maandag 24 maart 2008

Dienstmededeling

Ik ben op reis tot 3 april.

Dag 209 vVH&C

Overschrijven (89)

Reisopdracht

en als je weggaat...

regen, er dreigt regen,
storm blaast zand
over de wegen,
men moet z'n ogen beschermen.
angstige vogels zwermen
boven het land.
de lucht is zwart...

zeg langzaam:
Ik hou van regen.
Ik hou van storm.
Ik ben niet bang.

Riekus Waskowsky (1932-1977), uit: Verzamelde gedichten (1985)
Met dank aan het
Project Laurensz. Coster

1357 / Pasen 2/2

zondag 23 maart 2008

Dag 208 vVH&C

080313
Overschrijven (88)

Als ik mijn vader heen en weer zag lopen van het ene raam naar het andere, gebogen, de handen op de rug, zwijgend, een ondoorgrondelijke blik in de ogen, vroeg ik me altijd af: ‘Waar denkt hij aan?’ Vandaag weet ik het van mezelf, nu ik zoals hij heen en weer loop, met zijn houding, en ik kan met volstrekte zekerheid het antwoord geven: ‘Aan niets.’

Jules Renard, Dagboek 1887-1899 (Amsterdam 1988), 286

1356 / Pasen 1/2

zaterdag 22 maart 2008

Dag 207 vVH&C

080313 - 'Being ignored is a great privilege.' Dat zei, naar verluidt, Saul Leiter. Saul Leiter, ik wist het ook niet, was na de Tweede Wereldoorlog als fotograaf actief in New York. Op straat voor zijn plezier, in modehuizen voor zijn boterham. Zijn ‘vrij’ werk bleef lange tijd onopgemerkt. Leiter kreeg weliswaar in de jaren vijftig wel twee exposities in het MoMA, geen geringe eer, maar daarmee hield het op. Hij bleef de straten afschuimen, maar bewaarde al zijn films (zonder prints te maken) en diepte ze pas op hoge leeftijd in de jaren negentig nog eens op. En nu wordt hij, met publicaties en tentoonstellingen (waarvan een nog tot 13 april in de Fondation Henri Cartier-Bresson in Parijs) gefêteerd en gecanoniseerd.
‘Being ignored…’: het is voor een fotograaf een dubbelzinnige opmerking. De fotograaf stelt, al dan niet met enige verbittering, dat hij nu net door het uitblijven van erkenning zijn eigen stijl, zijn eigen visie heeft kunnen ontwikkelen. (Het citaat gaat als volgt verder: ‘That is how I think I learnt to see what others do not see and to react to situations differently. I simply looked at the world, not really prepared for anything.’) Maar tegelijk zegt de straatfotograaf die Leiter is (of was: hij is geboren in 1923 en is nu, naar ik aanneem, wellicht niet meer actief) natuurlijk ook iets over zijn werk. Zelf onopgemerkt blijven is voor de straatfotograaf natuurlijk een essentiële opgave. Want door te fotograferen grijpt hij diepgaand in op zijn onderwerp. Beter voor hem, en voor zijn foto’s, is het niet opgemerkt te worden.
Voor zover het mensen zijn, natuurlijk. Maar zijn het wel mensen die door Saul Leiter worden gefotografeerd? Leiter was ‘a photographer less of people than of perception itself’.Hij betrekt hun contouren en kleuren in een compositie die soms abstract wordt, die volledig los komt te staan van de situatie, waarin geen enkele anekdote nog aanwezig is. Dit wordt in de hand gewerkt door de onscherpe focus, of doordat de figuren door ramen, vaak beregende ramen, worden gefotografeerd, of in spiegels – wat deze figuren vervormt, vervaagt, abstracter maakt. Deze abstrahering geeft de foto’s van Leiter een schilderkunstige kwaliteit waarin, volgens de internetscribenten, de door hem geliefde Bonnard doorschemert.

Dag 206 vVH&C

Ferroviaire observaties (12)

080311 – Enkele ferroviaire observaties.

Een gsm die voortdurend afgaat en niet wordt opgenomen. Tot drie keer toe.
*
Twee jongevrouwen in gesprek. Ze ratelen er op los en opeens valt het woord ‘frigide’ – en dan een stilte die zich uitstrekt tot buiten de kring van hun gesprek.

*
Een stel jonge Spanjaarden (wat zijn Spanjaarden luidruchtig!). Ze vragen iets aan een jongeman die aan het studeren is. Komt goed uit, zegt die jongeman, ik ben Spaans aan het studeren. Kan ik meteen oefenen.

*

1355

Brussel, Warandepark - 080219, 9u19.

vrijdag 21 maart 2008

1354


Brugge, Oude Zak - 080223, 8u43

donderdag 20 maart 2008

Dag 204 vVH&C

080309 – Madeleine vertelt hoe ze ooit een ingeving van haar man volgde, hij wou een keer het Kanaal oversteken. Het moet in de jaren zestig of zeventig zijn geweest. Madeleine ging altijd graag mee met haar man, die graag reisde. Zo gezegd zo gedaan, de maalboot op voor een dagje Dover. Maar toen ze daar ’s avonds, na een dagje Dover, terug in de haven kwamen om met de boot naar huis terug te keren, bleken de ferrydiensten in staking te zijn gegaan. ‘Wat moesten we doen’, vraagt Madeleine nu, veertig jaar later, ‘we konden toch niet de hele nacht met dat kind van zeven jaar’ – er was dus een kind van zeven mee, ik vergat het te zeggen, maar zij had het ook vergeten – ‘over straat tjoolen?’ Dus zochten en vonden Madeleine en haar man en hun zevenjarige kind een goedkoop hotelletje. ‘Geen luxe, maar ik had dat niet van doen. Het was een schoon, proper kamerke.’ Maar goed geslapen? Neen, dat hebben Madeleine en haar man die nacht niet gedaan. Die kleine, die nu 47 is, ja die sliep door alles heen, maar zij, zij deden geen oog dicht. ‘Het waren de meeuwen, die op die kliffen zaten. Ze bleven de hele nacht schreeuwen.’ Van slapen kwam niets in huis. ‘En iedere keer dat het stilviel en dat we dachten dat het eindelijk gedaan was, begonnen ze opnieuw, en nog luider dan voordat ze waren stilgevallen.’

1353 / C. 2/2

C.

woensdag 19 maart 2008

Dag 203 vVH&C

080309 – Het is een vaak toegepast procédé: een dag uit het leven van een ‘gewone’ mens tegen de achtergrond van zeer ‘ongewone’ gebeurtenissen: gebeurtenissen die de hele wereld, en dus veel meer mensen dan die ene gewone, beroeren. In Zaterdag van Ian McEwan is die ‘gewone’ mens, die Elckerlyk zo u wil, de Londense neurochirurg Henry Perowne. De ‘ongewone’ gebeurtenissen zijn een vredesmars in Londen tegen de oorlog in Irak, waarin liefst 2 miljoen mensen meestappen, en, bij uitbreiding, het mondiale klimaat van terreurdreiging en angst, zoals het zich na de aanslagen in New York op 11 september 2001 definitief tot in de kleinste synapsen van onze breinen heeft genesteld: wij leven voortaan dag in dag uit met een angst die er voorheen niet was, of op een andere manier – voor zover wij daarmee kunnen leven, natuurlijk, want het leven gaat (dat is bekend) even dóór als wij dóód gaan.

Daarover schrijft McEwan in deze roman. Het gaat over een moderne vorm van angst. Het gaat over de impact die de grote wereldgebeurtenissen op onze levens hebben, maar het gaat evengoed ook omgekeerd over de impact die schijnbaar onbenullige gebeurtenissen op onze (wijde) omgeving hebben. En dat wij, hoezeer wij het ook zouden willen, helemáál niet alles onder controle hebben.

Zo zag ik vandaag op tv (‘toemaatje’ in het journaal!) een voetbaltrainer naar aanleiding van een betwiste scheidsrechterlijke beslissing zijn collega te lijf gaan. In een mum van tijd staan op de tribunes van het hele stadion alle ‘fans’ elkaar naar het leven. Balans: zestig gewonden en zo te zien mocht men al blij zijn dat er geen doden waren gevallen. Net zo escaleert in het leven van Henry Perowne een op het eerste gezicht vrij banaal incident tot iets wat ik hier niet verklappen mag.

Zaterdag is een intelligente, meeslepende maar misschien wel een beetje overgedocumenteerde roman: het wordt ons zeer goed ingepeperd tot welke rampen kleine incidentjes in onze bloedbanen aanleiding kunnen geven.

1352 / C. 1/2

C.

dinsdag 18 maart 2008

Bea's bananenboom (33)

16 februari 9u04

Bea's bananenboom (32)

14 februari 21u55

Mijn woordenboek (188)

AFKOELINGSPERIODE

Inzake conflictbeheersing is het incalculeren van de weldaden van de afkoelingsperiode absoluut aan te bevelen. Ik pas die mogelijkheid in elk geval vaak toe. Sommigen zullen het als ontwijkgedrag brandmerken, mogelijk zelfs als lafheid – ik zou eerder gewagen van de nuchtere overtuiging dat het heetst van de strijd zelden de meest bruikbare resultaten oplevert. De emmer met fris water is in de smidse al even onmisbaar als het roodgloeiende sintelvuur. Haal de conflictstof eerst door de zeef van de tijd, en zie dan welke goudschilfers je overhoudt. In het vuur van de strijd zijn er wel meer zaken die lijken te blinken, maar die, eens met luid gesis geblust onder een straal koud water, niet méér blijken te zijn dan een doffe klomp waarmee niets aan te vangen valt.

1351

Oostkerke.

Dit is de 2500ste post op deze blog.

maandag 17 maart 2008

Dag 201 vVH&C

080307 – Een avondje televisie, dat was lang geleden. (Het gebeurt zo zelden dat ik het u hier met plezier meld.)

In ‘Lux’ leer ik theatermens Viviane De Muynck kennen. Een aangename kennismaking, al moet je door een pantser van exuberantie en bravoure.

Phara de Aguirre blijkt, nu ze haar eigen met veel bombarie en eigendunk ingeleide programmaatje heeft, politiek totaal onschadelijk gemaakt. Vroeger werd ze, naar verluidt, gevreesd door toppolitici, nu kon zelfs Margriet Hermans onbedreigd assertief zijn. Het kan met De Aguirres ziekte te maken hebben, en in dat geval past schroomvolle terughoudendheid, maar het blijft een feit dat dit de weg lijkt die de stevig doortimmerde journalist, toch de bewaker van onze zogenaamde democratie, tegenwoordig bewandelt: van het spijkerharde interview, heet van de naald, naar het stevig geregisseerde pluche van de talkshow. En door daar dan die politici binnen te halen, capitonneert de hele vierde ‘macht’ zichzelf met entertainend gekeuvel en slijmerige witzen.

In de zevende en laatste aflevering van een serie over Britse pop ten slotte krijg ik te zien (en te horen) wat in de late jaren tachtig en in de jaren negentig volledig aan mij is voorbijgegaan – maar zo te zien heb ik, afgezien van The Smiths, niet zo heel veel gemist. Zozeer was ik in die epoche van de pop afgedreven, dat ik pas gisteren de term ‘Indie’ leerde kennen. Ik had er wel al eens van gehoord en had toen gedacht aan indianen, autosport en het Aziatische subcontinent, maar nu weet ik dus dat het woord een afkorting is van independant. Onafhankelijk? Nu ja, dan toch zeker niet van de muziektraditie, want de ene had de mosterd gehaald bij de Byrds, de andere bij de Beatles, en Oasis bleek bepaald wel zeer addicted to money. En waarvan The Libertines onafhankelijk waren? Zeker niet van drugs, zo te zien.

1350

Op het Internationaal Fotofestival, Lagunahal, Duinbergen.

Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 11/11


...en terug.

zondag 16 maart 2008

Dag 200 vVH&C

080306 en 080316 – Al die kinderen, jongens en meisjes van dertien, veertien, vijftien…, die voor de schoolpoort, zittend op het trottoir, leunend tegen de gevels, zich de longen uit hun lijf staan te roken… Slungelachtige jongens, vergeven van de machocodes. Meisjes een en al sekssignaal: opgedirkte dellen, strak gegoten en laag uitgesneden jeansbroeken, blote buiken, geprononceerde borsten. Ze staan daar, te wachten, en je vraagt je af waarop.

En dan hoor ik ’s avonds – en ik heb het al vaker gehoord – van G, die op deze blog in een commentaar onlangs nog verzuchtte dat het kunstonderwijs ook niet altijd een zegen is, hoe snel de kwaliteit en de inzet van de studenten achteruit zijn gegaan de afgelopen tien, vijftien jaar. Er is apathie, onverschilligheid, een vrijwel algemene desinteresse. Dan denk ik, maar ik zal wel weer te conservatief zijn, dat scholen die er niet in slagen om voor de poort minstens een schijn van orde te handhaven, erachter oogsten wat ze zaaien.

‘We maken een denkfout’, zeg ik nog tegen G (het gesprek kabbelt rustig voort op pedagogische wateren). We willen per se niet dezelfde oude zeuren worden die onze ouders waren. We willen geen doorslag vormen van hun gezaag. En daarom zeuren en zagen we niet. Of niet genoeg. Maar dat is fout. De relatie die onze ouders met ons hadden is niet te vergelijken met de relatie die wij, op onze beurt, hebben met onze kinderen. Onze ouders en wij, wij leefden nog in dezelfde wereld. Onze kinderen daarentegen lijken op een andere planeet te leven. Ze wíllen niet in dezelfde werkelijkheid leven, dat blijkt uit hun nadrukkelijke hang naar verslavingen – waaronder de verslaafde omgang met het beeldscherm natuurlijk niet de geringste is. Als er dus sprake is van verschillende werelden, en bijgevolg van een daaruit voortvloeiend gebrek aan contact en een verschillende moraal, dan is het niet relevant dat je niet wilt herhalen wat je in je eigen ouders zo verafschuwde.

1349 / Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 10/11

Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 9/11

zaterdag 15 maart 2008

35 * 28,15 * 630

Nog eens het vertrouwde parcours langs het kanaal naar Zandvoorde en terug via Stalhille. Er staat een strakke zijwind, dat betekent nu eens wind mee, dan wind tegen. Er is heen meer wind mee, weer meer wind tegen. Ik verslik me een beetje in de achtervolging van een wit silhouet, dat zo’n tien kilometer lang een twintigtal seconden voor me uit rijdt. Onverdraaglijk is dat, ik besluit hem nog voor het sluizencomplex in te halen. Dat lukt nog net, maar ik moet er een kilometer of twee lang tot 32 per uur voor rijden. Ik krijg geen loon naar werken: na de sluis slaat de man linksaf richting Oostende, ik kan dus niet in zijn wiel hangen. Er is, overigens, veel cyclotoerismevolk op de baan. Kleurige mannetjes, middelbare leeftijd en meer, stevig ingeduffeld nog. Ze kijken voor ze vertrekken op de kalender, het is 15 maart. Het zal nog wel koud zijn, lijken ze te denken. Ze zijn de logica zelve. Maar dat is het dus niet, koud.

Ik onthoud van de rit niet veel. Het is grijs, een kilometer verder over de versgeploegde akker hangt het wolkendek al in de kruinen van een bomenrij. Ik zie een aalscholver landen op het water en een kraai opvliegen van het land, ik verwar een stel eksters in het hoge gras van een wei met scholeksters. Ik bedoel: ik dacht dat het scholeksters waren, maar het bleken eksters te zijn. Ik had alleen het zwart-wit gezien, niet de lange staarten. En ook niet de afwezigheid van lange rode snavels. Terwijl ik het zie, denk ik: ik moet het opschrijven straks, nu dus, maar ik vraag me meteen af wat u, die dit leest, daar dan aan heeft. En ik besluit het niet op te schrijven. En kijk, nu heb ik het toch gedaan, maar – en dat had u begrepen – ik had het meer over de aarzeling, in mijn schrijven, tussen opschrijven en niet opschrijven, dan over de verwarring, in mijn waarneming, tussen scholeksters en eksters. Of nog preciezer geformuleerd: ik had het over de relatie tussen die aarzeling en die verwarring, over het feit dat daartussen, tussen die twee ‘fenomenen’ uit twee totaal verschillende contexten, een verwantschap bestaat.

1348 / Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 8/11

Dag 199 vVH&C

080306 – Het was één moment, zo een waarin alles samenkomt, boven op die duin bij Zuydcoote. S. was de duin al afgelopen, tot in de kom onder mij. T. volgde. Ik keek naar het helmgras, dat boog onder de harde wind. Ik keek naar de wolken. Ik volgde de wolken naar het noorden, en dan bleef ik het panorama verder afdraaien, de duinen, de eerste huizen van het kustdorpje met dat restant van Vlaams en een vleugje Belmondo in zijn naam, en dan opnieuw de duinen… Alles viel samen; het klopte.

video

Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 7/11

Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 6/11

vrijdag 14 maart 2008

Dag 198 vVH&C

080309 – In een recensie die binnenkort verschijnt in de Poëziekrant citeert Philip Hoorne de volgende versregels: ‘De grond is wit, de nevel wit, / De wolken, waar nog sneeuw in zit, / Zijn wit, dat zacht vergrijzelt. / Het fijngetakt geboomte zit / Met witten rijp beijzeld.’ En ik zie meteen een kaartje voor me, bladwijzerformaat, bedrukt met een ‘mooie’ zwartwitfoto van een boom in de winter: kale takken waarop vakkundig sneeuw is geplakt, en daaronder een gedicht van – ik was de naam niet vergeten omdat ook die zich met een niet te ontlopen ritme in mijn geheugen had vastgepind: Jacqueline E. van der Waals. Al meteen wanneer ik een eerste keer met halve aandacht de verzen lees, diept dat pregnante melodietje van onder bijna veertig jaar aanslibsel enkele woorden op die zich zeer gemakkelijk in datzelfde muzikale keurslijfje laten prangen: ‘De grond is wit, de bomen wit, / Wat zwijgend toverland is dit’. Vaak heb ik aan dat gedicht moeten denken, en later aan de herinnering eraan, zonder mij de woorden te kunnen herinneren. Ik herinnerde me enkel de naam van de schrijfster, en de foto met besneeuwde takken – en aan die herinnering kleefde het besef dat ik dat gedicht mooi had gevonden. Maar ik heb mij nooit de moeite getroost het te zoeken. Tot dus, door dat citaat in de recensie, en vooral door het ritme van die verzen, de woorden terugkeerden. En terwijl ik mij verwonder over hoe het geheugen eigenlijk werkt, hoe het louter op het stramien van een melodie vier decennia lang enkele regels kan vasthouden, komt er nog een zinnetje boven – out of the blue, zo lijkt het wel: ‘Ik vouw de handen en aanbid’. Ik besef dat ik hier niet de sneeuwschoonheid aanbid, zoals Van der Waals (trouwens, welke sneeuw valt er nog te aanbidden?), maar wel de wondere werking van het geheugen.

Winterstilte

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit?
Wat hemel loop ik onder?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.


Jacqueline E. van der Waals

1347 / Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 5/11

donderdag 13 maart 2008

Dag 197 vVH&C



Impressie van een vernissage van een inmiddels afgelopen tentoonstelling met werk van Hendrik Vermeulen (schilderijen) en Dirk Bogaert (video) in Gent.

1346 / Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 4/11

woensdag 12 maart 2008

1345 / Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 3/11

Dag 196 vVH&C

080302 en 080311 – In de Willibrordvertaling van De Bijbel (‘Uit de grondtekst vertaald’ en uitgegeven door de Katholieke Bijbelstichting in Boxtel (1978) annex Uitgeverij Emmaus in Brugge (of all places), ‘in samenwerking met de Vlaamse Bijbelstichting’) gaat 1 Kor 13:4-6, een vers uit het bekende ‘Hooglied van de liefde’ als volgt:

4 De liefde is lankmoedig en goedertieren; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij beeldt zich niets in. 5 Zij geeft niet om de schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. 6 Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt haar vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij.

In de nieuwe Bijbelvertaling gaat het van – en het is, als u het mij vraagt, een wereld van verschil:

4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, 6 ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.

Het woord ‘lankmoedig’ komt in die nieuwe Bijbelvertaling overigens maar één keer meer voor: in 2 Makk 6:22: ‘Als hij dat deed, zou hij gevrijwaard zijn van de doodstraf en vanwege zijn oude vriendschap met hen lankmoedig behandeld worden.’ In mijn goeie ouwe Willibrord staat op die plek: ‘Deed hij dat, dan zou hij niet gedood worden, maar op grond van hun oude vriendschap vriendelijk worden bejegend.’ Vreemd: in het ene geval gaan we van lankmoedig naar geduldig, en in het andere geval van vriendelijk naar lankmoedig. Dat doet mij onraad vermoeden. En inderdaad, een zoektocht op de Willibrordsite naar het aantal hits op het woord ‘lankmoedig’ in de Willibrordvertaling levert 2 hits op, te weten in de Bijbelboeken ‘Nehemia’ en (het mij onbekende en niet in mijn Willibrord van ’78 voorkomende) ‘Gebed van Manasse’ en dus niet, of beter: niet meer in 1 Kor 13. Want wat blijkt: de Willibrord werd in 1995, dus nog voor de zogenaamde ‘Nieuwe Bijbelvertaling’, die van 2004 dateert, ‘volledig herwerkt’. En daarin gaat 1 Kor 13:4-6 zo:

4 De liefde is geduldig en vriendelijk; de liefde is niet afgunstig, zij praalt niet, zij verbeeldt zich niets. 5 Zij gedraagt zich niet onfatsoenlijk, zij zoekt zichzelf niet, zij laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. 6 Zij verheugt zich niet over onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verduurt zij.

dinsdag 11 maart 2008

Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 2/11

Dag 195 vVH&C

080310 – Het essay Het doorsneedenken van Curtis White is een analyse van onze actuele cultuur, die er vooral op uit lijkt om alles wat kritisch is, subversief, ondermijnend voor de gevestigde orde (lees: het kapitalisme/economisme/de machinerie van het industrieel-militair complex)… monddood te maken. De Amerikaan White betoogt met andere woorden dat wij, westerlingen, in een totalitaire omgeving leven, waarin kritiek en kunst nagenoeg onmogelijk zijn geworden omdat ze onmiddellijk worden gerecupereerd door de ideologisch gestuurde media, door de academische wereld, door de entertainmentfabrieken van Hollywood. Hij pleit voor een nieuwe vorm van verbeelding, een die begint waar het vertrouwde in vervreemding overgaat, die zich niet laat ringeloren door deconstructivistische en postmodernistische praatjes, een verbeelding die zich durft over te geven aan de ideeën van ‘schoonheid’ en – ja, zélfs – ‘het sublieme’. (Een verbeelding ook die de ironische aanhalingstekens rond die begrippen durft te laten vallen.) Ware kunst is kunst die zelf niet weet waar ze heen wilt – en precies dat is al een subversief gegeven: de weg ligt in de omweg. En subversiviteit is nodig! Curtis laat geen spaander heel van de Amerikaanse (buitenland)politiek. Hij analyseert ongemeen scherp de bedwelmende entertainmentmachine die onze geesten versuft en lui en onschadelijk maakt. Hij geeft genadeloze interpretaties van, bijvoorbeeld, de films van Steven Spielberg. En hij propageert kunstenaars die zich alsnog aan ‘het doorsneedenken’ weten te onttrekken: Radiohead, David Lynch, Tom Tomorrow. Een – willekeurig gekozen – citaat om een idee te geven:

Het idee dat kunst eigenlijk binnen een canon moet passen, door Adorno een ‘cultureel museum’ genoemd, is een enorme overwinning voor iedereen die niet wil dat kunst als destabiliserende factor fungeert. Canons stabiliseren. Dat is ongeveer het enige wat ze goed doen. De canon is […] een strategie om potentieel radicale energie te beheersen.

Het doorsneedenken ligt op dit ogenblik voor zeven euro bij De Slegte.

1344 / Van Bray-Dunes naar Zuydcoote 1/11

maandag 10 maart 2008

Mijn woordenboek (187)

AFKEUREND

Van alle blikken die mij tegenstaan, heb ik de grootste afkeer van de afkeurende.

Dag 194 vVH&C

080229 en 080310 – No Copy stopt ermee. Merk ik nu pas, hoewel ‘de beslissing’ al van de jaarwende dateert: ik bezoek niet zo vaak andere blogs. Serge had een uitstekende blog. Hij vindt dat zelf ook – en terecht! – en acht het dan ook nodig zijn beslissing te motiveren.

Serge heeft weer zin om in het werkelijke leven werkelijke contacten te onderhouden. Hij staat daarin niet alleen: ‘According to a recent future report by The Future Laboratory "a growing minority of overloaded consumers are phasing out their virtual selves and returning to face-to-face socialising," as you can read here for example.’

Dat is natuurlijk een valabele reden, een die mij in elk geval aan het denken zet. Voel ik dezelfde behoefte en, vooral, vind ik zelf ook dat dit bloggen mij van het werkelijke leven afhoudt? En zo niet: wat is dan het verschil met Serge?

Ik heb niet het gevoel dat ‘Pascal Digital’ een avatar is. Deze blog is voor mij even werkelijk als wat ik daarbuiten doe. Sterker nog: het aanvullen van deze blog is uitgegroeid tot een essentieel onderdeel van mijn bestaan. De dagelijkse discipline die ervoor nodig is, brengt structuur aan in mijn leven, en de noodzaak om inhoud te vinden, zet mij er voortdurend toe aan om te zoeken. Wat ik daardoor allemaal al heb gezien en gemaakt…: het heeft de afgelopen vier jaar mijn leven aanzienlijk intenser gemaakt! Ik heb bovendien niet het gevoel dat de ‘virtuele’ gemeenschap, die bijvoorbeeld in de commentaarfaciliteit tot stand komt, van dien aard is dat zij mijn ‘werkelijke’ contacten (voor zover die al een hoog realiteitsgehalte hebben, maar dat is een andere discussie) in gevaar zou brengen.

Neen, hoewel ik haar respecteer, deel ik niet de analyse van Serge – No Copy – Cornelus. De oorzaak hiervoor moet, denk ik, worden gezocht in het feit dat No Copy vooral de mogelijkheden van het bloggen en het internet verkende; de inhoud (die er wel degelijk ook was) kwam pas in de tweede plaats. ‘[This blog]’, zegt Serge zelf, ‘was a great tool in helping me to get to understand the blogosphere phenomenon.’ Dat heeft hij nu wel gehad. Voor mij blijft bloggen een middel om een stroom van ideeën en indrukken te kanaliseren. (Ideeën en indrukken die grotendeels door het bloggen zelf worden gegenereerd.) Ik heb maar een beperkt inzicht in de middelen en mogelijkheden van het bloggen – maar meer inzicht heb ik niet nodig. Het bloggen als middel blijft voor mij ondergeschikt aan de inhoud.

Hoe dan ook, merci Serge, het was zeer de moeite waard wat je deed.

Bea's bananenboom (31)

11 februari 17u34

Bea's bananenboom (30)

8 februari 9u27

Bea's bananenboom (29)

7 februari 9u24

1343

Brugge. Sint-Jorisstraat.

zondag 9 maart 2008

Dag 192 vVH&C

080228 en 080309 – Hoe Jeroen Brouwers in De zondvloed een karakter neerzet dat alles in woorden beleeft. De werkelijkheid is wat hij erover te zeggen heeft en daarbuiten bestaat zij niet. Hij doet haar bestaan door erover te schrijven. Hij is zijn schrijven. Zij is zijn schrijven.

1342 / Garnier 3/3

Brussel Centraal

zaterdag 8 maart 2008

Dag 191 vVH&C

080228 en 080308 – Waarom schrijf ik nooit over muziek? Omdat ik daarvoor de woorden, het vocabulaire ontbeer. Ik kan de klanken niet oproepen, de muzieklijnen, de huivering die het gitaargeweld van Hendrix in de Dylan-cover ‘All Along The Watchtower’; het uitfreaken op het eind van ‘Instant Street’; een tempowisseling, een melodie, een onverwachte frasering; een doorslaande/brekende/wegschuivende stem (Bono in ‘One’: ‘You ask me to enter / But then you ask me to crawl’); de vrolijk-weemoedige blokfluitjes in de aanhef van Nick Caves ‘Breathless’; de gesofisticeerde eenvoud van Brassens en de pathetiek van Brel (‘La vie ne fait pas de cadeaux!’); de bedwelmende herhaling in een Mongools lied tussen de koeien in een joert – en nog zoveel andere muzikale momenten bij mij kunnen teweegbrengen. Hoe de fysieke reactie in de onderbuik, tussen vel en been ergens in de bovenarmen omschrijven? Ik mis het arsenaal van termen, ik ben notenblind. Ik kan wegdrijven op een partita van Bach of samen met de leeuwerik in Vaughan Williams ‘The Lark Ascending’, maar de partituur kan ik niet lezen – en dat lijkt me noodzakelijk om die muziek te begrijpen, te grijpen. Ik kan een boek bespreken, een beeld analyseren, op een nieuwe manier naar een schilderij kijken. Maar muziek is voor mij als een parfum of een streling: vluchtig, onbestemd in haar werking, efemeer en niet onder woorden te brengen.

En dan vergeet ik natuurlijk Karl Zero: ‘Je respecte le passage piéton!’ Wat zou ik daarover in godsnaam kunnen zeggen?

1340 / Garnier 2/3

Station Leuven

vrijdag 7 maart 2008

Terugblik 447 / 1000 (21)

In de archetypische voorstellingen zoals we die kennen van kinderbijbels en gravures, en die mijn generatie nog net heeft meegekregen, neemt de goddelijke instantie geografisch (kosmologisch?) gesproken een positie bóven ons in. (Wat dat voor onze antipoden betekent, is natuurlijk een ander paar mouwen – de ruimtelijke situering der goden dateert duidelijk nog van voor de tijd dat de Aarde als bol werd gepercipieerd, van een tijd waarin de Olympus, berg zijnde, evident hogergelegen was dan het tranendal waarin de mens zich een weg door zijn schamele bestaan wroette.) In dit beeld van een benepen achterafkamertje van, ja, ik ben vergeten wat het was, zo benepen was het daar – in dit beeld dus, schemert (als u mij toestaat die woordspeling te gebruiken, het gebeurt echt niet met voorbedachten rade, zij komt zó in mij op, het lijkt wel een goddelijke ingeving) – schemert dus iets van die archetypische voorstelling door: de door toedoen van het kruisbeeld, een stevig staaltje huisvlijt van een nijvere kunstsmid, nadrukkelijk religieus beladen ruimte (nu ja, ruimte) ontvangt licht uit den hoge. Via het bovenlicht. Maar dat vermag niet de beklemming die, naar ik aanneem, ook u bij het bekijken van deze foto overvalt, teniet te doen. Dat vermag al evenmin de aan de linkerwand bevestigde kunstige voorstelling van een frivool ritje per arrenslee door de sneeuw
– een door zijn vrijelijke frivoliteit tergend contrast met de sfeer van geestelijke gevangenschap die in dit kamertje rondwaart.
Met betrekking tot de compositie, en dan keer ik terug naar de volledige foto, weze hier nog opgemerkt dat de spil van het kruisbeeld niet het verdwijnpunt van de perspectief is.

Ten slotte nog iets over de geschiedenis van mijn eigen waardering voor deze foto. Ik maakte haar om die ervaring van benepenheid vast te leggen. Goed, dat ligt min of meer voor de hand. Veel bijzonders biedt de foto niet, maar zij moest toch enkele selecties overleven om in deze ‘Terugblik’ terecht te komen. En nu realiseer ik mij hoeveel het onbewuste meewerkt in een foto. Het is pas nu dat ik mij voor het eerst ten volle realiseer dat de voorstelling op de reproductie aan de muur wel degelijk een belangrijke rol speelt in de algemene sfeer die met dit beeld wordt geëvoceerd, en het is, echt waar, de allereerste keer dat ik dat bovenlicht zie!

De werkelijkheid toont zich nooit onmiddellijk – wat een rijkdom dat te beseffen!

Dag 190 vVH&C

080225 – Fietsend door de polders realiseer ik mij dat ik dit landschap – door zijn vlakheid, grijsheid, monotonie, lelijkheid – om het even waar elders ter wereld zo snel mogelijk achter mij zou laten, maar hier, omdat ik hier woon, durf ik dat niet toegeven en zoek ik wanhopig naar elementen die mij toch kunnen doen denken dat het een mooi landschap is.

1340 / Garnier 1/3


Station Brugge

donderdag 6 maart 2008

Mijn woordenboek (186)

AFKEER

Een emmer vol op copulatie beluste padden die door ecolo’s met een zaklamp op hun kop naar de andere kant van een drukke verkeersweg worden overgezet, een uit de kluiten gewassen huisspin in de spoelbak, een haar van een andere lengte en kleur dan het mijne in de boter, slakken (maar niet deze die zich, net zoals mosselen, oesters en dergelijk slijmspul uitstekend tot menselijke consumptie lenen): dat zijn enkele van de, hoe zal ik het zeggen, chtonische vormen van afgrijzen die op prototypische wijze aan de basis liggen van de meer politiek of ideologisch geïnspireerde varianten die, jammer genoeg, dagelijks vele keren méér mijn levenswandel kruisen en waarover ik het hier niet kan, laat staan wil hebben omdat daartoe mij ten enenmale de plaats ontbreekt maar ook – en we krijgen hier opnieuw een voorbeeld van de door mij zeer geliefde, op een paradox uitdraaiende cirkelredenering – omdat ik er een afkeer van heb, van dat moraliserende vingertje dat, blind voor zijn eigen onbenulligheid en wijsneuzig (ja, een vinger mét ogen en neus!) de hoogte ingaat bij alles wat te maken heeft met reclame, opportunisme, zelfzucht, hypocrisie, domheid, intolerantie, gebrek aan persoonlijkheid, respectloosheid, blindheid voor het schone, ondankbaarheid, door mode gestuurde smaak, kritiekloosheid, vooroordelen en de neiging tot opsommen, zeker als het gaat om opsommingen die eindeloos dreigen te worden en op die manier de grammaticale rust verstoren. (Weet je waar ik ook een afkeer van heb? Dat is van lui die met opzet woorden gebruiken waarvan ze weten dat ze daarmee velen de boekenkast op jagen. Daarom bespaar ik u een duik in Van Dale (2005, 634): ‘chtonisch’ = ‘betrekking hebbend op de aarde’.)

1339 / Wijgmaal 8/8

woensdag 5 maart 2008

Mijn woordenboek (185)

AFHANKELIJKHEIDSRELATIE

Hoewel we allemaal begrijpen waarop het slaat, is het natuurlijk een woord dat geen steek houdt: in de relatie zit al de afhankelijkheid besloten (dat is de reden waarom er van een onafhankelijkheidsrelatie niet wordt gesproken); het pleonasme is niet uit de lucht. Daardoor wellicht komt het dat ‘afhankelijkheidsrelatie’ typisch zo’n woord is dat, als je het lang genoeg herhaalt, op de duur niets meer lijkt te betekenen.

Maar goed. Het gaat dan ook eigenlijk niet om afhankelijkheid, maar wel om te veel afhankelijkheid. We hebben te maken met een eufemisme voor verslaving of andere vormen – sociale, psychologische – van karakterloosheid. Zo bekeken is het woord – voor een keer autobiografisch gesproken – mij absoluut niet vreemd. Wat betreft de chemische verslavingen moet, of mag, u weten dat van al mijn verslavingen wellicht het eeuwigdurende en steeds herbeginnende streven om ervan af te geraken nog de grootste is. Ook bij de sociale variant van relaties waarop afhankelijkheid een te grote stempel drukt kan ik mij iets voorstellen. Ik heb zo de indruk dat de chemische afhankelijkheidsrelaties, én de psychologische (neurotische dwanghandelingen, telzucht, systematitis, classificeringsdwang, bloggen), er nu net toe bijdragen om de evidente schade die het gevolg is van een te grote afhankelijkheid in de sfeer van het samenleven met andere homines sapientes te lenigen.

Dag 188 vVH&C

Overschrijven (87)

De nacht is lang, de maan is hoog.
Nu slapen dieren en mensen.
Daar valt een ster in een lange boog
Dan mag je, geloof ik, iets wensen.
Wat wil je hebben, dat is de vraag.
Ik geef je alles, o zo graag.
Al wat je wilt kan je krijgen.
Alleen mijn hart blijft mijn eigen.

Uit: Cornelis Vreeswijk, ‘Marjolijn’.

1338 / Wijgmaal 7/8

dinsdag 4 maart 2008

Wijgmaal 6/8

Dag 187 vVH&C

Overschrijven (86)

Zullen we ooit leren leven zoals dat zou moeten, met al het geluk, alle pijn en de opperste aandacht die de breekbare constructies van ons bestaan vereisen? Is het niet zo dat die alleen in boeken vorm krijgen, als ze in woorden zijn gegoten, als ze zijn omgevormd en eindelijk bestaansrecht genieten?

Johan de Boose, ‘Poëticaal cahier’, in Poëziekrant 2008-02 (verschijnt binnenkort)

1337 / Wijgmaal 5/8

Wijgmaal 4/8

Wijgmaal 3/8

zondag 2 maart 2008

Dag 186 vVH&C

080221 en 080302

Overschrijven (85)

Secteur 131,
Maroc glacial
Polder
Flandres
Tu verras la dune couchée
aux hanches roses ;
le décor féminin
rempli d’hommes ;
le fleuve Yser ;
la coulisse du drame, le jeu
des trompe-l’oeil de la défence,
la strategie des perspectives,
le côté face
le côte pile,

toute la houle postiche


*

Sector 131,
Een ijzig Marokko
Polders
Vlaanderen
Je zal de slapende duin zien
met haar rozige heupen;
het vrouwelijke decor
vol mannen;
de IJzer;
de coulissen van het drama,
het verdedigingsspel met trompe-l’oeils,
de perspectievenstrategie,
de kant van munt
de kant van kruis,

die hele valse deining

Jean Cocteau, uit ‘Discours du Grand Sommeil’, een gedicht dat is gebaseerd op zijn ervaringen als ziekenbroeder van het Franse Rode Kruis van december 1915 tot juni 1916 in Nieuwpoort. Eigen vertaling.

1335 / Wijgmaal 1/8

zaterdag 1 maart 2008