dinsdag 30 mei 2006

Lille: Palais des Beaux-Arts (3/15)

756 / Lille: Palais des Beaux-Arts (2/15)

Mijn eigen namen (37)

ANATOOL
Bij Nero is Ricardo een Maltese boef, bij Kuifje is het janhagel vaak van obscure Aziatische of Oost-Europese komaf, en bij Jommeke heet de slechterik meteen al in het eerste avontuur, De jacht op een voetbal, Anatool. De butlerachtige figuur met rechthoekig hoofd, zwarte livrei-jas en kniebroek leidt op het knalrode voorplat de achtervolging op onze held met het strooien dak op z’n kop. Alleen al met zijn naam verwijst Anatool naar verre allochtone streken. (Het album – ‘Weer een kapoentjesuitgave’ – was in mijn bezit en het bleek op een dag daaruit verdwenen nadat een gezinsgenote had geoordeeld dat ik het wel niet meer nodig zou hebben en het aan een jeugdbeweging waarmee ik niets had te maken had weggeschonken.) Ik schat dat in nog heel wat andere stripreeksen uit die tijd, die misschien niet allesbepalend zijn geweest maar toch wel een zekere onderhuidse invloed zullen hebben uitgeoefend, de schurken niet wat je noemt onverdacht Vlaams-Arische types waren.

maandag 29 mei 2006

The bottonline (2)

Lectuur van De architectuur van het geluk van Alain de Botton

2. In welke stijl moeten we bouwen?

1.
AdB formuleert vaak niet erg nauwkeurig.
‘Wat is een mooi bouwwerk? Wie modern is zal dit een lastige en mogelijk zelfs onbeantwoordbare vraag vinden…’ (33) Waarom staat daar ‘modern’ en niet ‘postmodern’? En wat verder – ik vul de vraagtekens aan die u moet lezen als is-dat-wel-zo?: ‘Het scheppen van schoonheid, ooit beschouwd als de voornaamste [?] taak van de architect, heeft binnen het vak stilaan afgedaan als serieuze kwestie [?] en wordt nu alleen nog in de privésfeer [?] als een vage noodzaak [?, nu in de zin van: wat-bedoelt-hij-dáár-nu-in-godsnaam-mee?] gevoeld.’ (33)
Ik wil meer precisie.

2.
Schoonheid werd ‘al met al meer dan duizend jaar lang’ (33) vereenzelvigd met het klassieke ideaal. Er was een stilistische eenheid en architecten hadden niet de behoefte origineel te zijn.
Over welke periode spreken we? Over de periode vanaf de Grieken en de Romeinen, en dan, ‘na een onderbreking van duizend jaar’ (33), over de Renaissance en de daarop volgende gecanoniseerde bouwstijlen tot diep in de 19de eeuw.
AdB schildert de architectuurgeschiedenis met een heel brede borstel.

3.
Voor eenvoudige woningen hield men zich aan de regionale beperkingen: klimaat, bouwmaterialen, geringe verspreiding van kennis van alternatieven… Bij de voortzetting van de lokale bouwtradities was esthetiek geen bekommernis.
Is dat zo?

4.
AdB laat de intrede van de esthetiek in de woningbouw aanvatten met de excentrieke plannen van Horace Walpole, die voor zijn woning op Strawberry Hill niet de lokale technieken en ook niet de klassieke voorschriften maar de gotische bouwprincipes (‘het idioom van de middeleeuwse kerkarchitectuur’ (41)) liet toepassen. Dit leidde tot het einde van de klassieke canon: ‘een radicale verandering van smaak die alle opvattingen ondermijnde waarop de classicistische consensus was gebaseerd’ (43).
Is dat zo, valt die ommekeer zo precies te traceren? Om de een of andere reden begin ik AdB een beetje te wantrouwen. Ik sla er mijn Gombrich op na en ja, die heeft het inderdaad ook over Walpole, ‘een van de eerste tekenen van bewustwording die de mensen de stijl van hun huizen zelf deed kiezen, zoals men ook behangsels uitzoekt’ (Eeuwige schoonheid, 477).

5.
De bouwheren beperkten zich niet tot de gotiek als mogelijke stijl. De stijlbevrijding leidde tot eclecticisme. Zo kreeg je toestanden als in Plymouth: ‘op slechts een paar honderd vierkante meter waren daar een rij Romeins-Corinthische panden, een Dorisch stadhuis, een oriëntaalse kapel, enkele woonhuizen in Ionische stijl en een Egyptische bibliotheek bijeengebracht’. (50)

6.
Dat eclecticisme leidt tot chaos en willekeur: ‘“We zitten opgescheept met een architectonische janboel”, klaagde Augustus Pugin in 1836.’ (52)

7.
De ingenieurs geven met hun functionalistische opvattingen aan dat stijldiscussies eigenlijk overbodige discussies zijn. Ze houden zich niet bezig met versiering, maar blijken niettemin ‘in staat de indrukwekkendste en in veel gevallen aantrekkelijkste bouwwerken van hun verwarde tijd te creëren’. (53)
Jammer dat AdB hiervan geen voorbeelden geeft. En jammer ook dat hij heel erg veel verwarring schept nopens het ‘onderscheid’ tussen functionalisme en esthetiek.

8.
Er ontstaat een verschil tussen bouwkunde en bouwkunst. Bouwkunde is het optrekken van functionele constructies zonder versiering. Bouwkunst is het optrekken van versierde functionele constructies. ‘Volgens de heersende opvattingen school het wezen van grote architectuur in al wat niet functioneel was.’ (57)

9.
Er ontstaat een beweging die het gefrutsel van de bouwkunst van de architecten wil inruilen voor de zekerheden van de bouwkunde van de ingenieurs. De onaanvechtbare zekerheid van de technische functionaliteit moet de altijd ter discussie staande esthetische ‘waarheid’ (waarheden want de tijd is eclectisch) verdringen.

10.
Retorische truc: AdB zet ons hier even op het verkeerde been door Le Corbusier in eerste instantie als zondebok voor te stellen. Corbu bouwde immers met de villa Savoye een huis dat ‘het hele idee van schoonheid had laten varen’ en enkel nog wilde beantwoorden aan de eisen van de ‘technische functionaliteit’ (61). Dat is een onjuiste voorstelling van zaken (wat verderop, zie paragraaf 14, ook zal blijken, maar ondertussen heeft AdB wél zijn lezer op het verkeerde been gezet en Le Corbusier veel krediet doen verliezen).
Le Corbusier heeft een ‘aversie tegen elke vorm van versiering’ (62; onjuist!, weet ik op basis van mijn bezoeken aan werken van hem in Marseille, Ronchamp en ergens aan het Lac Léman) en is een functionalist pur sang.

11.
De villa Savoye in Poissy: technisch en Spartaans.

12.
Louter functionaliteit is niet wat we willen. ‘Van vrijwel elk gebouw verlangen we niet alleen dat het een bepaalde functie vervult, maar ook dat het een bepaalde aanblik biedt, dat het een bepaalde sfeer versterkt’ (69). John Ruskin (1819-1900; de door Proust vertaalde Ruskin) wist het al: we willen dat onze gebouwen ons onderdak verschaffen (functioneel zijn), maar we willen ook dat ze ‘tot ons spreken over alles wat we belangrijk vinden en waar we aan herinnerd moeten worden’. (69)

13.
De modernistische architecten, zoals Le Corbusier, willen hun architectuur óók laten spreken: ‘over de toekomst, met al zijn beloften van snelheid en technologie, democratie en wetenschap’.
Dit is onjuist, of toch minstens gedeeltelijk onjuist. De kapel van Ronchamp is naar mijn aanvoelen een enorm krachtig statement over het verleden, traagheid, natuur, elitarisme en religiositeit.

14.
‘De modernisten hadden in feite zo’n hang naar esthetiek dat efficiëntie stelselmatig naar het tweede plan werd verschoven.’ (71) ‘Stelselmatig’: AdB maakt er een karikatuur van. De ‘woonmachine’ van Corbusier in Poissy was (is) ‘uitzonderlijk fraai’ maar… ‘grotendeels onbewoonbaar’ (73). Al één week nadat de familie Savoye er haar intrek heeft genomen, sijpelt het water er langs alle kanten binnen.

15.
Toch zeggen de modernisten niet uitdrukkelijk dat het hen ook om schoonheid is te doen. Waarom niet? Uit ‘angst’: de norm kan niet meer met absoluutheid worden opgelegd en daarom nemen ze hun ‘toevlucht […] tot wetenschappelijk jargon’.

16.
De wetenschap kan nooit helemáál bepalen hoe bijvoorbeeld een stoel of een huis er moet uitzien. Er is altijd een aspect ‘uiterlijk’ dat niet door wetenschappelijke of technologische criteria wordt gedicteerd en waar de maker dus ‘speelruimte’ heeft.

17.
Nu we dat hebben ingezien, is er weer eclecticisme mogelijk.

18.
Belanden we dat in een ‘steriel relativisme’ (79)? Neen, en wel dankzij ‘Ruskins prikkelende opmerking over de welsprekendheid van architectuur. Hij vestigt daarmee onze aandacht op de mogelijkheid dat gebouwen niet zomaar visuele objecten zijn, maar gerelateerd zijn aan concepten die we kunnen analyseren en evalueren.’ (81) ‘Ze spreken over bepaalde ideeën van geluk.’ (82) Esthetische oordelen hebben altijd ook een filosofische, ja, ideologische dimensie: ‘Een indruk van schoonheid is een teken dat we op een materiële verwezenlijking zijn gestuit van wat we zoal onder een goed leven verstaan.’ (82)
De conclusies die AdB hier trekt – met onder meer als implicatie dat kunst niet waardenvrij kan zijn… – gaan zéér ver. Alsof je niet iets moois kan maken zonder er ideeën over het goede leven te hebben bij gedacht.

19.
Een gevolg – en een ‘voordeel’ – is ‘dat we gesprekken over het uiterlijk van architectonische werken voortaan op dezelfde manier kunnen voeren als meer algemene discussies over mensen, ideeën en politieke kwesties’. (81)

755


Het Beverhoutsveld tussen Assebroek, Oedelem en Beernem.

Lille: Palais des Beaux-Arts (1/15)

zondag 28 mei 2006

Ondertussen in Brugge (45)

39 * ? * 360

In Damme realiseer ik me dat ik tot daar volkomen gedachteloos heb gereden. De boekenmarkt wordt er net opgekraamd. In Sijsele wordt het fietsverkeer omgeleid. Ik passeer langs de door een knettergekke architect neergepote bibliotheek, rijd door een verkaveling, zie op straat een tweeling spelen (griezelig!) en beland uiteindelijk opnieuw in de Stationsstraat, waarin ik langs het huis van L passeer (L is niet thuis en de blauwe regen staat in bloei). Ik rijd achter de kazerne van Sijsele tot op mijn vroegere parcours. Op de helling kan ik mijn cadans houden maar aangezien de snelheidsmeter het niet doet, is het gissen naar de juiste snelheid – ik vermoed 24 of zoiets (moet 30 zijn als de conditie goed is). Ik volg het parcours tot in Moerbrugge, waar ik aan de kerk linksaf sla. Onderweg rijd ik bijna een ekster overhoop: hij had meer oog voor een opengepikte vuilniszak dan voor mij. Terug langs de spoorweg, tot achter het station van Brugge en dan langs de vesten tot aan de Bloedput.

754 / Circusschool (6/6)



Bekijk de volledige reeks.

zaterdag 27 mei 2006

vrijdag 26 mei 2006

Uit het nieuws

Na de moorden en (bijna-)geweldplegingen van de afgelopen weken wisten de politici, die zich vele jaren hebben laten ringeloren door lobbyisten, de wapenwet eindelijk door het parlement te sluizen: voortaan moet je een vergunning hebben om een wapen te kunnen aanschaffen. Hé, dat ging opeens snel. Maar het duurt nog wel een week of twee vooraleer de wet van kracht is. Gevolg: volkstoeloop in de wapenwinkels. Er zijn de voorbije week al evenveel (of meer?) wapens verkocht dan in de hele eerste helft van het jaar. De wapenhandelaars blijven daarbij al even schaamteloos als mij voor de loutere uitoefening van hun beroep nodig lijkt. Wapenhandelaar Jan Ruysschaert uit de Langestraat in Brugge, dezelfde Jan Ruysschaert uit de Langestraat in Brugge die een paar dagen geleden (en niet eens twee weken nadat een achttienjarige in lange zwarte jas in een andere wapenhandel een geweer had gekocht en daarmee twee mensen doodde en een zwaar verwondde) doodleuk een jachtgeweer verkocht aan… een achttienjarige ‘met een lange zwarte jas’ (de jongen werd, gewapend, een paar uur later opgepakt vlakbij de woonst van het meisje dat hem de bons had gegeven) – wapenhandelaar Jan Ruysschaert uit de Langestraat in Brugge dus, licht nu, al even doodleuk als schaamteloos, voor de radio toe hoe goed de zaken lopen. Ik kan me zó inbeelden dat hij zijn klanten niet vertelt dat hij wéét dat de nieuwe wet met terugwerkende kracht van toepassing zal zijn en dat de mensen die dezer dagen bij hem een wapen kopen omdat ze op die manier de vergunningsplicht denken te kunnen ontlopen, alsnog een vergunning zullen moeten aanvragen.

The bottonline (1)

Lectuur van De architectuur van het geluk van Alain de Botton

1. Het belang van architectuur

1.

Het contrast tussen de materialiteit van stenen en het geestelijk karakter van de verwachtingen die wij met deze stenen verknopen. Tussen de tastbaarheid van de kwaliteiten die een huis ons te bieden heeft en het geluk dat wij er hopen te vinden.

Het huis biedt ‘niet alleen fysieke maar ook psychologische bescherming’ (12). Het huis treedt op als ‘identiteitsbewaker’ (12): ‘Wanneer zijn eigenaren van lange buitenlandse reizen terugkeerden, hoefden ze maar om zich heen te kijken om zich te herinneren wie ze waren.’

Heikele stelling: ‘Ook al kan dit huis veel van de beproevingen die zijn bewoners moeten doorstaan niet verhelpen, uit al zijn vertrekken spreekt geluk, dat voor een belangrijk deel is toe te schrijven aan architectuur.’ (12) Een huis dat niet kan verhelpen? Geluk dat uit vertrekken spreekt? Uit álle vertrekken? Toe te schrijven aan architectuur? Geluk toeschrijven? Voor een belangrijk deel toe te schrijven?

2.

De link tussen de stoffelijkheid van architectuur en de onstoffelijkheid van morele waarden werd niet altijd gemaakt: vele grote geesten stellen dat ‘slechts onstoffelijke en onzichtbare zaken voldoening brachten’ (13). Wat zijn ‘onstoffelijke en onzichtbare zaken’?

Lieden (Epictetus, Alexandra, Bernard van Clairvaux) die soberheid en onverschilligheid voor het materiële als levensvervullend aanprezen. Dit zijn geen voorbeelden van de stelling hierboven. De stelling had moeten luiden: vele grote geesten stellen dat ‘slechts onverschilligheid ten aanzien van stoffelijke en zichtbare zaken voldoening’ brengt.

3.

In weerwil van dergelijke vormen van ascetisme is er altijd de neiging de plek waarin we wonen in te richten en te versieren. ‘Mensen hebben hun rug geforceerd om bloemmotieven uit te snijden uit hanenbalken’ (14). De vraag is of ze dit doen om hun woning in te richten tot iets wat ‘psychologische bescherming’ biedt of gewoon omdat ze zich vervelen. Waarom zou een hanenbalk met bloemmotief méér ‘psychologische bescherming’ bieden, meer ‘identiteitsbewakend’ zijn dan een hanenbalk zonder bloemmotief? En is het niet vooral de (herinnering aan de) inspanning om het bloemmotief uit te snijden die ‘psychologische bescherming’ biedt, meer dan het bloemmotief zelf?

AdB gaat er niet van uit dat het zo is, wel gaat hij er van uit dat wij daar van uitgaan, ofwel er niet van uitgaan. Het gaat om onze houding tegenover de mogelijke relatie tussen architectuur en emoties. Ofwel hebben we een houding die niet aanvaardt dat die relatie er is (epictetische, alexandraïsche en bernardiaanse onverschilligheid), ofwel hebben we een houding die dat wel aanvaardt: ‘We lijken heen en weer te worden geslingerd tussen de neiging onze gevoelens te onderdrukken, onszelf ongevoelig te maken voor onze omgeving, en de daaraan tegengestelde drang te accepteren hoezeer en onvermijdelijk onze identiteit verweven is en meeverandert met de plek waar we ons bevinden.’ (14)

Die relatie – positief of negatief, of beter gezegd: positief of neutraal – is gebaseerd op vooronderstellingen: ‘Het geloof in het belang van architectuur gaat uit van de vooronderstelling dat we […] op verschillende plekken verschillende mensen zijn’ (14; kan ik volgen) – en van de overtuiging dat het aan de architectuur is om ons duidelijk te maken wie we idealiter zouden kunnen zijn.’ (14; een gevolgtrekking die voorbarig is, en zeker niet kan worden gemaakt op basis van het voorgaande.)

4.

Er van uitgaand dat er een band bestaat tussen onze omgeving en hoe we ons voelen, is het maar beter selectief waar te nemen want er is zoveel lelijks en we kunnen niet alles regisseren en inrichten. Deze uiting van onverschilligheid voor onze omgeving betekent niet dat we onverschillig zíjn voor onze omgeving: ‘uitingen van onverschilligheid die niet voortkomen uit een gebrek aan schoonheidszin maar uit het verlangen de neerslachtigheid af te wenden die ons zou overvallen als we openstonden voor al die situaties waarin schoonheid ontbreekt’. (15)

5.

Redenen om het streven naar grote architectuur te wantrouwen. Het kost veel moeite om bouwwerken te realiseren. En als ze er eindelijk staan, beginnen ze al te vervallen. Het denken aan de onbestendigheid kan een domper zetten op de schoonheidservaring. (Freud wandelt met Rilke, die geen oog heeft voor de schoonheid van de omgeving. Freud vindt dat ‘het vermogen mooie dingen te waarderen, zelfs al waren ze nog zo kwetsbaar, een teken van geestelijke gezondheid’ (18) is.) Maar is het niet zo dat wie het gevoeligst is voor schoonheid, meteen ook het gevoeligst is voor vergankelijkheid? Zin voor schoonheid en melancholie lijken samen te gaan. In extreme gevallen leidt dat tot neurotische poetsdwang: ‘estheten’ (18) genieten niet van de schoonheid van hun omgeving omdat ze er angstvallig op toezien dat er geen vlekje op komt. Zij drijven onze veronderstelling dat er een band bestaat tussen onze materiële omgeving en ons persoonlijk geluk op de spits.

6.

Mooie architectuur leidt niet altijd tot positieve gevoelens. Je kan ook in Venetië ongelukkig zijn. (21) Er bestaat geen noodzakelijke tussen architectuur en geluk, daarom staat architectuur nooit hoog op de politieke agenda.

7.

De waarden die worden belichaamd door de huizen zullen niet de karakters vormen van de bewoners. Er is geen noodzakelijke relatie tussen (architecturale) schoonheid en de moraliteit van de mensen die ermee in contact komen. ‘Zelfs al is architectuur vervuld van morele principes [is dat wel zo? en zo ja, hoe zit dat dan?], ze ontbeert simpelweg de macht die op te leggen.’ (23) Architectuur kan niets opleggen, enkel suggereren.

8.

Als architectuur dan toch alleen maar kan suggereren, waarom hechten we er dan zo veel belang aan? Zijn er geen betere strategieën denkbaar om mensen gelukkig en goed te maken? (Hier wordt een louter instrumentele benadering van architectuur gesuggereerd.)

We zijn wellicht vatbaarder voor de schoonheid (van architectuur) als we al iets negatiefs hebben doorstaan. Wie uit zichzelf al gelukkig is, heeft geen behoefte aan schoonheid en ziet haar dan ook niet. (Durf ik te betwijfelen.) De schoonheid (van architectuur; wat AdB hier zegt lijkt niet enkel op architectuur van toepassing maar op kunst in het algemeen) wordt pas zichtbaar door ‘een bitterzoet besef van het contrast tussen de hoogstaande kwaliteiten die in een bouwwerk [kunstwerk] besloten liggen en de triestere, grotere werkelijkheid waarin het zich onmiskenbaar bevindt.’ (25)

De ervaring van Paul Tillich, die pas nadat hij in de loopgraven heeft gevochten gevoelig blijkt voor kunst. (Inderdaad, het gaat niet alleen om architectuur.) ‘Pas in samenhang met pijn krijgen veel mooie dingen hun waarde.’ (28) We moeten ‘een beetje ongelukkig zijn voordat we werkelijk door de schoonheid van gebouwen [laat ‘van gebouwen’ maar weg] kunnen worden geraakt’. (28) (Probeer vanuit die vaststelling het onderscheid tussen kunst en kitsch te begrijpen: kitsch is kunst die pijn verdoezelt, verzwijgt. Of die te opzichtig probeert te troosten.)

9.

Conclusie: om het belang van architectuur te erkennen is het van belang dat we inzien dat er een verband bestaat tussen materie en gevoel, maar dat die band niet dwingend is en dat hij slechts echt werkt als we een beetje ongelukkig zijn.

10.

Programma: als we die band aanvaarden, kunnen we ons beginnen ‘afvragen hoe een mooi gebouw er eigenlijk uitziet’ (29). Wijsbegeerte is moeilijk, wist al Wittgenstein, ‘maar ik kan u verzekeren dat dit nog niets is vergeleken bij de opgave een goede architect te zijn’. (29)

752

Circusschool (5/6)

donderdag 25 mei 2006

Overschrijven (24)

We krijgen bij de aanblik van schoonheid een brok in de keel door het impliciete inzicht dat het geluk waarop die schoonheid zinspeelt de uitzondering is.

Alain de Botton, De architectuur van het geluk, 25 (Atlas, 2006)

Ondertussen in Brugge (44)

Uit het nieuws

In een tijd waarin tieners moorden plegen om een toestel buit te maken dat perfect isolement mogelijk maakt, pleiten politici voor meer steun aan het verenigingsleven.

751

woensdag 24 mei 2006

Circusschool (4/6)

750


De rode tapijten zorgen in het Brugse Groeningemuseum voor een groen nabeeld. Of dat de ervaring van de Vlaamse primitieven ten goede komt is nog maar de vraag.

dinsdag 23 mei 2006

Mijn woordenboek (125)

ACTEREN
Ik ben de rol die ik speel. Een ander zei het, het is niet mijn tekst. Maar ik citeer hem hier toch maar. En nu ik toch bezig ben, zeg ik met Shakespeares Antonio, in De koopman van Venetië: ‘Ik neem de wereld, vriend, voor wat zij is: / Een schouwtoneel , waar elk zijn rol moet spelen; / De mijne is ernstig.’ De vertaling is van Willy Courteaux, en hoe goed die ook is, het Engels klinkt mooier: ‘I hold the world but as the world, Gratiano; / A stage where every man must play a part, / And mine a sad one.’ De dialoog tussen Antonio en Gratiano is verhelderend. Ze relativeert de absoluutheid van het acteren, ik bedoel: ze bevestigt de rol die het ego speelt (dit klinkt paradoxaal), want het ego kan niet om het even welke rol opnemen. Gratiano, heel wijs, stelt dat je maar beter een nar kunt zijn dan ernstig. Wat valt er mee te winnen, met wijsheid voor te wenden? ‘Ik wil door pret en lachen rimplig worden, / En wil veeleer met wijn mijn buik verwarmen / Dan met berouwgekreun mijn hart afkoelen.’ Maar Antonio is Antonio en Gratiano Gratiano: ze hebben niet te kiezen, de ‘keuze’ die ze maken ligt in hun aard. Ik ben de rol die ik speel, inderdaad, maar ik kies mijn rol niet. Of: het kiezen van mijn rol maakt geen deel uit van een rol die ik speel.

749

Circusschool (3/6)

maandag 22 mei 2006

Circusschool (2/6)

De schaduw van Borges

Die hele Ruiz Zafón is natuurlijk een opgeblazen hype, een omhooggevallen jeugdboek, een goedverpakte klodder lucht die literair niet veel voorstelt en ik beklaag me de onzalige dag dat ik me door de barnum die errond wordt verkocht heb laten verleiden om het boek op het programma van de leesclub te plaatsen. Maar het kan het toch niet helemáál slecht zijn – zijn er ondertussen niet al twee of drie miljoen exemplaren van verkocht? Dus moet het toch wel érgens over gaan en bij machte zijn de mensen aan te spreken? (Of zegt succes intussen niets meer over de kwaliteit van een boek en moet je er van uitgaan dat een boek dat máánden in de toptien blijft hangen niet goed kán zijn?)
De schaduw van de wind heeft ontegensprekelijk kwaliteiten: het is bij momenten aardig geschreven, er staat hier en daar een citabele zin in, Zafón weet een sfeertje te scheppen. Het verhaal is vakkundig geconstrueerd, het sleept je op de een of andere manier mee. Maar het doet nergens pijn, het heeft geen weerhaken, en het blijft dus ook niet hangen.
Ik heb, omwille van het contrast, in de leesclub ‘De bibliotheek van Babel’ voorgelezen, het verhaal van Jorge Luis Borges waarop Zafón zich inspireerde voor zijn ‘Kerkhof der vergeten boeken’. Dat gegeven – waarmee De schaduw van de wind begint – is een flauw afkooksel van Borges’ geniale visioen omdat het er alleen maar de sfeer van probeert weer te geven, maar voor het overige niets meeneemt van de filosofische implicaties die Borges suggereert en die tot de kern doordringen van wat het betekent mens te zijn en dus veroordeeld te zijn om met betekenis en zingeving om te gaan. De goede lezers in de club zullen het wel begrepen hebben. Het is misschien niet eerlijk omdat het hier twee totaal verschillende genres betreft, maar ik vind dat die genres zichzelf dan maar duidelijker moeten afficheren. De schaduw van de wind is een thrillerachtig, mystificerend avonturenboek, niet de grote Barcelonese roman waarvoor het zichzelf uitgeeft.

748

zondag 21 mei 2006

Ondertussen in Brugge (43)

747 / Circusschool (1/6)


De eerste van een reeks foto's die is gemaakt in Tour & Taxis in Brussel, een industrieel gebouwencomplex dat ooit triomfalistisch was, waarvan recent een groot deel werd gerenoveerd en waarvan een grote hal nog altijd geen duidelijke bestemming heeft. De Brusselse Circusschool heeft daarin een (voorlopig?) onderkomen gevonden zodat wat buiten hoort te staan (caravans, een frietkot, een circustent) er binnen staat - wat een interessant gegeven is.

zaterdag 20 mei 2006

vrijdag 19 mei 2006

Overschrijven (23)

Vraagt u, waarom ik een stuk krengenvlees
Verkies boven drieduizend gouddukaten,
Dan antwoord ik u niet; zeg voor mijn part,
Dat het een luim is. Hebt u dan uw antwoord?
De een kan ’t geschreeuw niet horen van een big,
Een ander wordt half dol als hij een kat ziet,
Een ander kan, hoort hij de neusklank van
Een doedelzak, zijn water niet meer houden;
Hun meester, hartstocht, dwingt hen naar zijn zin
Tot liefde of afschuw.

Shylock, in De koopman van Venetië van Shakespeare (IV:1), in de vertaling van Willy Courteaux, naar aanleiding van de verfilming door Michael Radford (2004).

Ondertussen in Brugge (42)

745

donderdag 18 mei 2006

dinsdag 16 mei 2006

742


Er was vorige zondag niet al te veel belangstelling voor de openluchtconcertjes in het kader van het Airbag-accordeonfestival in Brugge...

maandag 15 mei 2006

Gehoord

Timmy Hersens uit de Buisstraat in Zottegem slaagde pas in tweede zit.

741


Moederdag.

Ondertussen in Brugge (40)

zondag 14 mei 2006

74 * ? * 321

Voor het eerst in een halfjaar nog eens met de wielervrienden van de zondagochtend op stap. We vormen een pelotonnetje van vijftien sober uitgedoste midlifers: grijs, zwart, een streepje geel en wat rood. Het is een onuitgesproken erecode: wij voeren geen reclame voor firma’s. Slechts één deelnemer draagt een allang vergeten shirt van ‘Carrera’, ooit een merk in de wielerwereld. Gezapig gaat het richting Sluis. Dan dobberen we wat rond in het grijze land rond Oost- en Aardenburg: de Catelijneroute. De lucht is bewolkt, de wind koud. Ik kan, hoewel enkele van mijn kompanen de hele winter zijn blijven fietsen, wonderwel mee – en zelfs meer dan dat. In (Belgisch) Middelburg houden we halt in café De Beurze. Veel heb ik tijdens de rit niet gezien (een koppel baltsende futen niet te na gesproken, en een stevige roofvogel die ik niet kon thuiswijzen): ik heb vooral genoten van het mij laten meedrijven in een groep gelijkgestemde fietsers.

740 / Rood (6/7)

vrijdag 12 mei 2006

43 * 28,86 * 247

Op een staketsel in de vaart: het slanke silhouet, tegen het licht in, van een blauwe reiger; de uitstekende kuif disharmonieert met een losse veer op zijn rug. Wat verder een koppel kuifeenden en opnieuw de tafeleend, op dezelfde plek als de vorige keer. Uiteraard, eigenlijk, want waarom zou dat beest verhuizen. Aan de radiomasten draai ik linksaf richting Bekegem. Op de twee bruggen over de beide snelwegen, die naar Oostende en Calais (de eerste hellingen van dit jaar!), weet ik mijn snelheid te behouden. Maar bij het binnenrijden van het op een molshoop gelegen Aartrijke, na bijna dertig kilometer, gaat dat al veel minder goed. Tussen Bekegem en Aartrijke, overigens, rijd ik een voor mij uit fietsende oudere man voorbij – damesfiets, klak, duivenmanden op het bagagerek achteraan – en op mijn vraag, of hij een prijs heeft gewonnen, antwoordt hij goedlachs dat hij dat maar morgen zal weten. Ik keer terug langs Zedelgem (tijdens de afdaling weg van Aartrijke herinner ik mij, zoals iedere keer als ik hier voorbijkom, het gesprek dat ik er ooit met een wielertoerist op jaren had, die mij drie kilometer lang onderhield over zijn privéleven, dat zijn vrouw onlangs gestorven was en dat hij dat wel erg vond maar dat hij anderzijds nu wel ongehinderd met zijn voeten op tafel languit in de zetel kon zitten etcetera), door het tunneltje onder de snelweg (Oostende-Brussel) en het Tillegembos, waarin voor me uit een meisje rijdt met een strak t-shirt en een onwaarschijnlijk slanke taille. Langs het Olympiastadion, de Platse, de gevangenis en de Buffelbrug terug naar Brugge.

738 / Rood (5/7)

donderdag 11 mei 2006

Uit het nieuws

Gisteren oganiseerde de oliemaatschappij Shell in Brussel een speciale actie: gratis benzine zolang de voorraad strekt. Het gevolg was een verkeerschaos met honderden mensen die urenlang in de rij gingen staan om hun tank te laten volgieten. Sommigen hadden de dagen voordien nog extra rondgereden om zeker zoveel mogelijk van de actie te kunnen profiteren. Ze wisten kennelijk niet dat Shell een maximum had ingesteld: niet méér dan vijftig liter per klant. Een deel van de wachtenden kwam te laat en werd – na uren wachten! – met een cadeautje terug naar huis gestuurd.

Nu vraag ik me af wat deze mensen hier komen doen. Een volle tank kost, laten we afronden, een euro of vijfenzeventig. Maar je kreeg maar vijftig liter, dus voor ongeveer zestig euro. Als je drie uur moet wachten, verdien je daar dus twintig euro per uur mee. Uiteraard kost de verplaatsing en het voortdurend laten draaien van de motor in de file ook geld. Het zijn zuurverdiende centen, al bij al. Ik kan maar één verklaring vinden, en dat is dat deze mensen zich vervelen.
Bovendien is de actie verwerpelijk. Er wordt geen seconde nagedacht over alle nodeloze vervuiling die er het gevolg van is. En naar datgene waar het Shell eigenlijk om te doen is, de promotie van de volledige automatisering van hun stations – met heel wat banenverlies als gevolg –, kraait uiteraard geen haan. De enige juiste reacties derhalve zijn: niet alleen aan dergelijke acties geen gevolg te geven, maar bovendien nooit nog bij Shell te gaan tanken.

Ondertussen in Brugge (38)

737

woensdag 10 mei 2006

Als ik dan al een lijstje zou moeten maken, dan komt dit boek er zeker in voor

Lijstjes maken is een geestdodend en een de angst voor het onbekende bezwerend ritueel, maar als ik me er dan toch op een moment van lethargie aan zou begeven voor wat betreft werken van bellettrie, dan zou ik De emigrés van W.G. Sebald er zeker in opnemen, samen met – willekeurige volgorde – De uitvreter, Titaantjes, etc… van Nescio, Geheugen, spreek van Nabokov, Kaas van Elsschot, het verhaal De doden van Joyce, een paar gedichten van Pessoa, een zorgvuldige selectie ‘columns’ van Carmiggelt en verhalen van Borges, Levi en Carver, enkele monologen van Shakespeare, de Recherche natuurlijk en nog een paar andere werken die ik me nu niet onmiddellijk voor de geest vermag of wens te halen maar die ik evenzeer tientallen keren zou willen herlezen en waarvan ik me goed kan voorstellen dat het de enige boeken zouden zijn die ik met me mee zou mogen of moeten nemen naar het denkbeeldige eiland waar alle zorgen van me af zouden vallen, precies omdat ik daar niets anders zou moeten doen dan genieten van wat deze teksten me op onuitputtelijke wijze te bieden hebben.
Het zijn allemaal teksten die dicht bij mijn subjectieve aanvoelen van de werkelijkheid aansluiten, die dat aanvoelen beter verwoorden dan ik het ooit zelf zou kunnen en die het ongetwijfeld ook hebben gevormd en blijven vormen. Muziek zou ik op mijn eiland niet nodig hebben want stuk voor stuk zijn deze teksten muziek.
Dat is nu net het aspect dat me bij het herlezen, vorige week, van De emigrés zo sterk is opgevallen. De vier ‘verhalen’ in dat boek zijn als vier bewegingen in een symfonie, met motieven die, vakkundig her en der verspreid, de melodielijnen en thematische ontwikkelingen vasthouden en versterken. De herhalingen en obsederende opsommingen wekken de vertrouwdheid op die een luisteraar – die de lezer onwillekeurig wordt bij het lezen van deze teksten – de genoegdoening en vertrouwdheid van de herkenning verschaffen. En de zinnen van Sebald hebben, in hun uitgesponnenheid maar toch ook onwrikbare grammaticale logica – hoewel ze soms ellenlang zijn, haperen ze nooit, ook niet in de voortreffelijke Nederlandse vertaling van Ria van Hengel –, een onmiskenbare, hoe zeg je het, muzikale kwaliteit (die overigens pas bij herlezing en bij voorkeur luidop lezen volledig tot haar recht kan komen), een bijna hypnotiserende ritmiek, een troostend en sussend en rustgevend timbre. Mede daardoor wordt de loodzware en niet zo vrolijke thematiek van dit boek verteerbaar; in die mate is het boek mooi, dat de lezer zich graag met dat sombere en weemoedige pessimisme verzoent.

736


Hostens koffies. Meetkerke.

maandag 8 mei 2006

Rood (4/7)

Ondervraging

Hoe laat ben je opgestaan?
Om half vijf.
Waarom zo vroeg?
Ik kon niet meer slapen.
Hoe kwam dat?
Weet ik niet. Er waaide een deur open. Dat maakte me wakker. Hoewel…
Hoewel?
Ik denk dat ik al wakker was toen die deur openwaaide.
…?
Ik droomde.
Herinner je je nog iets van die droom?
Mmmm. Vaag.
Denk goed na.
Ik droomde van mijn moeder.
Gebeurt dat vaak?
Nooit.
Kun je je iets van die droom herinneren?
Het had iets met muziek te maken…
…?
Wacht, ik heb het. Hé, dat is vreemd.
Vreemd?
Ja, zij vroeg me iets van Roxy Music uit de computer te halen.
Iets van Roxy Music?
Ja, een song.
Welke?
Ik weet het niet. Ik denk dat het woord ‘return’ in de titel stond.
Ik ken geen songs van Roxy Music met het woord ‘return’ in de titel.
Ik ook niet. Maar het is een droom, niet?
Juist, ja. Wat weet je er verder nog van?
Ik vond dat liedje dus niet in mijn computer. Mijn hele klasseersysteem lag overhoop.
Hoe kwam dat?
Ik had het slecht opgesteld. Er zat geen systematiek in. En nu bleek het dus onbruikbaar: ik vond dat liedje niet.
En verder?
Mijn moeder was kwaad. Meer herinner ik me niet van die droom.
Je bent dus opgestaan om half vijf. Wat heb je dan gedaan?
Met een glas appelsiensap van het merk Dr. Siemer bij de computer gaan zitten. Beginnen werken.
Het is nu zeven uur. Heb je ondertussen nog iets anders gedaan? Heb je al ontbijt genomen bijvoorbeeld?
Ik heb een foto gepost op mijn blog. En dan ben ik ook even gaan kijken op de blog ‘Flowerville’. Dat was al een tijdje geleden. Ik vond er – op 3 mei – een geestige conversatie over potplanten. Het procédé – met vraag en antwoord – deed me denken aan het voorlaatste hoofdstuk van Ulysses. Dat meldde ik Flowerville ook in de comments. En het inspireerde me om dit te schrijven.
Wat ga je nu doen?
Eens kijken op het internet of Roxy Music inderdaad niets heeft met ‘return’ in de titel, en dan dit stukje nog eens nalezen, en als ik het goed genoeg vind het posten, en dan nog een beetje werken – en rond een uur of acht ontbijt ik, terwijl ik naar Télé Matin kijk op France 2.

734

zondag 7 mei 2006

100 woorden (4)

Waar ze tot voor een week of twee nog van op grote afstand hun landplaats konden zien en hun aanvliegroute tussen de takken en twijgen van de nog kale parkbomen perfect konden inschatten, zwenken de eksters, gaaien, kauwen en duiven, die nu duidelijk niet enkel op basis van visuele prikkels maar als een lijnvliegtuigpiloot in de mist hun koers uitzetten, tussen de zeer snel opaak geworden frisgroene volumes van de volledig in blad staande kruinen door, recht op hun nu onzichtbare maar desalniettemin feilloos ingeschatte doeltak of doeltwijg af en vervullen mij, zo doende, met stille verbazing en deugddoende bewondering.

Ondertussen in Brugge (36)

Rood (3/7)


Zeebrugge. Vissershaven.

733


Tussen Oostkerke en Hoeke.

zaterdag 6 mei 2006

732 / Rood (2/7)


Westhinder. Zeebrugge.

vrijdag 5 mei 2006

Mijn woordenboek (124)

ACTE DE PRÉSENCE
Op de begrafenis van de vrouw van de baas, die ik nooit heb gezien (ik bedoel de vrouw). Op de vernissage van de tentoonstelling van de schilderijen van de oom die ik niet in mijn hart draag (ik bedoel de schilderijen). Op de sollicitatieprocedure voor de invulling van de job die ik niet ambieer (ik bedoel de job – maar ik moet nu eenmaal kunnen bewijzen dat ik werk zoek). Op het feestje van de vriend van een vriend die mij sympathiek vindt maar ik hem niet (ik bedoel de vriend van de vriend – maar zijn vrouw geeft les aan mijn dochter en ik denk dat het geen kwaad zou kunnen als ik met haar, ik bedoel de vrouw van de vriend van de vriend, eens over mijn dochters leerachterstand zou kunnen praten). Op het oudercontact aan het tafeltje tegenover de leraar van de zoon die het goed doet (ik bedoel de zoon – maar ik moet nu eenmaal af en toe mijn kop tonen).
Berekening, strategie, onechte ontmoetingen, investeren in iets anders (maar wat?), dat later (maar wanneer?) moet komen – ja, soms lijkt het hele leven een acte de présence waarbij de essentie op den duur uit afwezigheid bestaat.

100 woorden (3)

‘Neen, ik kom niet naar huis zolang…’ Alleen aan zijn tafeltje, twee lege glazen, zit een dronken man in zijn gsm te burrelen. Het eerste terrasje dat we dit jaar ‘doen’: café De Marmot op Sint-Jozef. De baas komt in voetbalshort en -shirt de potplanten sproeien. We praten over plannen en perikelen, maar toch meer over plannen: de sfeer is zomers. De man staat onstandvastig recht en waggelt, sigaret tussen de lippen, naar zijn auto die op de Koolkerkesteenweg geparkeerd staat. Bijna belandt hij in een van de gearoseerde struiken. Waarheen waggelt hij? En wat dient er eerst te gebeuren?

731 / Rood (1/7)


Jaguar.