maandag 30 april 2007

Terugblik 224 / 1000

Deze foto is als foto niet zo bijzonder, dat besef ik wel, maar ik blik er hier op terug omdat zij staat voor de vele tientallen foto’s die nu nog altijd een tastbare herinnering vormen aan een tijd toen ik heel intensief het Ryckeveldebos bewandelde en er op den duur een zeer hechte band mee kreeg. Ryckevelde is niet zo groot, nauwelijks twee vierkante kilometer, maar doordat ik nooit hetzelfde traject aflegde en er op verschillende tijdstippen van de dag, in alle seizoenen en onder alle mogelijke weersomstandigheden kwam, liet het zich nooit op dezelfde manier aan mij zien. Dat opende mijn ogen – en als ik met de kennis die ik door die wandelingen heb opgedaan deze foto zou benaderen, zou ik zeggen: weet dat die ene foto nooit méér dan een momentopname kan zijn, dat zich achter de klaarblijkelijke werkelijkheid die wordt getoond altijd een veelheid van gedaanten en bijhorende interpretaties en emoties verbergt. Hier lijkt het bos misschien mysterieus en in zichzelf gekeerd, maar het is evengoed uitbundig, triest, extravert, stom… De kwaliteit van een foto hangt ook dáár van af: in welke mate zij, in één beeld, van het onderwerp meer dimensies dan alleen maar de klaarblijkelijke weet te vatten. Dat is het duidelijkst met een portret, maar je mag het ook van een landschap, een stilleven of welke foto dan ook verwachten.

Commentaar van een bezoeker bij foto 1027

Het moet zowat 20 jaar geleden zijn. La Méditerranée. Vence en Sint-Paul waren toen nog twee aparte dorpjes. Nu is het hele gebied een grote randstad. Biot, een dorpje op een boogscheut van Antibes. Bijna iedere middenstander was toen nog een autochtoon. Ik ging een brood kopen bij bakker Jean (spreek uit: Zjang). Daarna naar Pellegrino, de slager. Hij had in de lade van zijn kapblok nog een krantenknipsel uit 1948 liggen: referendum toetreding Frankrijk. Je had tijd nodig bij Pellegrino want het sociale contact tussen de inwoners was groot. Je bent al een tijdje met veel plezier naar het langzamere Franse tempo overgeschakeld en je luistert naar de kleine dorpsverhalen. Een dame komt binnen. Ze is op reis naar Zwitserland geweest en wordt gevraagd naar haar bevindingen. 'Complittemangdifférang, la Suisse! Si propre! Imaginez-vous!' Ik zeg tegen mijn vrouw hoe eigenaardig het toch is: dat onbewuste zoeken naar tegengestelden, naar dingen die we niet onmiddellijk hebben, zien of horen. Ik had tegen dat vrouwtje willen zeggen: 'Dat is net de charme van jullie huizen en dorpen: jullie restaureren en herstellen niet – zoals de Vlamingen, de Duitsers – tot je alle ziel uit een huis hebt gehaald. Jullie laten een huis waardig oud worden. Daarom kom ik naar jullie land.'

Als ik een oud Frans landhuis zie – zoals het zomerhuisje in de film over het leven van Pagnol 'La gloire de mon père' – dan hoor ik de muziek van Fauré, Debussy en Ravel. Ik weet het: ik leef te veel in het verleden.

Hoewel dit huis op de foto gevaarlijk dicht bij de propere, Duitse en Zwitserse grens ligt, heeft het ontegensprekelijk dat melancholische, dat net niet verloederde, van een echt Frans huis. Stop een Vlaming in dat huis en de gevolgen zijn niet te overzien: de roest van de poort, een nieuwe laag verf (of nog waarschijnlijker: een nieuwe, witte, plastic kantelpoort, met afstandsbediening), weg met die gammele bank en een nieuwe plastic tuinset, voortuintje met schreeuwerige bloemen. Kortom, proper maar zielloos.

Luc De Cloedt

1027

In de Vogezen.

zondag 29 april 2007

Een ondoorgrondelijk verband

Ik reed op de snelweg van Veurne naar Brugge langs de nieuwe windmolens ter hoogte van Gistel. De eerste twee en de laatste twee van de wel veertig meter hoge reuzen draaiden al, de middelste twee zijn blijkbaar nog niet klaar. Je kunt het zestal al van op grote afstand zien, de polder is biljartvlak. De schoepen draaien uiteraard met een gelijkmatige snelheid, maar door de werking van het perspectief, waardoor de afstand van bovenste naar onderste punt langer lijkt dan van het oosten naar het westen van het rad, heb je dat kantelende effect. Je zou er naar blíjven kijken. Ook wil je weten of de wieken van de verschillende molens met een zelfde snelheid wentelen. Maar dat alles kun je als je daar met een snelheid van rond de 130 aan voorbijrijdt, natuurlijk niet verifiëren zonder je eigen veiligheid, en die van anderen, in het gedrang te brengen.

De boxen van de geluidsinstallatie in de auto staan stevig open. De lucht is heiig: verdampt zeewater drijft het land in. Er staat een stevige bries. In het binnenland is het alweer goed warm aan het worden, heb je zo-even op de radio gehoord, zo’n graad of tien warmer dan hier.
Boudewijn de Groot zingt ‘Als de rook om je hoofd is verdwenen’. Het is misschien de eerste keer dat je écht goed naar dit intussen klassiek geworden nummer luistert (je kent het al ongeveer zo lang als het bestaat, en dat is dus wel al een jaar of vijfendertig, misschien wel veertig). Het valt je op hoe sterk de muziek en het arrangement zijn.

‘Valt het je op dat de wind harder waait / als je hem tegen hebt in plaats van mee’. De cadans van die woorden past eigenlijk niet op de melodie. Maar dat geeft niet: Boudewijn fraseert kundig om de hindernis heen – en hij doet dat dus terwijl je onder die traagzaam wentelende reuzenwieken doorrijdt. Met 130 per uur door de heiige polder.

En op de een of andere manier, hóe precies is moeilijk in te schatten, komen die muzikale hapering, het ongelijkmatig-gefaseerde wentelen, de van de rechter- naar de linkerbox heen- en weerfadende vervormde elektronische klanken in sommige passages van het lied, én het contrast tussen de snelheid van mijn auto en de schijnbare traagheid van de molens (al zullen de punten van de wieken wel met een behoorlijk aantal kilometers per uur hun cirkelgang maken) op een inspirerende manier samen: hier valt alles samen in een ondoorgrondelijk verband.

1026

Grand-Verly, 5 km vogelvlucht ten noordwesten van Guise, dat zelf dan weer 25 km ten oosten van Saint-Quentin ligt.

vrijdag 27 april 2007

Films

Van een film over Apartheid (ik heb het altijd een beetje lastig met die hoofdletter) verwacht je misschien veel, maar toch in elk geval niet dat hij te zwart-wit, te ongenuanceerd is. Goodbye Bafana, nochtans van Bille August (2007), is een karikatuur van een biografie, een politiek overcorrecte belichting van een episode in de geschiedenis die ongetwijfeld veel ingewikkelder en duisterder moet zijn geweest. Dat de ondoorgrondelijke gruwelen van de werkelijkheid en de schaduwzijde van de mens – ongeacht of het nu een witte of een zwarte mens is – in deze film moeten wijken voor sentimentalistisch inbeuken op des kijkers gemoed, verdráág ik gewoon niet. Ik vind: deze film moet voor een waarheidscommissie.

In Azul oscuro casi negro (Daniel Sánchez Arévalo, 2006) herken ik een Ispahan-motief: hoe je ook aan je familie probeert te ontkomen en in welke bochten je je daartoe ook wringt, op het eind staat je lot weer voor je deur, ook al ben je verhuisd. Het staat daar, in de vorm van een zotte broer en een vader-in-een-karretje-die-jou-niet-meer-herkent. Een verhaal over mensen die op de verkeerde manier met gevoelens bezig zijn, en uiteindelijk illusieloos achterblijven, tot elkaar veroordeeld. Het enige verschil is dat de een wat meer levenslust en humor heeft dan de andere, en wellicht vooral daardoor beter tegen het leven gewapend is.

Les Témoins (André Téchiné, 2007) is alweer een film over minderheden en tegenstellingen: over de verschillen van sekse, ras, geloof en seksuele voorkeur heen hebben alle mensen hun fundamentele eenzaamheid en onvermogen gemeen – en daarin zijn ze gelijk. Mooi hoe Téchiné, zonder belerend te zijn, aangeeft hoe uit creativiteit en engagement nog het meeste zin te puren valt: de aidszieke Manu spreekt zijn voorbije leven in op een bandopnemer, Sarah maakt daar een boek van, Manu’s zus Julie zingt, Mehdi zorgt goed voor zijn kind en de homoseksuele dokter Adrien trekt zich het lot aan van seropositieve prostituees. Op die manier getuigen zij allen van een leven dat, in de bloem afgebroken, anders zinloos zou gebleven zijn.

1024

Ballon d'Alsace.

dinsdag 24 april 2007

Terugblik 161 / 1000

Wist u dat een schoen zo mooi kon zijn? Dat een doodgewone mannenschoen elegant wordt als hij zweeft? Dat is één. Het andere aan deze foto is de anekdote, die er voor altijd aan vasthangt. Voor mij, en als ik haar vertel misschien ook voor u (je vertelt soms iets met foto’s). Toen wij aan het eind van de eerste dag van onze tweedaagse fietsrit naar Eu in Normandië in Arras een hotel zochten, stelde H. vast dat hij behalve zijn onhandig lopende klikpedaalfietsschoenen geen schoeisel bij had. Dat was om zes uur ’s avonds. En zo belandden wij nog, vlak voor het sluitingsuur, in een schoenenwinkel. Daar maakte ondergetekende deze schoenbeeltenis, annex bescheiden zelfportret. De prijs van de zweefschoen overtrof H’s vakantiebudget, maar met de afgeprijsde strandslippers kon hij die avond in Arras toch nog uit de voeten.

1021

maandag 23 april 2007

37 * 28,20 * 238

In het licht van de lage zon blinkt een vis van wel veertig centimeter in de handen van de visser die het beest van de haak van zijn hengel haalt. Een aalscholver scheert het wateroppervlak richting Brugge; iets anders, veel kleiners (maar wat?) kruist, ook vlak boven de spiegel, het kanaal. Mijn gemiddelde snelheid stijgt gestaag, tot hij bij het keerpunt in Zandvoorde de kruissnelheid van 31 benadert, maar het getreuzel van de aanvangshectometers – een rood licht en een lullig parkerende auto – is mathematisch niet meer mogelijk. Landwind botst tegen zeebries aan: meewind wordt tegenwind. In het terugkeren steekt Geert Claes – die naam staat op zijn blauw-roze shirt – me voorbij. Hij rijdt een kilometer of twee per uur sneller dan ik, ik kan hem nog vele kilometers lang in de verte voor me zien uitrijden: zo vlak en onbebouwd en kaal is het polderland. Nieuw is het knalgeel van de bloeiende koolzaadvelden. In de verte ploegt een boer zijn land: een stofwolk. Het heeft weken niet geregend, de klei valt niet in vette, gekraakte schellen uiteen maar trekt in poedervorm geometrische, streng afgelijnde voren.

1020

zaterdag 21 april 2007

Ferroviaire observaties (8)

(Brussel Zuid, 20.05)

Hallo, Thomas? ’t Is mama.

Hoe is het, jongen?

Is papa nog niet thuis?

Jongen toch. Heb je al iets gegeten?

Ik kom thuis om kwart voor negen. Ik zal papa bellen. Hij zal wel iets meebrengen.

Ja, natuurlijk. Als je nog fris genoeg bent, overlopen we dat zeker nog eens samen.

Oké. Ik bel nu naar papa. Dag, jongen, tot straks. Kwart voor negen, hé.
… …
Hallo, ’t is ik. Ben je nog niet thuis?

Thomas heeft nog niets gegeten.

Hij heeft nog niets gegeten. Heb jij iets?

Kwart voor negen.

Oké. We zien elkaar straks.

1018 / Champagne 1/2

vrijdag 20 april 2007

Uit het nieuws

Item in het VTM-avondjournaal over de onthulling van een herdenkingsplaquette voor de verongelukte Belgische para’s in Libanon, in aanwezigheid van de familieleden.

(beeld van de plaquette met de minister van Defensie en enkele familieleden)
Voice-over: 'En, toeval of niet, net op de plek waar de para’s verongelukten, groeit er nu één klaproos.' (close-up van de klaproos)
Reporter ‘ter plaatse’ in beeld: ‘Het was een zware klap voor de familieleden…’

Ondertussen in Brugge (106)

De schrijver reageert

Bedankt, Pascal.
Een mooie, treffende analyse, die de intenties van het werk integraal dekt. Dat is precies het boek dat me voor ogen stond toen ik er jaren geleden aan begon.
Groeten,
johan

Terugblik 122 / 1000

Na een tijdje fotograferen begon ik dingen te zien waar ik vroeger aan voorbij liep. Nu ik dit terugzie, vraag ik me af: hoe had ik hier in godsnaam een goede foto van kunnen maken? – want dát is toch nog iets anders dan een gag.

1017 / Laon 3/3

woensdag 18 april 2007

Wat gebeurt er als er niets gebeurt?

Toevallig gebeurt er in de twee boeken die ik de voorbije weken begon te lezen in de eerste honderd vijftig bladzijden niets, of toch niet veel.

In de aanhef van Mijnheer Beerta, het eerste van de zeven lijvige delen waaruit de romancyclus Het Bureau van J.J. Voskuil bestaat, gebeurt er op een andere manier niets dan in de roman Noem het middernacht van Johan De Boose.

In de eerste honderd bladzijden van Mijnheer Beerta vernemen we hoe het hoofdpersonage Maarten min of meer tegen zijn zin wordt tewerkgesteld in een bureau, hoe dat bureau is ingericht, wie zijn collega’s zijn, wat voor soort werk daar wordt gedaan, enzovoort. Allemaal vrij triviale en, hoe moet ik het zeggen, horizontale feiten – in die zin dat er nergens psychologische of filosofische diepgang wordt bereikt; de accumulatie van gegevens is nevenschikkend. Er is meer kwantiteit dan kwaliteit. Natuurlijk legt Voskuil hier de basis van het gebouw dat hij met de volgende 4.700 van zijn romancyclus wil neerzetten, maar de soaptoon is gezet, je voelt dat je maar méé zult zijn, of zult willen gaan, voor zover je je met deze personages wilt identificeren, voor zover je je hun lot zult willen aantrekken. Het zal vooral de vertrouwdheid moeten zijn op basis waarvan de lezer zich bereid zal tonen de tijd te investeren die nodig is om het hele gebouw te verkennen.

Precies zo werkte Bij nader inzien, dat andere vuistdikke boek van J.J. Voskuil. Ik las het indertijd omdat ik met plezier het televisiefeuilleton had gevolgd dat naar dat boek was gemaakt. En dat is het helemaal: de spanning die Voskuil opbouwt, is deze van het feuilleton, de soap.

Ik weet niet of ik ooit dat hele Bureau wil uitlezen.

Bij De Boose ligt het helemaal anders. Ook hier krijgen we een wereld voorgeschoteld waarin – toch in de eerste honderd vijftig bladzijden – niets essentieels gebeurt. We bevinden ons nochtans in een exotische, veel avontuur belovende locatie, een stadje op de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico. Het is er broeierig heet, alles staat er stil, er zindert een rare spanning door de lucht, en de mensen zuipen zich een paralyse bij elkaar met allerlei drankjes, voor elke letter van het alfabet één: aquavit, bier…

De gebeurtenissenloosheid hier is totaal anders. Ik moet toegeven, op een gegeven ogenblik vond ik ook wel dat De Boose de spanning wel heel erg langzaam opbouwt, en dus het geduld van de lezer behoorlijk op de proef stelt, maar toch is de verleiding onweerstaanbaar – om niet te zeggen onontkoombaar – om verder te lezen. Hier geen nevenschikking maar een uitbouw in de diepte (en tot metafysische hoogten). Hier geen soapeffect maar de vakkundige opbouw van een thriller of een Grieks drama. Het is de verlammende lethargie van het stadje in het Wilde Westen, op het blauwe uur, de stoffige hoofdstraat kreunt onder de hitte, een luik klappert in de woestijnwind… De catastrofe is onontkoombaar.

Wie voortleest – en dat heb ik intussen gedaan – wordt beloond. De finale, want die komt er, lost alle hooggespannen verwachtingen in. Veel ‘verhaal’ is er uiteindelijk niet, maar er is wel degelijk een ontlading, iets dat wordt afgewerkt, iets dat het geheel alsnog optilt tot een grotere hoogte en waarin alle stukjes op hun plaats terechtkomen. Dit is geen repetitief stuk met egale klemtonen en een eentonig motief, dit is een goed uitgebalanceerde, weloverwogen compositie, waarin elk beeld, elke klank, elke toets een functie heeft en bijdraagt tot de climax, die de lezer wel degelijk beroert en ontroert.

1015 / Laon 1/3

dinsdag 17 april 2007

Overschrijven (54)

Waarom zijn de herbergen aan de Sint-Niklase markt gelegen aan de (voormalige) Beverse zijde? De verklaring zou ingegeven zijn door het feit dat de Beverse inhoudsmaten groter waren dan de Sint-Niklase! Meer bier voor evenveel geld was het resultaat. ‘Een Beverse maat’ is nog steeds een gangbare uitdrukking voor een pint met veel bier (en weinig schuim) of voor een overvol dampend bord eten.

Uit een binnenkort (bij Lannoo) te verschijnen boek over Kasteel Singelberg in Beveren.

1014

vrijdag 13 april 2007

Overschrijven (53)

Een generatie opgevoed met elektronische media is voor de rest van het leven gevoelig voor deze media en grijpt naar deze media wanneer zij zich wil uitdrukken. Het spreekt vanzelf dat wij in een overgangsfase leven. Een overgangsfase wordt gekenmerkt door crises, door de grote massa onbewust, door een kleine kern bewust aangevoeld. De crisis die ons bezighoudt, is de vaststelling dat het schrijven van teksten een ouderwets expressie- en communicatiemiddel is, en literatuur als gevolg daarvan een overleefde kunstvorm […].

Julien Weverbergh, ‘Literatuur is een met stro opgevulde mummie’ (1970), in: weverbergh ’30-’70, De Arbeiderspers (2006), 302
(zie ook:
een bijzonder geestig filmpje)

1010

S.

donderdag 12 april 2007

43 * 26,75 * 201

Zonder enige twijfel aangepord door de klassieke rillingen van begin april, het klimaatwarme weertje en het vooruitzicht géén Kemmelberg te moeten afdalen (ik bekeek de schandalig-sensationele ‘fotospecial’ op de website van De Standaard), ben ik dan toch nog maar eens op mijn fiets gekropen. De Brugeoise liep net leeg: dat was laveren tussen de geautomobiliseerde ‘medewerkers’, die allang niet meer te voet, knapzak op de rug, naar de arbeiderswijk aan de andere kant van het kanaal trekken, met de cafés op de vier hoeken van het kruispunt, waarvan de meeste al niet meer bestaan, als tussenstatie. In Oostkamp blokkeert een bestelwagen met aanhangwagen de weg, op de Hertsbergebrug over de autosnelweg zie ik de onafzienbare stroom auto’s en vrachtwagens richting kust, richting Brussel. Twee renners in hemelsblauwe Milram-shirts kruisen freewheelend mijn weg – hoe zou het met Zabel zijn? Het doet deugd nog eens de baantjes tussen Beernem en Oedelem, en die tussen Oedelem en Sijsele af te malen. De stank van het land is overweldigend: ik ruik alles behalve natuur. Hoewel, hier en daar toch iets van lente, ja zelfs een begin van zomer. In Sint-Kruis houd ik halt voor een glas spuitwater bij T.

Terugblik 121 / 1000

Soms, vaak eigenlijk, is het niet duidelijk waarom een foto bijblijft. Deze vertoont manifest gebreken, dat ontgaat me nu uiteraard ook niet. Maar om de een of andere reden is het beeld krachtig. Het bruuske afsnijden van de paardenbenen (daarvoor werd achteraf gekozen) is al bij al niet minder onzachtaardig dan het halverwege afbreken van de stam (wat we meer gewoon zijn omdat we zelden bomen helemáál op een foto zien staan). Beide levende wezens, fors, krachtig en gezond, krijgen wat dat betreft een gelijke behandeling. Door de uitsnijding en de verdeling van het felle licht op hun huid en bast, lijkt het geheel niet meer uit twee aparte entiteiten te bestaan. Ik weet het niet, maar deze foto lijkt te illustreren dat monumentaliteit en formaat absoluut verschillende kwaliteiten zijn – ja zelfs dat monumentaliteit pas kan ontstaan als zij het formaat doet vergeten.

1009

maandag 2 april 2007

Overschrijven (52)

Grote genade


De miskraam is mislukt, ik word gelucht,
voortaan geschiedt het waarlijk dag en nacht.
Ik voel me thuis thuis en teel vele kinderen,
eerst van die wolken en dan hele slimme.

Er is een afbeelding van mijn gezicht.
Ze geven me een prijs voor Schone Kunst
want iets is welgevallig zo te zien.
En op gezette tijd kom ik tot rust.

Wormstekig klaagvrouwtje, ksst, weg,
wegwezen!
Dat benig vingertje is niet voor mij.
Ik heb een lekker romig ding
in wie ik nachtenlang mij ga begeven.
O zeker ben ik er, ik ben, ik ben
nog jarenlang ten dode opgeschreven.


Rob Schouten, Spijsamen, De Arbeiderspers (2007), 31

1007

zondag 1 april 2007

Terugblik 68 / 1000

Militaire begraafplaatsen zijn zo fotogeniek dat het niet mooi meer is. Ze werpen voor de fotograaf een moreel probleem op. De al te gemakkelijke esthetiek van de schier eindeloze perspectieven van gerijde zerken stuit tegen de borst en wordt weerzinwekkend.

Deze foto is gemaakt in de inkompoort van de Duitse militaire begraafplaats van Bourdon in Picardië. Ik bezondigde me ook daar aan de obligate perspectiefjes, maar achteraf bleek deze foto veel meer te zeggen. Ze zei iets over dat morele probleem.

Hier wordt het op verdwijnpunten gerichte perspectief van de graven vervangen door een frontale witte muur-met-een-boodschap, met daarvoor twee personen. Door hun plaatsing in de ruimte én in de tijd (hun leeftijd) vormen zij een ánder perspectief.

1006

C.