Arsenaal.

Daar, op nauwelijks driehonderd meter van de krankzinnige drukte op het plein, stap ik een andere wereld binnen. In dit kluwen van straatjes, pleinen, bruggen en kanalen heerst een aangename rust en kan ik mij vrij bewegen en genieten van elke stap en, na telkens weer een hoek, van elk nieuw uitzicht. De was hangt vriendelijk aan over de straten gespannen draden te drogen. Personen stappen van punt A naar punt B, hun doelgerichtheid komt na het geslenter en gedrentel der toeristen op het plein heel aangenaam over. Hoe verder van het plein ik kom, hoe verlatener. En kijk, dit plein, de Campo de la Celestia, is al helemaal leeg en hemels. Ik blijf zitten, bewonder die leegte. (Wat een zegen, een stad zonder auto’s!) Daar komt een mens uit een straat het plein opgestapt, als een acteur die vanuit de coulisse het podium betreedt, en verdwijnt dan weer aan de andere kant.


Ik neem foto’s, en hou er mee op wanneer ik besef dat ik eindeloos zou kunnen doorgaan: elk gezichtspunt, elke steeg, elke brug levert weer een ander fantastisch zicht op; deze stad is een onuitputtelijke verzameling ansichtkaarten – variaties op een thema zoals de Meteora, inderdaad, maar dan wel met andere elementen: okerkleurige muren, baksteen, de opgehangen hemden en broeken, de passanten… En zoals je ginds tussen twee rotspartijen opeens de vlakte kon zien liggen, zo gloort hier opeens tussen twee huizenblokken een waterspiegel…

Ik verdwaal warempel, mede doordat de bewegwijzering door schelmen verminkt is, en kom maar net op tijd bij de vapporetto aan die ons gezelschap terug naar de haven moet varen waar E zijn bus voor de ronde som van 400 euro een dag op de parking heeft mogen laten staan. We vertrekken richting Hotel L’Osteria dei Dolci in Peschiera del Garda terwijl Johnny Halliday zich ongestraft mag vergrijpen aan ouwe rock-‘n-rollnummers.

In Padova bezoeken we alsnog de Scrovegnikapel, die op de heenreis moest wijken voor het uurschema van de boot naar Igoumenitsa – het lijkt al een eeuwigheid geleden. In vergelijking met ‘twintig jaar geleden’ is ook hier onder druk van toerisme en vervuiling heel wat veranderd. Zodat ik achteraf in de bus G een briefje kan toespelen met volgende dankbetuiging: ‘Na de multimediale hel en het vagevuur van de acclimatisatie belandden we in de hemel van Giotto.’

Namen die vandaag in de marge vielen: Otto Steinert (‘subjectieve fotografie’, passim in het boek over Belgische fotografen) en Anselm Grün (tijdens een filosofisch tafelgesprek met S, A, P en K over vriendschap, geluk en vrijheid; de vraag wat vrijheid dan is, leidde tot interessante bespiegelingen over het streven naar erkenning en over pedagogie).