dinsdag 27 december 2005

Dienstmededeling

Trouwe bezoekers van deze weblog, u zult hier voor onbepaalde tijd vergeefs naar nieuws vissen. Om u die moeite te besparen, kunt u zich melden op pascaldigital at hotmail punt com, met de melding: ‘Gelieve mij te verwittigen als u weer iets op uw weblog zet.’ Deze blijken van belangstelling zullen nauwgezet worden bijgehouden. Intussen wens ik iedereen het allerbeste voor 2006.

Herfst- en winterlijnen (7/7)


donderdag 22 december 2005

Aanvulling bij Mijn eigen namen (31): AMERIKA

Iemand (X) wees mij op een andere mogelijke betekenis van mon Amérique à moi. Wat dacht je dat Christoffel Columbus ontdekte toen hij in Amerika voet aan wal zette?, vroeg X me. ‘Indië’, wist ik. ‘Of India, ik weet het niet. Iets in het Oosten in elk geval. Maar in elk geval niet Amerika.’ ‘Juist’, zei X. ‘Juist’, dacht ik. En meteen kwam mijn interpretatie – Amerika als droom, als vervulling – in een totaal ander daglicht te staan: Amerika als vergissing.

Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (39)

En arrivant moi-même près du contrôleur, j’entendis le prince de Saxe, ou supposé tel, dire en souriant: « Je ne sais pas le numéro de la loge, c’est ma cousine qui m’a dit que je n’avais qu’à demander sa loge. »
(II:37)

Toen ikzelf bij de zaalwachter kwam, hoorde ik de prins de Saxe, of de zogenaamde prins, glimlachend zeggen: ‘Ik weet het nummer van de loge niet, mijn nichtje zei me dat ik maar naar haar loge moest vragen.’

Toen ik zelf bij de kaartjescontroleur kwam hoorde ik de prins, aangenomen dat hij het was, met een glimlach zeggen: ‘Ik weet het nummer niet; mijn nicht zei dat ik maar naar haar loge hoefde vragen.’
(Cornips III:38)

Herfst- en winterlijnen (2/7)


woensdag 21 december 2005

Kerststress

Drie – van de vele – oorzaken van kerststress:
1. De nieuwe trend in de pers om te berichten over recordbedragen die in alle winkels te lande samen via het elektronische geldverkeer zijn geregistreerd. Het consumeren wordt een wedstrijd.
2. De opgewekte muziek die uit de hoog opgehangen luidsprekers schalt in de Langestraat, dezer miezerig-donkere dagen voor Kerstmis veruit de treurigste straat van Brugge. Weinig vermag méér mijn moordlust op te wekken. De onzichtbaarheid van wie hiervoor verantwoordelijk is. De gelatenheid van zij die het moeten ondergaan.
3. De radioreclame van de Nationale Loterij om elkaar krasloten cadeau te doen. Ik begrijp dat veel mensen, gezien de overvloed, het moeilijk hebben om voor hun naastbestaanden nog een cadeau te verzinnen, maar dit lijkt me voor dat prangende probleem toch echt een zeer weinig elegante oplossing.

Herfst- en winterlijnen (1/7)


dinsdag 20 december 2005

Beeld (5)

Is dit een goede persfoto? Weet u onmiddellijk waarover het gaat als u deze foto in de krant ziet staan?


Het is een mooie foto, dat wel. Het is zelfs een té mooie foto. De evidente, flatterende grafiek (waarbij met behulp van de contrastknop alle grijsnuances uit de kledij zijn verwijderd). De grote leesbaarheid die de blik dwingend leidt. Ik begon bij het driekwart aangezicht links, dan zag ik de hand, dan het kinderhoofd en ten slotte het tweede aangezicht. Uiteindelijk bleef mij blik nog hangen bij dat rode plekje bovenop het gesluierde silhouet uiterst links. Ik vermoed dat het bij u niet veel anders is gegaan. Dan was ik uitgekeken. Meer valt er niet te zien. De foto heeft reeds al haar geheimen prijsgegeven. ’t Is dus niet echt een goede foto, eigenlijk. En eens ik dat heb beseft, begint het onbehagen. De symboliek is al te opzichtig: het kind, ja, dat is de toekomst. (U moet wel weten dat deze vrouwen in de rij staan om hun stem uit te brengen ergens in Irak.) Het geheel krijgt iets geënsceneerds. Het is te zeer een illustratie. En de esthetiek steekt schril af tegen de werkelijkheid, die ongetwijfeld veel minder fraai is en die hier niet in beeld wordt gebracht. Dit is een ideologische foto. © AFP

zondag 18 december 2005

Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (38)

Sans doute, les noms sont des dessinateurs fantaisistes, nous donnant des gens et des pays des croquis si peu ressemblants que nous éprouvons souvent une sorte de stupeur quand nous avons devant nous, au lieu du monde imaginé, le monde visible (qui d’ailleurs n’est pas le monde vrai, nos sens ne possédant par beaucoup plus le don de la ressemblance que l’imagination, si bien que les dessins enfin approximatifs qu’on peut obtenir de la réalité sont au moins aussi différents du monde vu que celui-ci l’était du monde imaginé).
(I:548)

Ongetwijfeld zijn namen fantasierijke tekenaars. Zij leveren ons van mensen en landen schetsen die zo weinig gelijkend zijn dat we vaak door een soort van verbijstering worden getroffen wanneer we, in plaats van de ingebeelde wereld, de zichtbare wereld voor ons krijgen (die overigens niet de werkelijke wereld is aangezien onze zintuigen niet veel méér dan de verbeelding over de gave beschikken om de werkelijkheid juist weer te geven – in die mate dat de uiteindelijk slechts bij benadering gelijkende tekeningen die men van de werkelijkheid kan bekomen minstens evenveel verschillen van de geziene wereld als deze verschilde van de ingebeelde wereld).

Ongetwijfeld zijn namen hoogst grillige tekenaars; ze geven ons schetsen van mensen en landen die zo weinig gelijkend zijn dat wij vaak met stomheid geslagen zijn wanneer wij in plaats van de wereld die wij ons voorgesteld hadden de zichtbare wereld voor ons hebben (die trouwens ook niet de echte wereld is, daar onze zintuigen over nauwelijks grotere gaven beschikken om de werkelijkheid juist te treffen dan onze verbeeldingskracht, zodat de benaderende indruk die wij ten slotte van haar krijgen minstens even sterk van de wereld die wij zien afwijkt als deze van die van onze fantasie).
(C.N. Lijsen II:129-130)

Toyo Ito in Brugge (2/3)


zaterdag 17 december 2005

Mijn woordenboek (106)

ACHTEROVERVALLEN
Iedereen heeft wel van die momenten waarover hij zich diep schaamt. Ik herinner mij dat ik, toen ik nog volop puberde, mij die momenten in een kwellende reeks voor de geest kon halen. Het ene moment van schaamte riep het andere op; de momenten vormden een niet aflatende keten van schaamte – en ik zat daarin gevangen. De overkoepelende kwelling van die gevangenschap voegde zich bij de optelsom van kwellingen die werden veroorzaakt door de schaamtemomenten en vormde een kathedraal van pijn. Dat psychologische fenomeen vertaalde zich in een puur fysieke gewaarwording, die nog het best kan worden vergeleken met een rilling die ergens van tussen de schouderbladen vertrok en zich vervolgens een holte vrat ter hoogte (of laagte) van de maag en zich daarin nestelde. Alleen schudden met het hoofd hielp – ja, je moest het van je afschudden.
Ik heb mij van die keten weten te bevrijden. Nu lijd ik gelukkig aan een volwassen selectief geheugenverlies.
Maar goed, een van die schaamtemomenten – en meteen een van de enige uit die reeks die ik me tot op de dag van vandaag nog levendig weet te herinneren – betrof de hierna beschreven gebeurtenis.
Het was een van de eerste keren dat ik een café bezocht, ik moet een jaar of zestien zijn geweest. Buiten nazomerde het op het pleintje, door de open cafédeur gleed de soundtrack van dat non-event naar binnen. Het was rond een uur of vier in de namiddag. Ik zat heel stoer op een kruk aan de toog, met op de kruk naast mij een kameraad. (Het zal wel B. zijn geweest, maar dat doet er hier niet toe.) Ik zat dus op die kruk maar ik zat er op de een of andere manier niet goed op want ik viel er achterwaarts af. Ik begreep niet goed wat er was gebeurd, ik mocht al blij zijn dat ik me niet had bezeerd. (Deze herinnering voert me terug naar een feest, een jaar of twintig geleden, toen X., die bovenop de feestzaaltoog was gaan staan, achterover tussen de lege bakken bier viel en, in plaats van zijn nek te breken, levend en wel terug opstond: dronken mannen hebben een speciale engelbewaarder. De bruid – het was een huwelijksfeest – had de valpartij zien gebeuren en diende, wellicht om zich van haar eigen schrik te ontdoen, de van een engel bewaarde pardoes een kaakslag toe. Ik zie nog zijn verbouwereerde blik.)
Ik weid uit. Ik had het over schaamte. Op zich is van een cafékruk vallen geen onoverkomelijke schande. Zeker als je, zoals ik dat op dat ogenblik vast en zeker was, bloednuchter bent. Bijdragen tot je onkreukbaar imago doet het niet, maar het kan gebeuren. Anders is het evenwel als je bij het rechtop krabbelen ziet dat je estheticaleraar (hier al elders ter sprake gekomen) zonder dat je dat hebt opgemerkt vlak daarvoor door de openstaande deur het etablissement heeft betreden en dus het weinig verheffende spektakel heeft aanschouwd. Daardoor zou ik iedere keer dat ik later aan dat incident zou terugdenken, tot vele jaren later, met grote onweerstaanbaarheid fysiek de schaamte erover voélen, ergens tussen schouders en maag. Nu is het eindelijk weg. Nu schrijf ik over een jongen die van een kruk achterovervalt als was het een ander dan diegene die zich hier het voorval herinnert en die inmiddels goed heeft leren vergeten.

Vorige aflevering: ACHTERKANT

donderdag 15 december 2005

Stijfburgerlijk

Gisterenavond zag ik iets moois op de Nederlandse televisie. Een mevrouw, die een duidingsprogramma voerde, stelde vragen aan een scherm waarop ‘onze’ Siegfried Bracke in het verre Brussel uitleg gaf over wat Freya Van den Bossche nu had bedoeld met het epitheton ‘stijfburgerlijk’ waarmee ze Balkenende en diens regeringsleden had bedacht. Daar zag je Bracke: glunderend van zelfgenoegzaamheid, een reuzefoto van het stadhuis van Brussel op de achtergrond om duidelijk te maken waar dat-ie zat. Op zijn adamsappel wipte zijn vlinderdasje mee van fierheid. Bracke werd door de mevrouw, om voor de niets vermoedende Nederlandse kijkers duidelijk te maken wie dat-ie eigenlijk was, de Belgische, pardon Vlaamse Ferry Mingele genoemd, en ik weet niet of Bracke dat als een dubieus compliment of als te veel eer mag beschouwen. Maar goed, je had daar op mijn scherm die mevrouw en, op háár scherm, die meneer met dat gekke strikje, en die mevrouw vraagt aan die meneer: ‘Zeg eens, mijnheer Bracke, kunt u ons, Nederlanders, eens uitleggen wat een Vlaamse minister bedoelt met het woord “stijfburgerlijk”?’ Aan het wippen van zijn strikje zie je Siegfried zijn antwoord al voorproeven en God weet waar hij allemaal aan denkt. Zij nog eens, voor alle duidelijkheid: ‘Wat is dat eigenlijk, “stijf”?’ Die hark in Brussel doet zijn best om het sérieux dat hij nastreeft te blijven uitstralen, maar kan toch niet beletten dat er een seksueel geladen vonk, getransporteerd door dat ene woord, weg en weer knettert over de Lage Landen (waar er nu nevel over de beemden hangt en in de Noorderkempen is het vast mistig en miezerig). En je denkt: kijk, dit is nog eens mooie televisie.

PS. Voor wie niet weet wie Ferry Mingele is: Ferry Mingele is, euh, de Nederlandse Siegfried Bracke.

dinsdag 13 december 2005

Het loon van de schrijver

De Vlaamse schrijver Pol Hoste, zeker niet een van de minst verdienstelijke (of de meest onverdienstelijke), heeft in Yang zijn boekhouding gepubliceerd, lees ik nu in de Knack van 16 november. Daaruit blijkt dat hij tussen 1994 en 2004, een periode waarin hij vijf titels heeft gepubliceerd, per maand 38,3 euro heeft verdiend aan de verkoop van zijn boeken.

Ochtendnevel (3/3)


maandag 12 december 2005

zondag 11 december 2005

Ik lees Proust niet, ik vertaal hem (37)

Et de redire ce nom qui ne nous donne rien de plus que ce qu’on sait déjà, on éprouve le besoin sans cesse renaissant, mais à la longue, une fatigue.
(III:432)

En altijd maar deze naam uitspreken brengt ons niets bij dat we niet al wisten. We voelen de onophoudelijk opkomende behoefte ertoe, maar op de duur worden we er moe van.

En het herhalen van die naam die ons niets meedeelt dat wij niet al weten, is een voortdurend in ons opkomende behoefte, maar op den duur, een vermoeienis.
(Cornips VI:19)

Ochtendnevel (1/3)


zaterdag 10 december 2005

Overschrijven (8)

De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan ’t land. Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand brengen. Ik deed mijn best ’t te geloven, héél erg mijn best.

Nescio, Titaantjes (Nijgh & Van Ditmar, 1983, 21ste druk), 59

Een regenachtige dag in Brugge (3/3)

dinsdag 6 december 2005

Cassis

Trouwe bezoekers van deze weblog zullen niet verbaasd zijn dat de werking van het geheugen de Proust-lezer die ik ben wel vermag te boeien. Op dat terrein heb ik het volgende staaltje te melden.
Elke maandagavond kraak ik met vrienden een fles wijn. Niet dat we het hele aanbod afschuimen, maar we nemen toch wel af en toe eens, in de prijscategorie die met onze sociale klasse en met het weinig festieve tijdstip (een maandagavond is en blijft een maandagavond, nietwaar) is afgestemd, een ander merk. Vorige week hadden we er eentje waarin een bepaalde vrucht een zeer pregnante smaak liet slingeren, een smaak die je normaal gezien niet in wijn zou verwachten. 'Merlot 120' of zoiets heette die fles (vergeten!) en je kunt ze in de Carrefour kopen als je er vijf euro-en-oneffen voor over hebt. De smaak is, zei ik, pregnant - eigenlijk op het randje af van aanvaardbaar voor wijn; je verwacht hoe dan ook vooral wijn te proeven. Maar goed.
Ik dus in de Carrefour, maandag in de vooravond, en ik besluit tot de aankoop van nog eens zo'n 'Merlot 120'. Deels uit gebrek aan inspiratie, deels omdat mijn oog er op valt, deels ook omdat ik wel eens wil weten of dat wijntje na een week nog zo zwanger is van pregnante smaak.
Ik maak de fles open en proef, nog voor ik een eerste slok neem, alweer dezelfde vrucht. Maar welke vrucht is het? Ik ben de naam vergeten. De smaakpapillen stellen zich, maar het taalcentrum in mijn harses laat het afweten. Ik zoek me suf maar kan niet op de naam komen. Dan besluit ik maar om die eerste slok te proeven, en tegelijk wéét ik dat het woord me dan wel zal te binnen vallen.
Zo geschiedt: de wijn smaakt precies zoals vorige week, en tegelijk met deze vaststelling valt me het woord cassis te binnen. Vreemd, hoe het geheugen werkt... - àls het werkt.

maandag 5 december 2005

Keurige treinlectuur & Overschrijven (7)

Er wordt, behalve gestaard, gesoesd, ge-gsm'd, gekletst en gewacht (niet meer gekaart of gerookt) ook nog gelezen op de trein. En geobserveerd. En dit is wat ik zag dat de mensen rond mij lazen: een Nieuwsblad (door een man die dermate onopvallend was dat ik mij hem nu niet meer voor de geest kan halen); een Engelstalig gidsje over Brussel en de hardcover-uitgave van het mij verder onbekende London after Midnight door een koppel Engelse of Amerikaanse toeristes dat behalve de twee zetels waarop zij zelf waren neergezegen ook nog de twee zetels naast zich met hun reiskoffers hadden bezet, ten detrimente van de forenzen en reizigers die geen zitplaats vonden (telkens er een door het gangetje passeerde, lazen de twee dames naarstig voort, of deden ze toch alsof); een spannend uitziende paperback door het iets van Kate Bush hebbende, melancholisch uitziende meisje tegenover mij (ik ben de titel van haar boek vergeten maar ik denk dat het woord 'Crown' er in voorkwam en ze was nog niet zo vergevorderd - ik bedoel zij, het meisje, in dat boek); en ten slotte, door de man die naast mij aan het raam zat, door nauwelijks een streep lucht van mij gescheiden, een tijdschrift met daarin artikeltitels als 'CorruPSion', 'VRT-manipulatie', 'Moslims drijven de spot met Onze-Lieve-Vrouw', enzovoort. Die man zag er keurig uit, hij had een keurig pakje aan en had een keurige koffer - en hij las dus een tijdschrift dat tegenwoordig blijkbaar ook voor keurig kan doorgaan. Zelf las ik - 'Nooit werd iets mooiers in onze hele Noord- en Zuidnederlandse literatuur geschreven' (L.P. Boon) - Mene Tekel van Nescio:

Groot was God dien middag en goedertieren. Door onze oogen kwam Zijn wereld naar binnen en leefde in onze hoofden. En onze gedachten gingen woordeloos uit over de wereld, ver over den gezichtseinder gingen zij. En zoo vloeiden de wereld en wij beurtelings in elkaar over. Bekker zei datti z'n hart voelde uitzetten en toen ik m'n oogen dicht deed, was 't of m'n hoofd vol goud licht en blauw water was en wonderlijke rillingen gingen door m'n ruggemerg. Ik voelde daar de wereld, die om mij lag.

zaterdag 3 december 2005

Een geweldige geschiedenis

Ik heb die Ban van de Ring-dinges niet gezien maar ik kan me voorstellen dat regisseur David Cronenberg met steracteur Viggo Mortensen (Aragorn in de Ban-triologie) een citaatgrapje aan het uithalen is wanneer onze vermoeide en verwonde held Tom Stall ergens achterin A History of Violence op zijn knieën neerzijgt bij de kasteelvijver van zijn broer zaliger om er na een nachtje moorden met fris kasteelvijverwater het zweet van zijn slapeloze kop te spoelen en het gapende kogelgat in zijn schouder uit te wassen – ik zie het immers zó voor me: Aragorn die, omringd door zeven kuise elfen, in een waas van glinsterende mist en met in het gras zéér scherp in beeld gebrachte dauwdruppels, zich – met een louterend strijkje van een 150-koppig orkest op de achtergrond – vermoeid over een plas buigt en zijn spiegelbeeld, waarin hij eerst, een katharsis ondergaand, een tijdje heeft zitten staren, met dorstige handen doet uiteenrimpelen omdat de drang naar helend water in hem niet te stuiten is (gevat in een ranke ranonkel flikkert onder het wateroppervlak de ooit aan de klauwen van de golem ontglipte ring die onzichtbaar maakt, maar dat ziet onze held niet etcetera – achter de heuvels grommelt inmiddels de vulkaan waarin de smordors hun gruwelijke wapens aan het smeden zijn).
Maar dat terzijde. Mortensen is terug zichzelf in A History of Violence, dat wil zeggen, hij mag weer gewone mensen spelen. En hij doet dat niet slecht. Ik zag dus die film en hier volgt wat ik daarover te melden heb binnen het bestek van een weblogbijdrage, dat wil dus zeggen: kort en gecondenseerd en niet met van die Ban van de ring-wijdlopigheid die ik hierboven beoogde te persifleren maar dat had u al begrepen.
Over het verhaal van A History of Violence verklap ik niets – dat is spannend genoeg en ik wil het spannend houden voor u. Wel vraag ik me af waarom ik al die opengereten kogelwonden en uit elkaar gespatte facies moet zien – heb ik de voorbije jaren iets gemist misschien, blijkbaar is de filmtaal van enig opbod op dat vlak niet gespaard gebleven.
Wat ik wil zeggen is dit: A History of Violence hinkt op twee benen – en ik zou het tamelijk geniaal vinden van de regisseur als hij ook dát, ik bedoel dat hinken, zou geregisseerd hebben. De plot is zo spannend en de geweldscènes zo bloederig in beeld gebracht, dat het karikaturaal wordt. Een ongewapende en gewonde man hakt met handen en voeten drie zwaarbewapende boeven in de pan. Of: man betreedt met voor zich uit gestrekte armen en in beide vuisten een blaffer gekneld een kamer en zwiept dan links-rechts als een klapdeur op zijn as om de hele ruimte in één opslag van zijn arendsoog op vijanden te screenen etcetera. Zo’n zaken werken uiteraard op de lachspieren, in die mate dat we niet mogen uitsluiten dat het Cronenbergs bedoeling is geweest om het pief-poef-paf-genre te persifleren. Te meer daar we op het eind van de film (held komt moe van het moorden thuis en wordt opnieuw in zijn gezinnetje opgenomen, dochtertje van zes staat op om moeë paps een bord te geven…), een werkelijk hilarisch pathetisch-melodramatische close-up van moederlief te verwerken krijgen, waarbij je zelfs even denkt dat ze, in plaats van de betraande mengeling van wanhoop en nog aarzelende bereidheid tot toenadering in één expressieve grijns samen tot uitdrukking te brengen (wat ze min of meer doet), in een bevrijdende lach zal uitbarsten – zo van, haha, toeschouwer, het is allemaal een klucht-van-hier-tot-ginder, we hebben u bij uw pietje.
Dat is het ene been: dat het zo serieus is allemaal, dat je op de duur niet weet of het niet om te lachen is. Het andere been waarop de film ‘hinkt’ – hoewel, hinken is niet echt het juiste werkwoord, ’t is echt wel fier rechtop stappen, bijna schrijden zelfs – het andere been dus is dat Cronenberg en passant er toch wel in slaagt een paar doordenkertjes met filosofisch gehalte op te roepen. Over hoe het kwaad zich doorzet van generatie op generatie, bijvoorbeeld. Of hoe je iemand nooit helemáál kent en dat elk contact altijd minstens gedeeltelijk op leugens berust.
Niet het plot, niet de acteerprestaties, niet hoe het allemaal in beeld is gebracht maken A History of Violence tot een memorabele film – ik ben geen specialist in het genre, maar ik vermoed dat het allemaal niet veel méér is dan ‘goed gedaan’. Wel dat ‘op twee benen hinken’: dat je uitgenodigt wordt om zowel te gruwen als te grijnzen, en dat je tijdens het naar huis fietsen toch een paar doordenkertjes blijkt te zitten herkauwen.

vrijdag 2 december 2005

Droom #6

Ik ga huis-aan-huis voor de verkoop van 11-11-11. De aan elkaar palende huizen zijn gevelloos, ik stap zo de keuken binnen en druk daar dan de belknop in, die telkens boven het aanrecht hangt. In vele huizen is de afwas niet gedaan en ligt het aanrecht vol met vieze borden en bestek. Meestal is er niemand thuis en wordt er niet open gedaan. (Wat geen steek houdt want er is niets om open te doen, en ik sta al binnen.) Wat ik te verkopen heb? Pilletjes. Kleine, witte, eivormige zelfmoordpilletjes. Ze lijken wel wat op tictacs. Ook al is er niemand om mij ervoor te betalen, ik leg er telkens eentje in een koffielepel alvorens het pand te verlaten. Ik stap in mijn auto, en rijd enkele meters vooruit naar het volgende huis.