vrijdag 31 maart 2006

Uit het nieuws

De werknemers van de Bekaert-vestiging in Aalter staken omdat honderd-en-zoveel machines naar China worden verhuisd. Dat die hoge piefen, die onlangs met een Vlaamse handelsdelegatie naar China reisden, daar maar eens aan denken als ze ginds trots de plannen ondertekenen voor een nieuwe Bekaert-fabriek. Ze hebben gelijk, daar in Aalter. Het is wachten op de sluiting. Overigens bracht het radiojournaal vanmorgen het nieuws dat Volkswagen auto-onderdelen uit China invoert – terwijl hier al tal van toeleveringsbedrijven over kop zijn gegaan. Er staan al Volkswagen-fabrieken in China, maar de Chinezen kopen ‘nog niet genoeg’ auto’s. Dus wordt de productie van ginder naar hier getransporteerd. Dat is blijkbaar, gezien de lage lonen in China, goedkoper dan produceren in West-Europa. Het cynische is dat bij deze economische normenvervaging niet in de verste verte wordt overwogen wat dit allemaal aan milieuschade teweegbrengt: de vervuiling die gepaard gaat met al dat transport, de achterlijke milieuwetgeving in China en, natuurlijk, wat er allemaal te gebeuren staat als ineens al die Chinezen wél een Volkswagen kunnen kopen.

Overschrijven (19)

De combinatie van zulke ongerijmde zaken heeft op mij een wonderlijke uitwerking. Het ontroert me; ik zie vage, maar grandioze en sentimentele beelden van hoe de mensheid maar wat aanmoddert, hoe zij bij tienduizenden en honderdduizenden her en der wordt gejaagd door gevaarlijke gekken en fanatici: lieve, aardige en goedwillende mensen die van kinderen en huisdieren houden, van elkaar, van seks en van hun omgeving; hoe zij vergeefs proberen om systeem te ontdekken in al die spookachtige onzin en met behulp van allerlei toevalligs en onbegrijpelijks rituele gedragingen bedenken om de moed erin te houden en zich te troosten. Kan liu shui youyou. Zie hoe het water stroomt, eindeloos; aiqing xiang liu shui, de liefde is zoals het stromende water; xiang na da jiangdong qu bu hui tou, zoals die grote rivier oostwaarts gaat en niet terugkeert. Clip-clop, clip-clop. Absurd en hartverscheurend.

Rudy Kousbroek over zijn voorliefde voor populaire Chinese liedjes, in De onmogelijke liefde, 162 (Meulenhoff, 1989³)

696

Ondertussen in Brugge (21)

Alexander von Humboldt (4/5)

donderdag 30 maart 2006

Mijn woordenboek (119)

ACNE
De natuur kent geen rechtvaardigheid. Je moet door de hel van de puberteit, en dan krijg je er, helemaal gratis, een kraterlandschap op je kop bovenop. En het alleronrechtvaardigste is dan nog dat niet élke puber dat lot beschoren is.

695


Ik heb nooit zo'n DS gereden, wel mocht ik een keer mee als passagier. Ik was nog een kind. Ik weet niet meer met wie dat was, of waarheen het ging - ik herinner me er eigenlijk niets meer van. Behalve de zachte deining. Een DS rijdt niet, een DS vaart.

Alexander von Humboldt (3/5)

woensdag 29 maart 2006

694

Overschrijven (18)

Miquel Moliner leed aan de ziekte van hen die zich schuldig voelen als ze niet werken; hoewel hij de ledigheid van anderen respecteerde en er zelfs jaloers op was, ontvluchtte hij haar als de pest. Hij liet zich totaal niet voorstaan op zijn arbeidsethiek, maakte grappen over zijn productieve dwang en beschreef het als een onschuldige vorm van lafheid. ‘Zolang je werkt, hoef je het leven niet in de ogen te kijken.’

Carlos Ruiz Zafón, De schaduw van de wind, 405 (Signature, 2004)

Overschrijven (17)

Dat fotografie als beeldende kunst algemeen wordt aanvaard, is zeker. Het is echter ook tijd om zich over het misbruik ervan te bezinnen. Dagelijks worden door iedereen miljarden pixels gebruikt om wereldwijd fotografische beelden rond te sturen. De kunst kan tegen deze massaverloedering enkel ingaan door deze zelf als inspiratie of beeldend middel aan te wenden. Een beeld kan enkel een blijvende indruk nalaten wanneer het door een kunstenaar is verwerkt en opgenomen in een visie, beveiligd in een kunstwerk dat finaal het verlangen naar schoonheid bevredigt.

(Uit een binnenkort te verschijnen catalogus bij een kunsttentoonstelling.)

Ondertussen in Brugge (20)

dinsdag 28 maart 2006

Mijn woordenboek (118)

ACHTURENDAG
Het zijn er om te beginnen officieel al geen acht maar hooguit zeveneneenhalf – maar daarover struikelen we niet. Trek daar nog eens al het socializing met de collega’s van af, de koffie- en kakpauze, de radeloze kwartieren die naar het verleden worden geholpen met clandestien mailen of bloggen of met het dromerig observeren van het gekwetter van de eksters in het voortuintje van het belendende verpakkingsmaterialenbedrijf. Door het patronaat gesubsidieerde ornithologie; kijk eens, hoe vrij die vogels zijn. Neen, de term achturendag wijst niet met mathematische precisie op een dag van acht uren werken. Maar goed, we kijken niet op een uurtje. Vijf achturendagen in de week maakt veertig uur. Zevenveertig weken per jaar maakt duizend achthonderd tachtig uur. Een gemiddelde ‘carrière’ van veertig jaar maakt vijfenzeventigduizend tweehonderd uur. En dan, ja dan is er het pensioen… Hoe je het draait of keert, aan het woord achturendag kleeft iets ambetants. Hier is sprake van loondienst, van het inruilen van tijd en vrijheid voor geld. Wie zijn werk graag doet en daar zin in vindt, telt zijn uren al veel minder precies. Kunstenaars kennen geen achturendagen. Vrijwilligers en weldoeners in het zachte circuit ook niet. En zelfstandigen, die per uur voor eigen rekening werken, tellen alleen hun geld, niet de tijd die ze daarvoor veil hebben.

Ondertussen in Brugge (19)

Alexander von Humboldt (2/5)

maandag 27 maart 2006

De leeuw in Vlaanderen

Juicht! Intellectueel Vlaanderen heeft eindelijk op televisie waar het al jaren om zeurt: een culturele praatbarak à la Pivot of RAM, een programma waarin interessante of belangwekkende of – vul zelf maar in – … artiesten ons blij kunnen maken met een inkijk in hun roerselen, zonder zich zorgen te moeten maken over het gebruik van een moeilijk woord (horreur!) of het achterwege blijven van een niet meteen op schaterlachen mikkende witz. Nu ja, ik formuleer niet goed, en ik heb ook geen zin om veel woorden aan dit onding te spenderen. Ten andere, veel recht van spreken heb ik niet want langer dan vijf minuten heb ik deze ‘format’ niet uitgehouden. Ga zelf maar eens kijken op http://www.canvas.be/VRTForum/forum.jspa?forumID=38: met het meeste wat daar aan ongenoegen is gespuid, kan ik het op basis van mijn snel teleurgestelde welwillendheid om kennis te maken met het nieuwe ‘cultuurprogramma’ eens zijn. Wat een treurnis.
Mijn stelling is, onverkort en meer-dan-ooit: in deze maatschappij vormen al wie nadenken en in staat zijn tot kritiek de meest gediscrimineerde, verguisde en gemarginaliseerde bevolkingsgroep. Intellectuelen worden behandeld als paria’s. Ik roep al wie eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor deze vorm van collaboratie met het systeem op om het ‘programma’ van de sympathieke Rick de Leeuw te boycotten en zich dus niet te laten inschakelen in het banaliseren en belachelijk maken van elke vorm van kritisch denken.

692

Geen verloren tijd (13)

I:90-100

Ik stel voor om de structuur van de bladzijden tussen 90 en 100 te zien als een ui met twee concentrische ringen en een kern – en met je lectuur snij je de ui doormidden. De buitenste schil is Swann, dan komt de schrijver Bergotte, en de kern is Bloch. Het mes snijdt verder, en gaat een tweede keer door Bergotte en ten slotte nog eens door Swann. Het pakketje – de ui, deze tien bladzijden – wordt ook samengehouden door een raadsel dat meteen in het begin wordt opgegeven maar waarvoor niet meteen de oplossing wordt aangereikt. Het raadsel borduurt voort op een vaststelling die in de vorige aflevering (12) ter sprake kwam: de liefhebbende vrouw waaraan de jonge versie van de ik-verteller zich in zijn dromen emotioneel laaft telkens wanneer hij zich van haar een voorstelling maakt – en dat is zo goed als voortdurend! – wordt omgeven door de kleuren en geuren die in het boek dat hij in die periode van zijn leven aan het lezen is prominent aanwezig zijn. Door het bezoek van Swann terwijl de jonge verteller Bergotte aan het lezen is, verandert dat decor van un mur décoré de fleurs violettes en quenouille (een muur met neerhangende paarse bloemen) in le portail d’une cathédrale gothique. Hoe die verandering zich precies voltrekt, daarover wordt de lezer voorlopig in het ongewisse gelaten – maar hij wil het wel weten, natuurlijk, anders zou hij geen Proust lezen.
We drijven ons mes heel vlug, al in de eerste zin van het hier toegelichte pakket, door de twee eerste kringen: we vernemen dat de jonge verteller door Swann wordt onderbroken tijdens het lezen van een boek van een zekere Bergotte. Dan komen we bij het ajuinhart door de uitleg van de verteller over hoe hij er toe was gekomen om uitgerekend deze auteur tout nouveau pour moi (90:10) te lezen. Dat gebeurde op aanraden van ene Bloch, un de mes camarades plus âgé que moi et pour qui j’avais une grande admiration (90:18). Bloch blijkt een flamboyante kerel, met maniertjes en een uitgesproken mening over de schrijver Alfred de Musset, die hij un coco noemt, ja zelfs ‘een gevaarlijke domkop’. Niet dat Musset een geheel onverdienstelijk scribent is, want hij is er volgens de blufferige Bloch toch minstens één keer in geslaagd om un vers assez rythmé (90:26) te produceren dat nérgens over gaat – en dat is nu uitgerekend wat Bloch lovenswaardig vindt. Deze appreciatie staat volledig haaks op de mening die de verteller tot dan altijd is toegedaan geweest: verzen moeten wél iets betekenen, ja ze moeten rien de moins que la révélation de la vérité (91:7) opleveren. De jonge verteller maakt hier dus kennis met een nieuw, zeg maar een modern artistiek paradigma: het gaat er om te geloven in la beauté dénuée de signification (93:23).
Bloch krijgt niet de kans om zijn poëtica nader toe te lichten want hij wordt de deur gewezen. Wij krijgen echter wel in deze passus enkele hints betreffende die poëtica. Zo wordt Bergotte geciteerd, en een van de ongetwijfeld strategisch uitgekozen citaten luidt: ‘l’inépuisable torrent des belles apparences’ (94:9) – waarbij ik apparences niet, zoals Lijsen doet, zou vertalen als ‘verschijningen’ maar als ‘uiterlijkheden’. En dan is er Swann, die zich afzet tegen le lyrisme des générations antérieures (98:20) en de voorkeur geeft aan een ‘bovenmatige nadruk op kleine feiten’; ja, hij vindt l’exactitude de ces détails (98:29) belangrijk. Deze aanduidingen verschaffen toch wel wat meer duidelijkheid nopens Blochs esthetica, die hem Musset doet desavoueren en Bergotte op een piëdestal plaatsen. Het gaat om een esthetica waarin uiterlijkheden een grotere waardering meekrijgen dan een veronderstelde kern van waarheid – u ziet, ik gebruik niet zomaar de uimetafoor –, een esthetica waarin een meticuleus ontleden van schijnbaar onbeduidende details hoger wordt aangeslagen dan enkel ‘lyrisch’ weer te geven grote gevoelens.
Maar Bloch wordt dus de deur gewezen. Proust ontkent uitdrukkelijk dat Blochs joods-zijn iets te maken heeft met diens verwijdering. Dat is een beetje ongeloofwaardig want vooral de grootvader steekt zijn op hilarische wijze geventileerde antipathie jegens het joodse volk niet onder stoelen of banken. Uiteindelijk blijkt het onheuse gedrag van Bloch zelf, die behalve excentrieke praat uitkramen over meteorologische kwesties en zijn onbereidheid om zich daar iets van aan te trekken en passant ook nog de oudtante schoffeert: zij zou ‘een woelige jeugd’ (une jeunesse orageuse) hebben gehad en nu ‘openlijk’ worden ‘onderhouden’.
Daarmee is de maat vol: exit Bloch, die door de familie niet als een goede vriend voor de kleine Marcel wordt beschouwd. We zijn nu door de kern van de ui heen en komen weer bij de schil tussen kern en buitenkant uit: Bergotte – want de verteller neemt Blochs aanbeveling om deze auteur te lezen ter harte. Aanvankelijk lukt het Marcel niet zo goed met die lectuur, er valt niet makkelijk in te komen. Maar naarmate de muzikaliteit, de archaïsche formuleringen en de onderhuidse gedachtestromen zich een weg tot het brein van de lezer banen, blijkt deze Bergotte over een welhaast hypnotiserende kracht te beschikken. Het is alsof wat Proust hier schrijft over hoe zijn jonge verteller Bergotte leest, van toepassing is op hoe wij Proust lezen. Er hangt een identificatie tussen Proust en Bergotte in de lucht. Zeker als de jonge verteller de koning te rijk blijkt met zijn nieuwe ontdekking als hij vaststelt dat hij bij Bergotte zinnen of observaties aantreft die hij, de jonge verteller, zelf eerder neerschreef.
Bij de lectuur van deze Bergotte dus – die overigens enkel in de fantasie van Proust heeft bestaan (en die zou gemodelleerd zijn naar Anatole France) – wordt de jonge verteller gestoord door Swann: Un dimanche, pendant ma lecture au jardin, je fus dérangé par Swann qui venait voir mes parents. (97:16) We zijn nu met het mes van onze lectuur in de uidoorsnede Swann-Bergotte-Bloch-Bergotte-Swann opnieuw bij de buitenste schil aanbeland. Swann heeft het, met de hem kenmerkende ironie, over het theater en dan over Bergotte. (De jonge verteller vindt die ironie lastig: maintenant je trouvais quelque chose de choquant dans cette attitude de Swann en face des choses (98:23); hij vraagt zich af wanneer Swann dan eigenlijk wel ernstig kan zijn.) Swann spreekt lovend over Bergotte maar noemt hem geen ‘groot talent’ – niet omdat Bergotte dat niet zou zijn, maar omdat zijn werk nog te nieuw is om er nu al het geniale van in te zien. (Ook hier lijkt de zich op zijn imaginaire schrijver Bergotte projecterende Proust zijn eigen – revolutionaire! – schrijverschap in gedachten te hebben!)
Marcels bewondering voor Bergotte zwelt nog aan wanneer Swann kwansuis zegt dat zijn dochter heel goed met Bergotte bevriend is. Hierdoor wordt het schitterende licht waarin deze vrouw in de verbeelding van de jonge Marcel al baadde helemaal oogverblindend. En hier krijgen we dan de oplossing van het raadsel: hoe verandert dat decor van paarse bloemen in een kathedraalportaal? In de – zeer omstandige en omslachtig geformuleerde – uitleg over Bergotte had Proust al verschillende keren gewag gemaakt van Bergottes voorliefde voor kathedralen, de Notre-Dame in Parijs, ‘de oude monumenten van Frankrijk’. Nu blijkt dat Mlle Swann, de door de jonge Marcel voorheen tegen de achtergrond van hangende paarse bloemen aanbedene, Bergotte vergezelt op diens uitstapjes naar les vieilles villes, les cathédrales, les châteaux (99:26). Daardoor zal hij, de jonge Marcel, zich haar voortaan, telkens als hij aan haar denkt, voor zijn geestesoog brengen ‘voor het portaal van een kathedraal, bezig mij de betekenis van de beelden te verklaren en mij met een welwillende glimlach als haar vriend voorstellend aan Bergotte’. Schuif die paarse hangplanten maar aan de kant.


De vorige aflevering plaatste ik hier op 11 maart 2006.

Alexander von Humboldt (1/5)

zondag 26 maart 2006

691

Ondertussen in Brugge (18)

Mijn eigen namen (35)

AMSTERDAM
‘Wat zegt jou Amsterdam?’
‘Het Zoutsteegje. Ik heb daar Harry Mulisch gezien, hij kwam uit het Vondelpark. En dat je daar zo lekker Indonesisch kunt eten. En dat de mensen er zo vriendelijk waren. Zo vriendelijk.’
‘Weet je nog iets over de keren dat je er was?’
‘Dat er daar een Hotel Krasnapolsky is. En dat al die schrijvers er altijd bezig zijn over de Bar Américain. Dat ze daar in elk interview over zagen. En het huis van Anne Frank. Toen ik kind was, was ik daar en ik durfde er niet binnen omdat ik overtuigd was dat er nog Duitsers waren. Het was net als in dat Chinees restaurant, ook in Amsterdam, toen ze een gordijn dichttrokken rond onze tafel. Ik zag dat mijn ouders zich daarover geen zorgen maakten, ik zat daar alleen met mijn angst en durfde niets te zeggen. Iedereen heeft toch zo’n tijd in z’n leven dat je van alles bang bent. Dat gaat voorbij, in die tijd zelf besefte ik het al, dat daarmee niet te leven viel… Mijn vader vond die hippies zo vriendelijk, zo hoffelijk… En jouw Amsterdam, wat is dat?’
‘Dat ik er ooit eens logeerde bij een vriend in een appartement aan het Roelof Hartplein, je weet wel, waar die dichter uit het raam stapte, hoe heette hij ook weer? En een controle van mijn auto, bij het buitenrijden van de Walletjes waar ie de hele dag geparkeerd had gestaan. Je verlaat dat Sodom en Gommora, en je wordt als brave borst gecontroleerd. Die auto was net herspoten, dat hadden ze gezien en ze vertrouwden het niet. Of was het de Belgische nummerplaat. Een optreden van Paul Van Vliet in Carré. Een rommelmarkt bij de Graanmarkt. Op zoek naar een boek in de Bijenkorf… Jan Arends heette hij.’
‘Wie?’
‘Wel, die dichter die uit het raam stapte aan het Roelof Hartplein. Ken je hem niet, hij schreef van die kale gedichten. Verticale gedichten. Het staat mij voor dat het altijd regent in Amsterdam. Iedere keer dat ik er was, misschien nog maar een keer of vier, vijf, was het geen te best weer. Eigenlijk regent het altijd als ik in Nederland kom. Neen, niet altijd, maar toch dikwijls. Het kan toeval zijn, dat moet je niet uitsluiten.’

donderdag 23 maart 2006

Mijn woordenboek (116)

ACHTING en MINACHTING
Het is een vreemd iets, achting, er is iets mis mee. Het is geen evident gevoel. Van achting wordt maar gewag gemaakt als de vanzelfsprekendheid zoek is. ‘U stijgt in mijn achting’, bijvoorbeeld, is een uitdrukking die – en dan nog vaak niet zonder ironie – wijst op het rechtzetten van een scheve situatie. De beleefdheidsformule ‘Met hoge achting’ onderaan een brief smaakt naar berekening en hypocrisie. Ze klinkt, als je de gewenning van het geijkte ervan aftrekt, hoe dan ook hol. De formule is trouwens een pleonasme want een achting die niet hoog is, is geen achting. Het overbodige adjectief lijkt er te zijn om anticiperend de twijfel weg te werken die zou kunnen ontstaan bij de ontvanger van de brief. Achting is vaak niet meer dan acting. Het kost niets. Achting is, al bij al, een onduidelijk concept. Het drukt een gevoel uit dat nog in het midden laat of er tot een echt, niet vrijblijvend engagement (waardering of bewondering) zal worden overgegaan. Achting is neutraal. Het is een verplicht nummertje. ‘Geef acht!’, brult de sergeant – en wat geef je dan? Iets wat doet denken aan het rechtop staan van de hele klas als de directeur of meneer pastoor binnenkomt. Het tegenoverliggende gevoel, minachting, is omlijnder. Explicieter. Veel minder passief. Hier wordt méér gemobiliseerd. In vergelijking met minachting is achting zo’n halfbakken concept als respect of naastenliefde. Het is bewondering die nog geen bewondering wil zijn. Minachting welt uit je diepste krochten op, is onweerstaanbaar, niet te stuiten. Het is iets fysieks want je voelt het in je vingers, je neus. Achting is een kabbelend beekje van troebel water dat de weg van de minste weerstand zoekt. Je hoeft er niets voor te doen, het is een gevoel dat vanzelf komt voor om het even wat of wie min of meer positief lijkt. Het is goedkoop. Het is geen engagement, zoals minachting.

Linker- en rechterbenen

woensdag 22 maart 2006

Overschrijven (16)/Sophie Calle

Net als met die documenten is wat in dit boek overweldigt het voorbijgaan van de tijd en de vergeefsheid van alle dingen. De machteloosheid om iets ervan aan dit proces te onttrekken of zelfs maar vast te leggen in de herinnering; de pathetische futiliteit van de pogingen om dat te doen, de tragiek om de sporen van diepe en hartverscheurende emoties te zien veranderen in nietszeggende prullen, triviale souvenirs, woorden zonder betekenis.

Rudy Kousbroek, over Sophie Calle in De onmogelijke liefde, 80 (Meulenhoff, 1989³)

Sophie Calle houdt zich bezig met gevonden agendaatjes, aangetroffen wanorde in hotelkamers, boodschappenlijstjes, enzovoort. Ze fotografeert die, schrijft daarover. Ze is gespecialiseerd in het vastleggen van passerende, onbeduidende, anonieme levens. (Foto's Sophie Calle)

Ondertussen in Brugge (16)


dinsdag 21 maart 2006

Ondertussen in Brugge (15)


Overschrijven (15)

Ik heb een vleselijkheid aan u begaan, madam (1963)
Leg het maar een keer uit Fred (2005)
Mama, die blote zwarte madame steekt haar tong uit naar mij (1969)
Mijn God, ik vrees dat ik het ene meesterwerk na het andere aan het scheppen ben! (1987)
Portret van de kunstenaar als goedgemaakt warhoofd (1989)
Twintig wintervesten (om zelf te breien) (1990)
De wereldkampioen schilderen in vuil gezelschap en vieze papieren (2002)
Wie zijn toch al die wijven die denken koffie te hebben gedronken met Roobjee?! (1968)

Titels van schilderijen van Pjeroo Roobjee. Uit: Johan Pas, ABC van Pjeroo Roobjee, binnenkort te verschijnen bij Lannoo.

maandag 20 maart 2006

Vladslo



In het gastenboek in het poortgebouw van de Duitse begraafplaats staan nogal wat zure opmerkingen over het buskotje waarmee de beelden van Käthe Kollwitz tegen de dito regen worden beschermd.

Galerie Analoog


zondag 19 maart 2006

Ondertussen in Brugge (14)


Mijn woordenboek (115)

ACHTERWERK
Het onderwerp leek mij smakelijk, uitdagend, een beetje provocerend, prikkelend, kortom ronduit (zeg dat wel) interessant en ik keek er dan ook naar uit om het hier te behandelen, maar hoezeer ook ik mij er de afgelopen dagen de kop op heb gebroken, ja, ik heb me gewoon suf gepiekerd: veel heb ik er niet over te melden. (De rubriek moet decent blijven.) Ik heb gedacht aan associatieve uitwegen via de Maagdenburgse Bollen, het oeuvre van Gerard Reve, de heupwiegende gang van menige zich van dat heupwiegen bewuste deerne, de textieldoorslag van nauwelijks verhulde vormperfectie in een strakke – neen, niet té strakke – jeans, het contrast tussen de gave huid van de bips en de gore substantie die uit de duistere reet tussen beide vleselijk-blanke globehelften naar buiten glipt en die ons keer op keer vanuit het anonimaat van de pot op onze onontkoombare verwantschap met de brute materie wijst – maar veel verder kom ik niet. Dat stelt mij – en misschien ook u – een beetje teleur. Ik kwam tot de conclusie dat de essentie van het onderwerp is dat de essentie ervan niet in woorden te vatten is. Van het hele menselijke lichaam lijkt het achterste het meest onpersoonlijke, het meest ongedefinieerde. (Is het daarom zo aantrekkelijk? Is het daarom dat het kind op die plek billenkoek hoort te ontvangen, omdat op die manier zijn persoonlijkheid, door de onpersoonlijkheid van de geteisterde lichaamszone, het minst wordt aangetast? Is het achterste daarom zo onweerstaanbaar dat bijvoorbeeld handtastelijke – vreemde woordovereenkomst met ‘handtas’, maar dat terzijde – vrouwengekken het niet kunnen laten om als er eentje met zo’n volmaakt exemplaar achter zich aan passeert er een tik aan uit te delen – zeer tot ergernis, en terecht, van de bezitster van het achterwerk in kwestie want die voelt zich in haar persoonlijkheid gekrenkt, ja tot louter vleselijke onpersoonlijkheid gereduceerd?) Ja, je kunt zeggen dat een achterwerk dik is, of pezig, of smakelijk, of uitgezakt, of reviaans goddelijk – maar daarmee kom je niet verder dan een oppervlakkige benadering. Doorstoten, zonder in cynisch gemierenneuk te vervallen, tot de welhaast mythische kern (en mythisch moet die kern zijn want hoe anders moet je die onweerstaanbare aantrekkingskracht verklaren), is ten enenmale zeer moeilijk; wellicht is het een ideaal dat enkel is te benaderen door literaten die het hier behandelde item in een narratief weefsel weten te hullen.

vrijdag 17 maart 2006

Overschrijven (14)

‘Het is als met de getijden, weet u’, zei hij afwezig. ‘De barbarij, bedoel ik. Ze verdwijnt en je denkt veilig te zijn, maar ze keert altijd weer terug, altijd weer terug… en verstikt ons. Ik zie het iedere dag op school. God sta me bij. Het zijn apen die daar de aula’s bevolken. Darwin was een dromer, gelooft u mij. Niks evolutie. Voor elk exemplaar dat wél kan redeneren, moet ik het hoofd bieden aan negen orang-oetans.’
Carlos Ruiz Zafón, De schaduw van de wind, 175 (Signature, 2004)

Boomschaduwen (1/2)


donderdag 16 maart 2006

Uit het nieuws

Een ongetwijfeld malafide heerschap in de buurt van het Henegouwse La Louvière wordt op zijn nest gepakt voor een huiszoeking in verband met de omkoopaffaire in het Belgische voetbal. Auto’s parkeren voor een sjieke villa, mannen in pardessus stappen uit: politie in burger. Wat later worden zware kartonnen dozen met, naar verluidt, bezwarende documenten het huis uitgedragen en in de auto’s ingeladen. Het heerschap stapt mee in op de achterbank en verbergt zijn kop achter een map, goed beseffend dat verbergen gelijkstaat aan schuld bekennen maar ook dat verbergen tegen het batterij cameramannen weinig vermag in te brengen. Hij twijfelt tussen verbergen en zich gewoon, ongegeneerd, laten meevoeren. Maar ongegeneerd lijkt dan weer zo blufferig. Dus blijft het bij een halfslachtig verbergen. De auto rijdt met een zwierige zwaai de straat op en zet koers richting voorlopige hechtenis. (Waarom vertrekken politiewagens met een verdachte in altijd zo gezwind?)
Dat is wat we te zien krijgen. En we vinden dat evident. Maar is het dat? Wat we niet te zien krijgen is, bijvoorbeeld, hoe het komt dat daar cameraploegen staan. We vergeten dat die daar staan – maar ze staan er, anders heb je geen beelden, natuurlijk. Vroeg in de ochtend in een Waalse verkaveling. Is het evident dat de pers getipt is? Dat de pers, de vierde macht toch, wordt ingeschakeld om de public relations van de gerechtelijke politie te verzorgen?

Ondertussen in Brugge (12)


woensdag 15 maart 2006

Mijn woordenboek (114)

ACHTERVOLGEN
Een onverwerkt verleden, het lot, pech: dat alles blijft je achtervolgen. Zo wordt het toch gezegd. Maar het lijkt me niet juist het zo te zeggen. Het subject, lijdend voorwerp in dit geval, krijgt te veel autonomie toegeschoven. Hij gaat in deze voorstelling van zaken voorop, eventueel zonder om te kijken, en iets ongunstigs gaat achter hem aan en haalt hem in. Dat achtervolgende iets is dan verbeten, koppig, onwelwillend. Een beetje klein ook, kleingeestig, zoals alles wat aanklampt, stalkt, achter iets aanholt. In werkelijkheid moet je dat achtervolgen niet zo zien. Het is het subject dat achtervolgt. Het gaat achter zijn noodlot aan. En haalt het ten slotte in waar dit hem opwacht. Zo achtervolgt ook de dood niet: hij vertrekt ’s morgens al, met perfide vooruitziendheid, naar het verre oord waar hij de hem achternagesnelde tuinman ’s avonds moet opwachten.

Ondertussen in Brugge (11)


dinsdag 14 maart 2006

Waarvan akte

Een Bekende Vlaming wordt uitgenodigd in een desolaat Spaans landschap (keurig in beeld gebracht om de sponsor te plezieren), moet daar op een picknickbank plaatsnemen en wordt uitgehoord door een onherkenbaar gemaakte ‘stem’. Dit gesprek gaat over de dingen des levens, voor het gemak samengebracht onder de noemers ‘akte van geloof, hoop en berouw’. De vierde akte, die van liefde, wordt dan samen met de eigenaar van de stem in een tête-à-tête afgehandeld, bij het genot van een glas wijn. Er is ook een spelelement aanwezig: de ondervraagde moet vóór dit laatste onderdeel raden aan wie hij net zijn ziel heeft blootgelegd (eventjes abstractie gemaakt van het feit dat een paar honderdduizend (?) kijkers hebben meegeluisterd).
Dat is het concept van het programma ‘Waarvan akte’, te zien op Canvas, op zondagavond. Het programma werkt niet. De meest intieme mededelingen glijden als koud water van je af – en geen mooi en uitstekend in beeld gebracht Spaans landschap dat daaraan iets vermag te verhelpen. Hoe komt dat? De twee eerste gasten, Bart De Pauw en David Davidse, waren nochtans zeker sympathiek en verstandig genoeg om mij aan te spreken. Ze deden, in weerwil van hun ludieke imago, méér dan hun best om niet banaal of al te lacherig te zijn – en toch lukte het niet. De Pauw die spijt heeft dat hij geen muziek heeft gestudeerd, Davidse die in reïncarnatie gelooft: ik respecteer dat wel, maar het is niet om dat te vernemen dat ik eventueel naar dit soort programma’s zou willen kijken. Wat ik wél wil zien, kan hier, door de formule, niet aan bod komen: het vuurwerk dat kán ontstaan tussen een betrokken vraagsteller en een ondervraagde die, verleid door de overtuigingskracht of charmes van de vraagsteller, bereid is om het achterste van zijn tong te laten zien. Ik wil een gesprek zien waarin iets gebeurt. En dat kan alleen als er een fysieke component is. Als je echter, door de vragen door een ‘stem’ te laten stellen, alle erotiek uit het gesprek weert, kun je niets anders dan een steriele bedoening krijgen waarin ook het meest pittoreske decor niet vermag enig leven te brengen.
Ook fout is de nadrukkelijke montage, die elke spontaniteit, toch nodig om een gesprek geloofwaardig te laten zijn, vakkundig uit het geheel wegfiltert. Bij iedere – overigens zeldzame – ontboezeming denk je: hoeveel waardeloos materiaal hebben ze moeten weglaten om daartoe te komen?, en van de weeromstuit verliest ook dat ene waardevolle veel van zijn glans. Ik vrees dat enkel een onverknipt gesprek, met alle onvolkomenheden en aarzelingen die daarin onvermijdelijk zijn, de nodige spanning kan opleveren om de beoogde diepgang echt te laten werken. De erotiek die je nodig hebt voor echte betrokkenheid, is er alleen als de kleine gebreken meespelen.
‘Waarvan akte’ is te mooi, te goedbedoeld, te afgelekt.

Musée Flaubert, Rouen


maandag 13 maart 2006

Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (40)

Et au moment où je raisonnais ainsi, le bruit strident d’une conduite d’eau, tout à fait pareil à ces longs cris que parfois l’été les navires de plaisance faisaient entendre le soir au large de Balbec, me fit éprouver (comme me l’avait déjà fait une fois à Paris, dans un grand restaurant, la vue d’une luxueuse salle à manger à demi vide, estivale et chaude) bien plus qu’une sensation simplement analogue à celle que j’avais à la fin de l’après-midi à Balbec, quand, toutes les tables étant déjà couvertes de leur nappe et de leur argenterie, les vastes baies vitrées restant ouvertes tout en grand sur la digue, sans un seul intervalle, un seul « plein » de verre ou de pierre, tandis que le soleil descendait lentement sur la mer où commençaient à crier les navires, je n’avais, pour rejoindre Albertine et ses amies qui se promenaient sur la digue, qu’à enjamber le cadre de bois à peine plus haut que ma cheville, dans la charnière duquel on avait fait pour l’aération de l’hôtel glisser toutes ensemble les vitres qui se continuaient.
(III:874)

En precies op hetzelfde moment dat ik er zo over nadacht, hoorde ik het schrille lawaai van een waterafvoer. Dat klonk precies als die lange kreten die pleziervaartuigen voor de kust van Balbec soms op zomeravonden uitstootten. Ook nu weer, zoals die keer in Parijs bij het zien van een luxueuze, halflege, zomerse en warme eetzaal in een groot restaurant, bekroop mij daardoor veel méér dan een sensatie die alleen maar vergelijkbaar was met deze die ik ondervond op het eind van de namiddag in Balbec toen ik, met de reeds met hun tafelkleden en zilverwerk gedekte tafels en met het brede, op de dijk uitgevende raam (dat ononderbroken was, zonder ook maar één ‘vlak’ van glas of steen) nog wagenwijd open (terwijl de zon langzaam in zee zakte en de schepen begonnen te schreeuwen), om Albertine en haar vriendinnen, die op de dijk wandelden, te vervoegen maar over het houten kader hoefde te stappen, dat nauwelijks hoger was dan mijn enkel en waarin men, voor de verluchting van het hotel, alle opeenvolgende ruiten samen in de verbinding had geschoven.

En terwijl ik zo zat te denken, gaf het snerpende geluid van een waterleiding, volstrekt eender als dat langgerekte gegil dat s’avonds soms de plezierboten lieten horen ter hoogte van Balbec, mij een gewaarwording (zoals al eens in Parijs in een groot restaurant de aanblik gedaan had van een luxueuze, half lege, zomerse, warme eetzaal) die veel meer was dan gewoon wat ik ondervond in Balbec aan het eind van de middag wanneer, de tafels al gedekt met hun linnen en zilver, de immense verandaramen nog wagenwijd open naar de promenade, zonder enig ‘vast’ tussenstuk van glas of steen, terwijl de zon langzaam zakte boven de zee waar de boten begonnen te gillen, ik om me bij Albertine en haar vriendinnen te voegen, die aan het wandelen waren op de promenade, maar naar buiten hoefde te stappen over het amper tot mijn enkel reikende houten kozijn, langs de loopscheen waarvan men voor de ventilatie van het hotel de aaneensluitende ramen allemaal samen had weggeschoven.
(Cornips VII:208)

Typografie in Bonsecours


zaterdag 11 maart 2006

Geen verloren tijd (12)

I:84-90

De jonge verteller installeert zich in de tuin. Maar nog altijd komt hij niet aan lezen toe. Eerst verliest hij zich in bespiegelingen: hij, of dan toch zijn latere zelf, Marcel Proust, ontwikkelt een filosofietje van het lezen, die bestaat uit een overzicht van wat er allemaal tussen hem, als lezer, en het gelezene staat: hij overloopt du dedans au dehors les états simultanément juxtaposés dans ma conscience (87:22-23), de bewustzijnstoestanden die tegelijk in zijn bewustzijn aanwezig zijn bij het lezen, te beginnen met het centrale en eindigend bij l’horizon réel qui les enveloppait: de werkelijkheid die deze bewustzijnstoestanden omvat.
Om te beginnen is er een ‘centraal geloof’, een croyance centrale (84:35), dat de onvermijdelijke afstand die zich bij het waarnemen (lezen) tussen het subject en het object (de lezer en het gelezene) installeert in principe overbrugbaar moet zijn en dat derhalve de ‘waarheid’ kenbaar moet zijn. Dit is een bij uitstek filosofische gedachte: aan de basis van elk waarnemen, van elk kennen, staat het axioma dat de waarheid kenbaar is, dat de waarneming de waarnemer niet bedriegt. De niet op grond van de rede te verantwoorden grondslag van de rede is dat de rede redelijk is. Daar moet je van uitgaan want anders kun je niets meer beweren, kun je in niets geloven. En dat geloof is nodig want tussen het subject en het object staat – met versluierende werking – het besef van het subject dat het waarneemt; er is met andere woorden altijd een afstand. Zoals hitte de natheid van een object nooit kan raken omdat het natte door de hitte verdampt, zo verdampt onder de gloed van de waarneming altijd ten dele het waargenomene. Er is altijd évaporation, een vervormende verdamping: wat we zien (of lezen) is nooit écht wat we zien (of lezen). Een rechtstreeks contact is onmogelijk. De dingen veranderen onder onze ogen. (Ook dit is in de epistemologie geen onbekend gegeven – het lijkt erop dat Proust hier (intuïtief?) belangrijke kentheoretische items aanraakt die pas later in de twintigste eeuw naar aanleiding van bepaalde wetenschappelijke ontdekkingen gemeengoed zouden worden: volledig objectieve waarneming is onmogelijk omdat de waarnemer altijd ook, door het waarnemen zelf, het waargenomene beïnvloedt.) Daarom, omdat alles voortdurend verandert en – door toedoen van onze waarneming zelf – verschuift, is er geloof nodig: het geloof dat er ondanks die évaporation toch een contact mogelijk is met ‘het geheim van’ de waarheid én – geen onbelangrijke toevoeging in dit esthetiserende discours – van de schoonheid van het waargenomene/gelezene. Anders, zo lijkt Proust te zeggen, heeft lezen geen zin. Hij staat nog met één voet in de 19de-eeuwse realistische, prepostmoderne romantraditie.
De tweede bewustzijnsschil tussen het subject en het object bestaat uit de emoties die loskomen bij wat er wordt gelezen. Geen te veronachtzamen waas is dat want de dramatische intensiteit van een boek is vele keren groter dan die van het echte leven: ces après-midi-là étaient plus remplis d’évenements dramatique que ne l’est souvent toute une vie. En daarenboven gaat het in het echte leven allemaal zo vreselijk traag: de emoties mogen dan soms al intens zijn, op het ogenblik dat ze helemaal tot ons zijn doorgedrongen, zijn ze alweer vervluchtigd, geëvaporiseerd.
Nu rijst natuurlijk de vraag wat dan de realiteit kan zijn van de emoties die worden losgeweekt door de wederwaardigheden van fictieve personages. Het antwoord van Proust is vernuftig. In plaats van de realiteit van de fictieve personages op te krikken (wat je zou verwachten), doet hij af van de realiteit van reële mensen. Want, zo vraagt hij zich af: in hoeverre kunnen de emoties die worden opgewekt door reële mensen reëel worden genoemd? Immers, wat wij door hun toedoen ervaren is, door de onvermijdelijke afstand tussen subject en object die ook hier van toepassing is, altijd in hoge mate vervormd, gekleurd, gefictionaliseerd! En dus is er nauwelijks een verschil tussen fictie en werkelijkheid. Wat we ervaren als we een boek lezen, is op die manier bekeken even reëel als wat we ervaren in het werkelijke leven. Ook daar worden onze emoties nooit rechtstreeks veroorzaakt door een situatie, altijd plaatst het beeld dat wij ons van die situatie vormen zich tussen ons en die situatie. Het gevoel dat het geluk of ongeluk van een reëel persoon in ons veroorzaakt, heeft altijd de bemiddeling nodig van het beeld dat wij ons van dat geluk of ongeluk vormen: tous les sentiments que nous font éprouver la joie ou l’infortune d’un personnage réel ne se produisent en nous que par l’intermédiaire d’une image de cette joie ou de cette infortune (85:1-4). Niet de realiteit is in de perceptie essentieel, maar het beeld dat wij van de realiteit hebben. Waarneming van een werkelijk iets, ook van een werkelijke mens, si profondément que nous sympathisions avec lui (‘al sympathiseren wij nog zozeer met hem’: Proust lijkt zich hier te verontschuldigen want de ideeën die hij ontwikkelt druisen in tegen het gezond verstand en tegen de rechtstreekse betrokkenheid van mens-tot-mens waarop bijvoorbeeld de christelijke moraal is gebaseerd), is altijd waarneming via de door onze zintuigen opgestelde beelden; het être réel […] nous reste opaque, offre un poids mort que notre sensibilité ne peut soulever (85:9-13). Achter de indrukken bevindt zich een onbenaderbare kern.
Het lijkt een drogredenering, maar ‘t is er wel een die hout snijdt. Want in één moeite, quasi achteloos, wordt hier een verklaring geboden voor zowel onze – op zich toch onredelijke? – fascinatie voor fictie, én voor ons flexibel incasseren van de slagen die het werkelijke leven ons toebrengt (maar dat laatste doet hier minder ter zake).
Daarmee hebben we nog niet de volledige inventaris van bewustzijnstoestanden die tegelijk aanwezig zijn bij het lezen. Naast het centrale geloof dat de waarheid van de fictie achterhaalbaar is en naast het vermogen om de fictieve emoties als méér-dan-echte emoties te ondergaan, is er de impact van het fictieve landschap, dat veel sterker is dan dat van het reële landschap. In het geval van onze jonge verteller is dat reële landschap de tuin in Combray. Die tuin is maar het produit sans prestige de la correcte fantaisie du jardinier – de ‘rechtlijnige’ fantasie van de tuinman moet hier inderdaad contrastgewijs de grillige, plooibare, flexibele fantasie van de lezer in de verf zetten. De kenmerken van de fictieve landschappen vormen het decor van de hevige emoties die de lezer bij het lezen ondergaat – en het gevolg is dat die kenmerken zich, zeer proustiaans, van dat landschap losmaken en zich laten transponeren naar gelijkaardige emoties die elders worden beleefd: elders in andere fictie, of elders in het werkelijke leven. Zo kan het gebeuren dat de liefhebbende vrouw waaraan de ik zich in zijn dromen emotioneel laaft telkens wanneer hij zich van haar een voorstelling maakt – en dat is dus zo goed als voortdurend! – omgeven wordt door de kleuren en geuren die in het boek dat hij in die periode van zijn leven aan het lezen is prominent aanwezig zijn. De energie die nodig is om dit transport te verwezenlijken, wordt geleverd door het vuur van de croyance centrale, het geloof dat er aan het gelezene een kern van waarheid en schoonheid beantwoordt.
Door dit transport heeft de lezer de neiging om zich de werkelijke dingen mooier en rijker voor te stellen dan ze zijn. Dat leidt behalve tot een intensivering van het leven door het lezen mogelijk ook tot ontnuchtering: on est déçu en constatant qu’elles [les choses] semblent dépourvues dans la nature du charme qu’elles devaient, dans notre pensée, au voisinage de certaines idées (87:4-7).
We zijn bij de laatste bewustzijnsschil aanbeland. Na het centrale geloof, de emoties om het gelezene (échter dan echt) en de op de werkelijkheid transponeerbare eigenschappen van het fictieve decor, komen we bij plaisirs d’un autre genre. Het gaat om onmiddellijke, evidente genoegens, die het lezen tot een aangename, rustige, genoeglijke activiteit maken: ‘het gevoel van lekker te zitten, de geurige buitenlucht te ruiken, niet door bezoekers gestoord te worden’ (I:134) en de tijd te laten voorbijgaan (waarbij de lezer soms zo intens in zijn lectuur verstrikt raakt, dat hij zich achteraf niet kan herinneren álle uurindicaties van de klokkentoren van de St.-Hilaire te hebben gehoord: het lezen overwint de tijd – geen onbelangrijk gegeven in een romancyclus die A la Recherche du temps perdu heet).

De contrastwerking van zo-even (de rechtlijnige fantasie van de tuinman versus de volatiele gedachtegangen van de jonge lezer – waarbij uiteraard ook van ons, lezers, enig mentaal bochtenwerk wordt verwacht want het moge duidelijk zijn dat Prousts lezer niet alleen diens eigen jonge ik is maar ook en vooral de oudere versie ervan die, in retrospectief, het lezen van weleer analyseert en duidt)… – die contrastwerking dus wordt onmiddellijk na al deze bespiegelingen, dit kleine filosofietje van het lezen, nog eens overgedaan met – zeer grappig! – opnieuw de tuinman in een hoofdrol. Hoezeer immers de lezer geniet de ne pas être dérangé par une visite (87:25), hij wordt toch wreed uit zijn overpeinzingen opgeschrikt door de dochter van de tuinman, die luid roepend en door de rechtlijnige tuin snellend iedereen sommeert om naar het voorbijmarcherende garnizoen te gaan kijken. Françoise, nog maar nauwelijks aan het hek toegekomen en al een traan wegpinkend, weidt een beschouwing aan het wrede lot dat de bloem der natie wacht: pauvre jeunesse qui sera fauchée comme un pré (88:37 – de beeldspraak ‘wegmaaien als gras’ klinkt nog vriendelijk voor wie weet wat er op het ogenblik dat Proust dit schrijft (1913 of daaromtrent) te gebeuren staat; overigens speelt de Eerste Wereldoorlog in de Recherche een rol en moet deze passage als een voorafspiegeling worden gelezen). De tuinman jaagt Françoise op stang door doodleuk te overwegen hoe mooi het is, jonge mensen die niet aan het leven gehecht zijn! (Waarmee hij blijkt de rechtlijnigheid waarmee hij zijn tuinen ontwerpt ook in zijn denken na te streven.) Waarop Françoise reageert: er is toch maar dat ene leven om zich aan te hechten! (Proust laat hier, zeer ironisch, het gezonde verstand commentaar leveren op zijn nog maar net ontwikkelde theorie over de fictie die intenser dan het leven zou zijn: het gezonde verstand dat zegt dat er buiten het leven niets is!) Maar Françoise moet de tuinman gelijk geven, ze heeft de bloem der natie al in 1870 aan het werk gezien: ‘Het is nog waar ook dat ze er niet aan hechten!’ Waarna zich tussen Françoise en de tuinman een uitwisseling van populaire of populistische gemeenplaatsen over de oorlog ontspint. Zoals: de treinen zullen in geval van oorlog worden stilgelegd om iedereen het vluchten te beletten, of: revolutie is beter dan oorlog omdat dan enkel zij die het echt willen meedoen…

Les Pendus, Musée Flaubert, Rouen


vrijdag 10 maart 2006

Normandische kusten (6/6): Dieppe


Mijn woordenboek (113)

ACHTERUITRIJDEN
Ik herinner mij, het moet een jaar of dertig geleden zijn en ik weet niet of het nu nog voorkomt, de verslaggeving op de Nederlandse televisie van een spectaculaire en voor zover ik weet marginale en zelfs apocriefe discipline in de autosport: het achteruitrijden met Dafjes op het circuit van Zandvoort. Het lijkt mij nu – maar het zal wel niet zo bedoeld zijn – een visionaire ironische commentaar op de vooruitgang.
Dafjes schijnen de eigenschap te hebben dat je de aandrijfkracht van hun motoren gewoon kan omdraaien: je kunt zonder krachtverlies op de achteruit overschakelen. Waarvoor deze zogenaamde Variomatic-versnellingsbak goed is, zal Joost weten – als het geen frivoliteit is van de constructeur, dan een nalatigheid; het automerk Daf is dan ook ter ziele gegaan. Maar goed, je zag dus dat peloton Dafs in de achteruit aan die gekke race beginnen. De spiegelbeeldstuurcoördinatie (als je links aan het stuurwiel draait, blijkt de auto ineens, gezien de gewijzigde rijrichting, naar rechts uit te wijken) brak al meteen in de eerste bocht enkele deelnemers zuur op. Ze gleden van de baan, het mulle Zandvoortse duinzand in. De chaos nam hand over hand toe, en bereikte een hilarisch hoogtepunt wanneer beide elkaar fel de koppositie betwistende leiders tegen elkaar opbotsten (de toolip aan de binnenkant van de bocht was eventjes vergeten dat hij achteruit reed) en opeens met de neus in de verkeerde (in zeker opzicht dan weer juiste) richting stonden. Stilstonden, zodat alles wat onmiddellijk volgde zich opeens bliksemsnel moest herinneren dat in deze palindroomrace links rechts was en rechts links. De gevolgen laten zich raden. De Tarzanbocht werd herschapen in een autokerkhof, en een van de voorzichtigst gestarte Dafjes uit de staart van het peloton zigzagde traagzaam tussen de gestranden door, verwierf de leiding en tufte doodleuk zegewaarts.
(Google leert mij dat de achteruitrijdwedstrijd onder meer in 1978 plaatsvond, voor de tv van commentaar werd voorzien door André van Duin, en gevolgd werd door een race voor personenwagens-met-caravan!)

Ondertussen in Brugge (9)


woensdag 8 maart 2006

Overschrijven (13)

De zin van het leven is zin hebben in het leven.

Hugo Camps (foto Marco Bakker) citeert Jan Marijnissen, die Boebie Brugsma citeert – dat alles in: Hugo Camps, In de ogen. Vijftig meesterlijke gesprekken, 270 (Prometheus, 2003)

Overschrijven (12)

Kennelijk gebeurt alles in het leven op tijdstippen die door een onzichtbare klok worden bepaald. Je kunt onmogelijk ‘te vroeg’ beslissen maar alleen op het moment dat de dingen en de situaties zelf de knoop doorhakken. Elke andere handelwijze is geforceerd, onzinnig, onmenselijk en misschien zelfs immoreel. Het leven neemt zélf de noodzakelijke beslissingen, en het doet dat op een verrassende en elegante manier. En dan is alles heel eenvoudig en vanzelfsprekend.

Sándor Márai, Kentering van een huwelijk, 119 (Wereldbibliotheek, 2005)

Normandische kusten (4/6): Varengeville


dinsdag 7 maart 2006

Mijn woordenboek (112)

ACHTERUITKIJKSPIEGEL
Hij is als een spionnetje: door niet op je eigen ogen te zijn gericht, zie je er, zelf onopgemerkt blijvend, dingen in die enkel onrechtstreeks kunnen worden waargenomen. De blik van verstandhouding, of is het verveeldheid, diagonaal gecommuniceerd door de ogen van een onbereikbare op de achterbank terwijl ze met de onzichtbare achter je in een oninteressant gesprek is verwikkeld. Een tafereel van haat of liefde – dat is niet meteen duidelijk – tussen twee mensen op het trottoir terwijl je in de geparkeerde auto zit te wachten op een lang verbeid rendez-vous. De zon die felrood achter je ondergaat terwijl je met honderd twintig per uur voortsnelt naar een duister land (met idealiter uit de in de deuren ingewerkte boxen schallend een bloedrode frase uit een dramatische song van Pink Floyd op een ooit grijs gedraaid album:

In my rear view mirror the sun is going down
Sinking behind bridges in the road
And I think of all the good things
That we have left undone
And I suffer premonitions
Confirm suspicions
Of the holocaust to come.


– op de rijvakken aan de andere kant van de middenberm rijden al de eerste wagens met ontstoken koplampen).

Normandische kusten (3/6): Mers-les-Bains


Ondertussen in Brugge (7)


maandag 6 maart 2006

Mijn woordenboek (111)

ACHTERUITGANG
Het is een kwestie van klemtonen: of je het hier over een beweging in een weinig favorabele richting hebt of over een gat in de muur dat uitgeeft op het koertje met vuilnisvaten en vergeten autobanden waarlangs je ongemerkt het pand kunt verlaten dat jou geen geluk heeft gebracht. Weinig favorabel, zeg ik, is die gang en inderdaad, het heeft er alle schijn van dat wie tegenwoordig achteruitgaat niets anders rest dan weg te kwijnen voor de banvloek in ieders ogen, dan door het misprijzen van de goegemeente te worden getroffen, dan de risee te zijn van Jan en alleman. Ja, dan kun je maar beter met de stille trom vertrekken, beter niet via de grote inkom. En stop die balpen maar weg: enkel wie meezeilt in de ijle vaart der volkeren wordt om handtekeningen gevraagd.

Normandische kusten (2/6): Mers-les-Bains


Vrije meningsuiting (6/6)

Zo ongeveer dacht hij over de Deense cartoonkwesties en over het recht op vrije meningsuiting, en hij overdacht het nog eens en hij was er al bij al een tijdje mee bezig. En hij aarzelde om het op te schrijven omdat het – zo leek het hem – politiek niet erg correct leek. Maar hij schreef het toch op, al was het maar om zijn gedachten over deze ingewikkelde materie te ordenen en om, de volgende keer dat hij een mening zou uiten, bijvoorbeeld over ‘de vrije meningsuiting’, wat steviger in zijn schoenen te staan en zich niet te laten verleiden tot het uit eigen beweging produceren of gewoon gedachteloos reproduceren van obligate en weinig overwogen klanken en kreten – zoals nu zowel zij die de vrije meningsuiting verdedigen als zij die haar aanvallen lijken te doen. ‘Ja, je kunt wel vrij je mening uiten, en misschien heb je wel de vrijheid om het recht daarop te verdedigen – maar dat ontslaat je niet van de plicht om erover na te denken.’ Zo dacht hij. En ook nog: ‘Overigens en a fortiori is sinds het Vlaams Blok de term “vrije meningsuiting” als slogan heeft geadopteerd, voorzichtigheid bij het gebruik ervan so wie so geboden.’

woensdag 1 maart 2006

Mijn woordenboek (110)

ACHTERSTEVOREN
In tegenstelling tot de al even sappige plaatsbepalende woorden ‘ondersteboven’ en ‘binnenstebuiten’ bezit ‘achterstevoren’ ook nog een linguïstische bijzonderheid die als het ware illustreert waar het precies om gaat. De woorden ‘ondersteboven’ en ‘binnenstebuiten’ hebben geen onder- of bovenkant, respectievelijk binnen- of buitenkant, maar het woord ‘achterstevoren’ heeft, zoals alle woorden overigens, een voorste en een achterste, en in dit geval is het voorste ‘achterste’, en het achterste ‘voren’ – waarmee meteen wordt uitgedrukt, getóónd in zekere zin, waar het bij dit woord om gaat.

Ondertussen in Brugge (4)